‘Meer sterren dan er aan de hemel staan.’ – Lucarotti’s loftrompet

‘Francesco, alsjeblieft… concentreer je… hoofd stil houden, gewoon recht in de lens kijken. Niet naar ’t statief, in de léns.’

‘Denk je dat de lezers van Tirade ’t niet suspect vinden dat ik een blauw oog heb?’

‘Waarom? Een ongelukje kan de beste overkomen… Van een verstrooide professor verwachten de mensen niet anders dan dat ie de hele dag overal tegenaan loopt… Zo’n blauw oog is juist goed voor je geloofwaardigheid als academicus en onthecht, vergeestelijkt cultuurmens. Bovendien heeft de gemiddelde Tirade-lezer echt veel meer oog voor dat mooie maatpak van je, dan voor zo’n alledaags ongerechtigheidje als een opgezwollen ooglid.’

‘Ja, denk je?’ Francesco straalt.

‘Ik weet het wel zeker.’

      Ik controleer of het statief stevig staat, stel de richtlamp wat bij, ga dan weer op m’n houten kruk zitten. Het is net een uniform, dat pak van Lucarotti.

‘Ja, mag ik?’

‘Ontspannen… schouders nog wat losser… en probeer vriendelijk te blijven kijken… Rustig praten, hè?… En… actie!’

‘Hallo! Hierbij verklaar ik, Francesco Lucarotti, geboren in 1967 in Luca, werkzaam aan de Sapienza, Università di Roma waar ik ook geschoold ben in de Nederlandse taal en letterkunde, uit eigen vrije wil mijn oordeel over het 452e nummer van literair tijdschrift Tirade uit te drukken en te laten vastleggen voor eventuele verspreiding onder een massapubliek. Tevens en bovendien geef ik literair tijdschrift Tirade dus nadrukkelijk toestemming om deze opname te gebruiken in haar publicitaire uitingen.’

‘Ga door. En nu mag het wat minder formeel… ’

‘Hallo. Mijn naam is professor Francesco Lucarotti… De redactie van literair tijdschrift Tirade heeft mij gevraagd om, als onafhankelijk wetenschapper, mijn oordeel te geven over het jongste nummer van tijdschrift Tirade, Tirade 452… Het is voor een wetenschapper altijd wat lastig, ik zou haast zeggen: tegennatuurlijk, om stellige of zelfs absolute uitspraken te doen over literaire kwaliteit, maar met het pistool op de borst zou ik zeggen: Tirade 452 bevat de allerbeste teksten die ik in mijn professionele leven ooit heb gelezen, die ik ooit onder ogen zal krijgen en die ooit ter perse zijn gegaan of zullen gaan. Dit meen ik oprecht. Zowaar ik Francesco Lucarotti heet. Ik dank Uitgeverij Van Oorschot, Tirade gastredactrice Judith Uyterlinde, de Tirade redactie, en de hele Nederlandse en internationale intellectuele gemeenschap voor de onvergetelijke leeservaring die Tirade 452 mij heeft bezorgd… Zou ik in de beste contemporaine dagbladtraditie mijn waardering moeten uitdrukken in icoontjes, dan zou ik mij genoodzaakt zien de opdracht terug te geven, want kort en goed: Tirade 452 verdient meer sterren dan er op een heldere winternacht aan de hemel staan… Abonneert u zich alstublieft allemaal op Tirade, koop zoveel losse Tirade-nummers als uw armen maar dragen kunnen en verspreidt het tijdschrift onder al die hunkerende zielen die tot nog toe van deze literaire pracht verstoken zijn gebleven. Tirade – daar zit geen woord Spaans bij.’

‘…’

‘Deed ik ’t goed? Hoe vond je de pay off?’

‘Ik had het zelf niet beter kunnen doen, Francesco… Mijn dank is groot. Ik zet alles meteen op de blog maandag.’

      Ik berg camera en statief op en loop naar de keuken voor koffie, thee en een schaaltje kaasvlinders.

‘Lekker pittig,’ zegt Francesco meer tegen zijn kopje dan tegen mij. ‘Beter dan de automatenkoffie die ik altijd op de universiteit drink.’

Als ik aan mijn thee nip, herinneren mijn lippen me eraan dat ik bij het eerste glas m’n bovenlip heb verbrand. Ik reik naar een kaasvlinder.

‘Waar is je assistente eigenlijk?’

