DE MENS ALS BIOPIC 14 De jongens Von Amsberg

‘Een koe laat elke 90 seconden een scheet, een mens 18 keer per dag. Het aantal scheten van een walvis kan alleen maar geschat worden.’

Zo ongeveer begint het toneelstuk Emily, of het geheim van Huis ten Bosch. De drie zonen van koningin Beatrix en prins Claus von Amsberg zitten in de centrale salon van Huis ten Bosch en bladeren in tijdschriften over watersport en diepzeeduiken. Hun ouders zijn voor een officieel bezoek in Israël.

Wapvo (Willem-Alexander, Prins Van Oranje) en broer Constantijn zijn geïnteresseerd in onderwaterfotografie, prins Friso grijpt naar de roddelbladen, waarmee het gesprek al snel gaat over het dreigend gevaar van damescontact. De prinsen zijn 23, 22 en 21 jaar, dus wordt het wel ’s tijd voor erfopvolging, voortplanting en verantwoordelijkheden.

*

Samen met collega Dick van den Heuvel schreef ik over ene Emily op wie Willem-Alexander verliefd was geworden en die dus koningin zou kunnen worden. Dick en ik achtten de tijd rijp om bij de Oranjes de ramen open te gooien, om het gezin Von Amsberg te tonen als buren waarvan de oudste zoon met een verkeerd meisje aan komt zetten.

De onsmakelijke heiligheid, de hardnekkige hersenloosheid rond zo’n koninklijke familie onteren, dat was de bedoeling. Dat lukte, enigszins.

Uit heel Europa stroomden cameraploegen toe. De voorstelling werd geregistreerd en uitgezonden op tv door de Vara, het theaterseizoen 1995-96 opende ermee en de minister-president acteerde diepe verontwaardiging. Toch kwam deze aandacht niet in de eerste plaats door de kwaliteit van die voorstelling zelf, maar doordat staatssecretaris Aad Nuis hoogst persoonlijk en ingefluisterd door koningin Beatrix subsidie weigerde.

Een rel was geboren.

*

Op Huis ten Bosch blijkt, tot grote ontzetting van Willem-Alexander, dat broer Constantijn al eerder de bewuste Emily heeft benaderd, ook lichamelijk.

‘Yes!’ kraait Friso vrolijk. ‘Die burgerjuf is een mol die bij onze troonopvolger bovengronds komt!’

Willem-Alexander is woedend, maar onmiskenbaar verliefd en zelfs bereid de troonopvolging aan zich voorbij te laten gaan als zijn voorgenomen huwelijk met…

‘Huwelijk??? Wapvo!!’

…als zijn voorgenomen huwelijk met Emily niet door mag gaan.

Daar waren Friso en Constantijn al bang voor: ‘Wij hebben geen zin om dit ondemocratisch gekkenhuis op onze nek te nemen, hoor.’

Ze gaan pal voor die arme Willem-Alexander staan.

‘Jij zorgt, één dat je blijft leven, twée, dat je zes kinderen krijgt van een willig, goodlooking Moldavisch prinsesje en dríe… Jij bent niet kieskeurig! Dat staat in de Grondwet.’

De ruzie wordt onderbroken door de onverwachte thuiskomst van vader prins Claus. Hij kreeg in Jeruzalem een paniekaanval, heeft abrupt de koninklijke delegatie verlaten en is in ’t geheim teruggevlogen.

‘Wat is er gebeurd, pa?’

‘Eh… Yad-Vashem. In Jeruzalem. Dat monument van de Tweede Wereldoorlog. Er is daar een… een soort kelder waar namen… Namen, namen, namen… op zwarte stenen. Op vier mei in Amsterdam vind ik het nooit zo zwaar. Daar zit, als we over de Dam lopen, iets optimistisch in de lucht, voorjaar. Ik ben naar buiten gerend. Maar daar zag ik ook overal stenen, met namen erin gebeiteld. Ik keek of mijn eigen naam ook…’

In Emily, of… zien we verder ook koningin Beatrix en haar ouders, de sussende Juliana en de botte Bernhard, maar het belangrijkst blijven de broers, want deze drie jongemannen zijn verbaal lekker dynamisch, bovendien staat hun toekomstige status op het spel.

