Je neemt een geschikte stoel en daar begin je omheen te bouwen.
Dat antwoordde kunstenaar Joost Conijn toen Tommy Wieringa hem
vroeg hoe je een vliegtuig moet bouwen.
Conijn bouwde een vliegtuig en maakte daar een mooie film over.
Je ziet hoe hij materiaal bij elkaar scharrelt, bouwt, in de lucht
probeert te komen en uiteindelijk in een Marokkaanse woestijn
het luchtruim kiest.
Mijn zoon Jim heeft toen hij acht was ook een vliegtuig gebouwd.
Ik hielp hem met het vinden van materiaal in het havengebied dat
aan de andere kant van de weg begon.
In een filmverslag vertelt hij hoe lang hij nodig denkt te hebben
om het vliegtuig in onze achtertuin te bouwen, daarna wil hij
het naar een heuveltop brengen, hoewel hij denkt dat een
heuveltje ook zal voldoen. Want misschien, zegt hij, heb ik
een zuchtje wind nodig.
Toen ik aan het begin van de meimaand ’s avonds aan de keukentafel
zat moest ik opeens aan Conijn en Jims vliegtuig denken.
’s Middags had ik mijn zoon geholpen met het inrichten van
zijn eerste kamer, elders in de stad. Ik schilderde een muur
hemelsblauw. Toen het me even duizelde omdat ik te lang
gehurkt had gezeten zag ik Jim in zijn vliegtuig opstijgen.
De misplaatste kamer
We hebben de hele nacht gereden. We hebben lang gereden. We willen stoppen. We kunnen het niet. Is er een acceptabel resultaat? Bedoelen we iets wanneer we praten?
Het is misschien een lange zit, het één na laatste gedicht dat ik op dit blog zal plaatsen, maar dat is het laatste stuk weg voordat je weer thuis bent altijd; meer nog dan de rest van de rit, die veel langer duurde. Om de laatste kilometers naar huis sneller voorbij te laten gaan, deden mijn zus en ik vroeger op de terugweg van vakantie altijd een spelletje. Wie het eerst vanuit het autoraampje de kerktoren, de brug en de watertoren van onze woonplaats had gezien kreeg, nou ja, tijdelijk het gevoel van eeuwige roem. Op den duur wisten we precies vanaf welk punt op de A2 het mogelijk was bovengenoemde herkenningspunten te zien, en vanaf die vakantie was het spel nog slechts een kwestie van seconden. Maar zo gaat dat altijd met lange zitten: uiteindelijk zijn ze niet meer dan een kwestie van seconden. Bij thuiskomst ligt er een zak snoep van de buurvrouw op tafel, en is er niet genoeg post voor mij gekomen.
—
Naar: Richard Siken | The dislocated room
De misplaatste kamer
Het is mijlenlang nacht geweest en dan beginnen de echte sterren in de paarse
lucht, als kleine boten te ver van de kade,
te verdwijnen.
En daar, in de verte, niet het beloofde land,
maar een Holiday Inn,
met bougainvillea die door het gaashek van het zwembad groeit.
De deur wijd open: twee identieke bedden, identieke lampen, identieke
plastic bekers ingepakt in cellofaan
en hij zegt Nee Henry, laten we het niet doen.
Kun je het verhaal als stippellijnen door de kamer zien gaan?
Hier is de wasbak om het bloed weg te wassen,
hier is de whisky, het gescheurde shirt, de tegel van de badkamervloer,
het schijfje van de badstop
doorzeefd met gaatjes.
Hier is de jongen als een zak van vlees, hier zijn de motoren, de kleine kamer
die geen kamer is,
de Henry die geen Henry is, de Henry met een naald en draad,
die zich buigt over de flauwgevallen jongen
op de universele beddensprei.
Hier is hij nog een keer, wordt dichtgenaaid.
Dus nu zijn we tot een reusachtig strijdveld gekomen, de warmte van het vuur,
het vuur dat nog brandt,
de hitte die ontsnapt als een gebroken belofte.
Dit is het gedeelte waarin je weer in je kleren wakker wordt,
dit is het gedeelte waarin je probeert in het gebouw te blijven.
Blijf nog even in de kamer, zegt hij. Blijf nog even
in de kamer.
