Long is good’ – liefde, seks, lichamelijke liefde: Nymphomaniac (2014)

‘Natuurlijk zijn er mooie meisjes. Dat is het probleem niet. Je zou ze voorzichtig willen natekenen met een potlood. Je zou willen schaatsen over de gladde glooiingen met precieze vingertoppen. Je zou met de tong van de fijnproever heel even willen raken aan de perfecte balans van rondingen, lijnen, vorm en volume. Liever nog zou je willen dat ze zich gewoon zouden uitkleden en dat je er niets mee hoeft te doen. Ze mogen zijn als een foto, volmaakt suggestief of expliciet uitgelicht en je zult haar met genoegen downloaden.

Zulke meisjes zijn zoals Milo Manara ze tekent; hiërogliefen van belofte. Ze staan nooit zonder te poseren en ze hoeven niet te poseren omdat ze al voldoen aan alle eisen als ze alleen maar staan. Je zou ze nooit daadwerkelijk kunnen ruiken, je zou nooit uit pesterij met een minuscuul vetkwabbetje spelen of het zure zweet uit hun oksels likken, al was het maar omdat ze zijn bedacht en precies zo getekend.’

Ilja Leonard Pfeijffer, La Superba (2013; p.21/22).

Milo Manara is deze week te gast op Writers Unlimited in Den Haag, waar hij zal worden geïnterviewd door Hassnae Bouazza – bovendien drukken wij in Tirade 452 een tekening af van de Italiaanse beroemdheid.

Tot zover het motto van deze blogpost… we gaan beginnen.

Nymphomaniac (NFM)

Tijdens de vier uur die deel I en deel II van NFM samen beslaan, moest ik twee, misschien drie keer verzitten om een opkomende erectie wat ruimte te geven. En dat terwijl ik, bij wijze van spreken, al een stijve krijg als ik een foto van Nelleke Noordervliet zie. Een pornofilm is NFM dus niet.

Film: Nymphomaniac (2014).

Regie: Lars von Trier. Dat ‘von’ heeft de snob/marketeer/crowd pleaser er zelf bij verzonnen. Dat schrappen we dus weer.

Verhaal: in ILP’s La superba (2013) vindt de verteller een vrouwenbeen… spannend… maar Nyphomaniac gaat nog ‘een stapje’ (woordspeling!) verder… daar wordt een complete vrouw gevonden! De eerlijke vinder, Seligman, neemt de vrouw, Joe, mee naar huis – en daar vertelt ze hem haar sekslevensverhaal.

Boring!

Nymfomanie is volgens het woordenboek (nul plaatjes!): ‘ziekelijk verhoogde (permanente) geslachtsdrift’*. De jonge Joe kijkt inderdaad vrij leip uit haar ogen. Misschien zit nymfomanie in haar DNA. Misschien is haar ‘ziekelijk verhoogde (permanente) geslachtsdrift’ een reactie op haar opvoeding: ze noemt haar moeder, in retrospectie, ‘a cold bitch’ en de film, NFM, toont hoe de moeder het liefst, met haar rug naar de andere gezinsleden, patience (in het Engels: Solitaire…) speelt – in deel twee van NFM speelt Joe zelf ook een keer Solitaire, trouwens.

Het is in dit ‘kader’ (woordspeling!) interessant om Triers protagonist te vergelijken met Brandon, de protagonist van Steve McQueens Shame (2011). Brandon is ook seksverslaafd en in Shame wordt dat op een Dr. Phil/Freud light achtige manier verklaard uit een ’trauma’. Waar Joe’s ‘ziekelijk verhoogde (permanente) geslachtsdrift’  in NFM vandaan komt blijft – gelukkig voor de kunst – uiteindelijk dus gissen. Waar het allemaal toe leidt niet: een waaier aan seksuele ervaringen, afstomping, slecht helende wonden (een bloedende clitoris – lekker) en eenzaamheid.