‘Mijn collega. In de logeerkamer, denk ik… ze werkt aan een nieuwe goochelshow… kostuums tekenen, decors schetsen.’

Eigenlijk ben ik nu wel uitgeluld met Lucarotti. Het liefst zou ik ’m gewoon overhoop schieten, maar dan moet ik zelf de rotzooi opruimen en daar heb ik natuurlijk geen zin in. Ik herschik m’n gun in m’n schouderholster, ga een paar keer verzitten.

‘Ik weet eigenlijk niet hoe dat in Nederland zit,’ zegt Lucarotti die van plan lijkt me uitputtend kennis te gaan laten maken met zijn verbale kwaliteiten, ‘maar in Italië is het Existentialisme enorm aan het opleven… wist je dat? Het is bij ons al veel groter dan de New Sincerity… Als je op zaterdag door Trastevere of San Lorenzo slentert, dan waan je je in het Parijs van Sartre en De Beauvoir, werkelijk… overal zitten jongeren druk te discussiëren over politiek, moraal en literatuur, overal zitten studenten kranten, boeken, literaire tijdschriften te lezen en te bespreken… en nooit vrijblijvend hè? Voor die jongelui zijn de Existentialisten weer echte rolmodellen.’

‘O, dat wist ik niet.’ Ik neem nog een kaasvlinder. Ze vallen zwaar en toch blijf je er van eten.

‘Ken je dat standaardwerk van Hans van Stralen over het Existentialisme?’

Beschreven keuzes? Zeker.’

‘Van Stralen beschouwt de ‘gesloten ruimte’ als een typisch Existentialistisch motief en – ’

‘Wat zeg ik nou net? Ik heb dat boek godverdomme ook gelezen. Dan hoef je me toch niet te vertellen wat er in staat?’

‘En nou vroeg ik mij af… die rechtbank in Alles kan kapot waar Serafijn op een gegeven moment woont en die school waarin ze dan exposeert en zo, zou je die plekken volgens jou ook als Existentialistische ‘gesloten ruimten’ kunnen duiden? Of is dat – ’

‘Ik heb echt geen flauw idee professor Francesco.’ Ik kom overeind. ‘Bovendien denk ik dat jij het soort salaris opstrijkt waarvoor de Europese belastingbetaler wel wat intellectuele autonomie mag terugverwachten. Kom, we gaan naar buiten, ik wil je iets laten zien.’

‘Je gaat me toch niet vermoorden?’

‘Hahahaha!,’ ik gooi mijn hoofd in mijn nek en door een interne serverfout of door één of andere bug blijf ik een kwartier zo schokkend staan lachen – na een hikje vervolg ik: ‘Zoiets kan alleen een Italiaan vragen. Je vindt de maffia nog eerder in het uiterste noorden van Zweden of in IJsland dan in Zwitserland hoor.’

      We lopen het behaaglijke huis uit, de sneeuw in. De buitenlamp springt aan. Naast m’n Jeep staat de grote legergroene Kliko die ik ooit uit Nederland heb meegenomen. Vanmorgen geleegd.

‘Ga d’r maar in staan,’ zeg ik tegen Francesco.

‘Huh?’

      Ik houd de bak scheef, Francesco klimt erin. Ik zet de Kliko weer recht, duw het hoofd van Francesco naar beneden, sluit het deksel.

‘Ik ben benieuwd!,’ roept Francesco blij vanuit de gesloten ruimte.

‘Nu stevig met je hoofd tegen de binnenkant van ’t deksel duwen.’

Met m’n ene hand houd ik de Kliko dichtgeklemd, met de andere trek ik m’n gun uit m’n schouderholster. Zodra ik het deksel in het midden zie opbollen, zet ik de loop van m’n gun erop, haal dan twee, drie, vier keer de trekker over. In de Kliko verschuift iets – daarna blijft het stil.

Ik rek me uit, neem een teug van de ijskoude nachtlucht. Pinkelende lichtjes in het dal. Op de weg die twee dorpjes in de bergen aan de overkant met elkaar verbindt een piepkleine sneeuwschuiver met brandend zwaailicht, daarachter twee strooiauto’s. Terwijl ik m’n gun weer in m’n schouderholster steek, gaat boven een raam open. Pam steekt haar hoofd naar buiten.

‘Wat was dat voor geluid, collega? Je hebt toch niet die Italiaan door z’n hoofd geschoten?’

‘Natuurlijk niet.’

