Nieuwe schoenen

Unknown

 

 

 

 

 

 

 

Het was woensdagochtend, kwart voor tien. Hand in hand stonden Nadim en ik voor de rolluiken van de Bijenkorf. In het halfdonker erachter sliepen de draaideuren nog. Op zijn halfhoge schoentjes, het ooit glimmendblauwe leer van de neuzen al stoeptegelgrijs geschaafd, draaikontte mijn zoon. Elk moment kon hij beginnen te jengelen. 

Binnensmonds vervloekte ik mijn gebrekkige planning. De met Nadim doorgesproken volgorde van de dag had ik tien minuten geleden moeten wijzigen, toen we in de regen voor de ook nog niet draaiende draaideur van de OBA stonden. 

‘Dan halen we eerst nieuwe schoenen,’ had ik gezegd. ‘Oké?’

‘Boekje van blote beesten halen in de diepelotheek, papa?’

‘Nee, schat. Eerst schoenen, dan boekies.’

Op de fiets hadden we alvast besproken wat voor schoenen hij wilde. 

‘Wil je hoge, zoals je nu hebt?’

Hij keek naar beneden. ‘Blauwe.’

‘Met veters?’

‘Blauw.’

‘Blauwe schoenen met blauwe veters?’

‘Blotebeestenboekje halen, papa?’

De laatste keer dat ik in de Bijenkorf was – dacht ik toen de luiken eindelijk opgehaald waren en we als eersten door het Louis Vuittongeweld liepen – moest een leven geleden zijn. In ieder geval voor ik een oude man in een vuile spijkerbroek geworden was, die een kind in een te kleine winterjas en versleten schoenen voortsleepte. Alle verticale oppervlakken in het warenhuis leken te spiegelen, waardoor de verwaarloosde man (zat zijn jas nu vol hondenharen?) en zijn verwaarloosde kind (was dat een enorm snotplakkaat, onder zijn neus?) niet méér hadden kunnen opvallen als ze op een mammoet binnen waren gekomen. 

Om ons heen waren graatmagere vrouwen met duur haar, en pappige mannen in nog veel duurdere gympies kleding aan het schikken. Ik moest denken aan de catacomben van een schouwburg voor aanvang de voorstelling, en inderdaad: zonder publiek leek de grime er bij de acteurs wel erg dik op te liggen. Ik stelde me voor hoe zo’n winkeldame na een lange dag werken thuiskwam: hoe ze de uitgeharde make-uplagen als een dodenmasker afpelde, waarna ze bij de tv een halve peer at die ze wegspoelde met vier glazen Pinot Grigio. Soms wil je mensen graag naakt zien, zonder dat het meteen iets seksueels is.  

Ben ik hier alleen in?

Nadim en ik pakten alle roltrappen. We deden ze vooruit, achteruit, lopend en stilstaand. Voor we het wisten waren we helemaal boven, waar we in de verste uithoek een kinderschoenenhoek vonden.

‘Zeg maar tegen die mevrouw wat je wilt,’ zei ik.

‘Blauw,’ zei Nadim.

De mevrouw nam ons even op. ‘Ik weet niet of ik nog iets blauws in de uitverkoop heb.’

Kennelijk waren de esthetische eisen die gesteld werden aan verkopers van kinderschoenen heel anders dan die gesteld werden aan de Chanel-crew. De gelaatshuid van onze verkoopster was nog heel duidelijk zichtbaar en ze kon ook glimlachen, wat ze op gepaste momenten deed. Ze vertrok en kwam na een paar tellen weer terug met een viertal dozen in haar armen. De eerste bevatte knallendblauwe Adidassen. 

‘Geen gympen,’ zei ik. ‘Sorry.’

Er bleven nog twee dozen over. In de eerste lagen ademende klittenbandstappers met 50% korting, in de tweede halfhoge avondhemelblauwe suède bordeelsluipers met spekzolen.

‘Deze zijn van de nieuwe collectie,’ zei de mevrouw. Ik keek op het prijsplakkertje onder de zool, liet de sluiper vallen alsof hij in de fik stond en pakte een klittebandstapper uit de andere doos. 

