De vrijheid van sufgerukte willies

In de NRC-Volkskrant-Geenstijl controverse ligt voor mensen met meer dat twee hersencellen de voorkeur voor de hand, maar mijn empathie geldt in zekere zin ook de sufgerukte willies die op hun zolderkamertjes naast het mos van de modelspoorbaan op hun computer die buitensporige hufterigheid aan het etaleren zijn, terwijl de lucht van mama’s groene kool onder de deur doorsijpelt en er zich transpiratiedruppeltjes rond hun vlasharen snorretjes vormen. Deze jongens zijn gevangenen, van hun moeder, of van een vrouw die van niets weet. Haat heeft zich gevormd uit de onvrijheid die ze voelen.

‘None of us are free’ zong Solomon Burke met de Blind Boys of Alabama. ‘There are people still in darkness and they still can’t see the light.’

Een wezenlijke onvrijheid is de algemeen menselijke conditie: je zit altijd ergens in vast. Dit maakt kampliteratuur zo aantrekkelijk: de beperkingen zijn helder, wat de mens ondergaat en hoe hij erop reageert is steeds anders.

Mijn gevangenisfascinatie begon met Papillon van Henri Charrière. Wat een boek vond ik dat! Latere hoogtepunten zijn Varlam Sjalamovs Berichten uit Kolyma en Gustav Herlings Een wereld apart. Ook Levie de Lange zijn Het verhaal van mijn leven is prachtig.

Van Oorschot voegt Silvio Pellico’s Mijn gevangenissen vandaag aan deze rij toe.  Pellico zit midden 19de eeuw om politieke reden gevangen in de Spielberg in Brno, hij heeft de euvele moed gehad voor een Italiaanse eenheidsstaat te zijn en heeft zo de Oostenrijks-Hongaarse machthebbers ontriefd. Zoals in veel gevangenisboeken is het moreel van de hoofdpersoon ongelofelijk.  In moeilijke situaties zozeer wellevendheid hoog in het vaandel houden, zo goed blijven nadenken en de waarde van leven blijven inzien is als een hap frisse lucht in een bedompte kerker. Het is een monument dit boek, leerzaam voor wie gevangen zit, waarin dan ook. Tegelijkertijd bladerde ik wat in die andere gevangen Italiaan: Marcus Aurelius, die in de tweede eeuw gevangen zit in zijn taak: keizer te zijn, en zijn intens ascetische taakopvatting. Het is op zijn beurt verbluffend dat deze man zijn Persoonlijke notities schreef in een tent in Germania. Dit boek gaat over onvrijheid, en wat ermee te doen. Het deelt met Pellico een soort hoge opvatting over wat je zou kunnen voelen en denken ongeacht de situatie die in alle tijden een handvat blijft, een ruggesteun, een ijkpunt.

[13] Heb je een redelijk verstand sufgerukte willies? Jawel. Waarom gebruik je het dan niet. Want als dat zijn werk doet, wat wil je dan nog meer?

(gecursiveerde invoeging van mij.)

(vertaling Marcus Aurelius door Simone Mooij Valk, de vertaling van Pellico is van Patty Krone en Yond Boeke)

——-

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade. Schreef hier eerder over Vastzitten

 

 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Een begin #4

 

Zeven dagen zal de regen neerkomen op het dorp. Het land zal tot een spiegel worden en op de muren van de benedendijkse huizen zullen zich manshoge golven van opgetrokken grondwater aftekenen. Het meisje dat in het tuinhuis woont zal beginnen te hoesten in bed en haar moeder, die met het droevige gezicht en de donkere krullen, zal bij haar kruipen om haar warm te houden. De oude man op nummer 8 zal merken dat zijn ogen voor het eerst sinds lange tijd tranen en het vocht met trillende vingers van zijn wangen vegen.

