Hang aan de lichtstralen

Cornelissen Tirade-blog afb 3 IMG_1596 (004)Vandaag was ik bij het afscheid van Wilbert Cornelissen. Hij is vrijdag 19 oktober overleden. Hij publiceerde onder meer drie poëziebundels en schreef blogs voor Tirade.nu, onder de titel ‘Klein landschap’.

Hij was een dichter die misschien meer geïnteresseerd was in het proces van het dichten dan in het eindproduct. ‘Als je iets afmaakt, ben je kwijt waar je in wilde zijn.’ Van 2007 tot en met 2016 schreef hij gedurende tien jaar elke dag een gedicht, 3714 in totaal. Hij deed dit onder het heteroniem de Mottenfokker (nachtvlinderkweker). Een van zijn bezigheden naast dichten, dansen en denken was insecten bestuderen. Zo hield hij enige tijd een mierenleeuw als huisdier, die hij ieder dag vijftien levende mieren voerde. Ook was hij de eigenaar van een aquarium met rupsen die hij bestudeerde.

Een selectie van die 3714 gedichten verscheen in de bundel Elke dag een / proefsleuven bij De Arbeiderspers. Hierin probeert Wilbert Cornelissen ‘de geest van de beginnende poëzie te vangen. Want daar komt het elke dag een gedicht schrijven wel op neer. Enerzijds is er de zelfopgelegde discipline, anderzijds de dagelijkse sprong in het ongewisse, het diepe.’

Bij mijn binnenkomst in de circuswerkplaats klonk er luide dansmuziek. De doodskist stond open en bleef dat tijdens de hele ceremonie. Wilbert vond dat je de dood niet moet verhullen. Het was de eerste dode die ik zag van wie er een oog open en een oog dicht was. Proberen te geloven dat hij gewoon sliep was hierdoor onmogelijk. Op en rondom zijn lichaam lagen een deel van de meegenomen bloemen. De mensen stonden, zaten op stoelen of gymbanken en luisterden naar de vele sprekers; de klimtouwen waren in de lucht geknoopt.

In een van zijn blogs schreef hij: ‘Ik ben eraan gewend altijd wel een deel van mijn lichaam te zien, ergens onder in het beeld als een soort van ondertiteling. Ernst Mach heeft daar een schets van gemaakt. Ik gebruik het lichaam vooral als een gereedschap, een middel tot een doel. Wanneer ik in de spiegel kijk, lijkt dat even een doel op zich te zijn, want een gezicht staat zo op zichzelf, is zo versmolten met wie en wat ik ben dat ik er niet zo snel een functie voor kan verzinnen. Het ultieme wat ik kan bereiken, besef ik nu, is zo volledig mogelijk op te gaan in de wereld.’

Hij is door zijn geliefde met een bakfiets naar het Crematorion op Zorgvlied vervoerd, gevolgd door de rouwstoet. Zijn reisadvies: ‘Hang aan de lichtstralen zodat je niet te ver afdrijft.’

Anja Sicking is schrijver en redacteur van Tirade.

"Foto van Anja Sicking"
Anja Sicking

Anja Sicking schrijft romans en essays. In haar laatste boek, De visionair, onderzoekt ze via de verbeelding
hoe de toekomst eruit zou kunnen zien.

In de Oorshop

Hans en Hanna

HannaIn de Tweede Wereldoorlog zat Hans Keilson lange tijd ondergedoken in Delft, maar dat betekende niet dat hij permanent binnen vier muren bleef. Hij zag er niet stereotiep Joods uit en had een vervalst persoonsbewijs op naam van een zekere Van der Linden, zogenaamd geboren in Semarang. Met dat persoonsbewijs op zak de deur uitgaan – hij waagde het erop. Dankzij zijn oorlogsdagboek weten we dat hij in de trein en de tram stapte en onder andere in Amsterdam, Den Haag en Utrecht bezoeken aflegde.

