De vader van Fatima

Ik lig – de boog kan niet altijd gespannen staan – op de bank wat te lezen in Yasmina Reza’s Gelukkig de gelukkigen. Het boek hangt van de clichés en stereotyperingen aan elkaar en hoewel het eerder kluchtig dan geestig is – bijna een transcriptie/ bewerking van het improvisatieprogramma De vloer op – amuseer ik me er erg mee. Na ieder hoofdstuk kijk ik even naar buiten. In het harde voorjaarslicht lijken de knoppen van de esdoorns groter dan ze in werkelijkheid zijn. Voor een enkel huis vlamt een struik (forsythia, kerria).

Ik neem een slok thee en wil net een lange streep naast een grappige passage over Pim’s chocoladekoekjes trekken als ik Fatima hoor schreeuwen: ‘Ik ga bij de buurman aanbellen!’

Aanbellen betekent bij mij: met de brievenbus klepperen. Een jaar of twee, drie geleden is er in de transformator die de deurbel van stroom voorziet een draadje losgesprongen en door alle hectiek (YouTube filmpjes kijken, op twee stoelpoten balanceren) ben ik er nog altijd niet aan toegekomen om dat ordentelijk te herstellen.

Klepklep. Klepperdeklep. De klank van paniek.

Ik steek m’n gun in m’n schouderholster en loop rustig de trap af. Fatima op de stoep. Dochter van een Marokkaanse moeder en een Spaanse vader. Zwarte broek, zwarte trui, lang zwart haar. Haar grote ogen groot opgezet.

‘Mijn kat zit in de dakgoot… zou u d’r alstublieft willen vangen?’

Ik loop naar buiten, de straat op en kijk omhoog. Inderdaad: in de dakgoot, ter hoogte van de dakkapel, zit een sneeuwwit, jong poesje. Ze kijkt ons aan. Om haar kopje zo’n lampenkapachtige plastic kraag die huisdieren omkrijgen als ze zijn geopereerd.

‘Ze heet Sunny.’

‘Mooie naam.’

Fatima vertelt dat haar broertje het raam van zijn slaapkamer open had laten staan. Daardoor is Sunny naar buiten geglipt en over de rand van de dakgoot naar mijn huis gewandeld – nu durft ze voor noch achteruit, alsof haar kattenpootjes zijn vastgevroren.

‘Wilt u d’r alstublieft vangen?’

‘Natuurlijk.’

Ik loop het huis in, laat de voordeur openstaan. Met drie treden tegelijk bestijg ik de twee trappen, loop de studeerkamer met het dakkapelletje in. Mijn bureau ligt bezaaid met aantekeningen en opzetjes voor dit verhaal. Ik hoop maar dat het goed afloopt!

Als ik het raam open, kijkt het slanke poesje met grote, blauwe ogen naar me op. Van goot naar raam is ongeveer een meter. Dat haalt ze nooit. Met d’r malle kap. In de diepte zie ik Fatima staan. Meisje van veertien. Uit de manier waarop ze haar hoofd in haar nek heeft gelegd, spreekt het vertrouwen op een goede afloop.

‘Spring maar,’ zeg ik tegen Sunny.

Vanuit die krater van plastic kijkt ze me bang aan, schat dan de afstand in – en springt… voor ik ’r kan grijpen, landt ze op het daklood onder het raamkozijn en begint over de dakpannen terug naar de dakgoot te glijden. Fatima gilt. Sunny komt tot stilstand tegen de rand van de goot, kukelt er net niet overheen – hijgend blijft ze zitten.

‘Pakt u haar alstublieft,’ roept Fatima. Ze huilt bijna.

Sunny kijkt over de rand van de goot en dan weer naar mij. Het beestje kan zich nauwelijks oriënteren met die kraag – grijp ik zo weer mis, dan valt ze misschien wel te pletter.