*

Ik veronderstelde ooit dat monarchieën en mythologieën met argumenten bestreden konden worden. Dat lukt nooit. Dus kozen we met Emily, of… voor het ondermijnende wapen van de humor. Gewoon uitlachen, zoals dat jongetje in het sprookje De Nieuwe Kleren van de Keizer.

Toch moet ik nu constateren dat ook humor of regelrecht afzeiken geen antimonarchistisch wapen meer is. Denk aan het cartoonachtige Lucky TV.

Blijft over: het verspreiden van een niet te verifiëren roddel. Zo wordt van president Trump gezegd dat hij incontinentiepampers draagt. Tegen zo’n bericht kan geen politiek- of juridisch onderbouwde Trumpkritiek op. Ik kan de man niet zien of ik denk aan luiers.

Emily, of… werd geen tragedie, geen melodrama, geen whodunit, geen klucht, geen satire, maar light-drama in een well-made play.

*

Aan het slot zijn Claus en Beatrix alleen in de salon.

CLAUS:

‘Ze zeggen dat mijn hersenen een bepaalde stof niet aanmaken. Dat is niet waar. Hier in m’n hoofd zit iets dat… passie heet. Het is een kiezel, een steen met namen erop.’

BEATRIX:

‘Wij respecteren de keuze van onze oudste zoon en wij zullen hem en die … die Emil… of hoe ze dan ook gaat heten, in slechte en voorspoedige tijden blijven steunen.’

Ze knielt, vouwt de handen en zegt: ‘God zij met ons.’

EINDE

"Foto van Ger Beukenkamp"
Ger Beukenkamp

Ger Beukenkamp (1946) is scenarioschrijver en schreef meer dan honderd scripts voor toneel, film en televisie, waaronder Ik ga naar Tahiti, Majesteit en Den Uyl en de affaire Lockheed. Zijn scenario’s zijn veelvuldig bekroond, onder meer met de Liraprijs, de Prix d’Italia en twee Gouden Kalveren (voor De kroon en De prins en het meisje). Hij is auteur van een handboek over schrijven voor film, toneel en televisie, en van Multatuli, het leven van een klokkenluider in twintig dialogen. Daarnaast geeft Beukenkamp les in scenarioschrijven.

In de Oorshop

Een scherp verlangen – over zakmessen

De encyclopedie van het geluk 26

Het begon ongetwijfeld met een Zwitsers legermes. Rood plastic met een wit kruisje erop. Een hoeveelheid functies: een mes, een klein mesje, een zaag, een nagelvijl, priem, blikopener, flessenopener, een kurkentrekker. Misschien was ik tien jaar toen ik er de eerste keer uiteindelijk eentje kon kopen. Het is eveneens een haptische sensatie: het gevoel van de intens gladde buitenkant in contrast met het gevoel van het scherp van de snede van het mes. Een uiterste eenvoudig mechaniek en er is een wezenlijk verschil met een normaal mes: je kunt hem inklappen, het is een veilig instrument. Het draagt duidelijk een mogelijkheid in zich: in je zak een glad ding, maar opengeklapt iets bedreigends. Een potentie, een zakmes kan iets, maar kan eveneens letterlijk in zichzelf gekeerd in rust zijn.

Ik heb toen ik me minder goed voelde eindeloos zakmessen geslepen: een repeterende beweging met een aangenaam geluid, met als resultaat dat er iets beter wordt, scherper. Het mooie is dit: als je een oud zakmes slijpt, van niet zo hard metaal, verzamelt zich ijzervijlsel op het scherp van de snede. Dat ijzervijlsel kun je fotograferen en uitvergroten en wanneer je dat uitvergroot, lijkt het een bos in de verte, aan de einder: een landschap. Een functie van het zakmes die ik nog niet kende: het kan verte suggereren. Een mes is een symbool, het biedt mogelijkheden, het is geïmplodeerde kracht, verwachting en met zijn talige associaties als ‘scherpte’ en ‘lossnijden’, ‘aansnijden’ beweegt het. Mijn slijplandschapjes tilden me uit de misère naar elders.