In opdracht van een verzetsgroep ging hij langs bij onderduikers die het moeilijk hadden, bijvoorbeeld doordat ze met te veel mensen in kleine ruimtes moesten leven. Hij fungeerde als luisterend oor. Begin 1944 werd hij naar de familie Bakker gestuurd, ook in Delft, die in hun arbeiders-rijtjeshuis soms zeven tot acht onderduikers onderdak bood. Een van hen was de 22-jarige Hanna Sanders, dochter van een Rotterdamse advocaat. Een professioneel luisterend-oor-contact werd het niet, maar wel: liefde. Zelfs tamelijk heftige liefde, die zich vertaalde in poëzie: Hans schreef 46 sonnetten voor zijn Hanna. Allemaal in zijn moedertaal Duits, wat hem soms zwaar viel omdat het tenslotte ook de brul-taal van de nazi’s was. Een van de sonnetten gaat over dit probleem. In dezelfde tekst staat meteen de oplossing: Hanna leest Hans voor uit zijn eigen gedichten en dan legt de mooie klank van haar stem zich over de Duitse woorden.

De liefde zou geen standhouden. Hans wilde terug naar zijn ‘officiële’ vriendin Gertrud in Naarden, en naar hun dochtertje Barbara. Vermoedelijk ondernam hij rond kerstmis 1944 per fiets met houten banden de tocht van Delft naar het Gooi.

Keilson heeft maar tweeënhalf sonnet aan de openbaarheid prijsgegeven. De rest van de teksten is pas na zijn dood (hij stierf in 2011) in een kartonnen doos teruggevonden door zijn weduwe Marita. Op haar verzoek heb ik ze allemaal in het Nederlands vertaald onder de titel Sonnetten voor Hanna (2016). Ik kwam daarmee terecht in de intimiteit van twee mensen, ‘huid aan huid’, zoals in een van de gedichten staat, die leefden tussen de twee uitersten van doodsgevaar en liefde.

Hanna Sanders was, dat blijkt uit brieven, nogal van streek doordat Hans uiteindelijk niet voor haar koos. Ze zag het niet meer zitten en deed een zelfmoordpoging. Er was in haar directe omgeving nog meer ellende. Een broer van haar werd in Auschwitz vermoord en haar vader kon daar maar niet overheen komen; als een ‘izegrim’ zat hij thuis voor zich uit te staren.

In 1946 ontmoette Hanna een andere man, Chanan Hoffman, die al in Palestina woonde. Ze trouwde met hem en begon aan een nieuw leven in het Beloofde Land. Er kwamen twee kinderen, Yoram en Vardit.

In november 2016 hebben weduwe Marita Keilson en ik de twee kinderen van Hanna en Chanan ontmoet. Ze waren overgekomen uit Israël en wilden graag het onderduikadres van hun moeder zien. Dat hebben we voor ze geregeld. Ook het onderduikhuis van Hans Keilson hebben ze bezocht. De 46 sonnetten kenden ze niet, evenmin als het Dagboek 1944 van Hans Keilson, waar Hanna volop in voorkomt en waarin je de ontwikkelingen in hun liefdesverhouding kunt volgen. Het grote struikelblok was de taal: Yoram en Vardit kenden geen Nederlands of Duits. Inmiddels bestaat er een Engelse vertaling van zowel de sonnetten als het dagboek, en hebben ook de twee kinderen van Hanna eindelijk zicht gekregen op wat zich destijds in Delft heeft afgespeeld. ‘Poor little Hanna,’ zei Yoram over zijn moeder toen hij alles had gelezen.

Jos Versteegen (1956) schreef zeven dichtbundels, waarin hij zich vooral liet inspireren door zijn familie en zijn jeugd in Limburg. Voor zijn debuutbundel werd hij genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Zijn meest recente bundel is Woon ik hier, met herinneringen van oude mensen. In 2016 publiceerde hij zijn vertaling van de Duitse gedichten die Hans Keilson in 1944 in de onderduik schreef voor een geliefde: Sonnetten voor Hanna. Jos Versteegen werkt sinds begin 2017 aan de biografie van Hans Keilson.