Ik moet aan Fatima’s vader denken. Vorig jaar zomer werd longkanker bij hem geconstateerd. Na de diagnose zat hij van zonsopkomst tot zonsondergang op een bankje in het Borg-plantsoen. Zwijgend, starend. Drie weken lang. Daarna klonk, van de ene op de andere dag, opeens weer gelach, geruzie en gezang uit de open ramen van mijn buren. Totdat een ambulance Fatima’s vader naar het ziekenhuis reed en het maanden stil bleef bij Fatima thuis. Nu heeft ze Sunny.

‘Alles of niets, Sunny,’ fluister ik.  ‘Kom op!’

De poes springt, ze komt niet ver, maar ik heb me, tegelijkertijd, zo ver mogelijk uit het raam geworpen en weet Sunny, voor ze weer achterwaarts over de dakpannen richting goot begint te glijden, bij haar satijnen vacht te grijpen. Ik til ’r over de vensterbank naar binnen.

‘Hij heeft ’r!,’ roept Fatima. Ik houd de poes vast, leun naar buiten. Naast Fatima: de moeder van Fatima. Op blote voeten.

‘Ik heb ’r!,’ roep ik. De vrouwen zwaaien.

De poes springt uit mijn armen op een witte, linnen leesstoel. ‘Je bent net een Zeeuws meisje met die malle kap,’ zeg ik. Sunny mauwt. Ik mauw terug. Ik til haar weer op. Haar pootjes hebben vier cartooneske stempels achtergelaten op de bekleding van de stoel. Sunny was here.

Onder mijn hand haar bonzende hartje. Bovenaan het trapgat begint ze te kronkelen en met haar poten te maaien. Dat houdt ze twee trappen vol. De deur naar buiten staat nog open. Als ik Sunny aan Fatima overgeef – haar moeder is alweer foetsie – zie ik pas dat ze, de poes, een groot litteken op haar witte buik heeft. Ik zou nog wel even willen napraten – vertellen hoe Sunny langs de dakpannen naar beneden kabbelde, net of er een liter melk wegstroomde – maar Fatima heeft de poes al van me overgenomen om ermee naar haar moeder, naar huis te rennen.

Twee dagen later – het schemert, vanaf daken en uit bomen het waanzinnige, apocalyptische gezang van merels – wordt er opnieuw geklepperd. Fatima. In haar handen een wit doosje met een lichtblauw lint erom.

‘Omdat u Sunny heeft gered.’

‘Ach, dat hoeft toch helemaal niet.’ Ik schiet in de lach. ‘Het is… hoe gaat het nu met ’r?’

‘Veel beter. Dag!’

‘Dag!’

Ik loop naar boven om mijn jas aan te trekken. Even later zit ik in het Borg-plantsoen, op het bankje onder de robinea’s. Ik trek het blauwe lint los, doe het doosje open. Vierentwintig crèmekleurige bonbons. Ik stop er één in mijn mond. En dan nog één. En nog één – dat doosje moet leeg.

—————-

Tirade – redt.

Soundtrack: Kom van dat dak af.

Volgende week: ballonnen, juwelen, een paraplu – naar Parijs.

In de Oorshop

Het opgroeien van de schrijver (IV)

Ik stuurde ooit een brief naar Mickey Mouse Maandblad, en ik hoopte dat ie geplaatst werd in de brievenrubriek, maar ik kreeg een nette brief terug, ondertekend door de muis met de grote oren. Toen ik wat ouder werd, las ik iedere maand X-mannen, een vertaalde superheldenstrip, en daar lukte het me wel in de brievenrubriek te komen. Ik was toen zestien of zeventien, denk ik, en ik weet niet meer waar de brief over ging; ik weet alleen nog dat ie heel, heel wollig was. Toen ik ‘m las, tussen de andere brieven van jongetjes voor wie Wolverine de grootste held na Mickey Mouse was, was ik aanvankelijk trots — maar dat duurde heel, heel kort: ik zag dat het lelijk was.

Gelukkig gebeurde dat al op m’n zeventiende. Maar er zijn bakken vol schrijvers out there die nog een brief naar de X-mannen moeten sturen.