In het eerste deel van NFM lijkt Joe nog wel plezier aan seks te beleven. In het tweede deel zien we hoe ze haar seksuele gevoel verliest, geen orgasmen meer kan krijgen en het genot terug probeert te vinden langs de weg van de pijn – het levert onprettige sequenties op waarin Joe zich laat vernederen en slaan.

Maar ieder nadeel heb z’n voordeel: de kennis die Joe opdoet dankzij de klappen en zweepslagen van haar meester komt goed van pas als ze een soort van deurwaarder wordt en wanbetalers mag gaan afpersen en intimideren.

In de visie van Trier lijkt lust vooral ellende en ongeluk op te leveren. Fijne calvinist.

De aseksuele gesprekspartner van Joe heet vast niet toevallig Seligman (Hebreeuws voor ‘de gelukkige’ zoals we braaf uitgelegd krijgen (en in het Duits is Seligmann ‘de gezegende’ voeg ik daar aan toe)). Seks leidt tot troubles and struggles.

Mijn visie op de vrouwelijke seksualiteit is romantischer, zoeter en vrolijker dan die van Trier, maar als NFM wil bijdragen aan de emancipatie van ‘de’ vrouw en aan het karteren van de fantasieën/wensen/werkelijkheden van ‘de’ vrouw: duimpje!

Maar (pseudo-)goede bedoelingen maken nog geen goede cinema…

NFM is toch vooral ’50 tinten grijs’ voor huisvrouwtjes (m/v) die te lui of te dom zijn om te lezen . De film vraagt niks van je. Je verveelt je te pletter.

Net als Tarantino soms doet heeft Trier zijn verhaal onderverdeeld in ‘hoofdstukken’ – daarmee is het compositorische vernuft van de klassieke romancier echter nog niet vaardig over hem geworden: NFM is stumperig en amateuristisch geconstrueerd, dat is vast bedoeld als parodie op/conformering aan de pornoconventie waarin de krakkemikkige handeling er immers ook alleen toe dient je van de ene wip naar de andere te transporteren. Maar waarom zou je alleen de zwakste kenmerken van een genre overnemen?

Bombastische, vaak lachwekkende verwijzingen naar Bach, Poe, Mann, Wagner, de bijbel, de antieken, Leonardo van Pisa/Fibonacci, polyfonie, Beethoven en De gulden snede tillen NFM niet naar het niveau waarop hoge kunstenaars en wetenschappers opereren.

De scènes waaruit NFM is samengesteld zijn als eye candy prima te verdragen trouwens, vooral dankzij de theatrale, dramatische en pontificale cameravoering – geraffineerder dan in de dagen van Dogma ’95, maar nog steeds prettig ruw –  de sterke cast* en de natuurbeelden waarmee de sequenties zijn doorsneden.

Thomas Rosenboom schreef in 2001 dat hij bij het zien van Triers Breaking the Waves (1996) twee keer had gehuild: ‘met ontroering had dat overigens niets te maken, het was meer biologisch meehuilen met een soortgenoot in nood, een volkomen autonome, fysiologische reactie, afgedwongen door het harde realisme in close-up, ik bedoel: Breaking the Waves werkt net zo op de traanklieren als een pornofilm op de geslachtsklieren.’ (Aanvallend spel, 2002;p.26).

Vergelijkbare opmerkingen zou je over handenvol sequenties in NFM kunnen maken. Wie kijkt onbewogen toe wanneer een vrouw zich vrijwillig in het gezicht laat stompen door een zwartgehandschoende mannenvuist?

Ik niet.

Omdat Trier als cineast eigenlijk niet zoveel te vertellen heeft, en als stilist over een klein palet beschikt, zoekt hij zijn toevlucht tot het toedienen van emotionele mokerslagen. De bezoeker van een Trier-film kan zijn verstand en zijn gevoel voor esthetiek thuislaten, hij hoeft alleen maar te incasseren. Baf, paf.

