Nachtelijk bezoek

bloedOpspelend maagzuur zorgde ervoor dat ik even voor tweeën mijn bed verliet om een handje havervlokken te eten. Terug in bed lag ik te malen over alledaagse zorgen. Een daarvan was wat voor bijdrage ik in godsnaam nog op deze site zou moeten plaatsen. Na zeven weken was ik wel eens door mijn onderwerpen heen. Dat impulsieve schrijven had iets van persen zonder te hoeven poepen. Nog een week, dacht ik, dan heb ik geen blog meer aan mijn been, en is er weer alle ruimte voor de roman. En terwijl die gedachte in mijn sluimerende geest oplichtte, meende ik te horen dat de keukendeur vanuit de tuin zachtjes werd geopend. Meteen was ik klaarwakker. Al die tijd had mijn vrouw in volle overgave naast me liggen slapen. Daarbij draait ze zich ongeveer twee keer per uur om en maakt dan kirrende geluidjes. Nu haperde haar ademhaling even, alsof zij ook onraad bespeurde, maar daarna sliep ze weer verder. Haar zoon was ’s ochtends door zijn vader opgehaald om bij zijn familie de tweede kerstdag door te brengen. Hij zou pas over twee dagen terugkomen. Had ik dat raspende geluid van die deurkruk soms in een droom gehoord? En was de achterdeur dan los geweest? Dat laatste leek bij nader inzien waarschijnlijk. Eerder die avond had ik de poes vergeefs naar binnen geroepen, en me voorgenomen het nog eens te proberen. Maar ik was het vergeten, zoals ik de deur ook niet had afgesloten. Ik hoorde niets meer, behalve het hameren van mijn hart in mijn borstkas, en toch leek het me dat er iemand was. Nu haar zoon er niet was, brandde er geen enkel lichtje in de gang. Zag ik iets van een klein schijnsel onder de spleet van de deur? Een, twee minuten later hoorde ik iets kraken. Dat geluid herkende ik als afkomstig van een vloerplank, een schuin afgezaagd uiteinde vlakbij het deurgat naar de voorkamer. Daar bevond hij zich dus. Nu kwam ik voorzichtig overeind, blij dat ik een hemdje en een onderbroek aan had. Ik weet heel goed hoe ik in het donker zonder rumoer om dat bed heen naar de deur kan komen. Moest ik eigenlijk doodstil zijn om de ander te verrassen? Of juist kabaal maken en hem daarmee de stuipen op het lijf jagen? Ik besloot tot het eerste. De sluipgang door huis had ik vaak geoefend in tijden van slapeloosheid die nog niet ver achter me lagen. Zelfs de deur maakte geen geluid toen ik hem opende en voorzichtig de gang betrad. Er scheen een kleine lichtbundel in de voorkamer, in de hoek waar de boekenkast staat. Daar stond ook mijn laptop op een rijtje boeken, een nogal dure Apple, die mijn vrouw heeft voorgeschoten. Ik wist de kamer zonder gerucht te bereiken en deed meteen het licht aan. Hij stond met zijn rug naar mij toe, een joch van nog geen twintig. Hij had zo’n grijs katoenen sweater aan met een capuchon die hij over zijn hoofd had getrokken. Heel even verstarde hij toen het licht aanschoot, en daarna draaide hij zich half om. Hij had het witte kleinood al in zijn hand.
‘Zet die laptop weer terug!’ beet ik hem toe.
Hij deed het, smeet hem bijna weer terug op de plank met boeken en draaide zich weer om. Nu zag ik voor het eerst iets van zijn gezicht. Een stevige neus, puberale beharing rond zijn mond, ingevallen wangen en toegeknepen ogen. Toen ik de eerste stap in zijn richting zette ging zijn rechterhand naar een zak van zijn sweater, en op dat moment stormde ik naar hem toe, omdat ik vermoedde dat hij een mes wilde pakken. Mijn voornemen om hem met links vol op zijn gezicht te beuken lukte slechts gedeeltelijk. Hij bewoog zijn hoofd nauwelijks maar toch schampte mijn vuist langs zijn hoofd, al trof ik zijn oor wel voluit. Op datzelfde moment raakte mijn gebogen rechterknie hem vol in de buik (hoewel ik het op zijn kruis gemunt had) en hij met een diepe keelklank een hoeveelheid lucht uitstiet. Hij maaide met links om zich heen. Een worsteling volgde, waarbij ik zijn rechterarm afklemde. Toen gebeurde er twee dingen tegelijk: mijn vrouw in de aangrenzende kamer begon te schreeuwen, wat me de gedachte deed opvatten dat er misschien een tweede insluiper was. Tegelijk voelde ik een helse pijnscheut in mijn rechterteen die toch al zo gevoelig was na een ongelukje tijdens een verhuizing. Die paar seconden van weifeling benutte de jongen om langs me heen te schieten en via de gang en de keuken naar de tuin te ontsnappen. Ik haastte me naar de slaapkamer en vond mijn vrouw daar, alleen op bed, ineengedoken, jammerend.