Wolligheid mag als je jong bent, want dat hoort bij het opgroeien van de schrijver: je moet alles wat er mogelijk is met woorden verkennen, afstrepen, en overboord gooien. 

Er zijn een paar uitzonderingen, mensen die hun wolligheid binnenboord mogen houden, maar dat zijn mensen die iets anders hebben losgelaten: hun pretentie. 

Pretentie is onlosmakelijk verbonden met het schrijverschap: gaan zitten om iets te schrijven waarvan je vindt dat het gelezen moet worden, daar begint de pretentie al. Dit stukje staat er bol van. Maar de wollige schrijver die niet wil irriteren, is weggezwommen van de pretentie. De mooi bedoelde zinnen zijn daar ook daadwerkelijk mooi geworden. Maar pretentie, daar begint het allemaal mee. 

Schrijven is een arrogante bezigheid: je tikt 50.000 woorden en je vindt het volstrekt normaal, wenselijk zelfs, dat duizend mensen (of nog veel meer, natuurlijk) die woorden lezen, een uur of tien in die bezigheid steken, en daarna je boek dichtslaan en zeggen: mooi hoor.  Dat waren tien uur die ze volledig in jouw hoofd doorbrachten, lieve schrijver. Dan heb je kapsones, hoor.

Pretentie hoort dus bij het schrijven, maar het loslaten van de pretentie, of beter gezegd: het loslaten van de juiste dosering pretentie hoort bij het opgroeien van de schrijver. Als er te veel pretentie doorlekt in je woorden, ben je onleesbaar, dan worden je boeken geïrriteerd in een hoek gegooid door de lezer. 

Hou de pretentie van het willen schrijven vast, laat de pretentie van groots willen schrijven los. 

Volgende week: Het opgroeien van de schrijver (V, slot)

———————-

Walter van den Berg (1970) is deze maand Tirade’s zondagse gastblogger. Van den Berg publiceerde tot op heden – behalve vele kortverhalen, columns en reportages – drie romans: De hondenkoning (2004), West (2007) en Van dode mannen win je niet (2013). In Tirade 449 vind je zijn prachtige kortverhaal Voetbalkantine, in Tirade 450 een heftige ‘tirade’.

 

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Amsterdam, 22 maart 2014

Optie 8Lieve Arjen, 

Missen is het nog steeds niet, maar de afgelopen week heb ik veel aan je gedacht. Hoofdzakelijk omdat onze zoon na het zien van de foto boven je laatste brief om de haverklap kwam melden dat ome Arie een cowboy geworden is.

Gehoorgevend aan je verzoek heb ik hem verzekerd dat zoiets niet bestaat; dat een mens van vlees en bloed als jij niet zomaar iets anders kan worden, kan transformeren. Daarna liet ik hem wat beter naar de foto kijken. 

‘Als je oplet,’ fluisterde ik, ‘zie je ook dat deze meneer doorzichtig is.’

Nadim schreeuwde het uit en mepte mijn laptop van tafel.

Nou ja, ik heb in ieder geval geprobeerd het real te houden voor ons jongetje van twee. Dat leek me beter, zoals het me ook beter lijkt hem nog niet bloot te stellen aan verhalen over vampiers, of aan die ene overbelichte foto van Vladimir Poetin.

Toch baat het allemaal niet. Zo’n klein kind hongert al naar het fantastische, en zelfs naar de angsten die daarbij komen kijken. Bij gebrek aan klassieke boemannen bedenkt Nadim ze zelf, waardoor hij nu iedere nacht krijsend wakker wordt met een bezweet gezichtje en naar talg riekend plakhaar. Na veel troosten vertelt hij ons hikkend over cowboy ome Arie, waar je doorheen kunt kijken. 

Je zult in mijn woorden – gezien je opgroeien in Krommenie – ongetwijfeld passieve agressie vermoeden.

‘Waarom schrijft hij dit?’ hoor ik je zeggen. ‘Het is vast niet eens waar.’

