If I Could Turn Back Time…

…had Plasterk het allemaal anders gedaan.  Terugkijken is een bezigheid die naarmate men ouder wordt belangrijker wordt, ook eenvoudigweg omdat er steeds minder is om naar vooruit te zien. Het verleden groeit. In literatuur is het een opvallende technische verteltruc. Anna Louws Kroniek van Perdepoort speelt zich af respectievelijk op 9 maart, 8 maart en 7 maart. Wat betekent dit? Het blok informatie dat je krijgt opgediend in het eerste deel van de prachtige roman, is niet slijtvast op te slaan, maar moet voortdurend opnieuw ondervraagd worden naarmate het boek vordert.

In de geweldige film Memento van Christopher Nolan krijgt de kijker brokjes informatie toegdiend, terug in de tijd, naar steeds meer inzicht in wat er precies gebeurd is. De verteltruc hierbij is dat de hoofdpersoon een falend korte termijngeheugen heeft, hij moet zelf kleine beetjes informatie als een roofdier aan de wereld ontfutselen. Uiteindelijk is een goed verhaal vertellen het doseren van informatie. Wanneer een verhaal verteld wordt op de wijze als in Kroniek van Perdepoort, blijft het deel van het boek dat al gelezen is steeds meeresoneren bij elke nieuwe informatielaag, en hierdoor maakt het boek een veel sterkere indruk dan wanneer het boek chronologisch verteld zou zijn.

Dan nu het klapstuk. Ik lees Time’s Arrow van Martin Amis en ik ben heel erg onder de indruk.  Toch vreemd dat ik zo onder de indruk kan zijn van zulke overduidelijke verteltrucs (ik heb bijvoorbeeld ooit een diepe liefde opgevat voor het boek L’Année dernière à Marienbad van Alain Robbe-Grillet)

Maar Time’s Arrow: De verteller in het verhaal is iemand die zich bevindt in het hoofd van een net gestorven man met de naam Tod Friendly en hij komt er al snel achter dat hij een passagier is die het leven van Tod Friendly, andersom meemaakt. En dan letterlijk, het levensverhaal als een film terugverteld. (mensen stappen echt achteruit de deur uit)  Ik voel een stijgend enthousiasme als ik alle implicaties van dit idee probeer voor het voetlicht te brengen, maar ik volsta maar even met de mededeling dat ik verhevigd leef sinds ik dit boek ken.  Twee dingen: Bij elke nieuwe pagina raakt de vorige anders belicht. Het boek, 170 p. lang, is droevig, intens, en bijna voortdurend heel humoristisch.

Een voorbeeld op blz 74:

‘This business  with the yellow cabs, it surely looks like an unimprovable deal. They’re always there when you need one, even in the rain or when the theatres are closing. They pay you up front, no questions asked. They always know where you’re going. They’re great. No wonder we stand there, for hours on end, waving goodbye, or saluting – saluting this fine service. The streets are full of people with their arms raised, drenched and weary, thanking the yellow cabs. Just the one hitch: they’re always taking me places where I don’t want to go.’

Een van de ontelbare voorbeelden van hoe prachtig Amis gebruik maakt van deze rake vertelconstructie. En wonderbaarlijk is vervolgens dit: de lezer heeft geen last van het hulpmiddel van de verteller die precies modereert wat de lezer kan begrijpen en wat niet. Een rare constructie is dat de verteller zelf dus bijna nooit een conclusie trekt over hoe het eigenlijk is, dat is aan de lezer. Wat een boek!

Iets wat me nog van het hart moet: ik ken geen boek waarbij de achterflap zo belangrijk is, want hoe je dit boek moet lezen zonder dat je vooraf opgeladen bent met de informatie dat de man een kamparts blijkt te zijn geweest is me een raadsel.

En dan de schoonheid van dat idee: een kamparts is precies het tegenovergestelde van een arts: als je de zaak terugdraait dan geneest een kamparts zijn patiënten dus, ik ben er nog niet, maar vind het nu al huiveringwekkend…

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Grand dessert

In het midden van de eetzaal – onder een fel brandende kroonluchter – zitten twee Nederlanders, een vrouw en een man. Eind dertig, begin veertig. Zij heeft haar donkerblonde haar opgestoken (oorbellen, oogschaduw), zijn lange, donkere haar is samengebonden in een staart. Op tafel gegrilde tonijn, rijst, een salade van coeur de boeufs. De conversatie is ontspannen en levendig. Woorden wordt kracht bijgezet door kleine, soepele handbewegingen – alsof de tafel een minuscule tennisbaan is. Backhand, forehand. Lach, glimlach.

