Glittertand

Voorheen vervloekte ik de studiedagen van mijn dochters basisschool. Dat kwam deels doordat ik ze niet (als een georganiseerde ouder) aan het begin van elk jaar in mijn agenda zette. Gênant vaak heb ik balend voor die poort gestaan, opkijkend naar donkere lokalen.

Sinds dit jaar staan alle studiedagen in mijn agenda en mijn hekel is omgeslagen. Afgelopen vrijdag had Ada (8) vrij en ik had een paar verrassingen in petto.

Toen we haar moeder en broer hadden uitgezwaaid en ik kort had geschreven tilde ik haar op mijn fiets. Samen zoefden we door het centrum, mijn dochter zingend tussen mijn armen. Aad vocht overduidelijk tegen de aandrang te vragen wat de eerste verrassing van de dag zou zijn.

Als je een verrassing wacht dan voelt het alsof iets van binnen je middenrif op druk houdt, alsof je een visje met een zwemblaas bent. Ik denk dan ook dat mensen die op een verrassing wachten beter blijven drijven.

Na vijf minuten hield ze het niet meer. Kwamen we langs een winkeltje of een fijn café, dan vroeg ze of dat haar verrassing misschien was. Ik kuste haar bovenop haar hoofd en stak de Dam over, fietste de Damstraat in, koersend naar de Zuiderkerk.

Tegen die stokoude gevel parkeerde ik mijn fiets, luisterend naar het rondgaan van de radertjes in Ada’s hoofd. Bij een nieuwbouwpand drukte ik op een belletje met een glittersteen ernaast.

‘Kijk,’ zei ik, en wees haar op de steen. ‘Dat is een hint.’

Aads radertjes knarsten terwijl we de trap op liepen. Ze pakte mijn hand en we stapten door een openstaande deur op drie hoog, waar Louke op ons wachtte.

‘Dit,’ zei ik. ‘Is de Tandenfee.’

Louke liet Aad kiezen uit een bak glitters en drie tellen later lag mijn dochter op de behandelstoel, met grote ogen naar haar eigen tanden kijkend in een zakspiegel. Ze had een roze steentje gekozen, dat met beugellijm op haar tand geplakt zou worden. De operatie verliep succesvol en de vieze smaak van de lijm leek snel vergeten.

Terwijl we op weg gingen naar de volgende verrassing – Ada met een bijna manische glimlach zodat de hele stad haar glittertand kon zien – vroeg ik me af wat mijn probleem met die studiedagen toch altijd was geweest; waarom ik zo’n dag nooit simpelweg had afgeschreven om te genieten van mijn kind.

Ik hoorde me nog zeuren dat je als thuiswerkende nooit helemaal aan je werk toekwam en nooit echt aan je kinderen; dat je je werk daarom ging haten en ongeduldig tegen je kinderen werd omdat ze je van dat werk hielden – waarover je je dan weer schuldig voelde.

Wat een onzin, dacht ik. Dat zat allemaal maar in mijn hoofd.

De tweede verrassing van de dag was appeltaart bij Café de Druif, de derde werd een Turkse pizza bij Effendi op de Rozengracht. Tegen iedereen begon Aad over haar tand.

Ze mocht een badeendje uitzoeken bij een toeristenwinkel en koos het kleinste, goedkoopste roze dobberaartje dat er was, hield het veilig in haar handen op het stuur terwijl we weer naar huis toe zeilden.

Toen B thuiskwam vertelde Ada honderduit over haar dag terwijl ik er nog wat mailtjes uit deed en het begin van deze column tikte. Al mijn werk was gedaan en ik had een droomtijd met mijn kind gehad.

In mijn agenda checkte ik vast wanneer de volgende studiedag zou zijn.

Foto van Gilles van der Loo
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Chopin

Om mijn verhuizing naar Utrecht te vieren ging ik naar de bladmuziekzaak Broekmans en Van Poppel. Ik was er al lang niet geweest: de laatste jaren bestel ik mijn bladmuziek in hun webshop. Vroeger, toen mijn broer nog in Utrecht woonde, kwam ik er voor mijn gevoel regelmatig. Als we door de binnenstad liepen, vroeg hij of ik erheen wilde. Ik neusde dan rond terwijl hij wat ongemakkelijk om zich heen keek (hij bespeelt geen instrument). Soms knoopte hij een praatje aan met de man achter de toonbank.

Ik fietste naar het centrum en zette mijn fiets tegenover de winkel. Ik wist al welk boek ik wilde kopen: de polonaises van Chopin. Binnen had ik de keuze uit twee uitgaven: die van Henle en de Wiener-Urtext van Universal Editions. Als ik mag kiezen koop ik eigenlijk altijd de Henle-uitgaven. Ze bevatten vaak een uitgebreide inleiding en een zeer goed commentaar over de verschillende bronnen die zij gebruikt hebben om deze ‘leestekst’ uit op te bouwen (of het nu gaat om een muziekstuk of een oude tekst, in wezen verschilt de kunst van het bezorgen niet veel). En – niet geheel onbelangrijk – de bladspiegel is bijzonder prettig. Met het boek onder mijn arm keek ik nog wat rond, maar besloot het bij de polonaises van Chopin te houden.