Dit is de plaats, zeg je tegen jezelf, dit is de plaats waar alles
begint te beginnen,
de wonden onthullen een dikkere huid en dan opeens is er geen vloer.
Ondertussen
is er iets onder het gebouw dat heel erg hard probeert
om je aandacht te winnen—
een man met amandelogen en een rits die de lengte
van zijn ruggengraat nabootst.
Je kunt de schaduw zien die de man werpt
op het linoleum,
hoe deze lijkt op een boot, de tegels heel precies doorsnijdt,
de masten van zijn armen die tegen de ramen schrapen.
Hij wijst naar je met een glas melk
alsof hij probeert te zeggen dat er
nu een soort blinkende ster diep in je verborgen ligt en hij
moet het eruit graven met een mes.
De bel gaat, de hond gromt,
en dan laait de wind op, en het licht valt, en zijn mond
klappert, en de hond
huilt, en het raam sluit nauw tegen de vieze regen.
Hier is de hal en hier zijn de deuren en hier is de angst
voor het andere ding, het genadeloze
ding, je lichaam verdrinkt in zwaartekracht.
Dit is het ondertussen, het wachten dat plaatsvindt
in de ruimte tussen
één bericht en het volgende, de plaats waar je zijn handen
verwart met de kamer, de hond
met de man, het bloed
met de opengereten lucht.
Hij legt zijn handen op je hele lichaam om je in de kamer te houden.
Het is nacht. Het is middag. Hij rijdt. Het gebeurt
allemaal opnieuw.
Het is liefde of het is het niet. Het is niet voorbij.
Je bent in een auto. Je bent weer in de berm. Je bent op een
hobbelige weg en er zijn overal criminelen,
die verlangen naar gevaar.
Henry, zegt hij. Wie praat er?
Ik dacht dat ik de klank van ijs
op tand hoorde. Ik dacht dat ik de klank van tand op glas hoorde.
Open de deur en het licht valt naar binnen. Open je mond en het valt
weer naar buiten.
Hij ligt bovenop je. Hij ligt naast je, vlak naast je om precies te zijn.
Hij heeft de zachtste huid, helemaal om zich heen geslagen.
Hij is het niet.
Jij bent het niet. Nu val je. Je zwemt. Dit is niet
zonder gevaar. Je hebt geen
adem. Je klimt opnieuw uit het verchloorde zwembad.
Niet alle noodzakelijke woorden werden ons gegeven.
Niets werd ons gegeven.
We hebben de hele nacht gereden.
We hebben lang gereden.
We willen stoppen. We kunnen het niet.
Is er een acceptabel resultaat? Bedoelen we iets wanneer we praten?
Is het genoeg dat we rillen
om het geluid?
Linker hand tilt de vork naar de mond, voel het vlees
door je keel glijden terwijl je denkt
Mijn keel. De mijne. Alles binnen deze lichtbundel is van mij.
De asbak en de kapotte lamp, de vieze oranje gordijnen en zijn
geruïneerde shirt.
Ik was in je lichaam, baby, en het was een paradijs.
Ik was in je lichaam en het was een kermisattractie.
Ze willen stoppen maar ze kunnen niet stoppen. Ze weten niet
wat ze doen.
Dit is niet zonder gevaar, het hoe aan te raken, we willen het scherm
niet helemaal
van onze ogen getild, slechts lang genoeg omhoog om de gaten te zien.
Moe en verweerd en op de verkeerde manier aangeraakt,
ruw aangeraakt en bonzend in het licht.
Ze willen stoppen maar ze stoppen niet. Ze krijgen de kogel er niet uit.
Snij me open en het licht stroomt naar buiten.
Hecht me weer dicht en het licht blijft naar buiten stromen
door de hechtingen.
Hij krijgt de kogel er niet uit, denkt hij, en dan lukt het hem.
Een klein stukje grind om een parel omheen te bouwen.
Middernacht juni. Middernacht juli. Ze zijn er nu al dagen mee bezig.
De kogel er uit krijgen.
De kogel er uit graven en omhoog houden naar het licht, het licht.
De kogel er uit graven en omhoog houden naar het licht.
Vijftien verenballen 13, 14, 15
Naar: Ada Limón | Fifteen balls of feathers
13.
Aan de basis van een vogelveer zit iets wat een naveer heet.
Het deel dat er eerder uitziet als een mensenhaar in zijn metalige borstel.
