Ik zag een vader zijn kind kapot maken.
De jongen speelde in de grote speeltuin en zijn vader zat aan de andere kant van het water, aan een terrastafeltje, samen met een dikke vrouw. De man had donker haar in een staart, hij had een snor, hij was heel mager en bleek en droeg een wit shirt en een enorme zilveren ketting. Voor hen op het tafeltje stonden blikken bier. Ze rookten shag. De vader schreeuwde naar zijn zoon: Laat maar zien, laat maar zien dan.
De jongen wilde heel graag laten zien wat hij kon. Hij rende tegen het net op, klom over de houten rand en zocht snel de buis op die tevens glijbaan is, dook erin en kwam er beneden weer uit. Een jongen met krullen, een rood shirt, rode schoenen. Een jaar of zeven.
De jongen deed het allemaal heel mooi, maar de vader riep: Fout, fout, dat telt niet.
Wat? vroeg de jongen
Het telt niet, zei de vader. Je liep over die rand. Dat mag niet.
Iedereen kon het horen, iedereen hoorde hem lachen, door zijn lange snorharen heen, en iedereen zag hem roken en drinken, naast zijn dikke vrouw.
De jongen ging opnieuw. De vader schudde zijn hoofd en lachte luid. De vrouw nam een slok bier en gooide haar sjekkie op de grond. Toen de jongen weer uit de glijbaan kwam – voor de zoveelste keer – schreeuwde de vader: En nou wat sneller.
Hoe snel?
Twintig seconden, zei de vader.
De jongen dacht na. Dertig, zei hij.
Goed dan, riep de vader, vijfentwintig.
De jongen ging akkoord. Hij ging bij het begin staan. Hij liet een heleboel kinderen voor gaan en hield op een gegeven moment kinderen tegen om het klimrek op te kunnen rennen zonder dat er kleine kinderen voor hem op het touw stonden. Toen rende hij weg. Hij riep: Begin maar te tellen.
De vader lachte weer. Hij bleef maar lachen. De jongen was heel snel boven, maar er stonden een heleboel kinderen voor de glijbaan te wachten en de jongen vroeg wel of hij er langs mocht, maar ze lieten hem er niet door. Hij stampte op het hout, hij smeekte, maar hij moest wachten, en toen hij eindelijk beneden was, riep zijn vader: Mislukt. Mislukt!
De jongen liep naar de andere kant van de speeltuin, achter de waterbak, en ging daar zitten, uit het zicht.
Jan van Mersbergen

























Toen ik te horen kreeg dat mijn vierde roman (
Bovendien is de westerse beschaving volgens Meschonnic de enige waarvan de fundamentele teksten vertalingen zijn, uit het Hebreeuws voor het Oude Testament, uit het Grieks voor het Nieuwe Testament en voor wetenschap en filosofie. In zekere zin, claimt Mechonnic, is Europa uit en door vertalingen ontstaan. Het (her)vertalen van zulke fundamentele teksten is dan ook een toetssteen voor de in die beschaving gangbare ideeën over vertalen.
De lezingen waren goed maar de lucht was slecht, en zo kon het na 1) een vergeefse waarschuwing aan het adres van Rokus, die naast me onverstoorbaar bleef doorschrijven, en 2) het laten van een enorme boer dus gebeuren dat ik ten overstaan van de internationale elite der Proustianen van mijn stokje ging. Laatste gedachte: meer lucht! Waarna ik pas in de ijskoude gang weer bijkwam. Ambulance erbij, transport naar het ziekenhuis twee straten verderop, eindeloos wachten onder veel te weinig dekens, te horen krijgen dat ik maar goed moest oppassen, met drie winterjassen om me heen bijkomen in een ijskoud café, taxi naar het huis van een vriendin van Rokus om daar onder drie dekbedden verder bij te komen. IJskoud.
Meschonnic was bij leven hoogleraar taalkunde aan de universiteit van Vincennes-Paris 8 en gold lang als een einzelgänger in de Franse academische wereld. Behalve auteur van een omvangrijk taaltheoretisch oeuvre was hij een uiterst productief dichter en vertaler. Hij legde zich vooral toe op het hervertalen van Bijbelteksten uit het Hebreeuws, vanuit de overtuiging dat die teksten nooit deugdelijk in het Frans zijn omgezet (terwijl de Duitsers de lutherse Bijbel hebben en de Engelsen de King James Version).