‘Godverdomme, klojo… door jouw rottige verdwijntrucs mag ik straks nergens meer komen goochelen! Sorry dat ik ’t zeg, maar ik vind ’t eigenlijk een heel onsympathieke gewoonte. Die jongen zou nota bene ’t adres van een leuk eethuisje in Rome nog voor me opschrijven.’

‘Vraag zo iemand een volgende keer dan om dat meteen doen. Maar who cares… m’n iPhone kent meer leuke eettentjes dan drie generaties Lucarotti bij elkaar hoor.’

      Pam schiet in de lach. ‘Jezus, wat een onverbeterlijke hufter ben je toch.’

‘Ik ben een professional.’ Ik knijp met mijn ogen, kijk door het schijnsel van de buitenlamp heen naar boven. ‘Heb je al gezien hoe helder ’t nog is? Als jij nou je jas aandoet, warme shawl om, je guitige muts op, dan kunnen we nog een eind gaan lopen.’

‘Ik heb net een – ’

‘Pitten kan de hele nacht nog, oma.’

 ———————

Tirade – veelgeprezen, veelgelezen.

Soundtrack:  Giuseppe Domenico Scarlatti, sonata K531

Volgende week: ‘Hé, Tyn… waarom heb jij eigenlijk geen kinderen?’

In de Oorshop

Barista

Het is warm op het bankje in de hoek. Buiten tikt de regen tegen de ramen. De deur zwaait telkens open dicht. Een plastic zakje waait naar binnen. De rij voor het koffieapparaat wordt langer. Mensen wachten, starend op hun smartphone, lezend in een krantje. Voorin de rij staat een vrouw, een peuter op de arm. Een jongetje hangt aan haar jas en wijst op de vitrine met croissants en brownies. ‘Ik wil die, mama, ik wil die, mama, ik wil die.’

Hipsters achter de koffiemachine voeren traag hun handelingen uit. Ze zijn gewend aan de wolk van ingehouden woede in de ruimte. Iedereen wil. Maar iedereen zwijgt. De barista is koning. Het is zijn traagheid waar wij naar verlangen. Daarom komen wij hier. De mannen met baarden, de meisjes met hoornen uilenbrillen, de potentiële singer-songwriters met hun laptops, de jongens met hun hoge leren veterschoenen, hun oude racefietsen, hun dikke wollen coltruien.

‘Mama, ik wil die, mama, ik wil die, mama, ik wil die.’ Druppels vallen van vochtige jassen. Ramen beginnen van binnenuit te beslaan. Een man met lang donker haar staart over zijn computerscherm de ruimte in. Een plug door zijn oorlel. Latino-poseur met een vrij beroep. Zo zichzelf. Hij wordt gezien. Zoals wij allemaal, hier, worden gezien. Door elkaar, voor elkaar, met elkaar. Hier, in deze ruimte, zijn wij wereldwijs. Wij zijn allen artiesten. En we nemen de tijd, voor onze koffie.

 

 

Rosan Hollak (1971) studeerde filosofie en politieke wetenschappen. Ze is journaliste bij het NRC Handelsblad, publiceerde verhalen in Bunker Hill, Lava en Tirade en werd twee keer genomineerd voor de Brandende Pen voor het beste korte verhaal. Ze debuteerde in 2012 met de mozaïekroman Scherptediepte (De Bezige Bij). 

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

She understood Duke Ellington.’ – American Hustle

Film: American Hustle (2014).

Genre: misdaad, drama, komedie.

Regie: David O Russell.

Verhaal: twee oplichtertjes – Irving Rosenfeld en Sydney Prosser – worden gepakt en gedwongen de FBI te helpen om grotere boeven te vangen. De jonge FBI agent die de operatie leidt, lijdt aan hybris. Uiteindelijk gaat het mis/goed/goed mis – voor de FBI, welteverstaan.

American Hustle is een glijbaan met lekker veel bochten erin.

‘In een goed parfum zit altijd iets… verrots,’ zegt de ordinaire, maar erg grappige Rosalyn Rosenfeld gegeneerd lachend aan een maaltijd met haar man en de burgemeester en diens vrouw. Het is de clou van American Hustle: zonder leugens/dromen/fantasie/verbeelding wordt het niks.

Tot op zekere hoogte, meent de film, zijn we allemaal oplichters. Om te overleven. Bovendien zijn we zelfbedriegers. Uit noodzaak. Je moet jezelf bij elkaar liegen, een identiteit construeren, om iets van het leven te kunnen maken.