Toen ik, eenmaal weer thuis, het boek nogmaals doorbladerde, kwam ik tot de conclusie dat ik eigenlijk iedere noot al kende. Onder het bladeren kon ik bij ieder notenbeeld het bijbehorende muziekfragmentje oproepen. Dat is niet zo gek: de polonaises heb ik door de jaren heen vele malen beluisterd.

Naar sommige composities van Chopin kan ik alleen luisteren. Als ik ze probeer in te studeren dan zorgen de zoetige harmonieën ervoor dat ik al na een paar dagen op ze ben uitgekeken. De polonaises behoren – verwacht ik – niet tot die stukken. De pianistieke bombarie voorkomt zoetsappigheid.

Maar ik zal ze in Utrecht moeilijk kunnen instuderen: in mijn studio heb ik geen (elektrische) piano. Ik heb wel een mooi uitzicht, zoals ik iedereen die het horen wil vertel. Toen ik in Amsterdam woonde, was dat wel anders; daar keek ik bij de overburen naar binnen. Maar ook daar had ik geen piano.

Van de pianist Arthur Rubinstein wordt verteld dat hij eens een stuk instudeerde tijdens een treinrit: moeilijke passages oefende hij op zijn knie. Vroeger, als mijn broer bij mijn ouders was en niet wilde dat ik piano speelde (hij vond de piano te luid), vroeg hij wel eens of ik niet net als in The Pianist op een tafel kon oefenen. In die film beeldt Wladyslaw Szpilman zich op zijn onderduikadressen in hoe hij Chopin speelt. Ik vond het altijd een flauw voorstel van mijn broer, maar toen ik met Chopins polonaises voor mijn raam zat, moest ik er weer aan denken.

Ik ben in staat om zonder piano vingerzettingen uit te schrijven. En ik hoor zoals gezegd de muziek terwijl ik de noten lees. Soms meen ik de spieren in mijn vingers te voelen bewegen als ik een partituur bekijk. Mijn pianodocente vertelde mij ooit dat leerlingen van Paul Wittgenstein, die in de Eerste Wereldoorlog zijn rechterarm verloor, spieren in zijn stompje zagen bewegen als hij voor hen vingerzettingen uitschreef.

Zou het kunnen dat die kleine spieractivatie die er tijdens het ‘lezen’ van een partituur is, genoeg is om spiergeheugen te kweken dat zo goed is dat ik het stuk weg kan spelen als ik eenmaal weer achter een echte piano of vleugel zit? Rubinstein kon het dus blijkbaar. Maar ik ben geen Rubinstein. Toch moet ik misschien eens de proef op de som nemen.

Foto van Sybren Sybesma
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Paddestoelen plukken

Col was ergens in de nacht geland op Schiphol. Hij had me zijn aankomsttijd niet willen zeggen omdat hij niet wilde dat ik opstond om hem op te halen.

De laatste tijd is het niet makkelijk te peilen hoe het met hem gaat. Deels een gevolg van de afstand: mijn maat woont afwisselend duizend en negenduizend kilometer bij me vandaan. Een ander probleem is dat hij zijn telefoon heeft weggedaan, iets waarover hij het bij zijn vorige bezoek al had.

‘Ed Sheeran heeft ook geen telefoon,’ zei Col toen. Ik weet nog dat hij een paar plakken brood afsneed in onze keuken. Hij bedient doorgaans zichzelf als hij op bezoek is. ‘Die doet alles per mail. Nul afleiding.’

‘Dan gaat alles toch gewoon per mail?’ zei ik. ‘Moet je daar de hele dag naar kijken.’

Voor hij aankwam had ik gemaild dat ik een leuk plan had voor de ochtend, maar dat onze excursie ook in de middag kon als dat beter uitkwam voor zijn jet lag. Niets meer op gehoord, maar om half negen – ik had net Ada (8) naar school gebracht – stond hij voor de deur.

‘Ik weet al wat het is,’ zei Col. Hij stuiterde nog net niet. ‘Oh boy, ik weet al wat het is. We gaan paddestoelen zoeken, toch? Zeg dan? Gil, kom op, zeg dan. Gaan we naar de Utrechtse Heuvelrug?’

Col zeurt al jaren of hij een keertje mee mag en ik zeg al jaren dat hij altijd mee mag, maar dat het zijn eigen rooster is dat de boel bemoeilijkt. Voor het plukken van paddestoelen ben je afhankelijk van het weer, wat een flexibel rooster vereist, wat acteurs die in trek zijn totaal niet hebben.