Ik zit alleen aan een tafel in de hoek. Geroezemoes, getinkel van messen en vorken. Ik probeer wat passages te herlezen uit de grote Nederlandse roman waarover ik het volgende semester college moet geven, maar het is moeilijk om mijn ogen van het stel onder de kroonluchter af te houden. Ze zijn de vleesgeworden falsificatie van mijn desillusies.

De nagerechten van de twee zijn net uitgeserveerd als de man, De Staart, overeind komt. Hij loopt naar een tafel met vier Zwitserse vijftigers. Als een ober die een wankel terrastafeltje gaat vastzetten met een dubbelgevouwen bierviltje hurkt hij naast de tafel, grijpt de achterpoot van de stoel van de grootste Zwitser vast en trekt die, terwijl hij snel overeind komt, onder de man vandaan; vervolgens zwaait hij de stoel met een vloeiende beweging hoog boven zijn hoofd en slaat die, nog voor de vijftiger de grond raakt, compleet aan barrels op diens bovenlijf. Het gekraak van botten en stoelpoten. Zodra de man overeind probeert te komen, trapt de Nederlander hem vol in het gezicht. Hij grijpt een steakmes van tafel en spietst het slachtoffer met een korte worp door zijn keel vast aan het parket.

Gegil, geschreeuw. Hier en daar komen gasten overeind. De Nederlander houdt zijn handen bezwerend op. ‘Geen paniek,’ zegt hij in matig Hoogduits, ‘deze mijnheer keek een duizendste seconde te lang naar mijn disgenote. Dat was alles.’

De zaal gromt van verontwaardiging. Er worden jasjes over stoelen gehangen, mouwen opgestroopt. Het valt me opeens op dat werkelijk alle gasten in het zwart zijn. Alle mannen, alle vrouwen. Behalve de Nederlanders. Die zijn in het grijs. De Staart loopt terug naar zijn tafeltje. Hij neemt een hapje panna cotta, staand, en wisselt een glimlach met zijn tafelgenote. Dan, als na een startschot, stormen de andere gasten op hem af. Het lijkt The Matrix wel.

Midden in de zaal ontploft een bom… nee… er trekt een twister door het restaurant… een orkaan… In de centrifugale choreografie van knietjes, draaitrappen, heupworpen, hakjes, ellebogen, kaakslagen en kopstoten zie ik De Staart twee jonge kerels optillen – met iedere hand één – en ze in één keer, sissend, dwars door een zware tafel heen rossen. Hij grijpt de wang van een gespierde dertiger, trekt in één ruk het hele gezicht van de man eraf, slaat daarna zijn vuist dwars dóór het druipende hoofd heen… Deze procedure wordt herhaald bij acht, negen volgende belagers – tussendoor schudt De Staart bloed en hersenresten van zijn hand… Hij gebruikt wijnflessen om bovenbenen te breken, trapt belagers door servieskasten, steekt mannen en vrouwen met grote vleesvorken aan wijnvaten vast, smijt lijken op dessertwagentjes…

Twee mannen proberen hem tegen de bar te dwingen en vliegen dan, als na een sprong op een trampoline, gymnastisch de zaal door. Koks, kelners en schoonmakers stromen door klapdeuren de zaal in. Één voor één worden ze door een ruit in de zijgevel naar buiten geslingerd… De Staart roept de koks allemaal hetzelfde na – misbaksels! – en moet dan zelf hard lachen…

Het gaat er allemaal zo verschrikkelijk primitief aan toe dat ik het liefst de ogen zou sluiten. Maar om de één of andere reden blijf ik kijken, moet ik kijken. Tot het opeens is afgelopen. Iedereen – alle gasten, al het bedienend personeel, de hele keukenbrigade – ligt knock out of dood tussen kapotte tafels, glasscherven en etensresten. De Staart raapt een servet van de vloer en begint bloeddruppels en hersenpulp van zijn gezicht te vegen.

Het zachte getinkel van de wiegende kroonluchter.