Het stel dat zo lang verbouwd heeft aan het pand op nummer 4 zal naar de stijgende spiegel in hun achtertuin kijken en niet uitspreken wat het inmiddels weet: na het verwijderen van de laatste roestige spijker en het sluitend maken van een voordeur die sinds 1870 niet meer open kon bleef wreed licht – als dat van een bouwlamp – schijnen op een achterstalligheid die dieper ligt dan de houten palen van de fundering, ouder is dan de aankoop van het huis.

De uitbater van de kerk, die bij daglicht lacht om het hardnekkige bijgeloof van de zeven dagen regen, zal niet meer kunnen slapen. Hij zal de radio, de tv en alle lichten in huis aanlaten; in een hoekje van zijn keuken hunkeren naar de armen van zijn al jaren overleden moeder. Met zijn voet zal hij haar stoel laten schommelen, en dromen van haar stem. Het liedje dat ze altijd voor hem zong als een mantra: terug, terug, terug.

De aannemer zal tot aan zijn enkels in het water voor zijn kantoor aan de laagste kant van het dorp staan en zijn hoofd schudden. Zijn vrouw zal hem niet meer binnen roepen. Een trilling zo subtiel dat alleen de dieren die in de grond leven hem gewaar zouden moeten zijn zal zich aan hem kenbaar maken; door de zolen van zijn bouwlaarzen heen zal de aannemer het voelen en merken dat de bel van zijn interne waterpas buiten de middenstrepen neigt. Hij zal hurken en naar zijn weerspiegeling kijken. Zijn gezicht zal in schaduw gehuld zijn, de kegel van zijn sigaret een gloeiend oog.

En ik zal waken over het dorp, dicht bij haar inwoners blijven. Mijn stem zal helder zijn, niet breken tot het laatste woord is uitgesproken. Trouw zal ik verslag doen van die laatste dagen, omdat mijn aard me dat gebiedt. Saevis tranquillus in undis. Rustig te midden van woelende baren.

____________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Stickers in de stad

Toen ik laatst na een fietstocht door de polder Amsterdam weer in reed, viel het me opeens op: de stad hangt vol met stickers. Ze lijken het vooral goed te doen op stoplichtpalen. Prullenbakken lijken ook geliefde biotopen, net als die grijze rechthoeken die je hier en daar ziet staan, de kleine broertjes van elektriciteitshuisjes. De stickers zijn er in alle kleuren en maten. Vaak zijn de opschriften vrij duidelijk en maken ze reclame voor internetbedrijfjes of festivals. Maar soms zijn ze ook zo vaag dat je je afvraagt met welk doel ze zijn opgehangen.

Ik denk dat je de stickers in drie categorieën kunt onderverdelen. De eerste categorie zijn de zojuist genoemde stickers met een duidelijk promotioneel doeleinde. Die zijn het minst leuk.

De tweede categorie is minder eenduidig: wel bedoeld als reclame, maar indirecter. Het zijn ambigue stickers waarvoor je even de tijd nodig hebt om ze te ontcijferen. Daarom hangen deze stickers volgens mij ook zo vaak op stoplichtpalen; de gouden regel van de stickerplakker van dit type is, gok ik: plak waar men stilstaat. Een voorbeeld is een sticker die ik meerdere keren per week passeer op weg naar de universiteit. Een groen plaatje van een zorgelijk kijkende vrouw, met de tekst: trinken hilft. Daaronder een naam, waarschijnlijk van een bedrijf. De bedoeling is natuurlijk dat je dat bedrijf dan gaat opzoeken, maar dat heb ik nooit gedaan. De naam blijft me ook niet bij, maar wel de tekst.

Als het licht op groen springt zit trinken hilft soms nog even in mijn hoofd. Er zit een intrigerende dubbelzinnigheid in die tekst: waarom dat Duits, ten eerste (is het soms een wijsheid van een Duitse filosoof?); ten tweede, is het misschien ironisch bedoeld, aangezien de zorgelijke blik van de vrouw op het plaatje best van een kater zou kunnen komen; ten derde, wat doen mensen met zo’n spreuk, want ik zal heus niet de enige zijn die ‘m bijblijft. Niet dat bedrijf opzoeken, gok ik, wie heeft daar zin in; maar wie weet heeft die tekst een getroebleerde fietser verleid tot de fles.