Set design, kostumering en camerawerk van American Hustle zijn in heerlijk vette jaren zeventig stijl. En ja: er is een disco sequentie. Toch voel je je een beetje gefopt als de aftiteling wordt ingezet, want AH bezorgt je een prima, volvette filmavond, maar is minder enerverend of kunstig dan de kritieken in de dagbladen deden vermoeden.

De sequentie die de hardste lach oogst is die waarin Rosalyn Rosenfeld een magnetron krijgt. De gever – Irving Rosenfeld, de vader van Rosalyns zoontje – zegt erbij dat ze er geen metaal in mag doen. Nou… dat maakt ze zelf wel uit! Ze zet een ovenschaal afgedekt met een flinke lap aluminiumfolie in de magnetron en drukt op ‘start’. Poef! Hahaha! Schitterend! Serieus. Het voorval is nog symbolisch/voorspellend ook: door de ‘eigenzinnigheid’ – lees: loslippigheid – van Rosalyn gaat ook het masterplan dat de FBI en Rosalyns man hebben uitgedacht bijna in rook op.

Uiteindelijk is American Hustle een liefdesverhaal: de geboren fantasten en overlevers Irving Rosenfeld en Sydney Prosser voelen zich gelukkiger in de alternatieve werkelijkheid die zij voor zichzelf hebben gecreëerd, dan in ‘de realiteit’ van de FBI-ers die hen dwingen andere fantasten te vangen. Een leugen is een droom is een gedicht: je kunt erin wonen.

Overigens is Russells vorige film, Silver Linings Playbook (2012), leuker, beter, eigenzinniger, sterker, waarachtiger dan AH.

Titel van dit stukje: aan het begin van de film vertelt Irving in de voice-over hoe Sydney en hij elkaar hebben leren kennen en hoe intelligent hij haar meteen vond. Bovendien/want voegt hij daar vertederd aan toe: ‘She understood Duke Ellington.’

Tirade – licht op cinema.

Alan Smithee (Los Angeles, 1967) is regisseur. Hij heeft tientallen speelfilms en televisieseries op zijn naam staan.

The One

imagesEen echte vriend geeft je wat je nodig hebt, niet wat je het liefst wilt. Deze week, voor zijn vertrek, waaide Arjen nog één keer bij ons aan.

Ik stond in het raam toen hij op zijn karakteristieke manier de straat in kwam lopen: kaarsrecht, zijn schouders naar achteren en zijn hoofd geheven zoals ik me voorstel dat de veel te jonge Lorca in het Grenada van 1936 het vuurpeloton tegemoet trad. 

Ergens helpt het voor de vergelijking dat Arjen zo bijziend als de neten is. Lorca zal de hem aangeboden blinddoek zeker hebben afgewezen; door de dikte van zijn brilleglazen lijkt Arjen zijn omgeving altijd met een soort vorsend wantrouwen op te nemen. Het is een ontembare blik, een soeverein myopisch gedogen, dat pas verdwijnt als hij naar je lacht. 

Het zat er al langer in dat Arjen zijn geliefde achterna zou reizen. Merijn, de boy wonder, doet aan de universiteit van Austin iets met code waarvoor hij door de NSA gesponsord wordt. Ik vermeld dit omdat ik ervan geniet het te vertellen, alsof ik beste vrienden met een wapenhandelaar ben. 

Ik liet Arjen binnen, zette hem aan tafel en trok een fles wijn open. Daarna rookten we, zoals al jaren onze gewoonte is, een jointje. De combinatie van koele witte wijn en cannabis is niet te verslaan. Tel daar een gesprekspartner bij op die zo grappig is als Arjen, en binnen tien minuten giebel ik als de stonede tiener die ik op de middelbare school meestal was. 

Ritme wordt vaak belangrijk gevonden in humor. Dat is het ook, maar wat voor mij belangrijker is: weten waar de grens van het betamelijke ligt en op die grens een koorddansje doen. Arjen is hierin een meester. Hij zet anderen en vooral zichzelf in een paar woorden zo helder neer, met zulke perfecte beelden…

Je weet dat het harder kan; hij weet dat het harder kan, maar uit zijn plagen spreekt altijd respect, altijd liefde. Ik wil mijn boekje niet te buiten gaan, maar ik geloof dat Arjen door zijn achtergrond een expert geworden is in het houden van complexe mensen. Ik kan het weten, ik ben er zelf een.