"Foto van Jos Versteegen"
Jos Versteegen

Jos Versteegen (1956) schreef zeven dichtbundels, waarin hij zich vooral liet inspireren door zijn familie en zijn jeugd in Limburg. Voor zijn debuutbundel werd hij genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Zijn meest recente bundel is Woon ik hier, met herinneringen van oude mensen. In 2016 publiceerde hij zijn vertaling van de Duitse gedichten die Hans Keilson in 1944 in de onderduik schreef voor een geliefde: Sonnetten voor Hanna. Jos Versteegen werkt sinds begin 2017 aan de biografie van Hans Keilson.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

De achter-uitgang

In het boek Moresnet schetst ‘historisch journalist’ Philip Dröge een mooi beeld van hoe na de overwinning op Napoleon op het Congres van Wenen in 1815 de grenzen van Zuidoost-Nederland werden getekend. Er werd, tussen de feesten en partijen door, besloten om het nieuwe Koninkrijk der Nederland net zo ver ten oosten van de Maas te laten doorlopen als één kanonskogel kon reiken – zo konden de Pruisen voortaan geen schepen op de rivier aanvallen.

In de zomer van 2016, met wat vrienden fietsend in dit gebied, bedacht ik me hoe fijn die strategische ingreep eigenlijk heeft uitgepakt voor het hedendaagse Nederland: aan de smalle Noord-Limburgse oostoever van de Maas liggen een aantal fijne dorpjes (Arcen, inclusief kasteel) en mooie rivieroevers. Van Nijmegen afdalend naar Roermond volgt hoogtepunt op hoogtepunt, soms onder de wat drukkende rook van forse Duitse wouden net over de grens, bij vlagen tussen duidelijk verkeerd gelokaliseerde plaatsjes met namen als Siebengewald.

Het interessantste punt is echter achter Roermond, daar waar de grens een  idiote kronkel maakt, als een wijsvinger aan een hand die de weg wijst naar Duitsland. Dat gebeurt allemaal op een véél grotere afstand van de Maas dan één kanonskogel. Er woont niemand, er ligt geen dorp. Wel vind je er het grote, afgelegen Nationaal Park de Meinweg – befaamd om zijn terrassenlandschap, de enige plek in Nederland waar je op subtiele laagjes steeds hoger kan klimmen.

Niet dat het een erg populair natuurgebied is – ik ben nog nooit iemand tegengekomen die er geweest is. Volgens mij vind je er op een zaterdagmiddag alleen Roermonders.

Een tijdje terug probeerde ik uit te zoeken hoe het kan dat deze vinger zo diep Duitsland in steekt. Het bleek de oude grens te zijn van het onbeduidende vorstendommetje Melick en Herkenbosch, dat al ver voor de Napoleontische tijd deze vorm had. Het had de laatste eeuwen bij Pruisen gehoord, maar werd na Wenen in 1817 geruild voor wat andere stukken land. Zo werd de afstand tussen Pruisen en de Maas op dit punt wat groter.

Een fraai staaltje ironie: wat we uitroepen tot onze nationale natuurtrots, eindigde min of meer per ongeluk in Nederland na wat onduidelijk politiek gekonkel. Het bescheiden terrassenlandschap van de Meinweg wordt geëerd, maar volgens mij vooral omdat we het verder nergens hebben. Aan de Duitse kant overwégen ze niet eens de Nationaal Park-status aan de vele soortgelijke delen van het grensgebied te geven – precies, zoals ik hier eerder schreef, als bij het Drielandenpunt: daar kijken de Duitsers niet naar om. Ze hebben er wel meer van.

Voor Nederland geldt: hoe minder natuur je hebt, hoe sneller je onder de indruk bent. Een probleem lijkt me dat in geheel niet; de Meinweg is een fantastisch gebied, waar ik veel vaker te vinden zou zijn als het wat makkelijker te bereiken was.