Het klinkt als nagedachte of na-leven. Het is het deel net na de calamus en de
inferieure umbilicus dat het vogellijf in gaat.
Ik wil er één. Wat gebeurt er na-veer? Na.
Nadat we de ons opgegeven taken hebben volbracht,
en eindelijk uit onze namen barsten.
Geen zorgen, ik geloof niet dat kolibries verliefd op me zijn,
geen enkele god is ooit verliefd op ons.
Het verhaal gaat dat Huitzilopochtli het hoofd van zijn zus afsneed,
het toen naar de hemel gooide om de maan te worden,
zijn andere broers en zussen werden sterren.
(Want er moet en grote leegte zijn en een grote manier om hem te vullen.)
Mijn stiefmoeder is thuis en ze belt
om te vragen hoe het gaat.
Ik zeg haar dat het me spijt, en ze zegt, Dit is simpelweg hoe mijn leven gaat zijn.
De vrouw van de delicatessenwinkel is zo aardig zonder reden dat ik begin te huilen.
Er zijn momenten waarop ik veronderstel dat we op de onzen af moeten geven,
op andere momenten zijn de maan en de zon familie.
14.
Aan de rivierkant, zittend op de dikke witte stenen
onder de sparren,
kijk ik hoe ze zich uitkleedt en de stroming inglijdt.
Ze ziet er jong uit. Mijn vader is stil en boven onze hoofden
vormt de zon een punt om ons bijeen te drijven.
De laatste tijd herinner ik me dingen.
Dit is geen uniek verhaal –
wat we in onze handen houden is onoplosbaar.
Het is de passage die ons versteld doet staan,
dit volle gewicht dat ons wel naar beneden moet trekken.
Ze weet dat we naar haar kijken,
vindt het fijn te weten dat we er zijn terwijl ze onder gaat.
15.
In ieder verhaal heeft de kolibrie toegang tot beide werelden,
hij is de boodschapper, de gevleugelde koorddanser.
De migratie van zoveel mijlen voorbij ons werelds bereik,
en toch komen ze bij ons.
Terwijl ik deze lucht die ons gegeven is vorm probeer te geven,
kan dit zachte gefluister van vleugels uit de andere wereld, het hiernamaals
me ’s nachts wakker houden, hoewel op aangename wijze.
Ik weet wat je denkt:
Soms is het de regen en de verwarming,
soms is het de zonnegod.
Het meest denk ik aan het verhaal waarin de kolibrie
een vrouw van de Tarascan stam (mijn stam) leerde weven.
Hoe zij een kolibrie de droogte door hielp,
hoe ze regenwater opving en zoet maakte,
hoe, vervolgens, de vogel haar leerde weven,
hoe, vervolgens, het weven haar leven redde.
Afasie
Naar: Aphasia – Dorianne Laux
Het enige wat ze na de verlamming nog
zeggen kon was Venezuela, wijzend naar
de waterkan met de lichtblauwe rand,
haar éénwoordsbevel. En als ze
het heldere water opdronk en het glas
terug gaf was het opnieuw Venezuela,
dankbaarheid, wellicht, of het woord
nu niets meer dan een zucht, zoals de lucht
in het raam, de kussens een mistige betekenis
onder haar hoofd gelegen. Roze rozen
stierven af op haar nachtkastje, elk blad
een snipper in de vorm van een land
waar ze nooit was geweest, nooit ook maar
enige interesse in had getoond en nu
was het overal, in de perzik die ze optilde,
druipend, aan haar lippen, het witte doekje
in de tissuebox, haar kinderen wanneer ze
op bezoek kwamen, gedoopt met hun
nieuwe naam na iedere kus. En ’s nachts
fluisterde ze het, donker verdovend
in het oor van haar man als hij
voorover boog om te luisteren,
haar handen friemelend aan
haar knopen, haar borsten,
die ze omhoog naar het licht hield
als een geschenk. Venezuela, zei ze.