‘Mooi toch, deze?’ zei ik hoopvol tegen Nadim.

Ach, het moge duidelijk zijn. Een minuut later duwde ik – zonder naar de kassabon te durven kijken – mijn pinpas in de gleuf die mevrouw me voorhield. De drie piepjes van het succes klonken.

Nadim wilde zijn nieuwe schoenen aanhouden en staarde op de roltrap innig naar zijn voeten. Bij de spiegelpui van de Fendiwinkel hield hij even stil om zijn hele gestalte in zich op te nemen. Hij lachte, straalde naar zichzelf. Het was zo aanstekelijk dat de meneer die voor de pui op klanten stond te wachten ook begon te stralen.

‘Oh,’ zei hij. ‘Wat heb je moooooie schoenen! Heeft jouw lieve papa die voor je gekocht?’

Ik knikte naar de Fendiman, glimlachte en merkte godverdegodver dat ik begon te blozen. Nu was ik het die naar mijn voeten keek.  

‘Kom,’ zei ik, en trok mijn zoontje vlot. ‘Dan gaan we een blotebeestenboekje voor je halen.’

 

 

 

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

De regelmaat is saai…

Een gereformeerd meisje….

In de films Wolf of Wall Street, Inside Job  en Margin Call  – alledrie dramatische verwerkingen van de apocalyptische beurskrachs van 1987  en 2008 – is een terugkerend gegeven dat de mensen die beslissen over beurshandel niet snappen hoe het technisch in elkaar zit en mensen met verstand van zaken, hebben geen beslissingsbevoegdheid. Klinkt als Polare.

Feit is dat de neergang van een economisch systeem een fraai drama oplevert. (En wat is DiCaprio toch goed!)  Hoe mensen stijgen en dalen, waanzinnig rijk worden of zelfmoord plegen vanwege te grote verliezen,  wanneer er iets gebeurt dat ieders kracht en voorstellingsvermogen te boven gaat. Dat iets, zou je in navolging van Nassim Nicholas Taleb kunnen omschrijven als een Black Swan, een uitzondering op de regel, een niet te voorspellen voorval dat richting van de geschiedenis ingrijpend wijzigt. Wat ik – en ik ben bepaald niet de enige – boeiend aan Talebs boek vind is niet slechts de biografische ondertoon van zijn betoog wat het tot een heus groot essay maakt – (Libanees, kwam tot wasdom in de oorlog en heeft zo zijn eerste persoonlijke Black Swan rond zijn 12e al te pakken)  maar de nadruk op denken over het bijzondere in plaats van over de regel. Waar heel veel wetenschap zich bezighoudt met het ontlokken van regelmatigheden aan de koers der geschiedenis, ligt het toch veel meer voor de hand je te richten op de grote onregelmatigheden.  En je hoeft dan niet per se op het gebied van de trend watchers te komen: voorspellen is misschien niet mogelijk, maar achter de regel aan lopen is niet instructief.

In conreto: alles doen om een tweede aanval op de Twin Towers te voorkomen is in wezen zinloos, want gaat voorbij aan de ontwrichtende denkkracht van de terrorist. (Ik lees over Bin Laden dat hij een ongeëvenaarde capaciteit had niet top down te beslissen, maar originele ideeën onder zijn volgers aan te moedigen, bottom up dus.)

Een ander voorbeeld is een driedelige semi-erotische reeks laten schrijven door drie jonge Nederlandse auteurs om het succes van E. L. James te evenaren, dat  was al belegen toen het in iemand haar hoofd op kwam.

Taleb meent dat kranten lezen weinig zinnig is omdat je je laaft aan een kennisbron van velen, en je dus regel ziet en geen uitzondering. De man leest liever boeken. En komt zo tot een aantal beangstigende inzichten, waaronder dat van clustering. ‘The next time a Martian visits earth, try to explain to him why those who favor allowing the elimination of a fetus in the mother’s womb also oppose capital punishment. Or try to explain to him why those who accept abortion are supposed to be favorable to high taxation but against a strong military. Why do those who prefer sexual freedom need to be against individual economic liberty?