Ik kocht twee kleine zakmesjes met een houten heft. Ze kwamen uit Polen. De fabrikant heette Gerlach. In 1760 opgericht door Filip Szaniawski, in 1846 zat de eerste Gerlach in het bedrijf – Samuel – en hij opende een fabriek in Warschau. In de oorlog werd het natuurlijk door de nazi’s onteigend. De mesjes ogen zo oud dat het lijkt alsof ze de Tweede Wereldoorlog nog meegemaakt hebben als stille getuigen van ongelukkige mensen die het tijdperk misschien niet overleefd hebben. Deze mesjes tonen niet alleen een landschap, mogelijkheden maar ook een geschiedenis.

Ik vond een ander zakmes met een benen heft, het is een Sardijns mes: Pattada.  Meer dan een nieuw mes sleept een oud, een geschiedenis met zich mee. Het mes uit Sardinië heeft zo stel ik me voor aan een boer toebehoord. Zo droom ik me de wereld van Salvatore Satta in, met zijn op het Sardijns platteland spelende meesterwerk De dag des oordeels. Ik loop mee door een zonovergoten dal, wijnranken alom, met een wijnboer die hier en daar een wilde loot afsnijdt. Of die voor bij de lunch een tros kleine druiven los snijdt, uit zijn tas een droge worst haalt en een stuk brood. Het Poolse mes heeft een minder bucolisch verleden. Er is misschien wel brood mee gesneden, maar ik situeer het in minder gelukkige tijden. Zo blijkt een mes een sleutel naar historie.

Ik heb er ook met veel recentere geschiedenis. In een kookwinkel kocht ik een knaloranje keramisch zakmesje. Ik had het tot mijn verbazing nog in mijn tas zitten toen ik een maand terug in Parijs naar het Fondation Louis Vuitton ging. Een beter beveiligd museum ken ik niet, maar ik liep met een loeischerp zakmes naar binnen. Plastic en keramiek hadden de metaaldetectors bedot en de beveiligers ervan overtuigd dat ik niet alleen zeer onschuldig was, maar vooral geen instrument tot verwoesting op zak had.

Herinnering aan zakmessen in mijn jonge jaren zijn verbonden met het schillen van takken. Lopend door het bos de bast van een stevige stok afsnijden zodat je een mooi blankhouten wandelstok hebt. Punten snijden aan pijlen, het opensnijden van baguettes, schillen van een bloedsinaasappel, de onthoofding van een eitje. Het ontkurken van een flessen rode wijn naast je tent.

Dit is dus het mes: herinnering, landschap, geschiedenis, mogelijkheid, symbool, taal. Zoveel functies als een Victorinox, en heel andere. Maar er komt er nog een bij: een mes als een symbool van wat je in het hart snijdt, een scherp inzicht waardoor je getroffen wordt, als door een bliksem. Zoals hier in Mary Olivers schitterende gedicht:

Mes

Iets
schoot zojuist
door mijn hart
als het dunste lemmet
toen de roodstaartbuizerd
zijn grote vleugels sloeg
en over de grijs gebarsten
rots wiekte.
Het ging niet
over de vogel, het ging
over de wijze waarop
steen stil
en zichzelf blijft, wat er ook
voorbij vliegt.
Soms als ik zo zit, stil
lijken alle dromen in mijn bloed
en alle buitensporige stukjes tijd
te willen verdwijnen,
uit me wegglijden.
Dan, stel ik me voor, zal ik nooit meer bewegen.
Intussen
heeft de buizerd acht kilometer gevlogen
minstens,
Wie verder nog maar omhoog
keek verbijsterend.
Ik was verbijsterd, maar dat
was het mes niet
Het was de steile, vulkanische wand
van blind gesteente
zonder een greintje hoop
of maar een onvervuld verlangen
inzuigende en weerkaatstend
schitterend
zoals het al eeuwen deed
het vuur van de zon.

Lezen: Salvatore Satta De dag des oordeels, vertaling Frida Vogels

Naar Larousse 27

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Theater

Tot tien jaar geleden had ik weinig met toneel, maar heel geleidelijk ben ik er toch in gerold. Het begon met Nita, die me vroeg om mee te werken aan een experimenteel stuk over mannelijkheid.

Ik ontmoette haar in Paramaribo en ze zal daar iets in me gezien hebben, maar ik ben te ongemakkelijk op een toneel; doe te veel of te weinig – ontspannen wordt onmogelijk als er dat soort focus op me staat. Het maken van de voorstelling Amsterman was een leuk proces, maar ik zou zoiets nooit meer doen.