Vergelijk Triers werk nou eens met dat van andere levende filmmakers: Wes Anderson, Paolo Sorrentino, Sofia Coppola. Handeling, psychologie, stilistiek: het werk van Trier is vergeleken met dat van zijn beste tijdgenoten een beetje lomp en dommig. Kinderachtig, in plaats van kinderlijk.

Trier is net zo’n manipulatieve, sadistische klootzak als Michael Haneke – en zijn notie van ‘authenticiteit’ is nog lomper en primitiever dan die van de Oostenrijker. Maar gelukkig wonen er in ons deel van de wereld, in Noord/West Europa, genoeg masochisten om de twee beulen van de Europese cinema volle zalen te bezorgen.

Trier wordt vaak een enfant terrible genoemd. Sure. Het enige wat werkelijk schokt aan Nymphomaniac is het gemak waarmee de film de media weet te prikkelen… journalisten, columnisten, critici… iedereen sprong er bovenop (no pun intended).

Eindoordeel NFM: saai. Twee op een sterfbed omklemde takjes met essenblad (2/5).

Ik teken er dit bij aan: was NFM verguisd, genegeerd, geboycot, dan was ik de eerste die zijn smaakoordeel terzijde schoof om het voor de film op te nemen. Jammer genoeg is dat niet nodig.

Bonusmateriaal

Mijn favoriete NFM rol: Uma Thurman als psychotische, bedrogen echtgenote.

Mijn favoriete NFM scène: de vader van Joe zegt, liggend in een ziekenhuisbed, onder verwijzing naar die gemeenplaats van Epicures (‘als wij er zijn is de dood er niet, als de dood er is zijn wij er niet meer’), dat hij niet bang is om te sterven. Als arts heeft hij genoeg ervaring met de dood om zijn kalmte te kunnen bewaren; hij weet over welke medicijnen zijn behandelend artsen beschikken. De kalme, wijze, humanistische sequentie wordt – o, bittere ironie – gevolgd door sequenties waarin we de vader angstig horen en zien gillen, over de grond zien kruipen, in zijn bed zien schijten. Ik was de enige bezoeker die bij deze wrede, sequenties in schaterlachen uitbarstte. En voor de goede orde: ik lachte niet om het leed van het personage, maar om het dikke hout waarvan Lars planken stond te zagen.

Titelverklaring van deze blogtekst: de uitspraak ‘long is good’ valt niet wanneer de personages praten over de lengte van het mannelijk geslachtsdeel of over de duur van de ideale copulatie.  Nee: Joe wil Seligman haar levensverhaal vertellen, maar zegt erbij dat het wel een heel lang verhaal gaat worden. ‘Long is good’ zegt Seligman dan. Een stelling die ik in het geval van NFM niet onderschrijf. Het gesprek van Joe en Seligman doet hier en daar natuurlijk denken aan een biecht of therapeutische sessie. Joe lijdt aan zelfhaat. Maar Seligman probeert haar van haar schuldgevoel te verlossen: ‘If you’ve got wings, why not fly?’*

Tirade – uitputtend.

Soundtrack: Just because it burns, doesn’t mean you’re gonna die.

Volgende week: zacht, lief, charmant.

Noten (wat een scabreus woord in deze context…)

*Als het waar is dat vrouwen beter zijn in Multitasken dan mannen, waarom zijn er dan niet veel meer polygame vrouwen?

* Al was ik de heldin uit Triers vorige film, Melancholia, Kirsten Dunst, graag weer tegenkomen in NFM.

* Aan het slot van NFM schiet Joe Seligman dood met een pistool (fallussymbool). Het is de bekroning van haar seksuele bevrijding/emancipatie. Ze is, in seksueel opzicht, net zo vrij geworden als ze, in onze cultuur, als man zou zijn geweest.