 Ik was heel rustig nadien en heb haar verteld wat zich buiten onze slaapkamer heeft afgespeeld. Halverwege mijn relaas onderbrak ze me en zei:‘Eerst de achterdeur op slot.’ Dat heb ik gedaan en vervolgens heb ik een longdrinkglas cognac ingeschonken en daar hebben we beurtelings van gedronken, terwijl ik haar vasthield en koesterde. De nagel van mijn grote teen rechts bleek gespleten. Het bloedde hevig, maar de pijn zakte spoedig. Voorzichtig wikkelde ik een handdoek om de bewuste voet, om het bed niet te bevlekken. In de gang en keuken waren veel sporen van bloed. De poes was intussen door het luikje de keuken ingekomen en deed zich er tegoed aan. Ze vluchtte met een donkerbruine snuit naar buiten. Ik heb alles opgedweild, terwijl mijn vrouw wezenloos naar het tafereel stond te kijken. Of we de politie niet moesten bellen, vroeg ze me. Maar ik zei dat het geen enkele zin had, omdat de dader was gevlogen. Daarna zijn we in bed gekropen en is ze in slaap gevallen. Nu en dan rilde ze alsof ze het steenkoud had. ’s Nachts ben ik er nog even uitgeweest en heb de laptop even in mijn handen genomen.
De volgende ochtend leek de situatie weer bijna normaal. Ons ontbijt stelde niet veel voor.  Mijn vrouw at alleen een paar mandarijntjes en bedankte voor koffie. Na zeven jaar moeiteloze onthouding verlangde ik er ineens naar om een sigaar op mijn nuchtere maag te roken. Verder was ik de kalmte zelf. Maar dat veranderde toen ik in de keuken kwam en door het raam spiedend een ontdekking deed. In de sneeuw die de tuin bedekte was een bloedspoor. Verwonderd ging ik naar buiten om het beter te kunnen bekijken.
‘Ben je hier vannacht ook geweest?’ klonk het achter me.
Ik schudde het hoofd.
‘Dus dit is niet jouw bloed?’
‘Nee.’
‘Dan was dat bloed in de gang en keuken misschien ook niet allemaal van jou.’
‘Zou kunnen.’
‘Moeten we dan toch de politie niet bellen?’

 We hebben er mot over gekregen, want ik wil per se niet dat er politie bijkomt. Wanneer er een Amsterdamse rechercheur is langs geweest staat er een uur later een reporter van De Telegraaf op de stoep. En voordat je er erg in hebt figureer je met naam en al in een spectaculaire reportage vol burgerleed. Het is niet mijn ambitie om dankzij deze verwikkeling tot het blanke boegbeeld van Wakker en Weerbaar Nederland uit te groeien, te worden uitgeroepen tot een echte jongen van Jan de Wit in het hartje van Bos en Lommer.
Sinds we die sporen in de tuin hebben gevonden, is er iets aan mijn vrouw veranderd. Ze oogt niet langer nerveus, eerder ijzig kalm. Herhaaldelijk stelt ze me indringende vragen, alsof het een verhoor betreft. Ik heb niets te verbergen, maar sommige details zijn me zelf ook duister. Meerdere keren heb ik haar verzekerd dat er geen mes in het spel is geweest. Bij alles wat ik zeg, kijkt ze me onderzoekend aan en doet er vervolgens het zwijgen toe. Het lijkt alsof we allebei op een ontknoping wachten. Mijn verlangen naar een sigaar krijgt onderhand iets onbedwingbaars. Maar de tabakswinkel is achthonderd meter verderop. Ik loop nogal moeilijk en het is glad buiten.