Ik moest een beetje lachen om de manier waarop hij Utrechtse Heuvelrug verhaspelde, maar wilde hem niet kwetsen. Cols Nederlands is wonderlijk goed geworden en ik verdenk hem ervan privéles te nemen, maar hij verzekert me steeds dat hij het allemaal geleerd heeft door het lezen van mijn werk.

Het was goed om mijn maat te zien. God, wat zagen we hem weinig. Ja, hij was me veel te druk, maar ik werd altijd zo blij van die enthousiaste trouwe kop.

‘Ok,’ zei ik. ‘Ja. Vandaag is de dag.’

Terwijl ik ons naar het bos reed oriënteerde Colin zich op mijn telefoon alvast op de mogelijk te vinden eetbare paddestoelen. Op welke er giftig waren. Daarna googlede hij zijn laatste film, maar leek kwaad te worden van wat hij las en dumpte mijn telefoon in het vak onder de radio.

Ik had de recensies ook gelezen en wilde er niet over beginnen, maar het hele concept met die deuren had me bij de eerste trailer al tegengestaan. Col, als je dit leest: sorry. Ik had het moeten zeggen.

Toen we de auto achter ons gelaten hadden en over een van mijn favoriete bosperceeltjes liepen, was het al snel raak. Ik liet Col mijn vangst zien, vertelde waarop hij letten moest. Binnen een minuut had hij zijn eerste boleetje binnen, dat hij bijna teder in zijn rugtas vleide.

Niet voor het eerst voelde ik dat Colin altijd naar ons komt om op te laden. En dat voelde fijn.

‘De mooiste vind je gek genoeg vaak langs het pad,’ zei ik, maar Col was al verdwenen. In de diepte van het bos bewogen struiken, kraakten takken. Zo nu en dan hoorde ik hem juichen. Misschien had ik hem moeten uitleggen dat plukken in natuurgebieden verboden is.

De popularisatie van psychodiagnostiek vind ik niet per sé een aanwinst voor de samenleving. Een GGZ-professional zal snappen dat ieder mens wel op bepaalde schalen scoort. Voor leken is zo’n label al gauw stigmatiserend: iemands hele persoon wordt teruggebracht tot die ene noemer.

Maar goed: als iemand van mijn vrienden in aanmerking komt voor het label ADHD dan is dat Col – de upside van zo’n diagnose is dat je, als je je focust, alles om je heen vergeet.

Drie kwartier later zaten we weer in de auto; de achterbak lag vol eekhoorntjesbrood en andere boleten en onze tassen puilden uit. Toen we weer in de stad waren zei Col dat hij een afspraak had. Hij zou vanavond terugkomen om samen voor B en de kinderen te koken.

Ik stond boleten schoon te borstelen in de keuken toen er op mijn telefoon een mailtje binnenkwam. Het was Colin. Of we morgenochtend weer naar het bos konden, omdat er een veldje was waar hij er misschien een paar had laten staan.

Foto van Gilles van der Loo
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Archieven

Ook van Madeleine Férat, andermaal bedoeld als ‘anatomische en psychologische’ studie, is bekend wat Zola ermee wilde demonstreren. Over ongeveer het zelfde thema, maar voor zover bekend zonder wetenschappelijke pretentie, echter wél, volgens een ironische mededeling aan een vriend,3. ‘voor het heil der mensheid’, schreef Couperus zijn Haags-Italiaanse roman Langs lijnen van geleidelijkheid (1900), waarmee hij de Meester die hem het leven leerde zien zoals het is weer een heel eind achter zich liet. Leraar en leerling bieden met deze boeken interessant vergelijkingsmateriaal.

1982
280/281
Herman Verhaar Van passie en impregnatie, Cornelie en Madeleine, Couperus en Zola .
Omslag Tirade nr. 280

Vergankelijkheid en ruimte

Over het oeuvre van Tommy Wieringa. Deel 2

Dit zijn de namen speelt zich dus niet af in België, maar op de Oost-Europese steppe – waarschijnlijk in Oekraïne – al wordt de locatie nergens expliciet benoemd. Ik bedacht me dat ik de Belgische setting had onthouden van een boekpresentatie die een klasgenoot in de vijfde klas had gehouden, waarin hij vertelde over een groep vluchtelingen die zich door het Vlaamse heuvellandschap sleepte. Dat hij vergat te vermelden dat het boek zich eigenlijk in Oost-Europa afspeelde kan ik me niet voorstellen, maar het detail over België is het enige dat ik me van zijn presentatie herinner. Wilde hij het verhaal door het naar het Vlaamse platteland te verplaatsen voor ons begrijpelijker maken? Onnodig voor iedereen die het boek was gaan lezen. Wieringa’s sfeer- en locatiebeschrijvingen zijn schitterend. Het boek ademt de verhalen van Isaak Babel: het vuil op straat, het menselijke gekibbel en vooral de eindeloze ruimte van de steppe, waar een groep vluchtelingen zich over beweegt. Door de ijzersterke sfeer en het feit dat je niet op een kaart kan aanwijzen waar het zich precies heeft afgespeeld voelt het ook aan als een vreemd tijdloos boek: de beschreven gebeurtenissen kunnen zich zowel in het verleden als in de toekomst hebben voorgedaan. 

