Ik was een maand of vier geleden, toen mijn laatste roman verscheen, tamelijk rustig. Dat was voor het eerst. Bij voorgaande romans konden vooral aangekondigde recensies me vreselijk van slag maken, iets waar meer schrijvers last van hebben. Dit keer viel dat mee, en dat komt achteraf gezien door de inschatting die ik wellicht onbewust maakte, dat mijn roman niet unaniem positief ontvangen zou worden.
Na de lofuitingen over Morgen zijn we in Pamplona zouden er nu kritische recensies komen, en recensies die ronduit vernietigend zouden zijn, en ik begreep dat dit alles bij mijn boek zou passen. Na Pamplona wilde ik een boek over moederschap schrijven dat in alles gericht was op de dramatiek van moederschap, aan de hand van drie vrouwen. Mijn grootste streven was dat die hele problematiek invoelbaar zou zijn.
Vrouwelijke recensenten begrepen – voelden – de roman. Sommige mannen vonden het ook een goed boek. Drie mannelijke recensenten konden er niet veel mee. Een van hen was Arie Storm. Hij vond de roman sneu en treurig en humorloos, en in wezen begreep ik zijn recensie, omdat ik weet hoe hij mijn boek gelezen moet hebben en omdat ik ongeveer weet wat hij van een roman verwacht. En dan bedoel ik: Wat een roman met hem doet, en doen moet.
Een paar weken na het verschijnen van zijn recensie in Het Parool kwam ik Arie tegen bij Uitgeverij Nieuw Amsterdam. Het was tijdens de boekpresentatie van de nieuwste roman van Thomas Verbogt, waar hij een 4-sterren recensie over had geschreven. Arie ging net bier halen en een collega van hem waarmee ik in gesprek was, vroeg of ik ook bier wilde. Dat wilde ik wel. Even later kreeg ik een lauw pilsje in mijn hand gedrukt. Ik zei: Eerst die recensie, en nu deze smerige bocht. Wat is er aan de hand?
Vervolgens hadden we een prima avond, zoals ook de bruiloft van een collega-schrijver een paar weken later gezellig was, en daar was Arie Storm ook. Niet als recensent, benadrukte hij, maar als echtgenoot van de redactrice van de schrijver.
Het maakt allemaal niks uit. Schrijvers, recensenten. Een ieder doet zijn ding. In dezelfde periode schreef Storm een recensie over Caesarion, van Tommy Wieringa, en dat was een stuk dat ervoor zorgt dat ik hem in deze zin geen Arie noem, maar Storm. Het was een vreemd artikel dat veel reacties opriep. Het was bot. Moeilijk te vatten. Toch kon ik me ook voorstellen hoe dit stuk ontstaan was, bij Arie Storm. Niet omdat ik het met hem eens was, maar omdat hij het was die de recensie geschreven had.
En ik werd er niet kwaad van, ook voor het eerst.
Waar het op neerkomt is dat ik bij mijn laatste boek in zekere zin verwacht had dat niet alle mensen voor het boek zouden vallen. Met mijn vorige romans was het een soort persoonlijk streven: ik moest en zou iedereen overtuigen. Dat gebeurde ook, op een paar flauwe stukken na.
Met Zo begint het hoefde ik niets te bewijzen, en daardoor voelden sommige recensies als een bevrijding.
Jan van Mersbergen

























Een spreekstalmeester is ideaal. Hij hoeft alleen op zondagavond en op maandagmiddag de muziek op het podium aan elkaar te kletsen en hij moet de hoofdpersoon zo ver krijgen dat hij… Daar kan ik helaas niks over zeggen, om dezelfde redenen die ik eerder genoemd heb.
Deze zondag speelt hij op het 
Ik weet het niet, zei ze. Ik denk het.
Er zijn veel schrijvers die blanco gaan zitten en beginnen. Ze laten de woorden stromen en wel zien wat er komt. Soms borrelt er iets geniaals op, soms niet. Het samen laten vallen van het uitdenken van een tekst en het maken van die tekst werkt soms stroperig, want net als het bij het leggen van een tegelpad is het verstandiger eerst te verzinnen wat je gaat doen en hoe, en met welk materiaal, en het daarna uit te voeren. Dan hoeft het niet zo vaak opnieuw, want onderweg zullen er voldoende momenten zijn waarop je moet improviseren, als die tegel die niet past of als die boomwortels, en zonder de juiste techniek, zonder vertrouwen en ervaring en zonder zicht op het eindpunt kan een roman gedomineerd worden door die ene tegel, of door die boomstronk, en dat is jammer.
Armstrong linkt wielrennen met kanker. Armstrong is zelf de link tussen wielrennen en kanker. Iedereen kent zijn verhaal. Zijn boek It’s not about the bike is aan te raden. Dat is zijn verleden, de manier waarop hij zich nu uit is via Twitter, en daarin redt Armstrong zich prima. Hij is op de hoogte, hij is levendig en fel, hij is goed in staat in 140 tekens te zeggen wat hij wil zeggen, en vooral is hij betrokken.