In de Oorshop

De wijngeest

alambiqueAan het begin van onze jaartelling kregen de Romeinen het vermoeden dat er een geest (spiritus) in de wijn moest zijn. Maar het waren nota bene de Arabieren die enkele eeuwen later een primitief destilleertoestel (al ambiq) ontwikkelden. Ze gebruikten het voor de bereiding van parfums uit rozenwater, mirre, jasmijn, kruidnagel en kaneel. Op een gezegende dag is men ook dadelwijn gaan destilleren en zo kwam ergens in de woestijn de eerste brandewijn op aarde. Eerst was het een medicijn en daarna al snel een genotmiddel. Toen de islam de Arabische wereld had veroverd werd de brandewijn verboden. Het was een drank waarin demonen huisden.
Via de handelsroutes bereikte het destilleertoestel China en Europa. In het Avondland vatten middeleeuwse alchemisten belangstelling op voor het destilleren van aqua ardens. Spoedig verfijnde deze kunst zich en doorgrondde men het proces beter. Men ontdekte dat er twee soorten alcohol vrijkomen bij het destilleren van extracten uit fruit. De alcohol die als eerste vrijkomt wanneer de ketel op een laag vuurtje wordt gestookt is niet drinkbaar, want giftig in kleine hoeveelheden. Houtgeest luidt de Oudhollandse naam voor het giftige metanol. Op een hoger temperatuur komt echter de wijngeest vrij tijdens het stoken. Dat is de fruitige, drinkbare alcohol (etanol) die alleen giftig is wanneer iemand er grote hoeveelheden van neemt.
Behalve fruit begonnen Chinezen ook rijstwijn te verstoken. Europeanen ontdekten dat je ook bier of gistend graan als grondstof kunt gebruiken.
In de negentiende eeuw was het stoken van graangeest (jenever) een populaire huisvlijt onder het gewone volk. Dominees en verlichte burgers trokken ten strijde tegen deze liefhebberij die de drankzucht aanwakkerde. Een van de leuzen luidde: ‘Genever: erger dan de cholera!’ Dit beschavingsoffensief was redelijk succesvol en zo raakte het stoken als huisvlijt meer en meer in onbruik.
Elders in Europa hield deze liefhebberij langer stand. In Midden- en Oost-Europa pleegt men vandaag de dag nog steeds met kleine ketels allerlei fruitige elixers voort te brengen. Met name de jajem van pruimen, perzik of abrikoos is geliefd. In Kroatië en Roemenië is het stoken een sociale activiteit. In het najaar is het druk op de dorpspleinen waar enkele grote stookketels staan. Iedereen brengt er zijn stookwijn of gistende fruitpap naartoe. ’s Winters vormen de schuurtjes met ketels ontmoetingsplaatsen voor de bewoners. Zowel de ketel als de inhoud ervan zorgen dat iedereen het lekker warm heeft.
In Zuid-Europa is het stoken van restproducten uit de wijnoogst populair. Wanneer de druiven zijn geperst, kun je uit de gistende schillen nog steeds een fantastische grappa of aquavita stoken. Eigenlijk kun je uit alles waarin suiker zit een borrel maken. Indertijd troostten de slaven op de suikerplantages zich met een uit melasse gestookte dram. Ook de Polen en Russen hebben het goed begrepen. Die eten aardappelen slechts mondjesmaat maar nuttigen deze liever in de gedaante van wodka.
De stookketel of alambiek is bezig aan een stille comeback in de Lage Landen. Een groeiende groep mensen maakt in de nazomer wijn van uiteenlopende vruchten als druiven, appels, peren, aalbessen, vlierbessen en wat niet al. Wanneer de donkere dagen voor kerst aanbreken kun je deze wijnen in een zelfvervaardigde ketel (of een via internet in het buitenland bestelde alambiek) tot fruitige jajem verstoken. Je kunt bijna gelukkig worden van zulke huisvlijt en de voortbrengselen ervan. Mits je de stookvoorschriften in acht neemt en fijnproever blijft.      