Dat komt ook omdat de drie ‘treden’ van de terrassen een amusant snijvlak vormen van een handvol vreemde voetnoten uit de Nederlandse geschiedenis. Terwijl je op het trapje de Lage Landen langs de achter-uitgang uitklimt, passeer je, op maar een paar vierkante kilometer, een aantal schijnbare onbenulligheden, die echter de indruk geven dat dit gebied een grotere invloed heeft gehad op de geschiedenis dan je zou verwachten van een onbewoonde Limburgse uithoek.

– Op 30 meter hoogte kronkelt mysterieus de verlaten IJzeren Rijn-spoorlijn zich door de Meinweg – ooit dé verbinding tussen het Roergebied en de haven van Antwerpen, nu – tot frustratie van België – onberijdbaar, begroeid, verwaarloosd. Of er Nederlandse sabotage in het spel is blijft altijd wat vaag; in ieder geval moeten de Belgen nu met hun goederentreinen volledig om Nederland rijden. De Meinweg blijft dus geruisloos. (Op dit niveau, iets buiten het nationale park, staat ook een van ’s werelds belangrijkste achtbaanfabrikanten, Vekoma. Een proefopstelling torent boven het slaperige dorpje Vlodrop uit).

– Iets hoger, op 70 meter: na The Beatles in India rond 1967 transcendentale meditatie te hebben bijgebracht besloot Maharishi Mahesh Yogi zich in 1992 te vestigen in een voormalige kloostercomplex in het park. Na zijn dood worden hier op een enorm complex nog steeds cursussen gegeven. Er zijn inmiddels diep, diep in het bos meerdere gebouwen in Indiase architectuur te vinden.

– Op 78 meter: De Staatsmijn Beatrix was de laatste mijn die in Nederland werd gebouwd, op tientallen kilometers afstand van het traditionele Zuid-Limburgse steenkolenbassin. Pas in 1954 ging men hier graven, maar in 1962 werd de aanleg alweer stilgelegd: het was inmiddels duidelijk dat aardolie en aardgas de nieuwe energiebronnen zouden worden. In de jaren ’80 maakte een duikschool nog een tijdje gebruik van de schacht, maar die ging al snel failliet. Aan de linkerkant van de weg resteert nu een duister omheind terrein, al jaren verlaten.

Je zit op dat moment al eigenlijk op het Duitse plateau, nog net in de nagel van de vinger. De bewoonde wereld van Nederland ligt al ver achter je, de bomen zijn verdwenen, de grond is weer vlak. Voor je spreidt de Bondsrepubliek zich met een typisch windmolenlandschap kilometers ver uit, subtiel weer aflopend naar de Rijn, alsof je net een bergpas bent overgegaan – een betere entree moet zich nog aan mij aandienen.

—-

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994) is freelance journalist. Momenteel is hij correspondent Noord-Nederland bij NRC Media en volgt o.a. de ontwikkelingen rond de gasproductie in de provincie Groningen.

"Foto van Milo van Bokkum"
Milo van Bokkum

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.

Het verzet

De meeste van mijn vrienden hadden jaren voordat ik ze had al kinderen, en wat me in die tijd opviel was dat ze vooral klaagden.

Ze beschreven hun gezinsleven als het voeren van een klein en overspannen bedrijf, en aan hun koppen was te zien dat ze meer dan klaar waren voor een vroeg pensioen.

Toen ik dit een keer tegen vriend Jochem zei, leek hij te schrikken. Hij zette zijn bier weg en gebaarde dat ik met hem mee moest komen, het drukke café uit.

‘Dat is stom van ons,’ zei hij. ‘We zijn onder elkaar en dan wordt de liefde die zo’n kind meebrengt bekend verondersteld: dat is de basis. Gaan we samen uit, dan klagen we vooral.’