—
Wanneer ik ooit zo dement ben dat ik nog maar één woord uit kan brengen, zal ik zo vaak als ik kan een busreis maken. Dat lijkt me heerlijk: drie meter boven de weg omringd door mede-bejaarden Europa voorbij zien komen. Een activiteit waar ik nooit ook maar enige interesse in had getoond opeens overal laten zijn. Ik weet nog niet welk woord ik zou willen zeggen als ik nog maar één woord kon zeggen, maar het zou iets moeten zijn dat even willekeurig en melodisch klonk als Venezuela. ‘Appelstroop’ is een kanshebber, hoewel het waarschijnlijk helemaal niet uit maakt welk woord ik nog zou kunnen zeggen – hoe zou ik immers mijn vreugde of onvrede over het betreffende woord tot uiting brengen? De uitroep ‘appelstroop, appelstroop, appelstroop’ zou me in alle gevallen onbegrip en een buslading vol appelstroop opleveren.
Komt dat laatste even goed uit. Ik ga alvast klaar zitten naast de lucht in het raam. Ik denk niet dat het ooit mogelijk zal zijn om vanaf hier een busreis naar Venezuela te maken, maar onderweg naar de Moezelvallei zullen wij, bijna-gecremeerden, alvast een wolk van as achter ons uit strooien.
18 april
De spieren beginnen te ontbinden – Jillian Clark
(Naar: The muscles begin to decompose)
18 april is een van mijn favoriete gedichten van sylvia plath
en ook een gedicht van mij
het is ook de dag waarop einstein doodging
het is ook de dag waarop virginia woolfs lichaam werd ontdekt in 1941
we werden allebei op 25 januari geboren
ik kan niet geloven dat dit een goede dag voor mij zal zijn
ik kan niet geloven dat mensen willen zijn waar ze zijn wanneer ze in een menigte zijn
ik wil niet geloven dat er niets is waarover ze zich zorgen maken
—
‘You’re’ is een van mijn favoriete gedichten van sylvia plath. De laatste regel, ‘A clean slate, with your own face on’ is een regel waarbij ik me verschillende dingen voor kan stellen. Eigenlijk is ze alleen mogelijk als ‘je eigen gezicht’ een leeg gezicht is, tegelijkertijd denk ik dat het onmogelijk is ergens je eigen gezicht in te herkennen (zelf zie je nooit hoe anderen jouw gezicht zien, en het enige waar een gezicht uit bestaat lijkt mij datgene dat het door anderen krijgt toebedeeld) en tegelijkertijd vind ik dat deze zin en dit gedicht veel hoopvoller klinken dan dit alles. De schone lei wil zeggen: Ik kan niet geloven dat dit geen goede dag zal zijn voor mij. Dit is een machtig gevoel: onderaan de wereld staan en een wereld hebben om tegenop te kijken, niet langer tegenop te zien. Tegelijkertijd: De spieren beginnen te ontbinden. Wanneer ik ’s ochtends, in mijn bed, onder een deken kruip, voel ik ze trillen in mijn bekken, soms in mijn vragende handen.
Die Blende vom Gesicht!
Peter Rühmkorf – Ich butter meinen Toast von beiden Seiten
Schön, wenn einer mit Sprüchen vor euch hintritt, nichtwahr,
wo ihr bloss noch mit’m Kopf nicken braucht?!
Hier zum Beispiel haben wir unser PROGRESSIVES
THEATER ZUM MITSPIELEN, (wo die Selbstdarstellung
der Menschen wieder einmal voll greift –
Wäre das nicht ein echtes Freizeitangebot an Dich?)
Hier, gleich nebenan, entsteht ein INDIVIDUELL GEPLANTES
FERTIGHAUS,
(Kommunikationszentrum für alternative Lebensformen –
Sie müssen natürlich Ihre ganze Persönlichkeit mit einbringen!)
– Zu unserm Konzert für schöne Stimmen begrüssen wir heute ausserdem:
UDO JÜRGENS!
Udo, der bei uns so viel Erfolg hat wie in der DDR,
fasst auch heisse Eisen an, –
Manchmal glaube ich allerdings, diesen Schleim
kann die Menschheit auf Dauer gar nicht einschlürfen,
ohne dass sich ihr das Bewusstsein umdreht.
Deine Augen haben schon gar keinen Inhalt mehr,
so seh ich das.
Manchmal dagegen scheint mir die Welt auch wieder ganz wirklich.
HIN! HIN! kuck doch hin, der Tag:
wie geht er so schön und flüssig über in andere
Zustände, während du ihm gesammelt aufs Blattgrün blickst –
Wie so gewaltig
schäumt ein Morgen an die Brüstung.