Toegift – de stille prijsvraag

Hey, nog ff over Tirade 450: dat stuk van Henk Broekhuis… dat heb ik geschreven, hahaha! Voor de mevrouw of mijnheer die mij voor 31 december 2013 zou ontmaskeren, stond hier op de oprijlaan een vette Bentley klaar – maar die bak ga ik nou dus lekker zelf in de prak rijden. Het is wel de bedoeling dat je de teksten in Tirade echt leest hè? Als je alleen maar een beetje naar het papier wilt staren, moet je maar zo’n dasmagje kopen. Losers.

In de Oorshop

Matilda delusion

In het noordstation ijsbeert een dame over de tramperrons. Ze heeft iets weg van mevrouw Bulstronk, de kogelstotende directrice uit Matilda. Statige passen, grote neusgaten, steeds dezelfde woorden drammen, besluiten met een luide ‘aight’. Ik durf haar niet lang genoeg aankijken om de verschillen tussen haar en Roald Dahls personage te kunnen ontdekken.

Geen enkele medereiziger reageert op haar gebazel. De tram glijdt het station binnen, mensen wandelen alvast mee in de rijrichting. Bulstronk marcheert tegen de stroom in.

     Als kind geloofde ik dat ik Matilda was. Het was geen waanidee, eerder kortstondige hoop. Telekinese leek me toen de oplossing voor alles.

Op enkele meters van mijn voordeur, ter hoogte van de fruitwinkel, hoor ik drie keer eenzelfde pieptoon.

Het klinkt niet als een vogel, als het alarm van mijn insulinepompje of als de beltoon van mijn gsm. De straat is verlaten, op de winkelier na. Zonder opkijken stapelt hij kratjes met appels. Ik weet zeker dat hij het gepiep ook heeft gehoord.

     Gedurende enkele seconden raak ik verlamd door het idee dat mijn leven een televisieshow is en, net als bij Truman Burbank, gevolgd wordt door mensen over heel de wereld.

Misschien was de luide pieptoon niet bestemd voor mijn oren, net zoals Truman de studiolamp niet uit de hemel had mogen zien vallen. De kruidenier doet alsof hij het gepiep niet gehoord heeft, omdat hem dit wordt opgedragen in het draaiboek dat hij onder zijn toonbank verborgen houdt.

     Ik overloop de dingen die ik niet zou gedaan hebben als ik had geweten dat er zoveel mensen meekeken.

     Het idee dat ik een personage in een televisieshow zou kunnen zijn, houdt niet lang stand. Mensen zouden me al snel vervelend vinden. Bovendien: dit weekend zag ik tijdens een boswandeling in Roth de bomen kriskras door elkaar staan. In Trumans omgeving werden alle bomen in loodrechte lijnen aangeplant. Natuur als decor.

The Truman Show was bedoeld als komisch drama, toch is het onderliggende idee angstaanjagend. Stel je voor dat niemand in je omgeving echt met je begaan is. Dat elke ontmoeting wordt opgezet om te benadrukken hoe eenzaam je eigenlijk bent. Dat je partner betaald wordt om naast je in bed te liggen.

     Er bestaat zoiets als the Truman Show delusion: mensen die voortdurend in de veronderstelling leven dat alles in hun omgeving in scene werd gezet. Zo las ik over een man die naar New York afreisde om zijn geestelijke vader, de regisseur van ‘de televisieshow van zijn leven’ op te zoeken. Tegelijk wilde hij nagaan of de WTC-torens echt neergehaald waren of dat dit geënsceneerd werd, om ‘zijn show’ op te kloppen.

Binnen in huis, bij het uittrekken van mijn jas, rinkelt er iets in mijn jaszak. Het is niet mijn gsm, maar de vaste telefoon. Ik vraag me af hoe dit toestel, dat normaal gezien nooit het huis uitgaat, in mijn jas terechtkomt. Het verklaart de pieptoon ter hoogte van de fruitwinkel: op die plaats kwam het toestel binnen het bereik van de staander.

     Ik neem op, al belooft een oproep op mijn vaste nummer niet veel goeds.