Ik nam me voor het anders aan te pakken, maar doe exact hetzelfde; wissel blikken van verstandhouding met de ouders op het schoolplein, verberg mijn kateradem in mijn sjaal en praat mee over de zware nachten, over racen door de stad om alle sportclubjes op tijd te halen.

Een vorm van verzet, lijkt het. We kunnen maar niet accepteren dat we zoveel moeten, weinig tijd voor onszelf hebben. Als de schoolbel gegaan is en ik op de fiets stap om aan mijn werkdag te beginnen, valt er een last van mijn schouders. Het enge is: die last heeft misschien wel hetzelfde gewicht als waarover ik het vorige week nog had.

Ik weet dat in deze stukjes veel over de liefde voor mijn kinderen te lezen is, maar die beleef ik vooral intens bij het schrijven ervan, wat ik doe als Nadim en Ada slapen.

Zou het niet andersom moeten zijn? Zou ik me niet juist op moeten laden aan hun aanwezigheid; aan deze jaren waarin ze me nog zo nodig hebben en we samenzijn op een manier die heel erg eindig is?

‘Zie het dan,’ lijken onze kinderen te zeggen met hun kakluiers en jamwangen, hun sloophandjes en de duizenden gevaren waarmee ze ons hartverlammingen bezorgen. ‘Verzet is zinloos, het maakt je alleen maar ongelukkig.’ 

En de hardste, de hartebreker die nooit zijn doel mist: ‘Je gaat spijt krijgen van elk moment waarop je voor jezelf koos.’

_____________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Van Westerbork naar Palestina?

‘Max en Else Keilson – ja, hier zijn ze.’ De man van het Rode Kruis in Amsterdam heeft de twee namen gevonden in de cartotheek van de Joodse Raad. Er staat iets bij: ‘16. 11 Auschwitz’. Hun deportatiedatum. De man lijkt wel blij, schrijft Hans Keilson later, dat hij mij zulke goede service kan verlenen.

Het is zomer 1945. Door de inlichtingen die hij heeft gekregen, weet Hans Keilson vrijwel zeker dat zijn ouders dood zijn, maar tegen beter weten in blijft hij denken dat vader nog in leven zou kunnen zijn. Moeder leed aan een darmziekte en was broodmager toen ze naar Westerbork moest. Voor haar is er zeker geen hoop meer. Keilson zegt het niet, maar zelf denk ik soms: misschien is ze onderweg naar Auschwitz overleden.

In het stadje Bad Freienwalde hadden de ouders een textielwinkel, die voor de Eerste Wereldoorlog goed liep. Maar Max moest naar het front in Noord-Frankrijk en in de verkoop kwam de klad. De naoorlogse mega-inflatie en later de economische wereldcrisis deden de zaak uiteindelijk de das om. Het echtpaar verhuisde naar Berlijn en probeerde daar de touwtjes aan elkaar te knopen. Ze hadden een huurder, voor wie Else ook de was deed. Vader knapte huishoudelijke karweitjes op bij vrienden, zoals ramen lappen en kleedjes uitkloppen. Vernederend voor een man die ooit eigen baas was. Moeder klaagt dat ze al vier jaar geen nieuwe hoed heeft kunnen kopen, vader lijkt niet eens ontevreden. Lange tijd draagt hij hetzelfde nette pak, al ziet hij na een tijdje wel in dat zijn rode das z’n beste tijd gehad heeft. Af en toe eten ze bij de Jüdische Reformgemeinde, in een zaal met honderdvijftig mensen. De maaltijden zijn daar goed en goedkoop. Hoe eenvoudiger en kleiner het leven van Max en Else wordt, hoe meer ik met ze te doen heb.

Wanneer tijdens de Kristallnacht in november 1938 in heel Duitsland synagoges in vlammen opgaan en Joodse winkels worden vernield, is de schok enorm – zeker ook bij Hans, die inmiddels twee jaar in Nederland zit. Hij weet gedaan te krijgen dat zijn ouders toestemming krijgen om naar Nederland te komen. ‘Wir sind wieder Menschen,’ verzucht vader in een brief aan zijn dochter in Palestina als ze eenmaal in Holland zijn. Zijn vrouw en hij zijn niet alleen opgelucht dat ze niet meer hoeven te leven in een sfeer van fel antisemitisme, ze genieten ook van simpele dingen als boter, eieren, fruit en goede koffie.