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Een gevoelige man

lezende+vrouwWanneer een man een vrouw ontmoet die ‘schrijft’, zal dit feit zijn interesse in haar niet per se vergroten. Andersom gebeurt dit dikwijls wel. Het simpele feit dat mannen schrijven kan het amoureuze vuur bij vrouwen zelfs gemakkelijk aanjagen. Schrijven moet in dit verband trouwens wel betekenen: publiceren. De werkschuwe kwibus die al acht jaar in zijn omgeving rondzevert dat hij met een roman bezig is of schrijft aan een ultiem boekwerk waarin het Filosofisch Ei wordt gepeld, hoeft niet op enige vrouwelijke belangstelling te rekenen. Maar als er wel een boek ligt, zullen die vrouwen het met welwillende aandacht opslaan. Vrouwen en mannen lezen op verschillende wijze. Voor zover mannen nog lezen zijn ze vooral op zoek naar de mythe en universele gedachte achter het verhaal. Vrouwen, wier literaire belangstelling oneindig breder is,  hebben meer oog voor het bijzondere, de karakters en het drama. Lezen ze een boek waarvan de thematiek en de stijl hun bevallen,  dan ontwaakt als vanzelf ook hun belangstelling voor de schrijver achter het boek.
Zo’n schrijver krijgt brieven van hen op het e-mailadres van zijn website of via het postadres van zijn uitgeverij. Die brieven onderscheiden zich door hun lengte, diepgang en vertrouwelijke toon. Stel, zo’n schrijver loopt alweer een tijdje los. Het lukt hem eenvoudig niet het schrijven van fictie te combineren met een volwaardig liefdesleven. De letteren en de liefde neigen ertoe elkaar wederzijds te ondermijnen. Wanneer hij zich teveel op het schrijven stort, voelt zijn partner zich verwaarloosd. Verliest hij zich te zeer in de relatie, dan kwijnt zijn werk en raakt hij getergd. Een vrijblijvende omgang met een ontvankelijke lezeres kan misschien een aardig verzetje inhouden. Na enkele brieven heen en weer wordt het tijd voor een rendez-vous, ergens in een achterzaaltje van een café zonder muziek. Hij heeft na binnenkomst in één oogopslag gezien dat zij niet ‘die ene’ is, en eigenlijk is dat maar beter ook. Dan is hij in elk geval niet zo kwetsbaar. Ze is aardig en warm en heeft esprit, en dit alles doet hem ontdooien. Volgt een genoeglijk avondje. De eerste keer gebeurt het niet, maar na het weerzien raken ze ter kooi, hoewel hij haar voordien duidelijk heeft gemaakt niet op zoek te zijn naar een intense verbintenis. Redenen? Hij vertelt haar hoe zijn roman in wording hem opeist en hoezeer hij nog innerlijk bezet is door een relationeel drama uit het jonge verleden. Maar een maandelijkse rendez-vous met uitvoerige gesprekken en hartstochtelijke bijslaap behoort wel tot de mogelijkheden. En zo gebeurt het ook. Dat na verloop van tijd nog twee of drie andere lezeressen op gelijke voorwaarden tot zijn stal toetreden hoeft zij niet te weten. Hij vraagt er immers ook niet naar wat zij de rest van de maand uitvreet. Voor hem is dit een fijne oplossing: nu en dan de voeten kunnen warmen, zonder in het gezeur te hoeven zitten. En alle tijd om te schrijven! Hij kan het lang volhouden zo, maar na verloop van tijd is het de ontvankelijke lezeres die onder deze verbintenis begint te kwijnen. Lezend in zijn werk had zij een gekwetste, bijzondere man achter dit proza bespeurd. Die man had zij graag willen leren kennen, en om dit te bereiken heeft zij veel geduld gehad.  Maar van lieverlee begint het tot haar door te dringen dat het met hem nooit meer wordt dan één avondje exclusief in de maand. In zijn proza toont hij zich een zeer gevoelig man, in het leven laat hij daarvan slechts een glimp zien. Zij trekt haar conclusie. Onze schrijver is werkelijk aangeslagen door het plotselinge verlies van haar warmte en esprit. Hij schrijft haar enkele brieven, maar zij antwoordt niet meer. Hierna resteert hem niets anders dan te wachten op een nieuwe ontvankelijke lezeres die haar lege plek in zijn stal zal innemen.