Enkele jaren later publiceerde hij een tweede vluchtelingenroman: De dood van Murat Idrissi. Die roman is op een bepaalde manier subtieler dan Dit zijn de namen omdat het is geschreven vanuit het perspectief van een tweedegeneratie-immigrant die op vakantie gaat in het land van haar ouders, Marokko. In Nederland, het wrede paradijs, is ze voor mensen een buitenlander, en in Marokko ook. Daar zijn ze toeristen. Om haar heen plaatst Wieringa een aantal andere eerstegeneratienederlanders. De een probeert zich door studie, door ‘Nederlandser dan de Nederlanders’ omhoog te werken, een ander denkt erover om terug te gaan. Tegenover hen zet Wieringa Murat Idrissi en zijn dromen van een beter leven in Europa, die hij met de dood zal bekopen. Dit zijn de namen toont alleen de vluchtelingen, terwijl De dood van Murat Idrissi ook de volgende generatie aan het woord laat. Het levert een rijker portret op van mensen die in de hoop van een beter leven uit hun land vertrekken.

Toen moest ik er nog maar twee (ik heb me voornamelijk op Wieringa’s romans gericht). In hetzelfde jaar dat De dood van Murat Idrissi verscheen, publiceerde hij ook De heilige Rita. Dat is eveneens een soort immigratieroman: er vlucht onder andere een Rus met een sproeivliegtuigje uit het Oostblok. Het gaat in ieder over globalisatie: er zijn Chinezen op het platteland van Twente komen wonen. Stilistisch is het prachtig (‘Op een paar meter van de grond vertakt de linde zich tot een reuzenkatapult.’ Of: ‘Ze hadden aan de tijd zitten morrelen, die twee, en hem uiteindelijk onklaar gemaakt.’). En waar je bij Joe SpeedbootCaesarion en Dit zijn de namen soms het gevoel had dat er hier en daar wellicht een scène uit kon, heb je dat bij De heilige Rita niet. Het is daarom misschien wel zijn beste boek.

Paul Krüzen woont met zijn oude vader op een oude boerderij. Het Twentse platteland lijkt hier even uitgestrekt als de Oekraïense steppe. Hij handelt in oude nazi-goederen, hangt rond in het dorp en gaat af en toe met zijn vriend Hedwiges Geerdink naar de hoeren. Ergens had ik gehoopt op een boek over de verstrijkende tijd, de relatie tussen zoon Krüzen en zijn aftakelende vader, en de nimmer inhoudende globalisatie in het dorp, maar Wieringa maakt het boek met de overval op Hedwiges Geerdink een boek over geweld. Dat andere is misschien ook al te vaak gedaan.

Met Nirwana betrad Wieringa een decor dat sowieso al door anderen is betreden: de verschrikkingen aan het Oostfront in de Tweede Wereldoorlog. Ze worden beschreven in de dagboeken van de grootvader van Hugo Adema, de hoofdpersoon in Wieringa’s meest recente roman. Nogmaals de Oekraïense steppe. Het boek rammelt jammer genoeg; ik had gehoopt dat er een immer opbouwende lijn in het oeuvre zat. Op stilistisch vlak is het te vaak zwak: veel onnodige of clichématige zinnen, zoals ‘Ze was een energieke, warme persoonlijkheid.’ Of: ‘Marnix knikte, hij wist waarnaar [Hugo] verwees.’ En op verhaaltechnisch niveau werkt het personage Tommy Wieringa, dat een boek wil schrijven over de grootvader van Hugo, wat mij betreft niet helemaal: dat Wieringa grappen maakt over Wieringa wringt. Zou hij het bedoeld hebben als een soort parodie op Pfeijffers procedé?

De tweede helft van het boek, als Wieringa van het toneel verdwijnt en de dagboeken boven tafel komen, overtuigt daarentegen een stuk meer, ook op stilistisch vlak. Het redt het boek ten dele: wat je het laatst leest herinner je je nu eenmaal het best.

Tien romans schreef Wieringa. Ik heb ze – misschien met uitzondering van de eerste twee – stuk voor stuk met erg veel plezier gelezen. Er zijn er weinig die zo mooi over de voorbijgaande schaduwen kunnen schrijven en die zulke rake beelden neerpennen. Een aantal daarvan citeer ik nu wel eens in gesprekken.