De Nederlandse, die de schermutseling sereen heeft uitgezeten, schuift haar stoel naar achteren, gaat rechtop staan en loopt naar De Staart. Ze gaat recht voor hem staan. De intensiteit van hun kijken is haast ondraaglijk. Wat komt er nu? Een omhelzing? Een kus? Een klap in zijn gezicht? Of een intieme dans met de stilte na de storm als achtergrondmuziek?

Ze steekt haar hand onder het jasje van De Staart en haalt een vuurwapen tevoorschijn. Een pistool. Van goud. Het lijkt wel een trompet. Ze spant de haan en maakt op haar hakken een ronde langs alle belagers die nog naar adem liggen te happen. Steeds opnieuw richt ze het gouden pistool met vaste hand op een hoofd, haalt dan de trekker over. Bij ieder schot is het of er een kom tomatensoep tegen het parket wordt gesmeten.

Als alle overlevenden zijn afgeknald, komen de Nederlanders naar mijn tafel. Wat ik zat te lezen? En waarom? Zodra ik over de Nederlandse faculteit in Rome begin, verdwijnt het pistool in een schouderholster. De Staart hurkt naast mijn stoel, pakt me bij m’n enkel en trekt me van m’n plek. Door de knal waarmee mijn hoofd de houten vloer raakt, verlies ik op slag het bewustzijn.

Een heldere sterrenhemel. IJskoude buitenlucht. Besneeuwde sparren. Ben ik weer zes? Lig ik op een slee? Nee, ik word aan mijn enkel door het dorp gesleept, over de aangestampte, hartbevroren sneeuw… straten door… de berg op, naar het chalet van de Nederlanders. Daar, binnen, smijten ze me in een stoel en drukt De Staart me een literair tijdschrift in handen.

‘Zo, professor. Lezen maar. Ik hoor straks wel hoe goed je ’t vindt.’

De Nederlanders verdwijnen naar de keuken. Huiselijke geluiden. Gelach. Een vuurwapen dat wordt herladen, borden die worden gestapeld.

Twee paar handen maken koffie en thee.

————

Tirade – hart voor lezers.

Soundtrack: een trompet-assorti van Tomaso Albinoni (een Italiaan, net als ik!!!). De vechtpartij graag deels in slow motion.

Francesco Lucarotti (1967) is als universitair docent verbonden aan de Sapienza, Università di Roma. Een handelseditie van zijn proefschrift – Eigen rechter, macht, onmacht en moraal in de contemporaine NED-LIT – is in voorbereiding.

Volgende week: F. Lucarotti over T452. Plus: via Rome naar het Parijs van Sartre & De Beauvoir, alias Castor.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Nucleaire

De orthopeed toont op het computerscherm een röntgenfoto van de onderrug. ‘Ziet er goed uit, die tussenwervelschijven,’ hij leunt naar achteren in zijn stoel, krabt achter zijn oor, schiet weer naar voren.  ‘Maar hier… hier zit iets wat mijn aandacht trekt.’ Hij wijst op een wit stukje. ‘U heeft misschien een extra botje.’ Naast de onderste ruggenwervel links zit een vaag vlekje.  ‘Kan je daar wat aan doen?’ ‘Niet echt.’ De orthopeed leunt weer naar achteren. ‘Maar ik adviseer u om een botscan te laten maken.’ 

Twee dagen later ligt er een enveloppe op de mat. In de brief staan twee zinnen vet  afgedrukt: 

11.45 Injectie Skeletscan

14.45 Skelet Total Body in Nucleaire Kamer 2 

Misschien krijg je na de behandeling ook een wellness weekend met korting. Nog drie dagen, dan word ik radioactief. 

Een man achter de balie wijst met zijn vinger. ‘De gang door, de tweede rechts.’ Om de hoek bevinden zich drie klapstoeltjes. Een plankje met boeken en een bordje met het woord Nucleaire. Is dat geen bijvoeglijk naamwoord? Een man in een wit jasje steekt zijn hoofd om de hoek. ‘Goh, wat ben jij laat, zeg.’ Hij ziet eruit als een makelaar. Iemand die met zijn Vespa Primavera door de stad scheurt. Ik zwaai met mijn brief.  ‘Maar ik ben toch op tijd?’ Hij lacht. ‘Grapje. Kom maar.’ 