Allebei mijn kinderen gaan sinds jonge leeftijd naar toneelles, en blijken op een podium zo mogelijk relaxter dan erbuiten; vol verwondering kijk ik naar de optredens van mijn zoon Nadim (14) – naar hoe tekstvast hij is en hoe vrij hij zich beweegt.

Een paar jaar geleden raakte ik bevriend met Manoushka, die bijna elke dag optreedt. Naar al haar stukken neem ik ook mijn kinderen mee, en zo waren B, onze dochter Ada (9) en ik afgelopen vrijdag in de Meervaart om Moeder van Europa te zien.

Ga erheen als je de kans nog hebt, het is een belangrijke toevoeging aan je denken over onze geschiedenis. De stukken van Orkater werken – ook als ze voor volwassenen bedoeld zijn – goed voor kinderen omdat er veel muziek in zit.

Zelf had Aad de hele week gerepeteerd voor een stuk dat de dag erna zou worden opgevoerd; mijn dochter was doodmoe en zag bleek als een zeepje, maar ze moest en zou mee naar het theater. Manoushka is de afgelopen jaren ook een vriendin van háár geworden.

Moeder van Europa is een lange voorstelling en Ada, tussen B en mij in op een verhoogde stoel, kon met geen mogelijkheid snappen waar het allemaal over ging, maar ze wilde géén cola of snoep; volgde de acteurs met grote ogen tot het doek om half elf viel.

In de foyer vroegen we haar of ze niet naar huis wilde, morgen was tenslotte haar eigen voorstelling, maar Aad zei stellig dat ze zou wachten op de spelers. Ik keek op mijn horloge, zette mijn boevenpet op en sloop via een verboden gang met haar naar de kleedkamers, waar ze stralend door Manoushka werd ontvangen. Ze kreeg ijsthee van Michiel (uit een eigen koelkast!) en Shahine herkende haar.

‘Ik weet wie jij bent,’ zei hij. ‘Jij brengt mij altijd drankjes als je vader in De Druif werkt.’

Na de ijsthee droeg ik onze dochter naar de parkeergarage, haar armen hingen slap over mijn schouders.

‘Heb je nog dingen,’ vroeg B haar toen we in de auto zaten, ‘waarvan je dacht: die neem ik morgen mee in mijn eigen spel?’

De hoge lampen boven de Pieter Calandlaan schitterden in Ada’s wijdopen ogen; ze knikte traag.

‘Dit,’ zei ze even later, ‘was de mooiste avond van mijn leven.’

De volgende dag speelde ze de sterren van de hemel.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Lezers

‘Ja,’ zei W in het kleine café waar we zaten om een boekje te bespreken dat ik voor haar uitgeverij gemaakt heb. ‘We gaan natuurlijk ten onder met dat hele boekenvak, maar laten we dat dan wél feestelijk doen.’

We nipten van een glaasje crémant terwijl ik bedacht wat een geluk het was om op een zinkend schip te zitten; hoe belangrijk de kleinste dingen dan worden. Een man en een muis die zich zij aan zij vasthouden aan het laatste droge stukje reling, met heel hun wezen opkijkend naar de wolken, naar de zon.

Toen mijn eerste verhaal vijftien jaar geleden verscheen verwachtte ik niet te kunnen leven van mijn eigen werk. Ik geloofde in dat verhaal en in alle verhalen die volgden, maar in mijn tijd en taalgebied is leven van de literatuur onmogelijk. Ik ben groot gekomen in een kleine vijver.

Soms draag ik ergens voor en merk dan hoe oud mijn publiek is – grijze haren in die paar bezette rijen van de schouwburg. Binnen twintig jaar valt de groep die nog opgroeide met lezen en de radio weg.

Toch geloof ik dat er altijd echte lezers zullen zijn, zoals er altijd mensen zullen zijn die willen leren haken, die een obscuur soort keelzang onder de knie willen krijgen, die Sloveens willen leren.

Ik zie ze als ik achter de bar sta in De Druif, zelfs op de drukste avonden: jonge mensen komen binnen met een roman onder hun arm en wachten lezend op hun vrienden – soms blijven ze lezen als die vrienden er zijn.

