Opspelend maagzuur zorgde ervoor dat ik even voor tweeën mijn bed verliet om een handje havervlokken te eten. Terug in bed lag ik te malen over alledaagse zorgen. Een daarvan was wat voor bijdrage ik in godsnaam nog op deze site zou moeten plaatsen. Na zeven weken was ik wel eens door mijn onderwerpen heen. Dat impulsieve schrijven had iets van persen zonder te hoeven poepen. Nog een week, dacht ik, dan heb ik geen blog meer aan mijn been, en is er weer alle ruimte voor de roman. En terwijl die gedachte in mijn sluimerende geest oplichtte, meende ik te horen dat de keukendeur vanuit de tuin zachtjes werd geopend. Meteen was ik klaarwakker. Al die tijd had mijn vrouw in volle overgave naast me liggen slapen. Daarbij draait ze zich ongeveer twee keer per uur om en maakt dan kirrende geluidjes. Nu haperde haar ademhaling even, alsof zij ook onraad bespeurde, maar daarna sliep ze weer verder. Haar zoon was ’s ochtends door zijn vader opgehaald om bij zijn familie de tweede kerstdag door te brengen. Hij zou pas over twee dagen terugkomen. Had ik dat raspende geluid van die deurkruk soms in een droom gehoord? En was de achterdeur dan los geweest? Dat laatste leek bij nader inzien waarschijnlijk. Eerder die avond had ik de poes vergeefs naar binnen geroepen, en me voorgenomen het nog eens te proberen. Maar ik was het vergeten, zoals ik de deur ook niet had afgesloten. Ik hoorde niets meer, behalve het hameren van mijn hart in mijn borstkas, en toch leek het me dat er iemand was. Nu haar zoon er niet was, brandde er geen enkel lichtje in de gang. Zag ik iets van een klein schijnsel onder de spleet van de deur? Een, twee minuten later hoorde ik iets kraken. Dat geluid herkende ik als afkomstig van een vloerplank, een schuin afgezaagd uiteinde vlakbij het deurgat naar de voorkamer. Daar bevond hij zich dus. Nu kwam ik voorzichtig overeind, blij dat ik een hemdje en een onderbroek aan had. Ik weet heel goed hoe ik in het donker zonder rumoer om dat bed heen naar de deur kan komen. Moest ik eigenlijk doodstil zijn om de ander te verrassen? Of juist kabaal maken en hem daarmee de stuipen op het lijf jagen? Ik besloot tot het eerste. De sluipgang door huis had ik vaak geoefend in tijden van slapeloosheid die nog niet ver achter me lagen. Zelfs de deur maakte geen geluid toen ik hem opende en voorzichtig de gang betrad. Er scheen een kleine lichtbundel in de voorkamer, in de hoek waar de boekenkast staat. Daar stond ook mijn laptop op een rijtje boeken, een nogal dure Apple, die mijn vrouw heeft voorgeschoten. Ik wist de kamer zonder gerucht te bereiken en deed meteen het licht aan. Hij stond met zijn rug naar mij toe, een joch van nog geen twintig. Hij had zo’n grijs katoenen sweater aan met een capuchon die hij over zijn hoofd had getrokken. Heel even verstarde hij toen het licht aanschoot, en daarna draaide hij zich half om. Hij had het witte kleinood al in zijn hand.
‘Zet die laptop weer terug!’ beet ik hem toe.