Debutantenzorg

Daedalus-en-icarusIn 2009 bestond de oogst van literaire fictiedebuten – verhalenbundels en romans – in Nederland en Vlaanderen uit ongeveer zeventig boeken. Stelt u zich eens even voor: zeventig nieuwe auteurs die in één enkel jaar hun opwachting maken. Dat zijn er, als zo’n trend aanhoudt, welgeteld zevenhonderd in een decennium, en dan hebben we het alleen nog maar over het Nederlandse taalgebied. Met recht pleegt mijn oude vader over de schrijverswereld te zeggen: ‘Er zijn een hoop kraaien rond het kreng.’
In de eerste decennia na de oorlog bedroeg de hele literaire jaarproductie in ons land nog geen zeventig titels. Een heerlijke tijd moet dat geweest zijn, en ook zo overzichtelijk. Allereerst voor de beroepslezers. Critici van dag- en weekbladen waren in staat op hun gemak alles te lezen wat verscheen. Ze hadden in hun blad wellicht geen ruimte genoeg om iedere titel te bespreken, maar ze kenden de veronachtzaamde werken wel, en zo nodig haalden ze die ook aan in stukken over derden. Vandaag de dag is zoiets ondenkbaar. Daarvoor is de stroom boeken te groot. Er is geen criticus die nog kan pretenderen een volledig overzicht van het huidige literaire landschap te hebben. En het zou ook onredelijk zijn om dat nu nog van iemand te verlangen. Maar de beroepslezer kan de literaire boel natuurlijk niet gewoon op zijn beloop laten. Critici moeten een keuze  maken, een hiërarchie vormen, een voorlopige canon vaststellen. Zo’n selectie vindt plaats op grond van de reputatie die een auteur heeft. Zo’n eventuele reputatie hoeft trouwens niet per se literair te zijn. Andere criteria betreffen de uitgeverij die het werk uitbrengt,  het onderwerp of de wervende flaptekst van het boek, en anders wel het rumoer of de aanstekelijke publiciteit rond een te verschijnen werk. Sommige onbekende boeken hebben sowieso iets onweerstaanbaars, gelukkig ook voor beroepslezers. Een deel van het aanbod wordt in de bladen besproken. Er is de laatste jaren een tendens om minder woorden dan voorheen aan een besproken titel te wijden. Het aantal pagina’s van literaire katernen staat onder druk. De radio besteedt meer zendtijd aan literatuur dan de tv. Telkens komen in de grote boekenstroom enkele titels bovendrijven en die krijgen onevenredig veel aandacht.
Een deel van de literaire jaarproductie wordt niet besproken. Het is derhalve heel goed mogelijk dat er in de voorbije jaren enkele meesterwerken zijn verschenen die aan de aandacht van de toch al overvoerde beroepslezers zijn ontsnapt. En wanneer reclame van mond op mond niet tot bekendheid voert, is de vergetelheid nabij. Zulke boeken worden doorgedraaid, komen in de ramsj terecht. Alleen een kleine kring van liefhebbers koestert zo’n titel nog in de boekenkast, zoals de fijnproever een fabelachtige, onbekende wijn in zijn kelder bewaart.
In deze chaotische literaire omgeving is het debuut extra kwetsbaar. Het wordt steeds moeilijker een titel van een nieuwe auteur zichtbaar te maken in de media, en daarmee ook voor de boekhandel. Daarom heeft de auteur Hans Vervoort een tijdje geleden een initiatief ontplooid, als gebaar naar zijn prille collega’s. Er is momenteel een website in de maak waarin reeds gevestigde auteurs en vertalers per amore de nieuwe oogst aan debuten in literaire fictie zullen bespreken. Ook de boeken die reeds in de media veel aandacht kregen komen voor deze website in aanmerking. Niet alleen omdat men volledig wil zijn, maar ook om te vermijden dat het een site van verliezers wordt. Vervoort benaderde via de Vereniging voor Letterkundigen een aantal collega’s en de respons op zijn verzoek was groot. Bijna veertig schrijvers en vertalers van de VvL hebben zich bereid getoond recensies voor deze site te schrijven. Een beetje vreemd is dat de website voorlopig onder twee namen operationeel zal worden:  www.literairedebuten.nl en  www.hetleesgenootschap.nl.
In de loop van januari 2011 verschijnen ze op het net.