En ik zal nu nooit meer per ongeluk tegen iemand zeggen: ‘Maar Dit zijn de namen speelt zich toch af in België?’

Dat zijn meest recente roman enigszins tegenviel is jammer, maar het hindert niet, want ik las dat Wieringa nog ideeën heeft voor zeker tien romans. Kom maar op.

Foto van Sybren Sybesma
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

Naar huis gaan

Als ik aan een roman werk probeert B me voor verjaardagen altijd cadeaus te geven die daaraan bijdragen. Bij Luis Martín was dat een ticket naar Madrid; aangezien mijn nieuwe boek zich deels zal afspelen in het Brabant van mijn jeugd, regelde ze een hotelovernachting in Vught.

Ik heb wel eens enthousiaster gereageerd op een cadeau (bijvoorbeeld dat ticket naar Madrid) en vroeg me razendsnel af of ik mijn hele tekst nog kon omzetten naar Rome, naar Venetië of Kopenhagen.

‘Een overnachting,’ zei B. ‘Het hotel is heel fijn, denk ik.’

B kan zich erg verheugen op het soort luxeleven dat in fijne hotels wordt voorgewend en ik kan genieten van een vrouw die zich verheugt; samen weg was hoe dan ook leuk, dus waar kwam mijn gebrek aan enthousiasme vandaan?

Sinds het vertrek met mijn ouders uit Brabant in 1984 ben ik nog een paar keer terug geweest in Vught. Korte uitstapjes, vanaf de snelweg om het centrum heen in een zo recht mogelijke lijn naar het huis waar we ooit woonden, dat altijd onveranderd leek. Grijze steen, donkere schrootjes, een tuintje ervoor, een oprit ernaast.

Er zouden inmiddels wel meerdere gezinnen hebben gewoond en de boel binnen was natuurlijk onherkenbaar verbouwd. Je zou net zien dat Weer verliefd op je huis er in samenwerking met sponsoren een antracietgrijze showroom van had gemaakt. Gietvloeren, koperen accenten.

Het weerzien met het huis waar ik gelukkige kinderjaren had confronteerde me telkens juist met de onherstelbare voorbijheid van die tijd, en sinds de dood van mijn ouders met het feit dat ik nooit meer terug kon gaan naar huis. Maar dit keer was ik er met B, en omdat ik met B was waren we op fietsen die we van het fijne hotel te leen hadden gekregen.

We reden door het oude dorp, waarvan ik niets herkende. Kennelijk hadden mijn ouders het in onze Vughtse tijd vooral bij onze eigen wijk gehouden.

Op postduiveninstinct vond ik na een lange tocht ons oude huis. We reden de straat in en het voelde anders. Mijn werk aan dit boek, het visualiseren van mijn ouders’ jeugd, van mijn eigen kindertijd – ik stond met één been in de jaren zeventig en met het andere in 2025.

‘Wat doe je?’ zei ik tegen B, die voor het huis was afgestapt en richting voordeur liep.

‘Willen we niet aanbellen?’

‘Zéker niet,’ zei ik, maar ook ik stapte af. ‘Wat moeten die mensen met ons? Straks denken ze dat we glasvezel verkopen.’

Zoals wel vaker bleek dat B beter weet was goed voor me is dan ik; ze liet zich niet terugfluiten, bleef bij die voordeur staan tot ik kwam en me vermande, me afvroeg wat er als ergste kon gebeuren en aanbelde.

Na een paar tellen deed een vitale oudere dame open. Ze keek kordaat en afwachtend, maar niet onvriendelijk.

‘U kent ons niet,’ begon B. ‘Maar–’

‘Ik ken jou wel!’ riep de dame, wijzend naar mij. ‘Jij bent Gilles.’

Strangers is een schitterende roman van Taichi Yamada uit 1987 waarop later de schitterende film All of us Strangers (2023) gebaseerd is. Mocht je hem niet gelezen / gezien hebben: volwassen zoon keert terug naar het huis waar hij als kind met zijn (inmiddels overleden) ouders woonde en treft hen daar in de bloei van hun leven aan.

Harada’s ouders zijn nu even oud als hij en nog kinderloos, maar ze herkennen hem op een of andere manier en een ontroerende vriendschap ontstaat. Tot blijkt dat Harada door hen te blijven bezoeken steeds verder oversteekt naar het dodenrijk.

Maar goed, dat is het boek – dit was Vught, Noord-Brabant, 2025.

Til en Clemens kochten het huis van mijn ouders in 1984 en wonen er tot op de dag van vandaag. Ze veranderden in de afgelopen veertig jaar niets behalve de badkamer en het behang in hun slaapkamer.

De krassen van onze hond stonden nog in de deur naar de keuken, de tafel waaraan ik met mijn ouders gegeten had was er, de keukenkastjes waaraan mijn moeder haar hoofd zo hard kon stoten dat je haar als je aan het begin van de straat aan het spelen was al kut kon horen roepen.