De dame van Bofrost stelt zichzelf toch nog even voor, vervolgens haar producten. Er is geen plaats meer in onze diepvriezer.

Ze blijft kwetteren terwijl ik de telefoon laat zakken. Ik druk op de uit-toets, het voelt of ik haar zonder waarschuwing dooddruk, als een klein onschuldig beestje. Het doet met denken aan het fijne, stalen kammetje waarmee mijn moeder mijn haren kamde, en het A-viertje vol platgedrukte luizen, dat ik maar niet de lucht inkreeg met mijn telekinetische krachten.

Lize Spit (1988) schrijft scenario’s, proza en poëzie. Ze publiceerde in Tirade, Kluger Hans, Het Liegend Konijn en Das Magazin; eerder dit jaar won ze de schrijfwedstrijd Write Now. In het zomernummer van Tirade, Tirade 449, publiceerde Spit het kortverhaal Jagersaus. Momenteel werkt ze aan een scenario voor een speelfilm en aan een roman. Deze maand publiceert Lize Spit iedere zondag een blogbijdrage op Tirade.nu

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Tirade feliciteert Merijn de Boer

Tirade feliciteert oud-Tirade redacteur Merijn de Boer met het verschijnen van zijn romandebuut De nacht.

Merijn de Boer (1982) debuteerde in 2011 met de verhalenbundel Nestvlieders, waarvoor hem de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs werd toegekend. De Boer publiceerde korte verhalen, beschouwingen en blogs in een keur aan (literaire) tijdschriften. Van 2007-2013 was hij redacteur van literair tijdschrift Tirade, waaraan hij regelmatig bijdragen leverde en levert. Zijn jongste Tirade-publicatie:  De vertelstructuur van Baantjer, een ’tirade’ over A.F.Th’s roman De helleveeg (2013), in Tirade 450.

Tirade – feliciteert.

Almost like weighing someone’s soul

Lieke schreef vorige week op deze plek dat Het begin van geluk het eigenlijke geluk is. Sterker nog: dat geluk ligt in een voorvoelen van komend geluk. 

De belofte van mooie dingen is wat onze pas verlicht, onze mondhoeken optrekt en onze dagen glans geeft. Ik werd door Liekes stuk herinnerd aan de tijd dat ik studeerde. Een sterk verheugen kon me ’s ochtends in mijn bed overvallen en bij me blijven tot ik me probeerde te herinneren waarop ik me precies verheugde en op niets uitkwam. 

Ik herinner me die jaren als een zonnige herfstdag. De soundtrack is het album dat John Coltrane en Johnny Hartman samen maakten. Met het raam open en de kachel aan schreef ik op mijn typemachine aan mijn eerste roman. Nog een jaar of twee en op de universiteit zou gelachen worden om getikte papers. 

Toen ik klaar was met schrijven streek ik een overhemd terwijl mijn Bastos zichzelf traag oprookte in mijn opa’s monsterlijke glazen asbak. Ergens in die jaren zou ik samen met mijn vriend Gijs de film Smoke* zien, waarna ik nooit meer op dezelfde manier naar as zou kunnen kijken.

Schrijver Paul – een rol van William Hurt – vertelt bij een bezoek aan zijn sigarenboer dat sir Walter Raleigh ooit een weddenschap met koningin Elizabeth de eerste aanging. Raleigh, die het roken aan het Engelse hof geïntroduceerd had, wedde dat hij het gewicht van rook bepalen kon. 

‘You can’t to that. It’s like weighing air,’ zegt een van de andere klanten in de winkel. 

‘I admit, it’s strange,’ zegt Paul. ‘It’s almost like weighing someone’s soul.’ 

Raleigh legde een sigaar op een weegschaal en rookte hem daarna op, waarbij hij alle as en de uiteindelijke peuk op de schaal liet vallen. Het verschil in gewicht tussen de sigaar en de resten was het gewicht van de rook. 

