Fix me

Het zal de leeftijd zijn, want ik ben niet de enige van mijn vrienden die slecht in de wedstrijd zit. Vorige week at ik bij Toscanini met Rob en Ivo, en viel me de moeite op die het ons kostte om niet te praten over ziekte, dood en het verdampen van het marktaandeel van literaire fictie.

We zaten op tafel drie en Tosca was als vanouds geweldig: ik laadde steeds een paar risottokorrels op mijn vork, genoot van hun weerstand als ik ze met het puntje van mijn tong tegen mijn tanden plette. Ik dacht aan constantie van kwaliteit – dat het hem niet zit in iets extreem goed kunnen, maar in iets heel lang goed blijven doen.

Voor de gast lijkt zo’n keuken stabiel, maar ik ken het werk van binnenuit: elke dienst vraagt improvisatie, schakelen, het overwinnen van een inmiddels bekende paniek. Doe je dat jaren achtereen zonder ooit af te laten, dan ontstaat wat op een buitenstaander overkomt als constante kwaliteit.

Ik keek naar Rob, die met amateurpsychologische verve over zijn sores praatte. Ik luisterde naar Ivo, hopend dat zijn aanstaande diagnose een milde zou blijken – hoewel een slepende ziekte natuurlijk schitterende literatuur oplevert; afgelopen maandag pitchte ik bij De Vertellers van Helmers vast zijn postuum te verschijnen, door Rob en mij in tranen af te ronden Een schitterend verval. Uitgever Paloma keek zeer geïnteresseerd en ging vrij vroeg naar huis, waarschijnlijk om in alle rust te denken over de omvang van ons voorschot.

Toen Rob en Ivo klaar waren met hun verhaal ging ons menu al richting Anjouduif. Ik schraapte mijn keel, schonk nog wat wijn in en begon over mijn dode vader, mijn dode hond, de rest van mijn problemen; dingen die ik heb verkloot die door de dag heen steeds weer bij me terug komen. Het luchtte niet echt op, maar onprettig was het ook niet. Bovenal bleef ik zitten met de wens dat iemand me simpelweg even kwam fixen. Met een speciaal soort dopsleutel of zo.

Een van ons, dacht ik al pratend, moest nu echt een grap maken.

Ik weet niet meer wie hem maakte en ik weet niet waarover, maar de grap kwam en met het vallen van de avond boven die mooie zaal van Toscanini waar ik zoveel uren heb gewerkt, waar ik B ontmoette, waar we getrouwd zijn, waar mijn kinderen ongetwijfeld zullen werken en lachen en eten en drinken en nachten zullen overslaan, werd het wat lichter boven tafel drie.

Het leven, dacht ik even later, hompjes afkalvend van de beste panna cotta ter wereld, zou waarschijnlijk nooit meer extreem goed worden. Maar misschien kon ik het nog heel veel dagen goed proberen te doen, en zouden al die dagen dan vanaf het eind bezien overkomen als een prestatie van constante kwaliteit.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Variaties op een thema

‘Variaties op een thema’ is een belangrijke compositievorm in de klassieke muziek. De componist neemt een melodie, soms uit een stuk van een ander, soms zelf bedacht, heel soms een populair straatdeuntje of volksliedje, en maakt er variaties op. In die variaties ben je als componist volkomen vrij. Vaak is de melodie vrijwel onherkenbaar. Pas als je de variaties analyseert, vind je de grondtonen terug.

Ik ga eens proberen hetzelfde te doen met taal. Ik neem een stukje uit het verhaal ‘Het laatste oordeel’ van Jan Brokken. Het verhaal staat in de bloemlezing van Joost Zwagerman: De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen (Prometheus, 2009).

Thema

‘Eén strekkende meter, hè?’

Hij heeft het goed verstaan. Na de begrafenis dacht ik wel eens dat hij doof was, of op z’n minst Oost-Indisch doof, maar dit heeft hij in ieder geval opgevangen. Hij heeft begrepen dat hij het huis moet verlaten.

‘Eén strekkende meter, ja.’

Met zijn stok duwt hij de deur van de studeerkamer open. Ik laat zijn arm los en draai de knop van de verwarming open. Zijn ogen gaan het vertrek door, een hoge, langwerpige kamer met honderden boeken tegen de wand, duizenden… zestig strekkende meter. Hij knikt naar de kaften, schuifelt naar de leren fauteuil die in een hoek van de kamer staat, laat zich vallen en trekt aan het koord van de leeslamp, automatisch.

‘Meteen beginnen?’

Variatie 1

Lente. Ik werd vanochtend wakker van het gekwetter van twee vogels buiten bij mijn raam. Zonlicht kwam van onder mijn gordijnen vandaan. Als kind dacht ik aan de hoeveelheid licht die mijn kamer inscheen te kunnen zien hoe laat het was. Ik heb die illusie al lang niet meer, maar hij flitst toch altijd even door mijn hoofd als ik ’s zomers wakker wordt, als een ‘weet je nog?’. Het is half zeven. Het tijdstip van wikken en wegen. Om zeven uur gaat de wekker. Heeft het nog zin om me om te draaien?