Alleen de jas moet aan de kapstok. De man vraagt me op een tafel te gaan liggen. ‘Wat zit daar in?’ Hij zwaait met een injectienaald. Ik kijk naar zijn naamplaatje. Akil. ‘Radioactieve vloeistof.’ Ik strek mijn arm. ‘Je hebt mooie aderen.’ Akil doet een blauwe band om mijn arm en trekt het stevig aan. ‘Wanneer bent u geboren?’ Ik noem de datum. ‘Goed. U bent de juiste persoon.’ De naald verdwijnt in de ader. ‘Is dit slecht?’ Mijn stem klinkt hoog. Hij grinnikt. ‘Wil je dat echt weten?’ Ik knik. Zijn ogen twinkelen. ‘Het zou kunnen…’ Hij lacht. ‘Maar misschien ook niet, hoor.’ Akil houdt de injectienaald omhoog. Ik zie een rood wolkje door gelige vloeistof dwarrelen. Hij klopt me geruststellend op mijn schouder. ‘We hebben aardstraling. Vliegen is slecht voor je. Je mobieltje doet ook rare dingen. Het lichaam kan wel wat verdragen.’ 

Ik word in de koker geschoven. Akil schuift een metalen plaat vlak voor mijn gezicht. Ik zie George Clooney in zijn witte pak in de ruimte verdwijnen. ‘Je gaat nu stralen. De radioactieve vloeistof is verbonden aan een stofje dat zich hecht aan calcium. Je lichaam stoot in golven radioactiviteit uit. Dat wordt door kristallen in dit apparaat opgevangen. En die zetten het om in beeld. Kijk maar.’ Op een computerscherm verschijnen duizenden kleine stipjes. Ik denk aan een kopje Nespresso. ‘Ik begrijp het niet’, piep ik. ‘Dat geeft niet’, zegt Akil. Hij drukt op een knopje. ‘Wat voor een beroep heb jij?’ ‘Journalist’, zeg ik. Akil knikt. ‘Heel goed. Dan begrijp ik ook niet wat jij doet.’ Er valt een stilte. Ik schraap mijn keel. ‘Je hebt toch wel van Muhammad Ali gehoord?’ probeer ik. ‘Tuurlijk’, zegt Akil. ‘Goede moslim.’ Het is weer stil. Akil drukt op een knopje. Ik glij de koker in. ‘Je begrijpt dus best wat ik doe,’ zeg ik. De woorden slaan tegen het binnenste van de koker. Het klinkt hol. Een deur slaat dicht. Dan is het stil.  ‘Iedereen denkt altijd dat Ali zo’n grote held was… Maar hij sloeg ook wel eens door.’ Geen antwoord. ‘Hij was niet alleen een geweldige bokser, hoor,’ mompel ik. ‘Weet je wat zo lullig was?’ Het apparaat begint te zoemen. Ik zie groene lampjes aan en uitgaan. ‘Hij beledigde andere boksers. Hij noemde Sonny Liston een ‘lelijke beer’. En Joe Frazier vergeleek hij met een gorilla.’ De koker begint te draaien. Ik sluit mijn ogen. Mijn voeten tintelen. ‘Hij noemde Frazier een ‘Uncle Tom’. Weet je wat dat is?’ Het apparaat trilt en stopt. De groene lichtjes zijn uitgedoofd. ‘Ali noemde Frazier: the other type negro. Heftig toch?’

De handen van Akil verschijnen. Hij verwijdert het plaatje voor mijn neus. ‘Zat je nou te kletsen?’, vraagt hij. Ik knik en ga rechtop zitten. Op het computerscherm zie ik een witte vlek. ‘Dat is je blaas,’ zegt Akil. ‘Ga maar lekker naar de wc. Radioactieve stoffen kan je eruit plassen. Drink maar veel water.’ Ik loop naar de kapstok voor mijn jas. ‘O ja,’ Akil grinnikt. ‘Even geen kleine kinderen knuffelen, goed?’ Ik knik en geef hem een hand. Hij kijkt me ernstig aan. ‘Gek hoor, een vrouw die over boksen schrijft.’  

 

 

Rosan Hollak (1971) studeerde filosofie en politieke wetenschappen. Ze is journaliste bij het NRC Handelsblad, publiceerde verhalen in Bunker Hill, Lava en Tirade en werd twee keer genomineerd voor de Brandende Pen voor het beste korte verhaal. Ze debuteerde in 2012 met de mozaïekroman Scherptediepte (De Bezige Bij). 