Lieve vriend, het spijt me: Still keeping it real.  

Wat ik bedoel te zeggen is dat de mens een aangeboren behoefte aan fictie heeft. We omarmen het onware, zelfs als het licht dat het verspreidt de schaduwen doet groeien, en voer is voor de monsters onder ons bed. Wees niet bang voor je door mij bedachte alter, hij is je noch goed-, noch kwaadgezind. Ik wil je geen geweld aandoen, maar je fictionalisering is onvermijdelijk. Take it like a man.

Dit is de laatste brief waarin ik tijd neem om je overgang van persoon naar personage te begeleiden. De volgende keer dat ik je schrijf zul je Arjen Vanlith geworden zijn, stadscowboy en semitransparante held van Austin. Wees welkom in de wereld die ik voor je schep. 

Een (vreemd genoeg) vaak aan Salman Rushdie toegeschreven citaat luidt: “Vertigo is the conflict between the fear of falling and the desire to fall.” 

Mag ik daar Angst is de spiegel van het verlangen van maken? 

 

Een warm hart onder een wat krappe riem,  

je vriend,

 

Gilles

__________________________________________________________ 

Elke zaterdag op Tirade.nu: een briefwisseling tussen Arjen van Lith, emigré te Austin en Gilles van der Loo, thuisblijver te Amsterdam.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

May we be forgiven

Ik ben een vergevingsgezind persoon. Althans, dat is hoe ik mezelf zie. Ik vind het helemaal geen probleem om samen met iemand ergens een ontzettende rotzooi van te maken en diegene vervolgens te vergeven, mits die vergeving natuurlijk wederzijds is, en mits we tijdens die ruzie evenredig hebben bijgedragen aan de rotzooi. Ook mezelf vergeef ik graag en makkelijk. Dat stelt mij in staat om fouten te maken en de volgende ochtend toch met mezelf wakker te kunnen worden. Proost op onze/mijn sukkeligheid, wat waren we weer stom.
 
Maar onlangs zei een vriend tegen me: “Ja, jij zegt altijd dat je zo goed bent in vergeven, maar als ik iets stoms doe en je vergeeft het me, en ik doe een half jaar later nog een keer zoiets stoms maar dan wel veel minder stom, dan word je nog bozer dan de eerste keer. Alsof je dat oude er bij haalt.” Daar ging ik over nadenken. Het was waar. Als het eenzijdig wrongdoing betreft vergeef ik mensen vaak al heel snel omdat dat me wel goed uitkomt, dan kan ik op dat moment de energie die anders naar woede en/of sadistische wraakplannen zou gaan voor iets anders gebruiken, maar op de vergiffenis volgt vervolgens wel een levenslange proefperiode. Mocht diegene ooit nog een keer iets kleins fout doen, dan kan ik woedend worden, want hallo, nu doe je het weer, ik was de vorige keer al zo coulant en heb daarmee credit opgebouwd om je in het nu af te mogen blaffen. Het voelt als mijn goed recht.
 
‘Forgiven, not forgotten’ zou je kunnen zeggen. Maar dus eigenlijk ook niet forgiven. Àls ik heel eerlijk ben zet ik misschien wel juist altijd in op ‘forgotten, not forgiven,’ omdat ik weet dat ik geen supergoed geheugen heb/juist een heel goed geheugen dat gemakkelijk nieuwe herinneringen maakt. Zand erover, opdat we de oude fouten niet meer hoeven te zien – maar ergens op mijn idyllische zandstrand liggen een paar flinke landmijnen, waarvan ik allang niet meer weet wie ze er precies plaatsten, maar waardoor ik desalniettemin niet meer van mijn handdoekie afdurf.    
 