Een tafel vol open boeken in een druk café – ze ontroeren me, die lezers. Het zijn mensen met een grote interesse in de ander en een nog groter hart, die steeds weer bereid zijn om die eerste stap te zetten, zich over te geven aan dat verhaal. Ze doen moeite om de ander echt te snappen.

Nu ik het zo opsom: als het lezen ooit stopt, dan is de hele wereld reddeloos verloren.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

DE MENS ALS BIOPIC 13 Catherina

Catherina had drie vriendinnen. Deze vrouwen zijn nooit in levenden lijve gesignaleerd. Ze zijn bedacht en op jonge leeftijd overleden. Zo gaat dat met helden, met personages die we kennen van films en televisieseries.

Ik was een seizoen lang scriptredacteur bij een dramaserie over Catherina, Babette, Robin en Donna:

ROZENGEUR & WODKA LIME

Waarom ik voor die klus gevraagd werd weet ik niet meer, en ook niet waarom ik er weer werd uitgegooid. Maar het was een ervaring.

Mensen die werken aan soaps, aan langlopend relatiedrama zoals Oogappels of aan sitcoms bewonder ik. Het is ploeteren. Er moeten dagelijks vingers aan de pols worden gehouden van het publiek, de actualiteit, kijkcijfers en commerciële belangen. En dat allemaal zonder een gram originaliteit en creativiteit te verliezen.

Er wordt nogal lacherig gedaan over dat machinaal produceren van tv-drama, het woord ‘soap’ is spreekwoordelijk geworden. Toch is het juist de anonimiteit van makers en producenten die dit genre zo’n autonome status geeft: het is er gewoon, zoals water uit de kraan, zoals soepblikken van Campbell.

Nog steeds ben ik verbaasd over mijn onstilbare verlangen naar film. Zijn alle dramatische middelen niet allang tot op het bot toe afgekloven? Niet wéér foute ouders, nare kinderen, misdadigers, extraterrestrial aliens, natuurrampen, misbruik. Niet weer een terminale ziekte. Komt er dan nooit dat nou-weet-ik-het-welmoment? Het antwoord is nee. Hoe kan dat?

In dit verband wordt het woord ‘spiegel’ vaak gebruikt, of ‘herkenning’. Maar herken ik mijzelf in een Smurf, in een Marvel-zombie, in een hoogbejaarde courtisane? Niet letterlijk natuurlijk, maar de smurf, de zombie en de courtisane representeren mij. Acteurs, in welke idiote gedaante ook – Sara de Zebra – moeten menselijke emoties vertegenwoordigen, anders zijn ze ongeschikt voor een verhaal. Zo zijn ook Catherina en haar vriendinnen slechts dummy’s gehuld in kostuums van verdriet, ambitie, haat, liefde, angst, zorg en verlangen, heel veel verlangen.

*

Voor ik aan Rozengeur & Wodka Lime begon hield ik me tijdelijk bezig met het ontwikkelen van een daily soap. Ik werd al snel wanhopig van de protocollen, de richtlijnen en wetten die wij als scriptschrijvers dienden te hanteren. Voorbeelden:

‘Scenes met twee mensen die een scène lang op de bank zitten te praten zijn verboden.’

‘Iemand die gaat staan kan niet nog eens gaan staan zonder tussendoor te gaan zitten.’

‘Laat niemand uit het raam staren, want alles is studio.’

‘Laat je karakters ook alledaagse dingen doen: een boodschap, toiletbezoek, een kapotte magnetron e.d.’

‘Zo min mogelijk figuranten.’

‘Overdag wordt er geen alcohol gedronken.’

‘Geen harde seks. Geen lichaamsdelen benoemen.’

‘Vechten tegen tranen levert meer drama op dan de tranen zelf.’

‘Nooit twee onderwerpen in één scène.’

‘Een woord mag maar één keer in de scène gebruikt worden, uiteraard wel lidwoorden.’

‘Gebruik geen stopwoordjes als joh, hé, ik bedoel, trouwens.’

‘Geen scheldwoorden, en nooit koosnaampjes.’

‘Gebruik weinig spreekwoorden of gezegden. Als iemand zegt “We gaan de koe bij de hoorns vatten”, of “Daar kraait geen haan naar”, dan denkt het publiek dat we op een boerderij zijn.’