I noticed the absurdity of clustering when I was quite young. By some farcical turn of events, in that civil war of Lebanon, Christians became pro-free market and the capitalistic system—i.e., what a journalist would call “the Right”—and the Islamists became socialists, getting support from Communist regimes (Pravda the organ of the Communist regime, called them “oppression fighters,” though subsequently when the Russians invaded Afghanistan, it was the Americans who sought association with bin Laden and his Moslem peers).’

En ik vond het al heel wat toen ik op mijn 12e ontdekte dat Prodent protestants was, en Colgate katholiek…

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

‘Meer sterren dan er aan de hemel staan.’ – Lucarotti’s loftrompet

‘Francesco, alsjeblieft… concentreer je… hoofd stil houden, gewoon recht in de lens kijken. Niet naar ’t statief, in de léns.’

‘Denk je dat de lezers van Tirade ’t niet suspect vinden dat ik een blauw oog heb?’

‘Waarom? Een ongelukje kan de beste overkomen… Van een verstrooide professor verwachten de mensen niet anders dan dat ie de hele dag overal tegenaan loopt… Zo’n blauw oog is juist goed voor je geloofwaardigheid als academicus en onthecht, vergeestelijkt cultuurmens. Bovendien heeft de gemiddelde Tirade-lezer echt veel meer oog voor dat mooie maatpak van je, dan voor zo’n alledaags ongerechtigheidje als een opgezwollen ooglid.’

‘Ja, denk je?’ Francesco straalt.

‘Ik weet het wel zeker.’

      Ik controleer of het statief stevig staat, stel de richtlamp wat bij, ga dan weer op m’n houten kruk zitten. Het is net een uniform, dat pak van Lucarotti.

‘Ja, mag ik?’

‘Ontspannen… schouders nog wat losser… en probeer vriendelijk te blijven kijken… Rustig praten, hè?… En… actie!’

‘Hallo! Hierbij verklaar ik, Francesco Lucarotti, geboren in 1967 in Luca, werkzaam aan de Sapienza, Università di Roma waar ik ook geschoold ben in de Nederlandse taal en letterkunde, uit eigen vrije wil mijn oordeel over het 452e nummer van literair tijdschrift Tirade uit te drukken en te laten vastleggen voor eventuele verspreiding onder een massapubliek. Tevens en bovendien geef ik literair tijdschrift Tirade dus nadrukkelijk toestemming om deze opname te gebruiken in haar publicitaire uitingen.’

‘Ga door. En nu mag het wat minder formeel… ’

‘Hallo. Mijn naam is professor Francesco Lucarotti… De redactie van literair tijdschrift Tirade heeft mij gevraagd om, als onafhankelijk wetenschapper, mijn oordeel te geven over het jongste nummer van tijdschrift Tirade, Tirade 452… Het is voor een wetenschapper altijd wat lastig, ik zou haast zeggen: tegennatuurlijk, om stellige of zelfs absolute uitspraken te doen over literaire kwaliteit, maar met het pistool op de borst zou ik zeggen: Tirade 452 bevat de allerbeste teksten die ik in mijn professionele leven ooit heb gelezen, die ik ooit onder ogen zal krijgen en die ooit ter perse zijn gegaan of zullen gaan. Dit meen ik oprecht. Zowaar ik Francesco Lucarotti heet. Ik dank Uitgeverij Van Oorschot, Tirade gastredactrice Judith Uyterlinde, de Tirade redactie, en de hele Nederlandse en internationale intellectuele gemeenschap voor de onvergetelijke leeservaring die Tirade 452 mij heeft bezorgd… Zou ik in de beste contemporaine dagbladtraditie mijn waardering moeten uitdrukken in icoontjes, dan zou ik mij genoodzaakt zien de opdracht terug te geven, want kort en goed: Tirade 452 verdient meer sterren dan er op een heldere winternacht aan de hemel staan… Abonneert u zich alstublieft allemaal op Tirade, koop zoveel losse Tirade-nummers als uw armen maar dragen kunnen en verspreidt het tijdschrift onder al die hunkerende zielen die tot nog toe van deze literaire pracht verstoken zijn gebleven. Tirade – daar zit geen woord Spaans bij.’