Het café waar ik werkte was een klassieker. Zand op de vloer, tegels op de tafels en een donkere lambrisering met geoxideerde spiegels rondom. Ik droeg Zweedse officiersschoenen, een zwarte pantalon met een scherpe vouw in de pijpen en hele brede stropdassen om te laten zien dat ik wel een gevoel voor humor had. Ook op mijn werk zong Johnny Hartman: Through the trees, comes autumn with her serenade... Gijs lachte naar me toen ik binnenkwam, hield een wijnglas boven een koeler met kokendheet water en wreef het op met een gesteven servet. Ik knoopte een sloof voor en begon hem te helpen. Nog een uurtje en de eerste gasten zouden komen.

Elke dag was er de mogelijkheid van geluk. We waren niets meer dan het verhaal dat we onszelf vertelden, en wogen nog niet meer dan rook.

 

*Paul Auster en Wayne Wang, 1995.  

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Uitsterven, vier maal

De passengers pigeon

1. Dit jaar is het honderd jaar terug dat de laatste passengers pigeon stierf. De duif Martha stierf in een dierentuin in Cincinnati Zoo in 1914. Dat is twaalf jaar nadat de laatste wilde duif door een kwajongen uit een boom werd geschoten met een katapult. Dat was hem niet echt kwalijk te nemen want in de vijftig jaar daarvoor was de Passengers pigeon het armeluisvoedsel bij uitstek geweest, Huckleberry Finn sloeg ze met een knuppel uit de lucht. De religieuze Amerikaan vergeleek de vogel met de oudtestamentische kwartels waarmee de ‘Heere Heere’  het volk Israëls in de woestijn van eten voorzag. Miljarden vogels vlogen halverwege de negentiende eeuw in zwermend die de zon verduisterden over Noord Amerika.  Eén zwerm had 14 uur nodig over te trekken volgens ooggetuigen. De vogel had een handigheidje in zijn kaak zodat hij grote noten en vruchten in een keer kon inslikken. Een vraatzuchtige duif in groten getale. Waarom stierf hij uit? Minder bosgrond, intensieve jacht verklaren een deel, maar toch zeker niet alles. Bijzonder bij-apect: mogelijk werd uitsterven versneld door dat hij in zijn darwinistische ontwikkeling was gaan rekenen op ‘in groten getale zijn’ Dat verklaart dan zijn zo vlugge decimering. Dat gaat ons misschien ook overkomen want:

2. Wij sterven uit, nu nog niet, maar wel ooit. Het is aardig om daar sub specie aeternitatis eens over na te denken, zoals ik recent las dat men deed in The New Yorker (alwaar ook een stuk over de passengers pigeon, al mijn blogs komen uit de new yorker, ik plagieer en geef het om de nrc de wat mij betreft te overduidelijke lol te ontnemen die men daar aan ontmanteling lijkt te beleven zelf maar even toe ). Het is vreemd je een wereld voor te stellen waar de mens niet meer is. Als over een miljard jaar, een beschaving die van ons eens onder de loep gaat nemen dan zullen ze enige tijd nodig hebben om te beoordelen wie nou precies wiens huisdier was. Waren die grote tweevoeters de huisdieren of zelfs vee van die kleine katachtigen? Of andersom.  Hoe zullen geografen ons tijdperk noemen, wat zal het opvallendst blijken te zijn geweest? Plasticgebruik of wegenbouw? Toenemende co2 neerslag of nucleaire fall out? Wat voor betekenis wordt door de archeoloog toegekend aan de vierkante platte reliekschrijntjes in soorten maten  die een centrale positie innemen in het huishouden van deze kleine katachtigen?