Aan het einde van de avond haalde mijn vriend een boekvormig cadeau uit zijn tas. Ik scheurde het witte papier weg en hield The One in mijn handen, de biografie die R.J. Smith schreef over James Brown. 

Ik lees nooit biografieën. Als ik non-fictie lees, is het meestal de krant. Uit liefde voor Arjen belandde zijn boek bovenop mijn leesstapel en vandaar, sinds gisteren – toch echt eretribunewerk – bij me in bed.

‘Maar dit is fictie,’ zei ik tegen Birre na het lezen van de eerste tien bladzijden. 

‘Geniaal,’ zei ik na de eerste zestig. 

Zelden heb ik een personage zo helder, zo zuiver naar voren zien komen als deze James Brown. R.J. Smith schreef een tot dusver briljant boek, dat waarschijnlijk ook nog heel dicht bij de waarheid ligt. Het leven van de jonge James is deernis-, maar ook vaak lachwekkend opgeschreven. Toch blijft de liefde van de schrijver voor zijn onderwerp te allen tijde overeind. 

Een beter afscheidscadeau, vriend Arjen, had je me niet kunnen geven. 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

If I Could Turn Back Time…

…had Plasterk het allemaal anders gedaan.  Terugkijken is een bezigheid die naarmate men ouder wordt belangrijker wordt, ook eenvoudigweg omdat er steeds minder is om naar vooruit te zien. Het verleden groeit. In literatuur is het een opvallende technische verteltruc. Anna Louws Kroniek van Perdepoort speelt zich af respectievelijk op 9 maart, 8 maart en 7 maart. Wat betekent dit? Het blok informatie dat je krijgt opgediend in het eerste deel van de prachtige roman, is niet slijtvast op te slaan, maar moet voortdurend opnieuw ondervraagd worden naarmate het boek vordert.

In de geweldige film Memento van Christopher Nolan krijgt de kijker brokjes informatie toegdiend, terug in de tijd, naar steeds meer inzicht in wat er precies gebeurd is. De verteltruc hierbij is dat de hoofdpersoon een falend korte termijngeheugen heeft, hij moet zelf kleine beetjes informatie als een roofdier aan de wereld ontfutselen. Uiteindelijk is een goed verhaal vertellen het doseren van informatie. Wanneer een verhaal verteld wordt op de wijze als in Kroniek van Perdepoort, blijft het deel van het boek dat al gelezen is steeds meeresoneren bij elke nieuwe informatielaag, en hierdoor maakt het boek een veel sterkere indruk dan wanneer het boek chronologisch verteld zou zijn.

Dan nu het klapstuk. Ik lees Time’s Arrow van Martin Amis en ik ben heel erg onder de indruk.  Toch vreemd dat ik zo onder de indruk kan zijn van zulke overduidelijke verteltrucs (ik heb bijvoorbeeld ooit een diepe liefde opgevat voor het boek L’Année dernière à Marienbad van Alain Robbe-Grillet)

Maar Time’s Arrow: De verteller in het verhaal is iemand die zich bevindt in het hoofd van een net gestorven man met de naam Tod Friendly en hij komt er al snel achter dat hij een passagier is die het leven van Tod Friendly, andersom meemaakt. En dan letterlijk, het levensverhaal als een film terugverteld. (mensen stappen echt achteruit de deur uit)  Ik voel een stijgend enthousiasme als ik alle implicaties van dit idee probeer voor het voetlicht te brengen, maar ik volsta maar even met de mededeling dat ik verhevigd leef sinds ik dit boek ken.  Twee dingen: Bij elke nieuwe pagina raakt de vorige anders belicht. Het boek, 170 p. lang, is droevig, intens, en bijna voortdurend heel humoristisch.

Een voorbeeld op blz 74:

‘This business  with the yellow cabs, it surely looks like an unimprovable deal. They’re always there when you need one, even in the rain or when the theatres are closing. They pay you up front, no questions asked. They always know where you’re going. They’re great. No wonder we stand there, for hours on end, waving goodbye, or saluting – saluting this fine service. The streets are full of people with their arms raised, drenched and weary, thanking the yellow cabs. Just the one hitch: they’re always taking me places where I don’t want to go.’