Onlangs las ik een essay van de Amerikaanse filosoof Stephen Crites waarin hij het boek Den Ulykkeligste (‘De ongelukkigste’) van Soren Kierkegaard bespreekt. In dit boek houdt een jonge man een toespraak over geluk voor de zogenaamde Symparanekromenoi, een groep levende doden die bijeenkomsten houdt in het holst van de nacht:
 
“The unhappy person is one who has his ideal, the content of his life, the fullness of his consciousness, the essence of his being, in one way or another outside himself. He is always absent, never present to himself.” Kierkegaard maakt vervolgens onderscheid tussen twee typen ongelukkige mensen, namelijk de mensen die in het verleden leven en de mensen die in de toekomst leven. Ook binnen deze typen is weer onderscheid te maken: er zijn immers mensen die leven in een verleden dat gelukkig was en mensen die het maar niet lukt een traumatisch verleden van zich af te schudden – en mensen uit de laatste groep zijn het ongelukkigst.
 
Crites legt uit: “(…) The second type of unhappiness consists in the failure to pro-ject myself hopefully into the future. I cannot, short of death, fail to have a future, but I can ignore or actively resist its claim and live from day to day without any projective scenario, or I can devote all my energy to protecting and reiterating the identity I have recollected out of the past. In either case I live without risk and without hope, doing only what is necessary to subsist more or less in the manner to which I am accustomed. Here the self loses its adaptive nimbleness, and grows too heavy and dense to improvise.”*

Er zijn in dit verband dus twee mogelijkheden om ’type 2 ongelukkig’ te zijn: je negeert het gegeven dat je een toekomst hebt en leeft van dag tot dag, of je neemt jezelf halsstarrig voor om in de toekomst precies zo te blijven als je in het verleden al was. Aangezien ikzelf een te angstig en hoopvol persoon ben om te kunnen negeren dat ik een toekomst heb, ben ik meer van de tweede optie: om de toekomst minder onzeker te maken, neem ik me voor om dan maar in ieder geval zelf hetzelfde te blijven. 

Er is echter een probleem: doordat ik in de toekomst leef, ben ik veel van de dingen die ik denk dat ik ben alleen nog maar in potentie. Dus hoewel ik eigenlijk hoop dat ik in de toekomst ooit een vergevingsgezind persoon zal zijn, laat ik in het nu die hoop tellen als het uiteindelijke doel. Dit is misschien een beetje vergezocht, maar ik denk wel degelijk dat veel van de keren dat we iets willen veranderen, de realisatie van een probleem de opluchting teweeg brengt die eigenlijk bij de oplossing van het probleem zou moeten horen (“Ok, ik geef het toe, ik ben een driftig persoon.” Maar wat heb je aan de bekentenis?). Kierkegaard schrijft: “(…) he constantly recollects what he ought to hope for; for he has already anticipated the future in thought, in thought he has experienced it, and this experience he now recollects, instead of hoping for it. So what he hopes lies behind him, what he recollects lies before him.” Wie hoopt ooit zijn slechte karaktereigenschappen uit te bannen, moet zich realiseren dat alleen die hoop niet genoeg is en alles op alles zetten om ook daadwerkelijk te veranderen.

Tot slot, de laatste zin van een van de bekendste gedichten van Rilke (Archaischer Torso Apollos) luidt: Du musst dein Leben ändern. Ik heb het altijd heel interessant gevonden wat er gebeurt met die zin als je de klemtoon op een ander woord legt. Afhankelijk van de klemtoon geeft de zin antwoord op verschillende vragen (dat geldt natuurlijk voor veel zinnen, maar hier gebeurt er iets moois vind ik):
 
Wat moet je veranderen? Je leven.
Wat moet je doen met je leven? Het veranderen.
Wiens leven moet je veranderen? Jouw leven. 
Moet je of mag je je leven veranderen? Het moet.
Wie moet je leven veranderen? Jij.
 
De laatste tijd kan ik de zin eigenlijk alleen nog maar lezen met de klemtoon op het woordje ‘du’. Jij moet je leven veranderen. Maar goed. Dit is een blog, geen zelfhulpboek. Vergeef me.
 