We mochten boven rondkijken en ik stond een paar minuten in mijn oude kamer, waar het stucwerk grof en grijs was. Mijn vingertoppen herinnerden zich die lijnen, die ik aftastte als ik in bed lag, niet kon slapen, bang was in het donker.

Ik word bijna nooit herkend als schrijver, maar hier in Brabant, bij mijn oude huis op de Baroniesingel, gebeurde het. Til had onthouden dat de mensen die hier eerst woonden een zoon hadden die Gilles heette. Telkens als er iets over me in de krant stond had ze gedacht: dat moet die jongen zijn.

Deze mensen waren mijn ouders niet, maar ze waren van dezelfde soort, de juiste leeftijd, op dezelfde manier gekleed – Clemens in net zo’n zachte trui van dunne stof als mijn vader altijd aanhad. Ze namen alle tijd voor ons, ik werd wel drie keer gemaand mijn jas uit te doen, te gaan zitten.

De bewoners van mijn oude huis leken dit allemaal net zo bijzonder te vinden als ik. Er was een vertrouwdheid tussen ons die niet hoorde bij mensen die elkaar nog nooit hadden ontmoet. Sneller dan misschien nodig was namen B en ik weer afscheid.

‘Waar wilde je nou nog meer heen?’ zei ze toen we buiten stonden.

Ik had nog op zoek gewild naar een grote eik die ik me herinnerde, naar het bos waarin die gestaan had, maar ik kon er geen indrukken meer bij hebben; bovenal wilde ik wat er net gebeurd was laten bezinken, op een of andere manier intact houden.

‘Kom,’ zei ik, ‘dan fietsen we naar Den Bosch. Gaan we daar een biertje drinken.’

In stilte reden we naar de stad en sloegen af bij de drakenfontein die zonder dat ik me daarvan bewust geweest was een plek gekregen had in Café Dorian.

We stapten af, haalden biertjes bij een kroeg waar iedereen buiten stond. De herfstzon viel door het straatje – het warme licht dat mijn moeder altijd noemde als ze over mijn geboorte sprak.

We dronken van ons bier en B maakte een foto van me terwijl wat net gebeurd was zich in mijn hoofd begon te nestelen. Ik dacht aan Clemens en Til; aan Jos en Ine. Ik keek naar de lucht, die het blauw had van de kleurenfoto’s uit mijn jeugd – alsof overal een geeloranje filter over lag.

‘Dank je,’ zei ik tegen B.

Foto van Gilles van der Loo
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Vergankelijkheid en ruimte

Over het oeuvre van Tommy Wieringa. Deel 1

Hoewel zijn naam al zo lang als ik me kan herinneren door de lezers in mijn familie werd genoemd, wist ik van het oeuvre van Tommy Wieringa verrassend weinig. Mijn broer had mij eens toevertrouwd dat Joe Speedboot in zijn ogen de typische Nederlandse roman was: ‘een depressief dorp op het platteland met depressieve jongeren’. Verder had ik opgevangen dat het vluchtelingendrama van Dit zijn de namen zich afspeelde in de heuvels van België en dat de critici niet zo lyrisch waren over Wieringa’s eerste twee romans, terwijl zijn latere werk vrijwel altijd geprezen werd.

Op zijn kortste werken na, De dood van Murat Idrissi en Een mooie jonge vrouw, die ik allebei best aardig vond, had ik niets van hem gelezen. Niet uit onwil, maar gewoon omdat ik er niet aan was toegekomen. Een paar maanden geleden bedacht ik me dat dat moest veranderen. Ik kon het niet langer hebben dat ik zo weinig wist van het werk van een schrijver die door zovelen zo hoog werd aangeslagen.

De eerste twee romans zijn inderdaad niet al te best. In Wieringa’s debuutroman Dormantique’s manco voelt het verhaal van de afwasser Bas Dormantique die zijn middelbareschoolvrienden en zijn jeugdliefde Nina maar niet kan vergeten enigszins particulier en is het verhaal door het passieve hoofdpersonage statisch. Er komt pas beweging in als Bas op driekwart in de auto stapt en naar de horizon rijdt. Toch blijkt Wieringa – soms – al een verdraaid goed stilist: ‘Ze dragen kleren die ooit om grote lichamen pasten, zodat ze op gekrompen volwassenen lijken.’ Of ‘autodaken’ die ‘als muntstukjes glinsteren in de zon’. Die beelden en scherpe observaties zijn wat mij betreft de kracht van Wieringa’s proza in zijn latere werk. In Joe Speedboot: een gezicht dat in zijn ‘vrij’ staat. Een mooie jonge vrouw: ‘[Hun baby] werd schoongemaakt en gewogen, en toen ze uren later naar huis gingen met het kind in de drager, voelden ze zich bang en onoverwinnelijk als een tienerstel in een gestolen auto.’ En: ‘Zij had zich aan zijn leeftijd aangepast, in plaats van aan zijn karakter.’ De dood van Murat Idrissi: ‘[De watermeloenen] liggen er naakt bij, als eieren die uit de aardbodem tevoorschijn zijn geperst.’ In zijn debuutroman vallen dat soort zinnen des te meer op omdat de stijl verder geladen is met pathetiek: ‘Door de trilling in haar ziel wist Nina heel even dat haar leven anders zou zijn verlopen als de auto gestopt was.’