Lijkje in de kast

manuscriptAl enkele dagen ben ik verwoed op zoek naar papieren die bewijzen dat ik bevoegd ben onderwijs te geven aan middelbare scholieren. Die akten moet ik binnenkort aan de fiscus kunnen overleggen, omdat ik anders BTW-plichtig word voor alle lessen die ik buiten het reguliere onderwijs geef. Weer zo’n duistere, strontvervelende, nieuwe regel waarmee de overheid een kleine zelfstandige terroriseert. Werkelijk alle uithoeken van mijn huis heb ik, tot nu toe vergeefs, doorzocht om die verdomde documenten terug te vinden. Tijdens de speurtocht deed ik een verrassende vondst van iets waaraan ik 27 jaar geleden – de helft van het aantal jaren dat ik nu heb – was begonnen maar nooit had voltooid. Het manuscript van wat mijn eerste roman had moeten worden draagt de titel Amnèsia. Het is het verhaal van een zesentwintigjarige werkstudent – Arend – die in een roes van sterke drank en pillen een ernstig ongeluk krijgt en sindsdien aan episodisch geheugenverlies lijdt. In de periode van zijn moeizaam herstel voert hij gesprekken met een jonge vrouw – Nathalie – die beweert dat ze al jaren zijn vriendin is. Mensen die zeggen dat ze zijn naaste familie vormen, ontfermen zich over Arend. Om hem weer enig houvast te geven vertellen ze hem wie hij is, door welke eigenschappen hij zich kenmerkt, wat zijn liefhebberijen en ambities zijn. Hij hoort verhalen aan over het leven dat hij vóór zijn ongeluk heeft geleid. De persoon die ze beschrijven is nieuw voor hem, net als die wederwaardigheden. Maar met zijn lichamelijk herstel keert zijn geheugen ook langzaam terug. Zijn herinneringen komen eerst in schichten, later in meer samenhangende en verhalende verbanden. Dit herstel verzwijgt hij echter tegenover de medici en zijn directe omgeving. Hij veinst een blijvende ontreddering. Meer mensen die voordien belangrijk voor hem zijn geweest zoeken contact met hem en vertellen hem over de episodes die ze samen hebben meegemaakt. De kring van gespreksgenoten breidt zich uit tot enkele exen, vrienden, vriendinnen, jaargenoten, buren en medescholieren van weleer. Arend stelt indringende vragen aan zijn vertrouwelingen, alsof alleen zij hem zijn identiteit en geschiedenis kunnen teruggeven. Zijn werkelijke doel is echter zich een nauwkeurige voorstelling te maken van de persoon die hij in de ogen van anderen is. Naarmate men hem meer gedetailleerde antwoorden verschaft, neemt een nieuwe verwarring bezit van hem. Het portret dat anderen van hem schetsen, is veel minder rooskleurig dan het beeld dat hij van zichzelf koestert op grond van zijn onlangs weergekeerde herinneringen. Het brengt hem in diepe crisis. Zelden heeft hij er zo naar verlangd alles wat zijn eerdere leven aangaat weer te kunnen vergeten. Na lang twijfelen besluit hij te volharden in het door hem geveinsde geheugenverlies. Daarmee breekt hij feitelijk met zijn omgeving en met het verleden, in een poging helemaal opnieuw te beginnen.