 
 
*Crites, Stephen, ‘Storytime: Recollecting the past and projecting the future’, in Narrative Psychology, ed. Theodore Sarbin, 1986, p. 172

De merel

Ondanks Menno Hartmans sterke Stemmen, moraal voor gevorderden op deze site, heb ik gisteren mijn kruisje niet gezet. Ik wil graag kwijt dat ik mij daar niet voor schaam. Overigens zou ik toch D66 gestemd hebben, door Sylvia Witteman in haar schitterende column van vandaag Het laffe alternatief genoemd.

Ik geloof in het nut van stemmen, en in de vrijheid voor alle burgers om de koers van hun gemeente/land te beïnvloeden.

‘Het is zelfs je plicht te ftemmen,’ zei Birre terwijl ze met Nadim en Otis de Hond de trap afdaalde, haar stempas tussen haar tanden geklemd. ‘Weet je in hoeveel landen de menfen dat recht niet hebben?’ 

Om een of andere reden dacht ik niet na over in hoeveel landen het stemrecht niet bestond. Ik dacht meteen aan Noord-Korea, waar een stemplicht geldt terwijl er maar één partij is, en één persoon om op te stemmen. Opkomst bij de laatste verkiezingen aldaar: 99,98%.

‘Ik heb het recht om niet te stemmen,’ zei ik. ‘Dat is ook vrijheid. Kim Jong-un zou…’ 

Maar de voordeur klapte al dicht. Aangezien er niemand meer was om me tegen af te zetten, bleef ik alleen met de vraag waarom ik niet ging. Mijn stem zou nu verloren zijn, en voor elke redelijk geïnformeerde kiezer (wat je al snel bent) die niet naar het stemhokje ging, zou er een toekomstige Almeerder opstaan die niet bang was om achter een gordijntje aan te vinken dat hij minder Marokkanen bliefde. 

Ik kneedde brooddeeg en zette het in de zon te rijzen; staarde een tijdje uit het keukenraam met mijn handen op het aanrecht. Een merel landde op het platje van de buren, waar hij met zijn kraaloog knipperde voor hij op het meranti scheet. Naast me begon onze rode kater – die met de komst van warmer weer uit een slaap van maanden lijkt te zijn ontwaakt – naar het halfopen raam te sluipen.  

Als ik niet ingreep zou de merel in een kleine minuut uiteengereten op het platje liggen. De lentebries zou zijn donsveertjes langs de gevel opstuwen en als de sporen van een paardenbloem uiteenblazen over de daken van de stad. De merel pikte naar een takje vogelmuur dat rond een overleden vijgenplant groeide, trok het uit de dorre aarde en begon de blaadjes eraf te trekken, terwijl hij het takje met zijn klauw tegen de grond hield.  

Joris de Kat zakte door zijn schouders en heupen tot zijn buik op het aanrecht lag. Zijn staart zwiepte hevig. ‘Akkakkakkak,’ zei hij. ‘Arrrrr-kakkakkakk.’

De merel at een van de blaadjes, daarna nam hij het takje in zijn snavel en hipte naar de rand van het platje.  

Joris schoot in actie. Ik greep naar zijn staart, miste en moest toekijken hoe hij zich uit het raam stortte.

Zonder de kat gezien te hebben steeg de merel op. Joris, die flink moest remmen om niet van het dakje te vallen, leek minder opgelucht dan ik. 

Boven ons, in de strook blauw tussen de huizen, vloog een tevreden vogel. Het was lente en hij had een takje voor zijn nest gevonden. Zijn vrijheid had geen moment in het gedrang geleken.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Stemmen, moraal voor gevorderden

Ostracisme, het is een prachtwoord. In het klassieke Athene was het gebruikelijk een ongewenste inwoner van de stad weg te stemmen door zijn naam op een stuk aardewerk te krassen. Als er 6.000 van die stemmen waren moest zo’n burger ook echt voor 10 jaar de republiek verlaten. Een heel aanvankelijk en principieel en aansprekend soort democratie, de basis ook. Wilders heeft het van geen vreemden.