Zijn tweede roman Amok begint sterk, en voor wie Dormantique’s manco gelezen heeft ook bijzonder grappig omdat het begin aansluit op het einde van zijn debuut. Maar hoewel vlotter geschreven en minder wijdlopig is ook Amokstatisch. Zowel in zijn tweede als in zijn eerste roman worden overigens enorme hoeveelheden jenever genuttigd. De bezigheid van treurige mannen die vastzitten in hun bestaan en weinig doen om eraan te ontsnappen. Genoeg, niet ieder begin is sensationeel.

Het nieuwe begin is dat daarentegen wel. Alles over Tristan is een soort tweede debuut: een nieuwe start bij een nieuwe uitgeverij. Dat Wieringa eerder twee romans had gepubliceerd wordt vakkundig weggemoffeld. Dormantique’s manco en Amok duiken pas bij De dood van Murat Idrissi weer op in de lijst met eerder werk.

Tijdens een optreden op Crossing Border, een jaar of twee geleden, sprak Wieringa over het belang van ruimte. Hij noemde het gebrek aan ruimte als ik het mij goed herinner het euvel van de Nederlandse literatuur. Er ontbreken vergezichten, het zijn alleen maar kleine mensen in hun kleine huizen in de grote steden. Voor sterke dramatiek heb je ruimte nodig.

Het schijnt dat hij het idee voor Alles over Tristan kreeg toen hij Qat-kauwend in een trein door de Ethiopische woestijn schommelde: aan ruimte geen gebrek. Dat iemand goed debuteert is bewonderenswaardig, maar dat iemand na een tweetal matige boeken ineens een bijzonder goed boek schrijft is misschien nog wel bewonderenswaardiger. Hij had de moed kunnen verliezen of op de ingeslagen weg kunnen voortgaan en een derde boek kunnen schrijven dat aan dezelfde problemen leed als de eerste twee.

De aha-erlebnis in de Ethiopische trein wierp zijn vruchten af, want wás Wieringa maar met Alles over Tristangedebuteerd. Het statische en passieve van de eerste romans is verdwenen. Het wordt ondervangen door een sterke motor: een jonge wetenschapper doet voor een biografie onderzoek naar het leven van een beroemde, maar zeer mysterieuze, dichter. Hij doet dat voor het grootste deel van het verhaal in een haast even mysterieuze setting, het fictieve havenstadje Mercedal, dat mij ergens deed denken aan de stad Rivendell uit de verfilming van The lord of the rings. Natuur, bergen, water. Daar is de ruimte, en een bepaalde soort vrijheid. Al zijn boeken zullen die ruimte en vrijheid van nu af aan bevatten.

Maar niet alleen de aandrijving van het verhaal is nu op orde, ook het plot zit veel beter in elkaar, met aan het eind een aantal bijzonder goed getroffen plottwists. Het verhaal is een en al schrijfplezier, of beter gezegd: verzinplezier. 

Dat verzin- en schrijfplezier neemt hij mee naar Joe Speedboot, dat waarschijnlijk wel zijn meest gelezen boek is (zeker na de recente Nederland Leest-campagne). Twee vrouwen tegenover mij in de trein die mijn gegrinnik zagen, merkten op dat ze er indertijd ook erg veel plezier aan hadden beleefd.

Toen ik de avonturen van Fransje Hermans bijna uit had, en had gezien hoe Joe Speedboot met hulp van de andere jongens een vliegtuig bouwde en hoe hij de manager werd van Fransje de armworstelaar, moest ik denken aan de woorden van mijn broer. De typische Nederlandse roman, ‘depressief dorp met depressieve jongeren’. De weilanden om het dorp, de rivier, het ijs in de winter, de beschrijving van de zomer, ze geven het boek iets oer-Hollands. Het dorp Lomark is inderdaad niet een van de vrolijkste plekken en dan dreigt het ook nog eens door een geluidswal van de rest van de wereld te worden afgesloten. En de jeugd onderneemt van alles om het dorp te ontvluchten, al zou ik ze niet depressief willen noemen, treurig net zomin. Het zijn jongeren zoals je die overal hebt: ze willen weg van de plaats waar ze zijn opgegroeid. Maar het is daardoor geen slecht boek. Ik heb me enorm vermaakt: het is grappig en bij vlagen meeslepend. Al had ik soms het gevoel dat Wieringa misschien een tijd heeft gevangen die nu al heel lang niet meer bestaat. Maar ik zou niet zo goed kunnen uitleggen waar dat aan ligt. De landerige sfeer misschien, of de ambitie van de jongens die zo groot is dat ze een vliegtuig bouwen, of het armworstelen. Of wellicht deed het me gewoon denken aan oude, goede boeken. Ik heb mijn broer geappt dat hij het moest herlezen.