Als de oorlog uitbreekt en in de loop van de tijd de maatregelen tegen de Joden strenger worden, besluiten de ouders niet onder te duiken. Door de ziekte van moeder gaat dat niet en vader wil haar niet in de steek laten. In 1943 worden ze opgepakt en naar Westerbork gebracht, waarschijnlijk per auto: het transport van Naarden naar Drenthe gebeurt ‘netjes’.

Er komen enkele korte brieven en kaarten uit Westerbork. Het is aandoenlijk dat Max rode tulpen naar zijn vrouw in het kampziekenhuis komt brengen op haar verjaardag. En het is verschrikkelijk om te lezen hoezeer ze zich allebei vergissen. Het feit dat hun dochter in Palestina woont geeft ze het recht, denken ze, om naar dat land te reizen: ze staan op de nominatie voor een zogeheten Palestina-certificaat. Max Keilson vraagt het voor de zekerheid allemaal nog eens na bij de Joodse Raad, die kantoor houdt in Westerbork. Alles is in orde.

Op een dag wordt de Palestina-lijst plotseling ongeldig verklaard, waarschijnlijk omdat een van de deportatietreinen anders niet vol komt. Op dinsdag 16 november 1943 om half zeven in de ochtend moeten Max en Else vertrekken. Het is koud: die nacht heeft het een halve graad gevroren. Tot in de zomer van 1945 hoort Hans Keilson niets meer over zijn ouders.

JosJos Versteegen (1956) schreef zeven dichtbundels, waarin hij zich vooral liet inspireren door zijn familie en zijn jeugd in Limburg. Voor zijn debuutbundel werd hij genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Zijn meest recente bundel is Woon ik hier, met herinneringen van oude mensen. In 2016 publiceerde hij zijn vertaling van de Duitse gedichten die Hans Keilson in 1944 in de onderduik schreef voor een geliefde: Sonnetten voor Hanna. Jos Versteegen werkt sinds begin 2017 aan de biografie van Hans Keilson.

Mondriaan in Flevoland

Er is maar één provincie waarvan ik lang heb gedacht dat het handig is om je er per auto te verplaatsen. In Nederland volstaat meestal de fiets – met hulp van de trein – als ideaal exploratiemiddel, maar in Flevoland gelden andere regels. Als alle normale verhoudingen tussen afstand, vegetatie en bebouwing verwrongen worden, vraagt dat wellicht ook om ander vervoer.

In 2012 besloot ik impulsief naar een kennis te fietsen in Biddinghuizen. Dat eindigde in een vrij dramatische Odyssee. Uitgedroogd en verbrand stond ik met mijn stadsfiets op het exacte midden van de Flevopolder, op de kruising van de Vogelweg en de Reigerweg, met nog een flink aantal kilometers te gaan.

De bijna uitgestorven Vogelweg bleek dertig kilometer lang geen bewoonde wereld te doorkruisen. Voor en achter me lag een groene woestijn van bijna Amerikaanse allure, het enige gebied in Nederland waar je in je auto veilig de cruise control kan aanzetten.

(Overigens biedt de trein ook iets van een alternatief om de vijandigheid te lijf te gaan: op de Hanzespoorlijn zie je het – zoals zo vaak in Nederland – meteen. Komend vanuit Overijssel, door de tunnel, zijn alle boompjes, coulissen en huizen meteen verdwenen. De beweging van het windmolenleger slaat in eerste instantie valselijk over op de rest van het landschap: even denk je dat er van alles gebeurt.)