Een van de ontelbare voorbeelden van hoe prachtig Amis gebruik maakt van deze rake vertelconstructie. En wonderbaarlijk is vervolgens dit: de lezer heeft geen last van het hulpmiddel van de verteller die precies modereert wat de lezer kan begrijpen en wat niet. Een rare constructie is dat de verteller zelf dus bijna nooit een conclusie trekt over hoe het eigenlijk is, dat is aan de lezer. Wat een boek!

Iets wat me nog van het hart moet: ik ken geen boek waarbij de achterflap zo belangrijk is, want hoe je dit boek moet lezen zonder dat je vooraf opgeladen bent met de informatie dat de man een kamparts blijkt te zijn geweest is me een raadsel.

En dan de schoonheid van dat idee: een kamparts is precies het tegenovergestelde van een arts: als je de zaak terugdraait dan geneest een kamparts zijn patiënten dus, ik ben er nog niet, maar vind het nu al huiveringwekkend…

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Grand dessert

In het midden van de eetzaal – onder een fel brandende kroonluchter – zitten twee Nederlanders, een vrouw en een man. Eind dertig, begin veertig. Zij heeft haar donkerblonde haar opgestoken (oorbellen, oogschaduw), zijn lange, donkere haar is samengebonden in een staart. Op tafel gegrilde tonijn, rijst, een salade van coeur de boeufs. De conversatie is ontspannen en levendig. Woorden wordt kracht bijgezet door kleine, soepele handbewegingen – alsof de tafel een minuscule tennisbaan is. Backhand, forehand. Lach, glimlach.

Ik zit alleen aan een tafel in de hoek. Geroezemoes, getinkel van messen en vorken. Ik probeer wat passages te herlezen uit de grote Nederlandse roman waarover ik het volgende semester college moet geven, maar het is moeilijk om mijn ogen van het stel onder de kroonluchter af te houden. Ze zijn de vleesgeworden falsificatie van mijn desillusies.

De nagerechten van de twee zijn net uitgeserveerd als de man, De Staart, overeind komt. Hij loopt naar een tafel met vier Zwitserse vijftigers. Als een ober die een wankel terrastafeltje gaat vastzetten met een dubbelgevouwen bierviltje hurkt hij naast de tafel, grijpt de achterpoot van de stoel van de grootste Zwitser vast en trekt die, terwijl hij snel overeind komt, onder de man vandaan; vervolgens zwaait hij de stoel met een vloeiende beweging hoog boven zijn hoofd en slaat die, nog voor de vijftiger de grond raakt, compleet aan barrels op diens bovenlijf. Het gekraak van botten en stoelpoten. Zodra de man overeind probeert te komen, trapt de Nederlander hem vol in het gezicht. Hij grijpt een steakmes van tafel en spietst het slachtoffer met een korte worp door zijn keel vast aan het parket.

Gegil, geschreeuw. Hier en daar komen gasten overeind. De Nederlander houdt zijn handen bezwerend op. ‘Geen paniek,’ zegt hij in matig Hoogduits, ‘deze mijnheer keek een duizendste seconde te lang naar mijn disgenote. Dat was alles.’

De zaal gromt van verontwaardiging. Er worden jasjes over stoelen gehangen, mouwen opgestroopt. Het valt me opeens op dat werkelijk alle gasten in het zwart zijn. Alle mannen, alle vrouwen. Behalve de Nederlanders. Die zijn in het grijs. De Staart loopt terug naar zijn tafeltje. Hij neemt een hapje panna cotta, staand, en wisselt een glimlach met zijn tafelgenote. Dan, als na een startschot, stormen de andere gasten op hem af. Het lijkt The Matrix wel.

Midden in de zaal ontploft een bom… nee… er trekt een twister door het restaurant… een orkaan… In de centrifugale choreografie van knietjes, draaitrappen, heupworpen, hakjes, ellebogen, kaakslagen en kopstoten zie ik De Staart twee jonge kerels optillen – met iedere hand één – en ze in één keer, sissend, dwars door een zware tafel heen rossen. Hij grijpt de wang van een gespierde dertiger, trekt in één ruk het hele gezicht van de man eraf, slaat daarna zijn vuist dwars dóór het druipende hoofd heen… Deze procedure wordt herhaald bij acht, negen volgende belagers – tussendoor schudt De Staart bloed en hersenresten van zijn hand… Hij gebruikt wijnflessen om bovenbenen te breken, trapt belagers door servieskasten, steekt mannen en vrouwen met grote vleesvorken aan wijnvaten vast, smijt lijken op dessertwagentjes…