Wieringa is in zijn werk erg begaan met de vergankelijkheid. Lomark met zijn geluidswal, zoals ik net al noemde; de veranderende vriendschap tussen de jongens in hetzelfde boek; Bas Dormantique die zijn middelbareschooltijd niet kan vergeten; het hoofdpersonage Pontus Beg die een koude voet krijgt in Dit zijn de namen en daardoor merkt dat hij een oude man wordt; een oudere man met een jongere vrouw in Een mooie jonge vrouw; het leven in een krimpregio in De heilige Rita; de klimaatverandering in Nirwana. Nergens is het beeld van de vergankelijkheid zo mooi als in Caesarion. Het huis van Ludwig en zijn moeder staat op een klif die erodeert; de zee komt steeds een stukje dichterbij. Hun buurman probeert een waterkering te bouwen om de zee een halt toe te roepen. Tevergeefs. Tijdens een zware storm stort het huis de golven in.

Van Wieringa’s romans bevat Caesarion voor mij misschien wel de mooiste beelden. Het bevat wellicht ook de meeste vergankelijkheid. We zien hoe Ludwig als loungepianist over de wereld zwerft en met oudere vrouwen het bed deelt. We zien hoe hij zijn moeder verpleegt, die haar oude beroep als pornoster weer had opgepakt, maar wordt uitgerangeerd als er een plekje op haar borst ontstaat. Ook lichamen zijn onderhevig aan de tijd. Dode net zo goed als levende: in Wieringa’s andere boeken rotten er veel lijken weg. Niets ontkomt aan verval.

Volgende week volgt deel 2

Foto van Sybren Sybesma
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

Meer blogs

  • Afbeelding bij DE MENS ALS BIOPIC 9 Mama Wilders

    DE MENS ALS BIOPIC 9 Mama Wilders

    Op 6 september is Geert Wilders jarig. Dat is altijd een sacraal gebeuren, want op die dag komt hij langs bij zijn moeder Maria Ording Wilders in Grubbenvorst. Maar vandaag niet. Vandaag moet hij in verband met een kabinetsformatie – alweer – op bezoek bij koningin Beatrix. Dat vindt zijn moeder onbegrijpelijk, verdrietig en schandalig....
    Lees verder
  • Afbeelding bij Hoe ik een paardenmeisje werd

    Hoe ik een paardenmeisje werd

    Larousse 21 Er verbergen zich veel verschillende mensen in onze inborst. Je zult er op zeker moment achter komen dat je iemand geworden bent die je niet wist dat je in je had. Ik ben de afgelopen jaren veel mensen geweest, en de afgelopen maanden weer heel veel anderen. Maar nu ben ik een paardenmeisje...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Gouden Bergen

    Gouden Bergen

    Deze week ben ik in Bergen aan Zee; een lief huis in de duinen, waar ik samen met vier schrijversvrienden van ’s ochtends vroeg tot vlak voor het avondeten werk aan onze komende romans. Mijn tijd hier wil ik altijd optimaal gebruiken, ik maak dan grote stappen. De concentratie die in de woonkamer van ons...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Foto van Roos van Rijswijk
    Roos van Rijswijk

    Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

  • Foto van Anna op de Weegh
    Anna op de Weegh

    Anna op de Weegh schrijft experimenteel theater over honger, onhoudbare transformatie en de (her)ontdekking van een lichaam. Haar teksten zijn vlezig, tactiel en poëtisch. In de afgelopen vier jaar werkte ze o.a. als dramaturg, liep ze stage bij Theater Utrecht als regieassistent voor de voorstelling Panic Room en zette ze samen met Maggie Thedinga het tweekoppige collectief Disgusted & Horny op.

  • Foto van Willemijn Kranendonk
    Willemijn Kranendonk

    Willemijn Kranendonk (1994) is schrijver en dichter, voor zowel kinderen als volwassenen. Haar werk verscheen o.a. in Tirade, DW B, Liegend Konijn en op Lilith Magazine, Revisor, De Internet Gids, Hard//Hoofd en De Optimist. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman die dit jaar nog uit zal komen bij Uitgeverij Van Oorschot en volgt ze de master Jeugdliteratuur aan de Universiteit van Tilburg. Mei 2022 verschijnt haar eerste kinderboek bij Uitgeverij Billy Bones.