De derde categorie, ten slotte, is de sticker die geen promotioneel doeleinde lijkt te hebben, maar puur bestaat voor zichzelf. Dit is de zeldzaamste soort. Laatst zag ik er een met het beeld van een kinderlijke tekening van een wedstrijdbeker, met daarop het nummer 3. Op een andere paal was een exemplaar geplakt met het beeld van een soort psychedelisch bankbiljet en daarop de foto’s van twee mannen, die ik niet herkende. Beide stickers suggereerden verder geen concreet doel buiten de sticker zelf.

Hoe verspreiden die stickers zich? Dwalen de stickerkunstenaars door de straten op zoek naar maagdelijke stukjes stoplichtpaal? Ik denk dat het deels willekeur is, een beetje zoals planten pollen verspreiden op de wind, of via dieren. Zo kreeg ik afgelopen zomer wat stickers van een kunstenares in New York (categorie drie). Een ervan hangt nu ergens boven de wc van een Amsterdams café. Willekeurig opgehangen, toen ik de sticker in mijn portemonnee vond, en daarna praktisch vergeten. Je zou dus na het lezen van trinken hilft in een café kunnen belanden en daar haar sticker kunnen zien. Stedelijke flessenpost.

 

Pieter Kranenborg (1994) volgt de masteropleiding Urban Studies aan de Universiteit van Amsterdam. Hij publiceerde verhalen in Tirade en Hollands Maandblad en in 2016 won hij de Hollands Maandblad Aanmoedigingsbeurs. Op 19 mei verschijnt bij Van Oorschot zijn debuut: de verhalenbundel Astronaut. https://pieterkranenborg.wordpress.com/

B

Soms maken we een goede keus zonder erbij na te denken; een op het oog minimale verschuiving van koers die na een lange reis enorme gevolgen blijkt te hebben.

Ouder worden is het krimpen van mogelijkheden, het uitharden van een leven tot haar vaste vorm. Ik lijk dezer dagen te zijn ontwaakt in wat definitief mijn leven is. Wat je ook doet als het rad vertraagt, ben je. Rien ne va plus.

Zo opgeschreven lijkt het vorderen in jaren iets kwalijks, maar hoewel twijfelen een teken van intelligentie is, heeft het nog nooit iemand gelukkig gemaakt.

Soms kijk ik naar mijn pasgeboren dochter en realiseer me dat haar trage sterven is begonnen; haar kleine rol in alles. Ik vind haar bestaan tegelijk nietig en onbevattelijk groot, op die momenten.

B, die haar naam niet in deze stukjes wil, was een van mijn eerste goede keuzes. Gevolgen van mijn relatie met haar zijn onder meer mijn schrijverschap en onze kinderen. Haar familie is tegenwoordig de mijne, en een flink deel van mijn vrienden ken ik via haar.

B heeft meer vertrouwen in de dingen dan ik; ze is minder bang. Soms vraag ik haar of het allemaal wel goed zal komen, en zij zegt dan altijd Ja.

Ik ben geen domme jongen. Ze kan niet eindeloos gelijk krijgen, noch is het waarschijnlijk dat B over meer kennis beschikt dan ik. Toch geloof ik haar.

Je moet van iemand houden om het goed te hebben hier. Dat is niet altijd makkelijk, maar moeilijker is het nog om van je te láten houden, en B kan van me houden op een manier waarvan ik niet altijd terug heb.

Maar ze is geen domme meid. Misschien ziet ze in me wat ik zelf niet zie.

En omdat B het is, geloof ik haar.

____________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Onzichtbaar (5): witheid

IMG_0186Op deze vijfde zondag eens geen fictie – ik ga ruimte maken. Ruimte voor iemand die dat ogenschijnlijk totaal niet nodig heeft en al zeker niet van mij. Want terwijl ik deze week in alle onzichtbaarheid in een grijs gebouw toespraken schreef voor een witte man, was zij overal luid en duidelijk aanwezig: Anousha Nzume, schrijver van het boek ‘Hallo, witte mensen.’ Bent u ook een wit mens, en heeft u het gemist? Dan trek ik u heel even onder uw steen vandaan om u een aanbod te doen.

