Vlaamse standbeelden

Het Vlaamse weekblad Knack komt met de resultaten van een enquête naar de Nederlandse waardering voor de Vlaamse literatuur. Mij hadden ze gevraagd naar een boekentoptien. Desgevraagd mailde ik ze dit lijstje:

Buysse, Tantes, Streuvels, Het leven en de dood in den ast, Van de Woestijne, Het vaderhuis, Van Ostaijen, Nagelaten gedichten, Elsschot, Kaas, Walschap, Houtekiet, Gilliams, Elias of Het gevecht met de nachtegalen, Boon, De Kapellekensbaan, Michiels, Het boek alfa, Claus, Het verdriet van België.

Knack noemt als de tien populairste Vlaamse auteurs in Nederland: Tom Lanoye, Dimitri Verhulst, Hugo Claus, Louis-Paul Boon, Erwin Mortier, Willem Elsschot, Herman Brusselmans, Kristien Hemmerechts, David van Reybrouck en Annelies Verbeke. Drie klassieken, zeven modernen.

Dat Buysse, Streuvels, Van de Woestijne, Walschap en Gilliams zijn geëclipseerd, is jammer maar begrijpelijk. Voor lezers die weglopen met Lanoye, Verhulst en Brusselmans bestaan ze eenvoudig niet. Ivo Michiels leeft nog, maar is al te zeer verbonden met het steendode Andere Proza. Elsschot blijft onverwoestbaar. Maar waar is de ooit zo populaire Paul van Ostaijen gebleven? 

Intussen heb ik spijt dat ik geen melding heb gemaakt van Patricia de Martelaere. Anderhalf jaar na haar dood is die hard op weg de meest onderschatte Vlaamse auteur van de laatste halve eeuw te worden. 

In de Oorshop

Fin de saison

Herfst in de Ardèche. Het is zo stil dat je de plofjes hoort waarmee de kastanjes landen en uit hun schil rollen. Ik denk dat ik in het vervolg vakantie ga houden in oktober, in dit roodbruingouden landschap dat langzaam afkoelt van het toeristenseizoen.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Straffe whiskey

untitledSpringers nieuwe roman Quadriga brengt me terug naar de eerste maanden van 1986. Hij was toen net Nederlands ambassadeur in de DDR, ik zat in de laatste weken van mijn gastdocentschap aan de West-Berlijnse Freie Universität. Hij nodigde me uit voor een diner in zijn ambtswoning aan de andere kant van de Muur en liet me door zijn chauffeur ophalen bij Checkpoint Charlie. De Nederlandse kranten die ik bij me had werden door de onvriendelijke grenspolitie in beslag genomen, het voor hem meegebrachte cadeauboek bleef ongemoeid.

Ik had mijn gastheer nooit eerder ontmoet, kende alleen zijn werk, het pas verschenen Quissama voorop. Hoewel hij terwille van de in Den Haag geldende beroepscode niet te koop liep met zijn schrijverschap, ontdekte ik in hem de man van zijn boeken: een Leidse bal, maar wel een van de aangename soort, ironicus tot in zijn vingertoppen, liefhebber van een straffe whiskey, in het gelukkige bezit, toen nog wel, van de beeldschone vrouw die op de achtergrond van zijn werk een prominente rol speelde en nog altijd speelt. Hij vertelde de prachtigste anekdoten over DDR-leider Erich Honecker, die een kleine vier jaar later zo smadelijk ten val zou komen.

Na zijn pensionering in 1989 zag ik hem zo nu en dan nog wel eens. Maar zo authentiek als in zijn habitat, de diplomatieke wereld, maakte ik hem niet meer mee. Quadriga, waarin een niet onbelangrijke bijrol is weggelegd voor de Herr Botschafter Raaf, betekende dus een even plezierig als weemoedig Terug in de Tijd.

Toorop en Mussolini

Het is bekend: schilder Jan Toorop was een fervent bewonderaar van Mussolini. Niets bijzonders in de jaren twintig. We weten nog maar sinds kort dat we niet achter leiders en rolmodellen aan moeten lopen, dus wie dat in het verleden wel deed, zij veel vergeven.