‘…’

‘Deed ik ’t goed? Hoe vond je de pay off?’

‘Ik had het zelf niet beter kunnen doen, Francesco… Mijn dank is groot. Ik zet alles meteen op de blog maandag.’

      Ik berg camera en statief op en loop naar de keuken voor koffie, thee en een schaaltje kaasvlinders.

‘Lekker pittig,’ zegt Francesco meer tegen zijn kopje dan tegen mij. ‘Beter dan de automatenkoffie die ik altijd op de universiteit drink.’

Als ik aan mijn thee nip, herinneren mijn lippen me eraan dat ik bij het eerste glas m’n bovenlip heb verbrand. Ik reik naar een kaasvlinder.

‘Waar is je assistente eigenlijk?’

‘Mijn collega. In de logeerkamer, denk ik… ze werkt aan een nieuwe goochelshow… kostuums tekenen, decors schetsen.’

Eigenlijk ben ik nu wel uitgeluld met Lucarotti. Het liefst zou ik ’m gewoon overhoop schieten, maar dan moet ik zelf de rotzooi opruimen en daar heb ik natuurlijk geen zin in. Ik herschik m’n gun in m’n schouderholster, ga een paar keer verzitten.

‘Ik weet eigenlijk niet hoe dat in Nederland zit,’ zegt Lucarotti die van plan lijkt me uitputtend kennis te gaan laten maken met zijn verbale kwaliteiten, ‘maar in Italië is het Existentialisme enorm aan het opleven… wist je dat? Het is bij ons al veel groter dan de New Sincerity… Als je op zaterdag door Trastevere of San Lorenzo slentert, dan waan je je in het Parijs van Sartre en De Beauvoir, werkelijk… overal zitten jongeren druk te discussiëren over politiek, moraal en literatuur, overal zitten studenten kranten, boeken, literaire tijdschriften te lezen en te bespreken… en nooit vrijblijvend hè? Voor die jongelui zijn de Existentialisten weer echte rolmodellen.’

‘O, dat wist ik niet.’ Ik neem nog een kaasvlinder. Ze vallen zwaar en toch blijf je er van eten.

‘Ken je dat standaardwerk van Hans van Stralen over het Existentialisme?’

‘Beschreven keuzes? Zeker.’

‘Van Stralen beschouwt de ‘gesloten ruimte’ als een typisch Existentialistisch motief en – ’

‘Wat zeg ik nou net? Ik heb dat boek godverdomme ook gelezen. Dan hoef je me toch niet te vertellen wat er in staat?’

‘En nou vroeg ik mij af… die rechtbank in Alles kan kapot waar Serafijn op een gegeven moment woont en die school waarin ze dan exposeert en zo, zou je die plekken volgens jou ook als Existentialistische ‘gesloten ruimten’ kunnen duiden? Of is dat – ’

‘Ik heb echt geen flauw idee professor Francesco.’ Ik kom overeind. ‘Bovendien denk ik dat jij het soort salaris opstrijkt waarvoor de Europese belastingbetaler wel wat intellectuele autonomie mag terugverwachten. Kom, we gaan naar buiten, ik wil je iets laten zien.’

‘Je gaat me toch niet vermoorden?’

‘Hahahaha!,’ ik gooi mijn hoofd in mijn nek en door een interne serverfout of door één of andere bug blijf ik een kwartier zo schokkend staan lachen – na een hikje vervolg ik: ‘Zoiets kan alleen een Italiaan vragen. Je vindt de maffia nog eerder in het uiterste noorden van Zweden of in IJsland dan in Zwitserland hoor.’

      We lopen het behaaglijke huis uit, de sneeuw in. De buitenlamp springt aan. Naast m’n Jeep staat de grote legergroene Kliko die ik ooit uit Nederland heb meegenomen. Vanmorgen geleegd.

‘Ga d’r maar in staan,’ zeg ik tegen Francesco.

‘Huh?’