Maar eerst even dit. Anousha Nzume, jarenlang voorvechtster van gelijkwaardigheid voor zwarte mensen in een door witterds gedomineerde wereld, is voor velen bekend van de zwartepietendiscussie op radio en TV. Ik kende haar daarnaast ook van de lagere school van onze kinderen – we wonen in dezelfde buurt. Op die school is Piet inmiddels gemuteerd tot een veel-kleurenpiet. En dat is veel beter zo. Beter, en long overdue.

Eerlijk is eerlijk: ik heb bij die revolutie zeker niet in de voorste linies gestaan. Sterker nog, ik was totaal afwezig. Acht jaar geleden vond ik de hele discussie zelfs nog onzin. Pas een paar jaar later begreep ik dat de Piet waarmee ik was opgegroeid, niet onschuldig was – verre van. Dat het niet feestelijk was, maar pijnlijk. Ik was een brave en goedwillende meid, maar ook: blind en kleurenblind tegelijk. Zo’n kleurenblindheid, beschrijft Anousha in haar boek, heeft twee superhandige kanten: je kunt er de ervaring van mensen van kleur heel fijn mee ontkennen, en het ontslaat je ook van de plicht je eigen witheid eens te onderzoeken.

Moet dat dan? Ja. Want aan die witheid zijn perks & privileges verbonden. Dat geldt voor u, witte lezer, en ook voor mij – ook al hebben we het in mijn geval aan het eind van de winter helaas wel over een ongezonde lijkkleur. Snappen wat gekleurde mensen in een witte samenleving doormaken – het is voor een witneus als ik nooit goed te begrijpen. Maar Anousha maakt in haar boek wel degelijk het onzichtbare zichtbaar. Ze neemt mij mee in haar perspectief en vraagt om eens te luisteren. Kop dicht en hear me out. Dat dat beter gaat via een boek dan in een gesprek, bleek tijdens een van de radio-interviews deze week, waar de witte journalist het toch weer niet laten kon: whitesplaining.

Zwart is een kleur, wit is een kleur. Waarom zag ik de mijne niet, hoewel ik toch elke ochtend in de spiegel keek? Simpel. Wit zijn heeft in deze samenleving geen real life consequenties. De zwartheid van Anousha had die wel – pijnlijk en altijd, elke dag weer, vanaf een heel jonge leeftijd, zoals ze zo mooi beschrijft in haar boek. Ik ben als witte in een witte omgeving opgegroeid en heb jarenlang in een nogal witte omgeving gewerkt. Zeker, ik leerde dat het voor mij makkelijker was dan voor mensen van kleur. Ik ging naar films die me dat perspectief bijbrachten en las er gepaste boeken bij waarvan ik onder de indruk was. Maar toch: de kennis bleef, let’s face it, een beetje theorie. Ik herinner me wel momenten dat ik voelde: he, dus dit…. verdomme. En heb ik misschien… ook een rol daarin?

Het waren zachte stemmetjes, maar ik herinner me ze wel. De verkiezing van Obama was zo’n moment. Ik was blij en ontroerd. En toen ik de volgende ochtend in de bus stapte, merkte ik dat ik anders keek naar de zwarte chauffeur. Dat was verwarrend. Mijn beeld was veranderd – kennelijk had ik een beeld van zwarten? Oei, dat was lastig, want… iedereen was toch gelijk? Ach het stikt van die momenten, als ik terugdenk. Toen ik me na een conferentie realiseerde dat er slechts een zwarte vrouw was geweest en ik niet met haar had gepraat. Toen ik zag dat op spoor 15b iedereen met een kleurtje door de spoorwegpolitie werd gecontroleerd, en ik niet, en ik er niets van zei. Mijn verbazing bij de tranen van een zwarte collega over… ja daar is hij weer, Zwarte Piet. Maar dit is een blog en blogs zijn kort. Ik wil daarom een voorstel doen. Ik heb hier een stapeltje exemplaren van Anousha’s boek liggen. Tien stuks, ze zijn voor witte Tirade-lezers. First come, first serve. Als tegenprestatie verlang ik een ding: ga aan de slag met het vragenlijstje op pagina 23. Sta eens stil bij de rol van witheid in je leven. Lees, en leer kleur zien – het is een begin.