Hij deed het, smeet hem bijna weer terug op de plank met boeken en draaide zich weer om. Nu zag ik voor het eerst iets van zijn gezicht. Een stevige neus, puberale beharing rond zijn mond, ingevallen wangen en toegeknepen ogen. Toen ik de eerste stap in zijn richting zette ging zijn rechterhand naar een zak van zijn sweater, en op dat moment stormde ik naar hem toe, omdat ik vermoedde dat hij een mes wilde pakken. Mijn voornemen om hem met links vol op zijn gezicht te beuken lukte slechts gedeeltelijk. Hij bewoog zijn hoofd nauwelijks maar toch schampte mijn vuist langs zijn hoofd, al trof ik zijn oor wel voluit. Op datzelfde moment raakte mijn gebogen rechterknie hem vol in de buik (hoewel ik het op zijn kruis gemunt had) en hij met een diepe keelklank een hoeveelheid lucht uitstiet. Hij maaide met links om zich heen. Een worsteling volgde, waarbij ik zijn rechterarm afklemde. Toen gebeurde er twee dingen tegelijk: mijn vrouw in de aangrenzende kamer begon te schreeuwen, wat me de gedachte deed opvatten dat er misschien een tweede insluiper was. Tegelijk voelde ik een helse pijnscheut in mijn rechterteen die toch al zo gevoelig was na een ongelukje tijdens een verhuizing. Die paar seconden van weifeling benutte de jongen om langs me heen te schieten en via de gang en de keuken naar de tuin te ontsnappen. Ik haastte me naar de slaapkamer en vond mijn vrouw daar, alleen op bed, ineengedoken, jammerend.
Ik was heel rustig nadien en heb haar verteld wat zich buiten onze slaapkamer heeft afgespeeld. Halverwege mijn relaas onderbrak ze me en zei:‘Eerst de achterdeur op slot.’ Dat heb ik gedaan en vervolgens heb ik een longdrinkglas cognac ingeschonken en daar hebben we beurtelings van gedronken, terwijl ik haar vasthield en koesterde. De nagel van mijn grote teen rechts bleek gespleten. Het bloedde hevig, maar de pijn zakte spoedig. Voorzichtig wikkelde ik een handdoek om de bewuste voet, om het bed niet te bevlekken. In de gang en keuken waren veel sporen van bloed. De poes was intussen door het luikje de keuken ingekomen en deed zich er tegoed aan. Ze vluchtte met een donkerbruine snuit naar buiten. Ik heb alles opgedweild, terwijl mijn vrouw wezenloos naar het tafereel stond te kijken. Of we de politie niet moesten bellen, vroeg ze me. Maar ik zei dat het geen enkele zin had, omdat de dader was gevlogen. Daarna zijn we in bed gekropen en is ze in slaap gevallen. Nu en dan rilde ze alsof ze het steenkoud had. ’s Nachts ben ik er nog even uitgeweest en heb de laptop even in mijn handen genomen.
De volgende ochtend leek de situatie weer bijna normaal. Ons ontbijt stelde niet veel voor. Mijn vrouw at alleen een paar mandarijntjes en bedankte voor koffie. Na zeven jaar moeiteloze onthouding verlangde ik er ineens naar om een sigaar op mijn nuchtere maag te roken. Verder was ik de kalmte zelf. Maar dat veranderde toen ik in de keuken kwam en door het raam spiedend een ontdekking deed. In de sneeuw die de tuin bedekte was een bloedspoor. Verwonderd ging ik naar buiten om het beter te kunnen bekijken.
‘Ben je hier vannacht ook geweest?’ klonk het achter me.
Ik schudde het hoofd.
‘Dus dit is niet jouw bloed?’
‘Nee.’
‘Dan was dat bloed in de gang en keuken misschien ook niet allemaal van jou.’
‘Zou kunnen.’
‘Moeten we dan toch de politie niet bellen?’
We hebben er mot over gekregen, want ik wil per se niet dat er politie bijkomt. Wanneer er een Amsterdamse rechercheur is langs geweest staat er een uur later een reporter van De Telegraaf op de stoep. En voordat je er erg in hebt figureer je met naam en al in een spectaculaire reportage vol burgerleed. Het is niet mijn ambitie om dankzij deze verwikkeling tot het blanke boegbeeld van Wakker en Weerbaar Nederland uit te groeien, te worden uitgeroepen tot een echte jongen van Jan de Wit in het hartje van Bos en Lommer.