      Ik houd de bak scheef, Francesco klimt erin. Ik zet de Kliko weer recht, duw het hoofd van Francesco naar beneden, sluit het deksel.

‘Ik ben benieuwd!,’ roept Francesco blij vanuit de gesloten ruimte.

‘Nu stevig met je hoofd tegen de binnenkant van ’t deksel duwen.’

Met m’n ene hand houd ik de Kliko dichtgeklemd, met de andere trek ik m’n gun uit m’n schouderholster. Zodra ik het deksel in het midden zie opbollen, zet ik de loop van m’n gun erop, haal dan twee, drie, vier keer de trekker over. In de Kliko verschuift iets – daarna blijft het stil.

Ik rek me uit, neem een teug van de ijskoude nachtlucht. Pinkelende lichtjes in het dal. Op de weg die twee dorpjes in de bergen aan de overkant met elkaar verbindt een piepkleine sneeuwschuiver met brandend zwaailicht, daarachter twee strooiauto’s. Terwijl ik m’n gun weer in m’n schouderholster steek, gaat boven een raam open. Pam steekt haar hoofd naar buiten.

‘Wat was dat voor geluid, collega? Je hebt toch niet die Italiaan door z’n hoofd geschoten?’

‘Natuurlijk niet.’

‘Godverdomme, klojo… door jouw rottige verdwijntrucs mag ik straks nergens meer komen goochelen! Sorry dat ik ’t zeg, maar ik vind ’t eigenlijk een heel onsympathieke gewoonte. Die jongen zou nota bene ’t adres van een leuk eethuisje in Rome nog voor me opschrijven.’

‘Vraag zo iemand een volgende keer dan om dat meteen doen. Maar who cares… m’n iPhone kent meer leuke eettentjes dan drie generaties Lucarotti bij elkaar hoor.’

      Pam schiet in de lach. ‘Jezus, wat een onverbeterlijke hufter ben je toch.’

‘Ik ben een professional.’ Ik knijp met mijn ogen, kijk door het schijnsel van de buitenlamp heen naar boven. ‘Heb je al gezien hoe helder ’t nog is? Als jij nou je jas aandoet, warme shawl om, je guitige muts op, dan kunnen we nog een eind gaan lopen.’

‘Ik heb net een – ’

‘Pitten kan de hele nacht nog, oma.’

 ———————

Tirade – veelgeprezen, veelgelezen.

Soundtrack:  Giuseppe Domenico Scarlatti, sonata K531. 

Volgende week: ‘Hé, Tyn… waarom heb jij eigenlijk geen kinderen?’

Barista

Het is warm op het bankje in de hoek. Buiten tikt de regen tegen de ramen. De deur zwaait telkens open dicht. Een plastic zakje waait naar binnen. De rij voor het koffieapparaat wordt langer. Mensen wachten, starend op hun smartphone, lezend in een krantje. Voorin de rij staat een vrouw, een peuter op de arm. Een jongetje hangt aan haar jas en wijst op de vitrine met croissants en brownies. ‘Ik wil die, mama, ik wil die, mama, ik wil die.’

Hipsters achter de koffiemachine voeren traag hun handelingen uit. Ze zijn gewend aan de wolk van ingehouden woede in de ruimte. Iedereen wil. Maar iedereen zwijgt. De barista is koning. Het is zijn traagheid waar wij naar verlangen. Daarom komen wij hier. De mannen met baarden, de meisjes met hoornen uilenbrillen, de potentiële singer-songwriters met hun laptops, de jongens met hun hoge leren veterschoenen, hun oude racefietsen, hun dikke wollen coltruien.

‘Mama, ik wil die, mama, ik wil die, mama, ik wil die.’ Druppels vallen van vochtige jassen. Ramen beginnen van binnenuit te beslaan. Een man met lang donker haar staart over zijn computerscherm de ruimte in. Een plug door zijn oorlel. Latino-poseur met een vrij beroep. Zo zichzelf. Hij wordt gezien. Zoals wij allemaal, hier, worden gezien. Door elkaar, voor elkaar, met elkaar. Hier, in deze ruimte, zijn wij wereldwijs. Wij zijn allen artiesten. En we nemen de tijd, voor onze koffie.