042Toorop had een voorliefde voor Mussolini’s kop, en beeldde die dan ook herhaaldelijk af. Ook dat is bekend. Minder bekend is dat Mussolini deel is van een aan Toorop gewijd gedenkteken. Dat bevindt zich zich op de hoek van de Jacob Catslaan en de Buitenrustweg  in Den Haag en is in 1937 vervaardigd door John Rädecker, de beeldhouwer die naderhand een belangrijk aandeel had in het Nationale Monument op de Dam, opgericht ter herinnering aan de slachtoffers van Mussolini’s politieke vriend Hitler.

Thomése’s wegbereiders

Lolita

In de besprekingen van P.F. Thomése’s nogal geslaagde roman De weldoener die ik tot nu zag, wordt geen melding gemaakt van de frequentie waarmee het thema ‘oudere man raakt geobsedeerd door een jong meisje’ in de recente Nederlandse literatuur opduikt. En dan denk ik niet meteen aan Louis-Paul Boon, die niet alleen over nymphets schreef maar ze ook met honderden tegelijk uit pedofiele blaadjes knipte, maar allereerst aan Geerten Meijsings roman Dood meisje en aan De zeemeermin en De loden schoentjes van de onderschatte en veel te vroeg overleden Paul Marijnis.

Meijsing en Marijnis waren net als de neo-Haarlemmer Thomése gefascineerd door de perverse binnenkant van het Hollandse burgerdom, dat Meijsing bekend was uit zijn Haarlemse jeugd. Meijsing schreef eerder dan Thomése over een puberale borderline case. Marijnis evoceerde in De loden schoentjes met veel kennis van zaken en met een pen waar de vitriool van afdruipt de amour fou tussen een dolende vijftiger en een veertienjarig secreet. Het nabij Haarlem gelegen duingebied biedt daartoe het toneel.

Ook als gemaniëreerde stilisten gingen de heren M & M collega Thomése voor. Benieuwd of hij ze ooit de eer zal geven die hun toekomt.

Cultuurcriticus?

Het uit Maarten Asscher, Maarten Doorman en Willem Otterspeer bestaande driemanschap dat optreedt als redactie van het vuistdikke boek met Michaël Zeemans ‘beste essays en kritieken’ noemt in zijn woord vooraf de vorig jaar overleden auteur een ‘cultuurcriticus’. Daarmee krijgt Zeeman een plek in de gelederen van eigentijdse schrijvers als Francis Fukuyama, Peter Sloterdijk en George Steiner, en van grote voorgangers als Nietzsche, Spengler en Ortega y Gasset. Maar de selectie uit Zeemans werk die we vervolgens krijgen voorgeschoteld, wekt het vermoeden dat we het begrip ‘cultuurcriticus’ niet moeten verstaan in de betekenis van ‘zelfstandig denker die zich op kritische wijze verhoudt tot de samenleving waarvan hij deel uitmaakt’. In deze nagelaten stukken maken we vooral kennis met een boekbespreker. Wanneer die de eigentijdse cultuur zo af en toe toch de maat neemt, wijkt hij niet wezenlijk af van de humanistische traditie van het oude Europa die leert dat de klassieken de beste leermeesters zijn en dat je van het lezen van literatuur zo niet een beter, dan toch in elk geval een wijzer mens wordt. Het is niet verkeerd om die overtuiging er van tijd tot tijd weer eens in te hameren, maar dat het weinig meer is dan een fraaie gemeenplaats kan moeilijk worden ontkend. Evenmin verrassend is het om Zeeman in te horen stemmen met de klaagzangen van al die cultuurcritici die ach en wee roepen over de teloorgang van de ouderwetse geletterdheid. Het is zoiets als het overhandigen van de geloofsbrieven: ‘Geacht publiek, vertrouw mij, ik ben uw goede herder en geleid u deskundig door de doolhof der letteren’.