In de verkiezingsprogramma’s die je kon lezen als voorbereiding op de gemeenteraadsverkiezingen gaan veel zaken mij boven de pet. Politiek voeren is een dagtaak en veel meer dan dat, landelijke politieke partijen zijn grote organisaties met veel geld en expertise. Sinds jaar en dag stemmen mensen dan ook op wie men vertrouwt of waar men bij wenst te horen. En niet zozeer op waarmee je het eens bent. Als je inhoudelijk gaat vragen naar standpunten dan kan je bij vrijwel welke burger standpunten in het programma van zijn partij vinden waarover hij zich ernstig verbaast.  Relhistoricus Thierry Baudet schreef twee weken terug in de krant dat gemeenteraadsverkiezingen decentraal getimed moet worden: op die manier kan de landelijke politiek niet meer meedoen en zijn gemeenteraadsverkiezingen meer dan een populariteitspoll van de landelijke politiek. Lokale partijen zullen dan ook groter worden. Met als nadeel dan wel voordeel dat de kiezer zich moet verdiepen in de programma’s. Of op zijn buurman stemmen omdat dat een aardige kerel is. Misschien geen gek idee. Alleen weten we van kleine jonge partijen die groter worden dat ze veel moeite hebben fatsoenlijk volk te rekruteren.  Media gaat zich dan toeleggen op het onderuithalen van kandidaten, ook altijd leuk.

Verkiezingen zijn schijnvertoningen geworden die veel te complexe zaken veel te eenvoudig maken. Dat geeft niet, want stemmen moet je toch. Als je niet stemt heb je geen historisch besef en ben je mondiaal onnozel.

Zoals het idee van democratie als een jaar of 3.000 oud is, zo is moraal ouder dan de religie, beweerde Nietzsche in Genealogie der moraal al, en recenter Frans de Waal in De bonobo en de tien geboden. Het is een inspirerende gedachte dat goedheid lang op religie vooruitloopt.  Moraal dus op religieuze systemen vooruitliep en dat apen een rechtvaardigheidsgevoel hebben.

Grieken wilden dus net als Wilders mensen het land uit hebben. Maar anders dan bij Wilders moest je het met 6.000 mensen eens zijn over 1 naam. Hoe overwin je nu het makkelijke effect van Wilders framing: onmogelijke plannen maken die mensen met weinig neiging tot logisch doordenken kunnen aanspreken? Ik denk niet door vergelijkingen met Nazi-Duitsland. Maar door hem vaker te vragen naar hoe het moet. Als journalisten er de komende jaren een hobby van maken Wilders te vragen hoe-het-moet is Wilders de enige die onaangename vergelijkingen gaat maken.  En daar houden veel mensen niet van, want moraal is oud.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Jente Jong"
    Jente Jong

    Jente Jong werkt als actrice, theatermaker en schrijver. In 2017 debuteerde ze met de roman Het intieme vreemde bij uitgeverij Querido. Daarnaast schrijft ze toneelstukken voor onder andere de Toneelmakerij en speelt ze in een jeugdvoorstelling en een poëzieprogramma. Voor Tirade schrijft ze over haar (eerste) stappen in de schrijverswereld.

  • "Foto van Mira Aluç"
    Mira Aluç

    Mira Aluç (1993) schrijft korte verhalen en beschouwingen. Haar werk is sinds 2015 onder andere verschenen op Mister Motley, in Streven, De Revisor en De Gids en werd meermaals gepubliceerd op DIG (De Internet Gids) en in Tirade. In 2020 werd haar verhaal Backspace opgenomen in Rebel, Rebel, de bundel van Uitgeverij Prometheus ter gelegenheid van de Boekenweek. Ook maakte zij de podcast Balkon voor Sprekende Letteren.

  • "Foto van Jan Lodewijckx"
    Jan Lodewijckx

    Jan Lodewijckx (1990) had het wel even gehad op kantoor. Hij kocht een zware fiets en een kleine tent en zegde zijn werk op en zijn appartement.