‘Elke scène moet een mini cliffje hebben.’

‘Buit een conflict uit of pomp het op.’

‘Neem als schrijver je eigen twijfels en óf problemen mee in de scènes.’

‘Dus ga uit van jezelf.’

Dit alles en veel meer verlamde mij. Vooral dat ‘Ga uit van jezelf’ zat me dwars. Schrijvers moeten niet, of zelden, uitgaan van zichzelf. Maar daar zijn de meningen over verdeeld.

*

Ik bel met de ‘echte’ Catherina: actrice, schrijfster en redacteur Sabine van den Eynden. Ik vraag naar haar ervaringen bij R&WL.

‘Toen ik werd toegevoegd aan het R&WL-team waren ze al bezig met de constructie van de vier hoofdpersonen. Het karakter Catherina was gemodelleerd naar mij! Ik was stomverbaasd. “Catherina is impulsief, ongericht, een beetje dom en falend in alles wat ze probeert. De pias, die voor de komische noot moet zorgen.” Ik was diep beledigd en besloot de vergelijking tussen mij en fictieve Catherina te negeren.’

‘Maar had je geen last van alle beperkingen?’ vraag ik Sabine. ‘Want een aflevering moet precies 21’30’’ duren, de grote lijnen worden door anderen uitgezet, je moet bruggetjes maken, rode draden uitzetten, niet te veel informatie in één zin en ritmeverschillen. Dat is toch om gek te worden?’

‘Nee! Ik voelde me juist heel vrij om binnen de situatie waarvoor ik werd ingehuurd ideeën van anderen vorm te geven. Een heel prettige positie, want mijn expertise als schrijver en als vrouw van begin dertig, toen, werden gewaardeerd.’

Ik ben geen Sabine. Ik werd wanhopig van de do’s and don’ts, van al die wetten die soms ook nog ter plekke werden uitgevonden. Als ik voorstelde dat Babette zou zeggen dat… dan riep iedereen: ‘Oh nee nooit! Want Babette is…’

‘En als Catherine nou ‘s…’

‘Zou ze nooit doen!’

Geen Rozengeur & Wodka Lime voor mij.

*

Netflixfilms en -series en ook een nieuw seizoen van Oogappels, dat drama wordt voortaan allemaal geschreven door ChatGPT.

tirade blog Menno Hartman

Blauwbehoefte

De encyclopedie van het geluk 25

Een ergerniswekkende beperking in mijn voorstellingsvermogen: hoewel ik sinds ik ooit voor het eerst met een vliegtuig boven het wolkendek raakte, weet dat daar blauwe lucht is, kan ik voor mijn welbevinden geen gebruik maken van die kennis. Met andere woorden: onder sombere wolkenluchten somber ik. Terwijl ik weet dat het maar een laagje condens is.

Fragmentarisch blauw

Waarom aandacht besteed aan fragmentarisch blauw
in een vogel, of een vlinder hier en daar,
of in een bloem, een edelsteen, of een oog, waar
de hemelkleur zelf het in lagen toont aan jou?

Omdat de aarde aarde is; niet de hemel nog —
al zijn volgens sommige geleerden aarde en lucht één;
en blauw reikt zo hoog over ons heen
dat het onze blauwbehoefte slechts versterkt, toch?

Robert Frost

Wat mij nou fascineert is waarom de kennis van blauw achter de wolken niet voldoende kan zijn. En ook: hoe leer je te leven onder een grijze hemel in de wetenschap dat slechts een laagje je scheidt van die schitterende kleur? Maar misschien is dat onzin. Een laagje is alles. In de gevangenis scheidt slechts een laagje je van de vrijheid. Houd ik – zoals Frost suggereert – van de ijsvogel, van korenbloemen en van de vlindertjes icarus- bos- en heideblauwtje en de steen lapis lazuli omdat ze me een schok van heldere hemelliefde toedienen? Misschien wel.

Van lange, bepakte wandelingen met een loodgrijze Schotse, Waalse of Scandinavische lucht waar gestaag regen uit klettert, herinner ik me het de horizon afgrazen naar een teken van licht. ‘Daar wordt het al wat lichter!’ en dan, als er een stipje blauw verschenen is, de extase, en de ik neem aan oud Hollandse kleermakerswijsheid dat ‘zolang je er geen pak uit kunt snijden’ het niet zal gaan doorzetten…

In Dordrecht in het museum fotografeerde ik zondag alle ‘Hollandse Meester-blauwtjes’ die ik tegenkwam. ‘Aandacht besteed aan fragmentarisch blauw’ noemt Frost dat.