 

Avonturiers en avonturiersters

Sir Cecil John Rhodes in het open veld kamperende. Ik meen dat er een Kousbroek essay over de man is, maar in welk boekje?

Scoop van Evelyn Waugh viel tegen.  Nu ga ik weer een goed boek lezen, maar eerst moet ik nog even nasudderen over Baldwin. De avonturier Baldwin in Scoop is een rijke Brit van het type dat in 6 talen vraagt ‘kunt u mij even van het dak afhelpen’ wanneer hij precies op het juiste moment uit de lucht komt vallen. Ze bestonden: gentlemen avonturiers in Afrika aan het begin van de 20ste eeuw. Neem ook deze op de befaamde foto waar ik minutenlang naar kan kijken. Het behelst hier Sir Cecil John Rhodes, een gecompliceerde man met een enorm boeiend en tragisch  levensverhaal, maar hier vooral: de stichter van het zuidelijke Afrikaanse land Rhodesië. Heden Zimbabwe en Zambia. Toen ik 7 was en postzegels spaarde had ik gewoon nog postzegels van Rhodesië. Dat je de naamgever van een land kunt zijn vond ik toen grappig, en nu vreselijk.

William Walker was ook zo iemand: een paar decennia eerder liep deze Amerikaanse advocaat en avonturier gewoon met een klein legertje Centraal Amerika in, veroverde Nicaragua en werd president.  Een vrijbuiter, een woord dat ook etymologisch ten grondslag heet te liggen aan fillibustering: gewoon een land inwandelen en overnemen.

Victorian Lady Travelers
Victorian Lady Travelers

Zijn er alleen mannen met dit soort neigingen? Nou ja, misschien waar het de-baas-zijn aangaat wel, maar ik liep onlangs tegen het prachtboek hiernaast op. Neem Isabella Bird Bishop. Wikipedia schrijft over haar:

‘Time spent in Britain always seemed to make her ill and, following her mother’s death in 1868, she embarked on a series of excursions to avoid settling permanently with her sister Henrietta (Henny) on the Isle of Mull. Bird could not endure her sister’s domestic lifestyle, preferring instead to support further travels through writing. Many of her works are compiled from letters she wrote home to her sister in Scotland.’

De reizen die zij maakte maakt haar nu al tot mijn heldin.

Redmond O’Hanlon lijkt alleen helden te hebben in zijn overigens fascinerende serie O’Hanlons helden. Zijn medewerker  de publicist Alexander Reeuwijk heeft gelukkig wel de tegenwoordigheid van geest in het programma in het Teylersmuseum aanstaande zondag 9 februari om 14 uur naast twee herenavonturiers een terechte dame te nodigen. Miek Zwamborn: de Fanny Bullock Workman van haar tijd.

 

ps: gratis tip voor O’Hanlons Helden: Herman Neubronner van der Tuuk zoals onder meer liefdevol beschreven in Rob Nieuwenhuys Tussen twee vaderlanden (Uitgeverij Van Oorschot) En Charles Waterton zoals beschreven in Julia Blackburns Charles Waterton De eerste natuurbeschermer (ook Uitgeverij van Oorschot…

 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Het geloof

Ik weet ook niet zo goed hoe het kon gebeuren. Het ene moment zat ik rustig bij ons favoriete Thaise zaakje de rode curry uit Birres kommetje te jatten, en het volgende werd ik gevraagd naar mijn plaats in de Schepping. 

Gelukkig waren er andere mensen aan tafel die eerst hun visie gaven, wat me de tijd gaf om mijn vaders noedels te jatten (restaurant Mae Somjae, ga erheen) en nog eens na te denken over hoe ik nou eigenlijk dacht over god en alles. Een stukje bamboescheut sloop tussen twee van mijn achterste kiezen en groef zich er in als een afgebroken tandenstoker.

Al vrij snel bleek ons gezelschap uit twee kampen te bestaan: een eenpersoonstentje waar men voelde dat het allemaal ergens heen ging, en de rest van de camping. Ik had nog tijd om de helft van Nadims kleefrijst in te pikken terwijl Birre haar kijk op de zin van het leven uiteenzette (iets over verbintenis voelen met je naasten), maar daarna waren de blikken op mij. Inmiddels bewaakte iedereen zijn bakje met geslepen vork; chopsticks werden aangescherpt met puntenslijpers.