3. De mens die gewoon zijn werk doet en daarvoor gewaardeerd wordt sterft uit. Walter Mitty is er zo een. Ben Stiller speelt hem, de kleine dromer die eerder door Danny Kaye vereeuwigd (1947)  werd op doek. James Thurber schreef een kort verhaal met de titel The Secret Life of Walter Mitty gepubliceerd in jawel alweer The New Yorker in maart 1939, en Stiller maakt er een aantrekkelijke feel good movie van. De grijze muis Mitty werkt op de negatievenafdeling van Time Magazine, en is wel de enige die de befaamde fotograaf Sean O’Connell – weer een fantastische rol van Sean Penn – als aanspreekpunt gebruikt. O’Connell is de man van het volle leven, het avontuur. Hij stuurt negatieven voor de laatste cover, het bedrijf wordt opgedoekt door managers van het foute soort. Maar het juiste negatief zit er niet bij. Walter moet op zoek, en gaat ook eindelijk op avontuur. Half tussen droom en werkelijkheid leert Mitty dat je een stap moet zetten.  Aardige scene in de film is de beklimming van een top in de Himalaya door Mitty, hij reist O’Connell achterna. Dan treft hij hem op het moment dat hij een sneeuwluipaard wil vastleggen. ‘Beautiful things don’t ask for attention.’ En als hij die dan voor de lens heeft, klikt hij niet. Waarom niet? Omdat hij iets soms zo mooi vind dat hij niet gehinderd wil worden door de camera, maar dat hij het moment laat duren. Dit moment, zegt hij dan. 

4. Het raadsel sterft uit. In 1872 treft men een schip aan, de Mary Celeste op de Atlantische oceaan, zeilen in orde, geen averij, complete lading aanwezig. Er is alleen geen mens aan boord, de complete, vakkundige crew is verdwenen en wordt nooit gevonden. Er zijn artikelen , films over, boeken vol over geschreven, een bevredigende verklaring is er niet. En alleen voor dit blog mag er op de reling, nabij de voorplecht een eenzame passengers pigeon zitten, die alles zag, maar niet koert.

 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

‘Groetjes uit 1977’ – een ansichtkaart

Hey Lieke,

Hoe issie? Hé, weet je nog dat je mij die foto liet zien waarop jij met je moeder en je zusje in de sneeuw speelt en dat ik toen zei dat ik ook nog ergens zo’n jeugdsneeuwfoto moest hebben? Dat is deze.

Eerst was het een dia, geloof ik, daar is ooit een foto van gemaakt en van die foto heb ik nu ff een scan gemaakt. De beeldkwaliteit is niet 100% Hans Anders, maar soit.

Dat jongetje in de ‘deuropening’ ben ik. Het meisje daarachter is mijn zus. De zaterdagmiddag waarop we deze iglo hebben gebouwd kan ik me, eerlijk gezegd, niet meer van minuut tot minuut voor de geest halen, maar het zou me niets verbazen als mijn vader en moeder af en toe een handje hebben geholpen met ’t opspatelen van die iglo…

We woonden destijds overigens gewoon in een huis van steen. Maar dat staat niet op de foto.

Ik denk dat de foto (dia) is gemaakt door mijn vader terwijl mijn moeder chocolademelk o.i.d. stond te maken in de keuken. Vanuit de keuken had je zicht op de tuin.

Hij bestaat echt wil ik maar zeggen, die jeugdsneeuwfoto.

Tot snel weer, ergens,

Ciao!

Martijn

Soundtrack: Beethoven.

Tirade – doorgewinterd.

Volgende week: slecht nieuws voor Lars von Trier. En meer.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Tim Veeter"
    Tim Veeter

    Tim Veeter

    Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

  • "Foto van Gilles van der Loo"
    Gilles van der Loo

    Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

  • "Foto van Koen Dobbelaer"
    Koen Dobbelaer

    Koen Dobbelaer (2000) is schrijver, scenarist en voormalig kindacteur. Deze zomer studeert hij af van de studie Writing for Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht met het filmscenario Een Film Over Familie, een absurdistisch drama over de drang naar maakbaarheid. Dit najaar verschijnt de door hem geschreven film De Laatste Dag in het Leven van Walterus.