 

 

Rosan Hollak (1971) studeerde filosofie en politieke wetenschappen. Ze is journaliste bij het NRC Handelsblad, publiceerde verhalen in Bunker Hill, Lava en Tirade en werd twee keer genomineerd voor de Brandende Pen voor het beste korte verhaal. Ze debuteerde in 2012 met de mozaïekroman Scherptediepte (De Bezige Bij). 

‘She understood Duke Ellington.’ – American Hustle

Film: American Hustle (2014).

Genre: misdaad, drama, komedie.

Regie: David O Russell.

Verhaal: twee oplichtertjes – Irving Rosenfeld en Sydney Prosser – worden gepakt en gedwongen de FBI te helpen om grotere boeven te vangen. De jonge FBI agent die de operatie leidt, lijdt aan hybris. Uiteindelijk gaat het mis/goed/goed mis – voor de FBI, welteverstaan.

American Hustle is een glijbaan met lekker veel bochten erin.

‘In een goed parfum zit altijd iets… verrots,’ zegt de ordinaire, maar erg grappige Rosalyn Rosenfeld gegeneerd lachend aan een maaltijd met haar man en de burgemeester en diens vrouw. Het is de clou van American Hustle: zonder leugens/dromen/fantasie/verbeelding wordt het niks.

Tot op zekere hoogte, meent de film, zijn we allemaal oplichters. Om te overleven. Bovendien zijn we zelfbedriegers. Uit noodzaak. Je moet jezelf bij elkaar liegen, een identiteit construeren, om iets van het leven te kunnen maken.

Set design, kostumering en camerawerk van American Hustle zijn in heerlijk vette jaren zeventig stijl. En ja: er is een disco sequentie. Toch voel je je een beetje gefopt als de aftiteling wordt ingezet, want AH bezorgt je een prima, volvette filmavond, maar is minder enerverend of kunstig dan de kritieken in de dagbladen deden vermoeden.

De sequentie die de hardste lach oogst is die waarin Rosalyn Rosenfeld een magnetron krijgt. De gever – Irving Rosenfeld, de vader van Rosalyns zoontje – zegt erbij dat ze er geen metaal in mag doen. Nou… dat maakt ze zelf wel uit! Ze zet een ovenschaal afgedekt met een flinke lap aluminiumfolie in de magnetron en drukt op ‘start’. Poef! Hahaha! Schitterend! Serieus. Het voorval is nog symbolisch/voorspellend ook: door de ‘eigenzinnigheid’ – lees: loslippigheid – van Rosalyn gaat ook het masterplan dat de FBI en Rosalyns man hebben uitgedacht bijna in rook op.

Uiteindelijk is American Hustle een liefdesverhaal: de geboren fantasten en overlevers Irving Rosenfeld en Sydney Prosser voelen zich gelukkiger in de alternatieve werkelijkheid die zij voor zichzelf hebben gecreëerd, dan in ‘de realiteit’ van de FBI-ers die hen dwingen andere fantasten te vangen. Een leugen is een droom is een gedicht: je kunt erin wonen.

Overigens is Russells vorige film, Silver Linings Playbook (2012), leuker, beter, eigenzinniger, sterker, waarachtiger dan AH.

Titel van dit stukje: aan het begin van de film vertelt Irving in de voice-over hoe Sydney en hij elkaar hebben leren kennen en hoe intelligent hij haar meteen vond. Bovendien/want voegt hij daar vertederd aan toe: ‘She understood Duke Ellington.’

Tirade – licht op cinema.

Alan Smithee (Los Angeles, 1967) is regisseur. Hij heeft tientallen speelfilms en televisieseries op zijn naam staan.

The One

imagesEen echte vriend geeft je wat je nodig hebt, niet wat je het liefst wilt. Deze week, voor zijn vertrek, waaide Arjen nog één keer bij ons aan.

Ik stond in het raam toen hij op zijn karakteristieke manier de straat in kwam lopen: kaarsrecht, zijn schouders naar achteren en zijn hoofd geheven zoals ik me voorstel dat de veel te jonge Lorca in het Grenada van 1936 het vuurpeloton tegemoet trad. 