Auf die Knie vor diesem Augenblick!
Die Blende vom Gesicht!
Nicht, dass du erst auf grosse Gedanken kommst,
wenn deine Zeit schon vorüber ist –
Ideen rauschen so ran und fliegen vorbei, es stehn
aber gar keine richtigen Menschen mehr dahinter,
nur noch Betriebstankwarte,
nur Petroleumschwengel.
Was du machst, ist nicht jedermanns Sache, dies unter uns.
Und du hast irgendwie eine Meise, die keiner hat,
für die suchst du ein Weibchen.
In einer bekannten Gaststätte für Geistesgestörte
hältst du um Klartext an –
Ich aber sage dir: in einem Kopf passen viele Widersprüche.
Der verrückte ist immer im Dienst.
Ein Tragöde steht mitten im Leben.
Anders gesagt, ich persönlich butter meinen Toast
am liebsten von beiden Seiten.
Klar bin ich Kommunist bei diesem meinem Berufsrisiko.
Ich will das Glück für alle Anwesenden.
Bloss immer nur pfennigweise kommt die Arbeiterklasse
ganz bestimmt nicht vom Fleck!
Aber diese Flügelkämpfe im sozialistischen Lager
schau ich mir nicht länger mit an.
Über den Gram wird gelacht.
Melancholie erleidet Verfolgung.
— —
Het is heel lastig om rust in je hoofd te krijgen wanneer je structuur in je leven probeert te krijgen om rust in je hoofd te krijgen. Waar ik aan denk: of ik ontbijt in huis heb, of ik iedereen terug heb gebeld, of ik op tijd ga komen bij afspraken. Waar ik aan denk wanneer ik een kwartier te vroeg ben: of ik fruit heb gegeten, of er een kans bestaat dat ik op tijd op zal staan, morgen, de dag daarna – of ik de dag daarna nog iets te doen heb. Of ik genoeg boeken lees, en wanneer ik een boek lees, of ik het al terug moet brengen naar de bibliotheek, en wanneer ik het op tijd terug breng naar de bibliotheek: of het erg is dat ik het niet uit heb gekregen, welke niet erg is, want als ik het uit had gekregen, dan las ik vast tot vier uur door, in de ochtend, en als ik tot vier uur door las, kon ik in de ochtend niet op tijd het ontbijt, dat er was, opeten. En als ik het op tijd opat, had ik geen tijd om op te zoeken of op eten aan elkaar wordt geschreven, maar als zo ik aardig ben voor mezelf dat ik het niet erg vond als ik iets niet af of uit kreeg, dan kwam er vast niets uit mijn handen. Maar ik zal zo aardig zijn voor mezelf: als er van alles uit mijn handen kwam, dan waren ze vast ruw en eeltig. Was ich mache, ist nicht jedermanns Sache, dies unter uns.
Meer blogs

Feestweek
Toen ik jong was – onder de vijfenveertig – heette de periode tussen kerstavond en nieuwjaarsdag onder mijn vrienden De Feestweek. Er gold dan één harde regel: als een vriend je smste dan moest je komen. Ik herinner me karaoke-zingen in een verder lege Meander op Eerste Kerstdag; bachata dansen (wat ik eigenlijk niet kan)...
Lees verder
De gelukkige tijdsprong – over je hoofd als schedel
Larousse 22 Ian McEwans recente roman What we Can Know speelt gedeeltelijk in de toekomst. Twee wetenschappers in een Engeland dat alle schade van de klimaatcrisis al heeft ondervonden, zoeken naar informatie over een dichter die in onze tijd leeft en een sonnettenkrans schreef: een ‘corona’, zoals dat genoemd wordt, waarbij het 15e en laatste...
Lees verder
DE MENS ALS BIOPIC 10 Soekarno
Jochies waren we, op een lagere school in Amsterdam Noord. Nu staan we op een filmset achter het Tropenmuseum. Hans Hylkema regisseert er de televisiefilm Soekarno Blues. Ik schreef samen met hem het scenario en mag hier even figureren als particulier secretaris van koningin Juliana. Vanuit het Oosterpark zwaait de president van Indonesië naar ons....
Lees verder
- 2026




