Ik besluit van niet en stap uit bed, kleed me aan. Een mooie dag voor een wandeling in het park. Een wandeling met op het einde een zitplaats onder een boom met een boek. Ik ontbijt rustig, poets mijn tanden en stap mijn logeerkamer annex thuiswerkplek annex extra kamer binnen. Ik draai zoals altijd de luxaflex open. Tegen de muur staat een grote boekenkast vol boeken. Op mijn bureau ligt een stapel boeken die ik nog wil lezen. Iets nieuws of iets herlezen? Iets nieuws. Ik kijk naar de titels en de schrijvers. Waar heb ik het meest zin in?

Variatie 2

Ik had een kamer gevonden. Eindelijk. Al die maanden dat geforens, ik werd er niet goed van. Na veel rondgevraag, appjes in appgroepen, reacties op kamernet en room.nl, had ik dan gelukkig wat gevonden.

Ik zat voor mijn boekenkast. Niet alle boeken konden natuurlijk mee. Ik moest kiezen. Uiteraard, het was geen definitieve keuze; de boeken hier bleven gewoon staan. Maar toch.

Een Grijze Jager voor old time’s sake? Al die uren die ik als klein kind op de bank had doorgebracht. Het boek gehaald en dezelfde dag alweer bijna uit. Mee met de avonturen van Will en Halt, de paarden Trek en Abelard. Het gesuis van de snel afgeschoten pijlen. Pas geleden was ik op een feestje en sprak met iemand over boeken. Hij zei dat hij nu niet meer las, maar vroeger als kind verslaafd was geweest aan de Grijze Jagers. Een half uur lang hebben we gesproken over de veldslagen en de trainingen. De Skandiërs en de Temujai. Alsof we er zelf bij waren geweest.

Nescio? Afgelopen zomer gelezen, in het vliegtuig naar Praag. Kopland? Voor een gedicht voor het slapengaan. Die eerste keer dat mijn vader mij een gedicht voorlas. Het was Koplands Abe Lenstra. Ik trok Pfeiffer uit de kast. Mee?

Variatie 3

‘Je mag er maar één meenemen,’ zei Lottes vader. ‘Kies de mooiste.’

‘Waarom papa?’

‘We kunnen ze niet allemaal ophangen.’

‘Waarom niet?’

‘Zoveel ruimte hebben we niet.’

‘Waarom niet?’

‘Lotte, ik ga hier verder niet over discussiëren. Je mag er een meenemen.’

‘Maar–’

‘Lotte!’

Lotte trok een sip gezicht en draaide zich om naar haar tafeltje, waar de vijf tekeningen lagen die ze had gemaakt. Ze waren de enigen in het klaslokaal en ze vroeg zich af hoe lang ze hier kon staan voordat haar vader echt boos werd. Voordat hij er een uitkoos. Ze raakte de tekening die in het midden van haar tafeltje lag aan. 

Variatie 4

Hendrik en Else liepen door de Hugo de Grootstraat. Het was donker. Er stonden maar een paar lantaarns in deze straat. Veel schaduwen. 

‘Ik ben benieuwd naar je huis,’ zei Else.

Hendrik glimlachte en legde een arm om haar schouders. ‘Het is niet veel bijzonders hoor.’

‘Maar toch.’

Hendrik voelde Elses das tegen zijn hand. ‘Net die platenhoes van Bob Dylan, maar dan in de nacht,’ dacht hij even.

‘Hier is het.’ Hij opende de deur. ‘Je kan nu nog weg.’

Ze lachte en stapte naar binnen. Hij volgde.

Jassen aan de kapstok. Schoenen tegen de plinten.

‘Laten we in de bibliotheek gaan zitten.’

‘De bibliotheek?’ zei ze, haar wenkbrauw optrekkend.

‘Jup.’ Hendrik ging haar voor de trap op en duwde de deur links op de overloop open.

Er stonden een bank en een stoel. Allebei van de Ikea. Hendrik klikte het licht aan. Langs de muren boekenkasten gevuld met boeken, gerangschikt op alfabetische volgorde. De kasten stonden niet stampvol. Er was nog ruimte voor meer. Hendrik ging op de bank zitten en knipte het leeslampje aan. Else liep langs de kasten en bekeek de boeken. Soms hield ze even stil, trok er een uit en schoof het weer terug. Halverwege brak ze af, floot tussen haar tanden en kwam naast hem zitten.

"Foto van Sybren Sybesma"
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Een oorlog goed voor de meeste bewoners…

(De wereld in stukken 16)

The Falklands zouden volgens wie beide zagen redelijk wat weg hebben van het Schotse Island of Skye, qua landschap. Bij de Schotse Highland Clearances (1750-1860) werden veel arme boeren van hun land geschopt en verdwenen noodgedwongen in een diaspora, sommigen van hen naar deze eilanden nabij de Argentijnse kust.