Ik vind het thema nog steeds interessant. Maar dat ik het boek niet voltooid heb kan ik goed begrijpen. De romanstof is te reflectief, te ‘geestelijk’ voor me. Er is te weinig actie en avontuur. Daarbij komt het verhaal wel erg dicht bij mijn gedeprimeerde en twijfelende persoon uit die dagen. Ik had dit boek dan misschien niet willen schrijven, maar wel graag willen lezen.

In een bouwmarkt

spec0003-1Achterstallig onderhoud noopte me tot een bezoek aan een bouwmarkt ergens aan de rand van de stad. De winkel zelf was eigenlijk niet meer dan een loods van bijna honderd bij honderd meter vol schappen met  materialen, onderdelen, hang- en sluitwerk, gereedschappen en een  nauwelijks denkbare verscheidenheid aan objecten tot instandhouding van onze woekerende civilisation matérielle. Na lang zoeken meende ik het juiste pad te hebben gevonden, waarin het curieuze artikel ergens op de plank zou moeten liggen, maar hoe ik ook zocht, het liet zich niet vinden. Het werd onderhand hoog tijd eens iemand te verwittigen die hier werkzaam was. Misschien had ik me toch vergist en zou het gezochte artikel op een andere plaats zijn uitgestald. ‘Personeel!’ probeerde ik met overslaande stem. Maar iedereen was druk om ander volk te helpen. Na lang speuren en wachten diende zich eindelijk iemand aan met kleding van de zaak. Ik sprak hem aan en vertelde wat ik nodig had en welke schappen ik logischerwijs reeds had doorzocht, evenwel zonder resultaat. ‘Dus,’ herhaalde ik nog maar eens, ‘ik ben op zoek naar een zogenaamde vulslangset om de cv-installatie mee te kunnen vullen, en het leek mij dus zeer voor de hand liggen dat die hier in dit pad te vinden moet zijn.’

Het aangesproken personeelslid in stofjas luisterde met een frons. Toen ik beter keek zag ik dat het eigenlijk nog maar een joch  was, een dat merkwaardig bleek oogde en wiens kin was bedekt met rossig, pluizig haar. Zijn voorkomen had werkelijk iets miezerigs. Hij deed denken aan iemand uit een familie waar armoede en gebrek de generaties sinds mensenheugenis teisteren. Toch was de blik in zijn ogen opvallend vrijmoedig en zelfverzekerd. Toen ik uitgesproken was knikte hij bedachtzaam, draaide even met zijn ogen (alsof hij wilde zeggen: heb ik weer, zo’n klant) en liep met een zucht het pad in met de cv-artikelen. Daar speurde hij langs rekken en planken, keerde zich om en kwam weer naar de plek waar ik was blijven staan. Daarop zei hij: ‘Ze zijn er niet.’ ‘Ze zijn er niet?’ echode ik. ‘Nee’, zei hij resoluut, ‘ik heb ze nog niet binnengekregen.’Het joch zei niet: wij hebben ze nog niet binnengekregen. Het joch, een jaar of zeventien oud, in zijn stofjas, werkzaam voor slechts een paar euro per uur, en nog verkerend in een proefperiode aan het einde waarvan hij er misschien gewoon weer werd uitgesmeten, sprak resoluut: ‘Ik  heb  ze  nog  niet  binnengekregen.’
Iemand vormt slecht een radertje in een imposant uurwerk, is lid van een team dat voltallig uit vele tientallen mensen bestaat. En toch drukt zo iemand zich uit tegenover een klant alsof hij de baas zelf is,  alsof de onderneming en zijn persoon zo ongeveer samenvallen.  Ik had zulke surrealistische zinnen wel vaker uit de mond van personeel in het grootwinkelbedrijf gehoord. Deze keer verwonderde het me niet alleen, maar raakten de woorden me ook diep, omdat er zo’n schrijnende tegenstelling bestond tussen de uitgesproken pretentie en de miezerige verschijning van de winkelhulp. Allerlei gedachten (maar ook gevoelens) drongen zich aan me op terwijl we daar tegenover elkaar stonden. Zou zo’n jongeman zijn lot als ongeschoolde loonslaaf beter kunnen dragen wanneer hij zich op de werkvloer nu en dan uitdrukt alsof hij het hier voor het zeggen heeft? Stel dat hij het goed doet in zijn proeftijd, dan wordt hij hier aangenomen, en zullen zijn ouders blij en opgelucht zijn. Hij intussen droomt nog jaren van een bestaan dat hoger reikt dan dit lot, dat meer mag betekenen. De waarheid is misschien dat hij hier het grootse deel van zijn dagen werkzaam zal zijn. Ik zag in ongewone helderheid zijn onbeduidend leven in de toekomst voor me. Maar terwijl ik dit alles huiverend gewaar werd begreep ik ineens dat mijn eigen leven, verder voortgeschreden dan het zijne, om andere redenen even onbeduidend en vergeefs was als het zijne dreigde te worden. Ik had nooit in een stofjas hoeven rondlopen, maar dit feit had me toch niet voor malheur kunnen behoeden. Of stond hij er welbeschouwd eigenlijk beter voor dan ik? Mijn leven lag immers grotendeels onomkeerbaar achter me, en het zijne moest zich nog ontvouwen. Was het niet de voorzienigheid die hem te hulp kon komen dan misschien wel het toeval. Ik had al heel wat schoolverlaters omhoog zien klimmen, terwijl ik academici kende die er niet voor terugdeinsden hopen grof vuil langs de straat bij vol daglicht om te woelen.
‘Wanneer zou zo’n vulslangset wel verkrijgbaar zijn?’ informeerde ik.
‘Ik heb ze in elk geval volgende week binnen,’ antwoordde de jongeman. En hij keek me aan met een vrijmoedige blik die wilde zeggen: hopelijk was dit alles, want ik heb belangrijker dingen aan mijn hoofd.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Lezers