Twee mannen proberen hem tegen de bar te dwingen en vliegen dan, als na een sprong op een trampoline, gymnastisch de zaal door. Koks, kelners en schoonmakers stromen door klapdeuren de zaal in. Één voor één worden ze door een ruit in de zijgevel naar buiten geslingerd… De Staart roept de koks allemaal hetzelfde na – misbaksels! – en moet dan zelf hard lachen…

Het gaat er allemaal zo verschrikkelijk primitief aan toe dat ik het liefst de ogen zou sluiten. Maar om de één of andere reden blijf ik kijken, moet ik kijken. Tot het opeens is afgelopen. Iedereen – alle gasten, al het bedienend personeel, de hele keukenbrigade – ligt knock out of dood tussen kapotte tafels, glasscherven en etensresten. De Staart raapt een servet van de vloer en begint bloeddruppels en hersenpulp van zijn gezicht te vegen.

Het zachte getinkel van de wiegende kroonluchter.

De Nederlandse, die de schermutseling sereen heeft uitgezeten, schuift haar stoel naar achteren, gaat rechtop staan en loopt naar De Staart. Ze gaat recht voor hem staan. De intensiteit van hun kijken is haast ondraaglijk. Wat komt er nu? Een omhelzing? Een kus? Een klap in zijn gezicht? Of een intieme dans met de stilte na de storm als achtergrondmuziek?

Ze steekt haar hand onder het jasje van De Staart en haalt een vuurwapen tevoorschijn. Een pistool. Van goud. Het lijkt wel een trompet. Ze spant de haan en maakt op haar hakken een ronde langs alle belagers die nog naar adem liggen te happen. Steeds opnieuw richt ze het gouden pistool met vaste hand op een hoofd, haalt dan de trekker over. Bij ieder schot is het of er een kom tomatensoep tegen het parket wordt gesmeten.

Als alle overlevenden zijn afgeknald, komen de Nederlanders naar mijn tafel. Wat ik zat te lezen? En waarom? Zodra ik over de Nederlandse faculteit in Rome begin, verdwijnt het pistool in een schouderholster. De Staart hurkt naast mijn stoel, pakt me bij m’n enkel en trekt me van m’n plek. Door de knal waarmee mijn hoofd de houten vloer raakt, verlies ik op slag het bewustzijn.

Een heldere sterrenhemel. IJskoude buitenlucht. Besneeuwde sparren. Ben ik weer zes? Lig ik op een slee? Nee, ik word aan mijn enkel door het dorp gesleept, over de aangestampte, hartbevroren sneeuw… straten door… de berg op, naar het chalet van de Nederlanders. Daar, binnen, smijten ze me in een stoel en drukt De Staart me een literair tijdschrift in handen.

‘Zo, professor. Lezen maar. Ik hoor straks wel hoe goed je ’t vindt.’

De Nederlanders verdwijnen naar de keuken. Huiselijke geluiden. Gelach. Een vuurwapen dat wordt herladen, borden die worden gestapeld.

Twee paar handen maken koffie en thee.

————

Tirade – hart voor lezers.

Soundtrack: een trompet-assorti van Tomaso Albinoni (een Italiaan, net als ik!!!). De vechtpartij graag deels in slow motion.

Francesco Lucarotti (1967) is als universitair docent verbonden aan de Sapienza, Università di Roma. Een handelseditie van zijn proefschrift – Eigen rechter, macht, onmacht en moraal in de contemporaine NED-LIT – is in voorbereiding.

Volgende week: F. Lucarotti over T452. Plus: via Rome naar het Parijs van Sartre & De Beauvoir, alias Castor.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Alexander Baneman"
    Alexander Baneman

    Alexander Baneman (Amsterdam, 1986) publiceerde in o.m. Tirade, De Revisor en De Parelduiker. In november verschijnt zijn debuutroman De schim van Raamswolde bij Van Oorschot.

  • "Foto van Lodewijk Verduin"
    Lodewijk Verduin

    Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

  • "Foto van Greet Kuipers"
    Greet Kuipers

    Greet Kuipers (1962) is psychiater. Onder het pseudoniem Minke Douwesz publiceerde zij bij uitgeverij Van Oorschot twee romans, Strikt en Weg. Voor de laatste ontving zij de Opzij Literatuurprijs 2009 en de Anna Bijns Prijs 2012.