Ik weet het niet heb ik nooit een optie gevonden als het gaat over het bestaan van een opperwezen. Uitsluitend in deze context betekent dat antwoord meer ‘ja’ dan ‘nee’.

‘Ik geloof in verhalen,’ zei ik. Een viskoekje lag half verstopt onder de rand van mijn moeders bord. Als ik haar lang genoeg afleidde kon ik het van tafel vegen, opvangen en op schoot bewaren tot mijn beurt voorbij was. ‘Twee mannen lopen door dezelfde straat. De ene ziet alleen de dode boom, en de andere alleen het mooie meisje.’ 

Een stukje deeg met een goddelijke dichtheid en hemels aroma viel in mijn opgehouden hand. In het ondertafels duister wachtte het tot ik klaar was met praten. Voorzichtig kneep ik in het zachte, maar toch ook stevige deeg.

Het bleef stil. Heerlijk eten lag niets te doen op schaaltjes en in kommen. Mijn eigen bakje was al te lang leeg. 

‘Hoe bedoel je?’ zei mijn vader (die van het ene tentje). 

Ik wendde een hoestaanval voor en propte snel het viskoekje in mijn mond. Als vanzelf vielen mijn ogen dicht. Christus, wat kon die dame (Jae) koken.

‘Wat ik bedoel, is: ik geloof in het verhaal dat we onszelf vertellen. Een mensenleven is een minuscule orale traditie. Je hebt de archetypen die je meekrijgt en de ervaring die je opdoet. Vanuit onze natuurlijke neiging overal een rode draad in te zien* voegen we die gewaarwordingen in een kader, een verhaallijn, zo je wilt.’

Mijn moeder liet haar verdediging zakken, ik schepte een stukje varken van haar bord. Had ik nu net ‘zo je wilt‘ gezegd? 

‘Een leven krijgt betekenis,’ ging ik verder zonder echt te weten wat ik zei, ‘door de kwaliteit van het verhaal. Birre, eet je die antroewa nog op?’

‘Dus jij gelooft in niets groters dan jezelf?’ vroeg mijn vader.

‘Dat weet ik niet.’ Nu had ik het verdomme toch gezegd. ‘Maar ik geloof wel dat je je altijd moet blijven afvragen of zoiets nodig is voor het plot.’

 

 

 *die volgens mij helemaal teruggaat op: “Rode besjes, daar word je ziek van Oenga, dus we eten nu geen rode besjes meer.”

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Lucianus van Samosata

Het is altijd mooi als een bewonderde schrijver je op het spoor brengt van een andere. Zo kwam ik via Jacques Gans uit bij Lucianus.
            In 2006 kocht ik Gans’ roman Liefde en goudvissen in de fantastische tweedehandsboekhandel Het ivoren aapje in Brussel. Een prachtige naam voor een boekhandel, die is vernoemd naar een roman van Herman Teirlinck (die overigens dit najaar opnieuw zal worden uitgegeven door Atlas-Contact).
            Liefde en goudvissen vond ik schitterend, maar van de slotzin snapte ik geen snars. Die is namelijk nogal raadselachtig: ‘O Lucianus, dacht ik. Het is beter zo om niets te wegen.’
            Ik heb het boek sindsdien nog vaak herlezen en tot op de dag van vandaag is het me een raadsel wat Gans met die laatste zin precies bedoelde.
           