Pauline Genee (1968) is schrijver. Meestal van fictie, maar soms even niet. Dit was haar laatste zondagblog voor Tirade over onzichtbaarheid. Ben je ook een witterd en wil je ‘Hallo, witte mensen,’ lezen? Stuur Pauline een mail naar paulinegenee@yahoo.com. De zwarte piet op de foto is tien jaar geleden geknutseld door haar nietsvermoedende kleuterzoon.

In perspectief – de zee

Een opvallend verschijnsel van lezen is dat opeenvolgende of gelijktijdig gelezen boeken met elkaar te maken gaan krijgen, ze rijmen op elkaar. Een verklaring is natuurlijk die van de middle man, dat ben je zelf, het meest in het oog springende dat de boeken met elkaar te maken hebben ben je zelf. Degene immers die de boeken gekozen heeft te lezen.

Maar het gaat verder, Rebecca Solnit haar The Faraway Nearby rijmt op Simon Schama Landscape and Memory om wat ze in hun boeken proberen, en ze proberen het op een heel verschillende wijze. En dat had ik aan de buitenkant van de boeken niet gezien.

De cerebrale Schama overlaadt de lezer met zijn eruditie, maar hij volgt ook een eigen weg. Hij zoekt uit wat landschap betekent in zijn persoonlijk geschiedenis, zo vinden we hem in het eerste deel van het boek terug in de oerbossen van Polen alwaar zijn Joodse voorvaderen jarenlang bomen velden, verzaagden en over rivieren naar houtfabrieken vervoerden.

Solnit vraagt zich bij een enorme lading abrikozen uit de tuin van haar moeder af wat die plek en die boom voor haar betekend hebben. Bomen staan voor levens.

Ze vinden elkaar in een gezamenlijk pogen het eigen leven in het perspectief van tijd en landschap te zien. Met name Solnit schrijft daar heel mooi over, hoe je eigen leven  ‘in perspectief zien’ letterlijk genomen moet worden, je moet een paar horizons zien om jezelf weer te kunnen aankijken. ‘I used to go to Ocean Beach, the long strip of sand facing the churning Pacific at the end of my own city, for reinforcement, and it always put things in perspective, a term that can be literal too. The city turned into sand and the sand into surf and the surf into ocean and just to know that the ocean went on for many thousands of miles was to know that there was an outer border to my own story, and even to human stories, and that something else picked up beyond. It was the familiar edge of the unknown, forever licking at the shore.’

Solnit en Schama verhouden zich in hun boeken tot hun landschappelijk omgeving en komen erachter dat elk landschap cultuur is, want herinnering, betekenis. En dat landschappen ons continuïteit verschaffen in een leven waarin alles voortdurend en heel snel verandert.

En zo het – enige – perspectief op oneindigheid.

——-

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Lodewijk Verduin"
    Lodewijk Verduin

    Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

  • "Foto van Anja Sicking"
    Anja Sicking

    Anja Sicking schrijft romans en essays. In haar laatste boek, De visionair, onderzoekt ze via de verbeelding
    hoe de toekomst eruit zou kunnen zien.

  • "Foto van Thom Wijenberg"
    Thom Wijenberg

    Thom Wijenberg (1996) schrijft poëzie en proza. Hij werkt als redacteur en programmamaker en studeert aan de Schrijversvakschool. Zijn werk verscheen onder andere op Notulen van het Onzichtbare, Tijdschrift Ei en in de Seizoenszine.

    Auteursfoto: Gaby Jongenelen