Ergens helpt het voor de vergelijking dat Arjen zo bijziend als de neten is. Lorca zal de hem aangeboden blinddoek zeker hebben afgewezen; door de dikte van zijn brilleglazen lijkt Arjen zijn omgeving altijd met een soort vorsend wantrouwen op te nemen. Het is een ontembare blik, een soeverein myopisch gedogen, dat pas verdwijnt als hij naar je lacht. 

Het zat er al langer in dat Arjen zijn geliefde achterna zou reizen. Merijn, de boy wonder, doet aan de universiteit van Austin iets met code waarvoor hij door de NSA gesponsord wordt. Ik vermeld dit omdat ik ervan geniet het te vertellen, alsof ik beste vrienden met een wapenhandelaar ben. 

Ik liet Arjen binnen, zette hem aan tafel en trok een fles wijn open. Daarna rookten we, zoals al jaren onze gewoonte is, een jointje. De combinatie van koele witte wijn en cannabis is niet te verslaan. Tel daar een gesprekspartner bij op die zo grappig is als Arjen, en binnen tien minuten giebel ik als de stonede tiener die ik op de middelbare school meestal was. 

Ritme wordt vaak belangrijk gevonden in humor. Dat is het ook, maar wat voor mij belangrijker is: weten waar de grens van het betamelijke ligt en op die grens een koorddansje doen. Arjen is hierin een meester. Hij zet anderen en vooral zichzelf in een paar woorden zo helder neer, met zulke perfecte beelden…

Je weet dat het harder kan; hij weet dat het harder kan, maar uit zijn plagen spreekt altijd respect, altijd liefde. Ik wil mijn boekje niet te buiten gaan, maar ik geloof dat Arjen door zijn achtergrond een expert geworden is in het houden van complexe mensen. Ik kan het weten, ik ben er zelf een.

Aan het einde van de avond haalde mijn vriend een boekvormig cadeau uit zijn tas. Ik scheurde het witte papier weg en hield The One in mijn handen, de biografie die R.J. Smith schreef over James Brown. 

Ik lees nooit biografieën. Als ik non-fictie lees, is het meestal de krant. Uit liefde voor Arjen belandde zijn boek bovenop mijn leesstapel en vandaar, sinds gisteren – toch echt eretribunewerk – bij me in bed.

‘Maar dit is fictie,’ zei ik tegen Birre na het lezen van de eerste tien bladzijden. 

‘Geniaal,’ zei ik na de eerste zestig. 

Zelden heb ik een personage zo helder, zo zuiver naar voren zien komen als deze James Brown. R.J. Smith schreef een tot dusver briljant boek, dat waarschijnlijk ook nog heel dicht bij de waarheid ligt. Het leven van de jonge James is deernis-, maar ook vaak lachwekkend opgeschreven. Toch blijft de liefde van de schrijver voor zijn onderwerp te allen tijde overeind. 

Een beter afscheidscadeau, vriend Arjen, had je me niet kunnen geven. 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Gilles van der Loo"
    Gilles van der Loo

    Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

  • "Foto van Dünya Calikci"
    Dünya Calikci

    Dünya Calikci (28) is een echte Amsterdammer en schrijver pur sang. Als student aan de opleiding Writing for Performance aan de HKU schrijft ze rauw, eerlijk en realistisch – altijd dicht op de huid. Haar werk draait om echte mensen en hun verhalen, zonder opsmuk of filter. Dünya zoekt de kwetsbaarheid op en vangt het alledaagse in woorden die blijven hangen.

  • "Foto van Jente Jong"
    Jente Jong

    Jente Jong werkt als actrice, theatermaker en schrijver. In 2017 debuteerde ze met de roman Het intieme vreemde bij uitgeverij Querido. Daarnaast schrijft ze toneelstukken voor onder andere de Toneelmakerij en speelt ze in een jeugdvoorstelling en een poëzieprogramma. Voor Tirade schrijft ze over haar (eerste) stappen in de schrijverswereld.