    Lezers

    ‘Ja,’ zei W in het kleine café waar we zaten om een boekje te bespreken dat ik voor haar uitgeverij gemaakt heb. ‘We gaan natuurlijk ten onder met dat hele boekenvak, maar laten we dat dan wél feestelijk doen.’ We nipten van een glaasje crémant terwijl ik bedacht wat een geluk het was om op...
    Lees verder
  • tirade blog Menno Hartman

    Blauwbehoefte

    Larousse 25 Een ergerniswekkende beperking in mijn voorstellingsvermogen: hoewel ik sinds ik ooit voor het eerst met een vliegtuig boven het wolkendek raakte, weet dat daar blauwe lucht is, kan ik voor mijn welbevinden geen gebruik maken van die kennis. Met andere woorden: onder sombere wolkenluchten somber ik. Terwijl ik weet dat het maar een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Humor

    Humor

    Toen onze zoon geboren werd, toen ze hem in mijn armen legden, gebeurde er iets onverwachts. Zijn verbijsterde gezichtje kwam mij als dat van een totale vreemde voor. Ondanks de waarschuwing van een vriend die eerder dan ik vader was geworden, was ik van een onmiddellijke lichamelijke herkenning uitgegaan, maar hier was een hele nieuwe...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Foto van Julien Ignacio
    Julien Ignacio

    De Nederlands-Arubaanse schrijver Julien Ignacio (1969) studeerde af als literatuurwetenschapper. Hij publiceerde theaterteksten, blogs en korte verhalen. In 2008 ontving hij de El Hizjraliteratuurprijs voor zijn toneelstuk Hotel Atlantis. Hij was redacteur van literair tijdschrift Tirade en is bestuurslid van de Werkgroep Caraïbische Letteren. In 2018 verscheen zijn debuutroman Kus (nominatie Bronzen Uil). Met collega-schrijvers Michiel van Kempen en Raoul de Jong stelde hij Dat wij zongen samen, een bloemlezing Caraïbische literatuur die in 2022 uitkwam bij uitgeverij Das Mag. In september 2023 verscheen zijn tweede roman Goudjakhals, een kralenketting van historische en futuristische migrantenverhalen, die zich afspelen in onder meer Amsterdam en Aruba, Beiroet en Lesbos.

  • Foto van Kevin Headley
    Kevin Headley

    Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

  • Foto van Ida Blom
    Ida Blom

    Ida Blom schrijft proza en essays. Haar werk verscheen op papieren helden.