Sinds we die sporen in de tuin hebben gevonden, is er iets aan mijn vrouw veranderd. Ze oogt niet langer nerveus, eerder ijzig kalm. Herhaaldelijk stelt ze me indringende vragen, alsof het een verhoor betreft. Ik heb niets te verbergen, maar sommige details zijn me zelf ook duister. Meerdere keren heb ik haar verzekerd dat er geen mes in het spel is geweest. Bij alles wat ik zeg, kijkt ze me onderzoekend aan en doet er vervolgens het zwijgen toe. Het lijkt alsof we allebei op een ontknoping wachten. Mijn verlangen naar een sigaar krijgt onderhand iets onbedwingbaars. Maar de tabakswinkel is achthonderd meter verderop. Ik loop nogal moeilijk en het is glad buiten.

























Aan het begin van onze jaartelling kregen de Romeinen het vermoeden dat er een geest (spiritus) in de wijn moest zijn. Maar het waren nota bene de Arabieren die enkele eeuwen later een primitief destilleertoestel (al ambiq) ontwikkelden. Ze gebruikten het voor de bereiding van parfums uit rozenwater, mirre, jasmijn, kruidnagel en kaneel. Op een gezegende dag is men ook dadelwijn gaan destilleren en zo kwam ergens in de woestijn de eerste brandewijn op aarde. Eerst was het een medicijn en daarna al snel een genotmiddel. Toen de islam de Arabische wereld had veroverd werd de brandewijn verboden. Het was een drank waarin demonen huisden.
Wanneer een man een vrouw ontmoet die ‘schrijft’, zal dit feit zijn interesse in haar niet per se vergroten. Andersom gebeurt dit dikwijls wel. Het simpele feit dat mannen schrijven kan het amoureuze vuur bij vrouwen zelfs gemakkelijk aanjagen. Schrijven moet in dit verband trouwens wel betekenen: publiceren. De werkschuwe kwibus die al acht jaar in zijn omgeving rondzevert dat hij met een roman bezig is of schrijft aan een ultiem boekwerk waarin het Filosofisch Ei wordt gepeld, hoeft niet op enige vrouwelijke belangstelling te rekenen. Maar als er wel een boek ligt, zullen die vrouwen het met welwillende aandacht opslaan. Vrouwen en mannen lezen op verschillende wijze. Voor zover mannen nog lezen zijn ze vooral op zoek naar de mythe en universele gedachte achter het verhaal. Vrouwen, wier literaire belangstelling oneindig breder is, hebben meer oog voor het bijzondere, de karakters en het drama. Lezen ze een boek waarvan de thematiek en de stijl hun bevallen, dan ontwaakt als vanzelf ook hun belangstelling voor de schrijver achter het boek.
In 2009 bestond de oogst van literaire fictiedebuten – verhalenbundels en romans – in Nederland en Vlaanderen uit ongeveer zeventig boeken. Stelt u zich eens even voor: zeventig nieuwe auteurs die in één enkel jaar hun opwachting maken. Dat zijn er, als zo’n trend aanhoudt, welgeteld zevenhonderd in een decennium, en dan hebben we het alleen nog maar over het Nederlandse taalgebied. Met recht pleegt mijn oude vader over de schrijverswereld te zeggen: ‘Er zijn een hoop kraaien rond het kreng.’