De elementaire vraag blijft; hoe ontwikkel je de wetenschap van blauw achter de wolken? Blauwbesef? Het voortdurend geruststellend weten dat het tijdelijk is wat je bedrukt? Een vraag die velen kwelt in bijvoorbeeld de lange, lange februarimaand. Ik herinner me een uitzending met Kees Momma, ’s lands beroemdste autist, die niet van ‘mooi weer’ houdt. Gewoon weer, dat was fijn, en dat is helemaal bewolkt. Hij heeft dus onder meer op mij voor dat hij eenvoudigweg niet lijkt te verlangen naar blauw. Of? Wie heeft het meteorologisch nu het best in Nederland, Kees of ik? Het KNMI zegt: ‘Gemiddeld over het hele land neemt het aantal zonuren in de loop van het jaar toe van 68 uur in januari tot 92 uur in februari, 144 uur in maart en 194 uur in april. Dit komt doordat de dagen langer worden en het overheersende weertype verandert gedurende het jaar. Normaal is eind mei, begin juni de zonnigste periode van het jaar. Daarna ontstaan er door de grotere warmte landinwaarts gemakkelijk stapelwolken, waardoor het hartje zomer in het algemeen iets minder zonnig is dan aan het eind van het voorjaar. In het najaar en de winter kan het dagen achtereen grijs zijn. Januari telt normaal (landelijk gemiddeld over het tijdvak 1991-2020) negen zonloze dagen, februari zes, maart vier en mei nog maar één dag zonder zon.’ Voor Kees wordt het vanaf nu minder.

Het zijn twee verschillende zaken: hoewel blauw impliceert dat er zon is, en er dus meer licht is en alle kleuren feller oplichten, wat op zich al helpt, gaat het me eigenlijk specifiek om de aanwezigheid van blauw, ook een klein beetje. Want een klein beetje blauw is een opening, een opening naar iets anders, impliceert ruimte, verder kunnen kijken. Betekent ook contact met de wereld: kijken naar iets dat een levend wezen duizenden kilometers verderop ook kan zien. Het gegeven dat blauwe lucht rijmt met blauwe zee, de associatiekracht van de kleur dus ook. Ook sterren zien (geen zon, maar geen wolken) heeft een gelijksoortig effect: de opluchting van ruimte. En dat dichte bewolking een dwangbuis is, iets wat je ergens vanaf houdt. Misschien betekent bewolkt voor mij claustrofobisch. En is dat voor Kees juist geruststellend: een afgemeten wereld.

Geweldig is dat een gedicht over blauwe lucht al helpt: de verrekijker wordt in werking gesteld. En of Frost dat nu vreemd vindt of niet: een pimpelmees helpt met zijn beetje blauw ook al.

Er is blauw achter wolken.

Lezen: Elisabeth Lockhorn En blauw zal alles zijn. Een bloemlezing
Maggie Nelson Bluets

Luisteren: Reinhard May – Über den Wolken

Naar de volgende

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Kees Snoek"
    Kees Snoek

    Kees Snoek (1952) doceerde Nederlandse taal en letterkunde aan universiteiten in Michigan, Indonesië, Nieuw-Zeeland en Frankrijk (Straatsburg en Parijs). Hij publiceerde onder meer de biografie van E. du Perron (2005) en vertaalde poëzie van Sitor Situmorang en Rendra. In augustus verscheen bij Van Oorschot Wissel op de toekomst, zijn keuze uit de brieven van Sjahrir (de eerste premier van Indonesië) aan zijn Hollandse geliefde.

     

  • "Foto van Tim Veeter"
    Tim Veeter

    Tim Veeter

    Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

  • "Foto van Fannah Palmer"
    Fannah Palmer

    Fannah Palmer (1994) studeert momenteel online aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft zelf fictie, poëzie en af en toe een essay. Naast haar ambities in de uitgeverswereld hoopt ze in de nabije toekomst veel eigen werk uit te brengen.