Tegenover het cliché van de onzichtbaarheid (de vertaler behoort volledig schuil te gaan achter de oorspronkelijke tekst) staat het door Rokus ook al genoemde cliché van de onvertaalbaarheid (de vertaler onttrekt de oorspronkelijke tekst steeds aan het zicht). Regelmatig worden die twee conflicterende clichés zelfs samengeklonken tot een derde cliché: traduttore traditore, de vertaler is een verrader (want, o schande, hij maakt een onmogelijke belofte niet waar).
Maar goed, onvertaalbaarheid dus. Twee citaten kunnen dat begrip mooi helpen verhelderen. Het eerste is van Barbara Cassin, uit de inleiding van een Frans boek dat nu juist als ondertitel heeft: ‘Dictionnaire des intraduisibles’, woordenboek van onvertaalbare termen/wendingen. Het citaat luidt: ‘Parler d’intraduisibles n’implique nullement que les termes en question, ou les expressions, les tours syntaxiques et grammaticaux, ne soient pas traduits et ne puissent pas l’être – l’intraduisible, c’est plutôt ce qu’on ne cesse pas de (ne pas) traduire.’
Hetgeen de volgende, zeer vrije vertaling zou kunnen opleveren, tweede citaat: ‘“Onvertaalbaar” is, net als “onleesbaar”, een normatieve, geen beschrijvende term. In hogere zin is alles vertaalbaar, of niets. Omdat een vertaling nooit een één-op-één-relatie heeft met een origineel, en omdat de grens tussen vertaling in engere zin en bewerking vlottend is, hoeven zelfs de weerbarstigste teksten, hoe aporetisch ook, een vertaler niet af te schrikken, al leiden ze dan tot de nodige metaforische hoofdbrekens. […] Onvertaalbaarheid is een prikkel.’
Dat tweede citaat is (een deel van) het antwoord van mijn medeblogger Rokus op de lichtelijk naïeve vraag van Tirade: ‘Noem een onvertaalbare zin.’ Uit beide citaten komt vooral één ding naar voren, namelijk dat vertaalbaarheid en onvertaalbaarheid twee kanten van dezelfde medaille zijn. Vertalen is nodig omdat talen van elkaar verschillen, maar datzelfde verschil maakt vertalen ook meteen onmogelijk – tenzij we in het voorvoegsel ver– al vanaf het begin een transformatie, een niet-samenvallen lezen, en dat is precies wat ik zou willen voorstellen. Waarmee het begrip onvertaalbaarheid naar de prullenbak kan worden verwezen.
Niet iedereen zal het daar overigens zomaar mee eens zijn. Max Gortzak bijvoorbeeld, die op 30 juni in een reactie op Rokus schreef: ‘Vertalen is een lastige kwestie, en in sommige gevallen onvermijdelijk, maar in de meeste gevallen is het onmogelijk om een goede vertaling te maken en vaak is het ook nog onhandig. […] Alleen al daarom zouden we teksten in de originele “taal” moeten lezen. Met woordenboek indien nodig, dan is de lezer niet gebonden aan de interpretatie van de vertaler, maar kan hij zelf beslissen welke woorden hij op welke manier interpreteert.’
Het aardige van deze reactie is dat de bepleite terugkeer naar het origineel, ter vermijding van de interpretatie van de vertaler, direct wordt gekoppeld aan een interpretatie door de lezer. Vandaar dat ik er zelf op antwoordde: ‘Het is nog veel erger: het onherroepelijke verval slaat al toe bij het lezen.’ Als de lezer de taak van de vertaler overneemt, hoogstwaarschijnlijk met een veel slechter resultaat (zie ter illustratie mijn Volkskrant–bespreking van Modiano’s Un pedigree, vertaald door de lezer J. Bernlef), blijft de kern van het probleem nog altijd bestaan, namelijk dat er kennelijk altijd geïnterpreteerd moet worden om toegang te krijgen tot de oorspronkelijke tekst.
Anders gezegd: de oorspronkelijke tekst bestaat niet los van de telkens wisselende interpretaties, zelfs niet voor de schrijver (die zelf zijn eigen eerste lezer en interpretator is). In den beginne was de vertaling.
Martin de Haan


























Laat ik me nader verklaren. Waar ik op doel is de wonderbaarlijke dosering van geestelijke energie die door de deadline wordt afgedwongen – wonderbaarlijk, omdat die dosering zich grotendeels aan het bewustzijn onttrekt. Het gaat hier ongetwijfeld om een psychisch mechanisme dat zich niet tot het vertalen beperkt maar op algemeen menselijke activiteiten van toepassing is, om een soort modulatie of regulatie van het probleemoplossend vermogen, op zodanige wijze dat het werk precies op tijd af is – nou ja, in de meeste gevallen toch.
Nederlandse literair vertalers zitten qua inkomenspositie in de Europese middenmoot, zo blijkt uit een groot 
Zo ontspint zich bijvoorbeeld rond het noenmaal een gesprekje: ‘ – Wat zal ik u dienen? Wilt gij wat sop? – Ik bedank u. Ik zal u wat ossenvleesch vragen. Het ziet er zoo goed uit. – Wat stuk eet gij het liefst? Wilt gij wel gaar of weinig gaar? – Ik heb het niet geêrne te gaar. – Ik geloof dat dit stuk van uwen smaak is. – Het is kostelijk. […]’
Een paar dagen geleden was het weer zover: ‘Kunt u mij vertellen hoe ik aan een (bèta?-)versie van tovertaal kan komen. Als taalfreak ben ik daar wel benieuwd naar. Omdat ik mijn blog in het engels voer moet ik nogal eens een stuk tekst vertalen voor dat doel, en dat kost me eigenlijk wat teveel tijd naar mijn zin.’
Vandaar, exclusief voor de lezers van deze blog (of is het dit blog?), mijn apocriefe antwoord op de vraag: 