Het zal iets te maken hebben met het dubbeltje dat de hoofdpersoon in de zin ervoor op straat ziet liggen en vervolgens laat liggen: hij verkiest en is gelukkig met een leven zonder geld en bezit. Maar of die laatste zin een citaat of een parafrase van Lucianus is, en in welke context deze Griekstalige Romein dit of iets dergelijks heeft gezegd: geen idee.
            Wat ik met mijn gebrekkige geest in ieder geval meekreeg, was dat Gans deze Lucianus blijkbaar een interessante schrijver vond en wie weet zelfs een geestverwant. Mijn waardering van het werk van Gans gaat zo ver, dat ik er niet aan twijfelde dat deze Lucianus mij dan ook zou aanspreken. Maar tot voor kort kreeg ik nooit iets van Lucianus onder ogen. Tot vorige week.
            Op de boekenmarkt van het Spui vond ik een nogal klein boekje, uitgegeven door Athenaeum-Polak&Van Gennep, getiteld Ware verhalen. Op het omslag stond de afbeelding van een merkwaardig dier, ik geloof een kruising van een zebra en een kangoeroe. De schrijver was Lucianus van Samosata, die leefde van circa 120 tot 180.
            Het is me nog maar een paar keer in mijn leven overkomen, dat een eerste pagina me zo enorm aansprak. Een andere keer was, niet toevallig, toen ik de eerste pagina van Gans’ ándere autobiografische roman las, Het vege lijf. Die begint met de woorden: ‘Soms verlang ik naar de oorlog terug. Niet om de slachtoffers die hij kostte of om het vuurwerk en het gekraak van de bombardementen. Evenmin was ik zo’n flink soldaat. Het is de vraag of het schieten op de vijand mij wel goed was afgegaan. Toch ben ik geen pacifist en een gevecht van man tegen man ging ik nooit uit de weg. Het ontbreekt mij nog steeds niet aan strijdvaardigheid en er zijn opticiens in de stad die daar van weten.’
            Bij Lucianus trof ik op de eerste pagina een zelfde humorvolle, heldere, nuchtere en tegelijk krachtige stijl aan. Het boekje is vertaald door Boukje Verheij en Tyn Cuypers en bevat een reisverhaal van een ik-verteller naar het Tegencontinent, waarbij hij onder andere belandt op de maan, in een walvis en op het Eiland der Gelukzaligen.
            De ik-persoon begint zijn verhaal door te vertellen dat atleten niet alleen veel sporten maar vooral ook veel uitrusten. Dat beschouwen ze als een belangrijk onderdeel van hun training. Op een vergelijkbare manier, schrijft Lucianus, is het voor mensen die veel lezen belangrijk om na het doorwerken van zware kost, de geest wat rust te geven en in conditie te houden voor de volgende krachtinspanning. Ze kunnen dat volgens Lucianus het beste doen door zich dan bezig te houden met het soort literatuur ‘dat niet alleen puur amusement biedt, doordat het onderhoudend is en gemakkelijk weg leest, maar dat ook nog getuigt van enige cultuur en diepgang. En tot deze categorie zullen ze denk ik ook míjn werk rekenen.’ Ik vind dit prachtig.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Jente Jong"
    Jente Jong

    Jente Jong werkt als actrice, theatermaker en schrijver. In 2017 debuteerde ze met de roman Het intieme vreemde bij uitgeverij Querido. Daarnaast schrijft ze toneelstukken voor onder andere de Toneelmakerij en speelt ze in een jeugdvoorstelling en een poëzieprogramma. Voor Tirade schrijft ze over haar (eerste) stappen in de schrijverswereld.

  • "Foto van Dünya Calikci"
    Dünya Calikci

    Dünya Calikci (28) is een echte Amsterdammer en schrijver pur sang. Als student aan de opleiding Writing for Performance aan de HKU schrijft ze rauw, eerlijk en realistisch – altijd dicht op de huid. Haar werk draait om echte mensen en hun verhalen, zonder opsmuk of filter. Dünya zoekt de kwetsbaarheid op en vangt het alledaagse in woorden die blijven hangen.

  • "Foto van Jasmijn Kenselaar"
    Jasmijn Kenselaar

    Jasmijn Kenselaar studeert in de zomer van 2025 af als toneel- en filmschrijver. Het samenbrengen van mensen en het aanbieden van nieuwe perspectieven kenmerken haar signatuur. Ze schrijft veel voor en over jongeren en plaatst haar verhalen vaak in werelden die een beetje – of heel erg – verschillen van de onze. Haar eindwerk De Ongewilden is een komische, sciencefiction-dramafilm over een zestienjarige wees die zich staande probeert te houden in een wereld die niet voor haar gemaakt is. Haar afstudeerscriptie As if! is een praktijkgericht onderzoek naar hoe schrijftechnieken kunnen worden ingezet om films en series te creeëren met een positieve impact op tieners. Voor afstuderend regisseur Julija Filipović schreef ze daarnaast De Golven – een vrije bewerking van de gelijknamige roman van Virginia Woolf. Haar korte film GENIUS is in juni 2025 te zien tijdens het Rotterdams Open Doek Filmfestival.