Michaël Zeeman was als criticus een echte didacticus, een man met de onbedwingbare behoefte zijn lezers op te voeden. Het wordt bevestigd in wat hij meedeelt over zijn ervaringen als free-lance docent aan de Amsterdamse letteren, en begrijpelijk tegen de achtergrond van zijn opvoeding in een domineesgezin. Hij sprak een waar woord toen hij zei dat de predikanten van weleer voortleefden ‘in het leger hunner zonen dat zich vandaag de dag manifesteert in de seculiere varianten van hun vaders beroep, de journalistiek, de kleinkunst en de literatuur.’
Wat bij het doornemen van dit literatuur- en kunstkritisch proza allereerst frappeert, is de enorme bandbreedte van de onderwerpen, de spreiding over taalgebieden en historische perioden, het schijnbare gemak waarmee Zeeman zich dit alles eigen maakte, en vooral het feit dat deze enorme lappen tekst week in week uit, bijna twintig jaar lang, in de Volkskrant gepubliceerd konden worden zonder dat de redactie en de abonnees in opstand kwamen.

Bij nader inzien – en aan dat inzicht kom je al toe voor je op de helft van deze bundel bent – raak je gevoelig, overgevoelig zelfs, voor Zeemans trucs en handicaps, voor de sonore volzinnen die verbergen dat hij weinig over boeken, oeuvres en auteurs heeft te vertellen dat je niet al eerder van anderen had vernomen, voor de stoplappen en herhalingen die mede de oorzaak zijn van een soms lelijk uit de hand lopende langdradigheid.

In een bespreking van The Encyclopedia of New York raakt Zeeman lyrisch over de mogelijkheden die dit naslagwerk biedt: ‘Bij het hippen van lemma naar lemma ontstaan telkens nieuwe patronen, nieuwe samenhangen, nieuwe verhalen.’ Op dat moment tekent hij onbedoeld een zelfportret, van de encyclopedische geest die zo dol was op kennis, weten en vooral weetjes dat hij van puur genot ver voor zijn publiek uithipte, zonder omkijken, met de blik gevestigd op de weidse perspectieven van de vrij zwevende intelligentie.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Lezers

    Lezers

    ‘Ja,’ zei W in het kleine café waar we zaten om een boekje te bespreken dat ik voor haar uitgeverij gemaakt heb. ‘We gaan natuurlijk ten onder met dat hele boekenvak, maar laten we dat dan wél feestelijk doen.’ We nipten van een glaasje crémant terwijl ik bedacht wat een geluk het was om op...
    Lees verder
  • tirade blog Menno Hartman

    Blauwbehoefte

    Larousse 25 Een ergerniswekkende beperking in mijn voorstellingsvermogen: hoewel ik sinds ik ooit voor het eerst met een vliegtuig boven het wolkendek raakte, weet dat daar blauwe lucht is, kan ik voor mijn welbevinden geen gebruik maken van die kennis. Met andere woorden: onder sombere wolkenluchten somber ik. Terwijl ik weet dat het maar een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Humor

    Humor

    Toen onze zoon geboren werd, toen ze hem in mijn armen legden, gebeurde er iets onverwachts. Zijn verbijsterde gezichtje kwam mij als dat van een totale vreemde voor. Ondanks de waarschuwing van een vriend die eerder dan ik vader was geworden, was ik van een onmiddellijke lichamelijke herkenning uitgegaan, maar hier was een hele nieuwe...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Foto van Menno van der Veen
    Menno van der Veen

    Menno van der Veen studeerde filosofie en wijsbegeerte. In 2019 publiceerde hij zijn tweede roman Ontweten bij Van Oorschot. Menno werkt ook als onderzoeker, consultant en trainer op het gebied van democratie, participatie en mensenrechten. Momenteel werkt hij aan zijn derde roman (werktitel Het profetenverbod). Die is naar verwachting klaar in 2022.

  • Foto van Gilles van der Loo
    Gilles van der Loo

    Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

  • Foto van Jan Lodewijckx
    Jan Lodewijckx

    Jan Lodewijckx (1990) had het wel even gehad op kantoor. Hij kocht een zware fiets en een kleine tent en zegde zijn werk op en zijn appartement.