Mijn favoriete Zomergasten-moment stamt van twee jaar terug, toen ik ademloos naar de tv keek terwijl landschapsarchitect Adriaan Geuze uitlegde hoe de Flevopolder in feite een abstract Mondriaanschilderij is. Het midden is bijna geometrisch perfect ‘vrijgemaakt’, de randen zijn opgevuld met plaatsen als Almere en Zeewolde.

Dat maakt het binnenland handig voor de landbouw. Maar het creëert als bijeffect een bijna cynisch, gedisciplineerd, zwijgend, tuchtig landschap, waar alle menselijkheid uit verdwenen is, als een Bordewijk-klaslokaal. Als Dostojevski schrijft dat Sint-Petersburg de meest opzettelijke stad ter wereld is, dan is de Flevopolder het meest opzettelijke landschap.

Of is dat de verkeerde blik? Is het nog wel een landschap als niets aan het toeval is overgelaten, als het helemaal niet ‘bedoeld’ is als landschap? In het kleine boekje Recht door Zee van Maarten Metz – een van mijn helden – doet de relatief onbekende auteur verslag van een aantal nachtelijke voettochten over rechte paden naar het middenin Flevoland gelegen landschapskunstwerk Observatorium van Robert Morris. Het is een knettergekke onderneming waarbij Metz bij vlagen al lopende bijna in slaap valt. Een enkele keer denkt hij luchtspiegelingen waar te nemen.

Metz neemt Flevoland van begin af aan eigenlijk niet serieus. Hij ziet de provincie – en de onbewuste echo naar Mondriaan mag duidelijk zijn – als één groot abstract landschapskunstwerk, een uitnodiging aan de kijker om met het gebied te interacteren en om er jezelf te onderzoeken. Dat maakt het geheel dragelijker: mooi of lelijk wordt het niet, wel een stuk spannender.

Toen ik eerder deze zomer voor een tweede keer, zes jaar later, bij mijn kennis in Biddinghuizen langsging, pakte ik dan ook weer de fiets. Wéér eindigde ik zwetend langs een autoweg, met te weinig water op zak. De bomen boden niet genoeg beschutting, mijn huid vocht tegen verbranding. Maar ook was er voor het eerst die ongewone sensatie: de zeldzaamheid van bewegen ín abstractie, het op pad zijn in symmetrie.

—-

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994) is freelance journalist. Momenteel is hij correspondent Noord-Nederland bij NRC Media en volgt o.a. de ontwikkelingen rond de gasproductie in de provincie Groningen.

"Foto van Milo van Bokkum"
Milo van Bokkum

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Julia Buijs"
    Julia Buijs

    Julia Buijs is theater- en filmschrijver en manusje van alles. Deze zomer studeert ze af aan de opleiding Writing For Performance aan de HKU, met het scenario voor een bemoedigende animatiefilm over een station waar het altijd regent en niemand een gezicht heeft. Met dit en haar toekomstig werk wil ze proberen de lezer stil te laten staan, adem te laten halen en zichzelf en anderen te omarmen. Haar teksten zijn fantasierijk, gelaagd, experimenteel en persoonlijk. Ze werkt door middel van sprokkelen, puzzelen en plakken en gelooft binnen vijf jaar een eigen genre gecreëerd te hebben. Verder zal je haar kunnen vinden als vleermuisveldwerker, regisseur, festivalprogrammeur, creatief producent, saunameester, kinderboekenschrijver en juist ook voorloper van de ‘Kinderlijke’ Verhalen voor Volwassenen.

  • "Foto van Sybren Sybesma"
    Sybren Sybesma

    Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

  • "Foto van Dünya Calikci"
    Dünya Calikci

    Dünya Calikci (28) is een echte Amsterdammer en schrijver pur sang. Als student aan de opleiding Writing for Performance aan de HKU schrijft ze rauw, eerlijk en realistisch – altijd dicht op de huid. Haar werk draait om echte mensen en hun verhalen, zonder opsmuk of filter. Dünya zoekt de kwetsbaarheid op en vangt het alledaagse in woorden die blijven hangen.