Al enkele dagen ben ik verwoed op zoek naar papieren die bewijzen dat ik bevoegd ben onderwijs te geven aan middelbare scholieren. Die akten moet ik binnenkort aan de fiscus kunnen overleggen, omdat ik anders BTW-plichtig word voor alle lessen die ik buiten het reguliere onderwijs geef. Weer zo’n duistere, strontvervelende, nieuwe regel waarmee de overheid een kleine zelfstandige terroriseert. Werkelijk alle uithoeken van mijn huis heb ik, tot nu toe vergeefs, doorzocht om die verdomde documenten terug te vinden. Tijdens de speurtocht deed ik een verrassende vondst van iets waaraan ik 27 jaar geleden – de helft van het aantal jaren dat ik nu heb – was begonnen maar nooit had voltooid. Het manuscript van wat mijn eerste roman had moeten worden draagt de titel Amnèsia. Het is het verhaal van een zesentwintigjarige werkstudent – Arend – die in een roes van sterke drank en pillen een ernstig ongeluk krijgt en sindsdien aan episodisch geheugenverlies lijdt. In de periode van zijn moeizaam herstel voert hij gesprekken met een jonge vrouw – Nathalie – die beweert dat ze al jaren zijn vriendin is. Mensen die zeggen dat ze zijn naaste familie vormen, ontfermen zich over Arend. Om hem weer enig houvast te geven vertellen ze hem wie hij is, door welke eigenschappen hij zich kenmerkt, wat zijn liefhebberijen en ambities zijn. Hij hoort verhalen aan over het leven dat hij vóór zijn ongeluk heeft geleid. De persoon die ze beschrijven is nieuw voor hem, net als die wederwaardigheden. Maar met zijn lichamelijk herstel keert zijn geheugen ook langzaam terug. Zijn herinneringen komen eerst in schichten, later in meer samenhangende en verhalende verbanden. Dit herstel verzwijgt hij echter tegenover de medici en zijn directe omgeving. Hij veinst een blijvende ontreddering. Meer mensen die voordien belangrijk voor hem zijn geweest zoeken contact met hem en vertellen hem over de episodes die ze samen hebben meegemaakt. De kring van gespreksgenoten breidt zich uit tot enkele exen, vrienden, vriendinnen, jaargenoten, buren en medescholieren van weleer. Arend stelt indringende vragen aan zijn vertrouwelingen, alsof alleen zij hem zijn identiteit en geschiedenis kunnen teruggeven. Zijn werkelijke doel is echter zich een nauwkeurige voorstelling te maken van de persoon die hij in de ogen van anderen is. Naarmate men hem meer gedetailleerde antwoorden verschaft, neemt een nieuwe verwarring bezit van hem. Het portret dat anderen van hem schetsen, is veel minder rooskleurig dan het beeld dat hij van zichzelf koestert op grond van zijn onlangs weergekeerde herinneringen. Het brengt hem in diepe crisis. Zelden heeft hij er zo naar verlangd alles wat zijn eerdere leven aangaat weer te kunnen vergeten. Na lang twijfelen besluit hij te volharden in het door hem geveinsde geheugenverlies. Daarmee breekt hij feitelijk met zijn omgeving en met het verleden, in een poging helemaal opnieuw te beginnen.
Achterstallig onderhoud noopte me tot een bezoek aan een bouwmarkt ergens aan de rand van de stad. De winkel zelf was eigenlijk niet meer dan een loods van bijna honderd bij honderd meter vol schappen met materialen, onderdelen, hang- en sluitwerk, gereedschappen en een nauwelijks denkbare verscheidenheid aan objecten tot instandhouding van onze woekerende civilisation matérielle. Na lang zoeken meende ik het juiste pad te hebben gevonden, waarin het curieuze artikel ergens op de plank zou moeten liggen, maar hoe ik ook zocht, het liet zich niet vinden. Het werd onderhand hoog tijd eens iemand te verwittigen die hier werkzaam was. Misschien had ik me toch vergist en zou het gezochte artikel op een andere plaats zijn uitgestald. ‘Personeel!’ probeerde ik met overslaande stem. Maar iedereen was druk om ander volk te helpen. Na lang speuren en wachten diende zich eindelijk iemand aan met kleding van de zaak. Ik sprak hem aan en vertelde wat ik nodig had en welke schappen ik logischerwijs reeds had doorzocht, evenwel zonder resultaat. ‘Dus,’ herhaalde ik nog maar eens, ‘ik ben op zoek naar een zogenaamde vulslangset om de cv-installatie mee te kunnen vullen, en het leek mij dus zeer voor de hand liggen dat die hier in dit pad te vinden moet zijn.’