Op 2 april 1982 landden de Argentijnen op de Falklandeilanden. Naast West en East Falkland bestaande uit rond de 500 kleine eilandjes – op sommige slechts een familie – met gezamenlijk een oppervlak van Jamaica en slechts 1.800 inwoners. ‘De Argentijnen verklaarden dat ze waren gekomen om de eilanden te bevrijden van het kolonialisme, en bevalen dat scholen in het Spaans les zouden geven en dat iedereen aan de rechterkant van de weg moest rijden.’

In Noord-Engeland kampeerde ik een paar jaar geleden ergens langs Hadrian’s Wall bij een boer en op dat terreintje stond nog een tentje. Een vaal verschoten tent met een kop eruit van een man van middelbare leeftijd, Ted, die een veteraan uit de Falklandoorlog bleek te zijn. We deelden een paar biertjes en Ted bleek niet goed terechtgekomen te zijn. De tent waarin ik hem zag, daar woonde hij feitelijk in. Zijn zus deed soms iets voor hem maar een huis lukte niet echt, zijn kinderen zag hij niet meer.

In de zeventiger jaren waren de Falklands straatarm. Grote Engelse bedrijven bezaten de Farms en waren zelf afwezig. Er werkte wie er al vijf generaties woonden en wat mensen die elders niet deugen wilden. Lord Shackleton, de zoon van de Antarctica reiziger en zelf Labour politicus werkte een plan uit waarbij de grote bedrijven opgeknipt werden en de grond aan de bevolking verkocht.

‘Tot voor kort waren de Falklandeilanden een quasi-feodale kolonie, waarin een arcadisch Groot-Brittannië uit het verleden in microkosmos bewaard was gebleven. De eilandbewoners, die bijna allemaal Britse afkomst claimden, aten Brits en legden Britse tuinen aan, met overvolle bloembedden en kabouters. Er wapperden Union Jacks uit hun auto’s en kassen. Ze gaven zich over aan uitingen van patriottisme die zeldzaam waren in het moederland: ze vierden de verjaardag van de koningin en zongen elke zondag het volkslied in de kathedraal. Als oudere eilandbewoners over Groot-Brittannië spraken – zelfs als ze er nog nooit waren geweest en hun families al vijf generaties op de Falklands woonden – noemden ze het ’thuis’.’

Generaal Leopoldo Galtieri, President van de junta van Argentinië, viel het eilandenrijkje binnen in april 1982.

‘Het conflict duurde vierenzeventig dagen; ongeveer zeshonderdvijftig Argentijnen en tweehonderdvijftig Britten, evenals drie Falklandeilanders, stierven. Op 14 juni gaf Argentinië zich over. De commandant van de Britse landstrijdkrachten stuurde een bericht naar Londen: “De Falklandeilanden staan ​​weer onder de door hun inwoners gewenste regering. God save the Queen.’

Shackleton maakte opnieuw een plan om de zaak economisch vlot te trekken, de bewoners werden in een keer allemaal Brits en de geldkraan ging open. In 1986 durfde het VK de visrechten tot en met 150 km buiten de kust van de eilanden aan de eilanden toe te wijzen. De Antarctische diepzeeheek kon eindelijk niet door Russen en Taiwanezen maar door Falklanders zelf gevangen en verkocht worden. Thans is het inkomen op de Falklands op gelijk niveau als dat in Noorwegen en Qatar.

Ted, in zijn verschoten eenpersoonstent nabij Carlisle, Engeland, had vrienden verloren en kreeg die tijd maar niet uit zijn kop. Misschien woont hij er nog steeds. Hij vroeg of hij m’n laatste blik bier mocht, ging vroeg naar bed, op een hele mooie avond.

Lezen: (en ruim geciteerd uit) Larissa MacFarquhar ‘How Prosperity Transformed the Falklands’ The New Yorker, 29 juni 2020

W.H. Hudson Ver weg en lang geleden, een prachtig autobiografisch verslag van een jeugd op de Argentijnse pampa’s

Bruce Chatwin In Patagonia (en een stukje erover)

Naar kaart 17

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Tandenborstelverdriet

Nadat ik haar lichaam net zo aandacht had uitgelezen als de roman die ik eerder die dag meteen weer vergeten was, draaide ik me om en sloot mijn ogen. Mijn verslapte aandacht had niet aan de roman gelegen, niet aan haar, maar volledig aan mezelf. De stilte lag tussen ons in als een wakend dier, klaar om iets of iemand te verscheuren.

Ik hoorde hoe de wijzers van de klok in mijn slaapkamer tien keer rondgingen en zette me schrap, omdat ik ergens al wist wat nog zou komen. De vorige paar keer hadden we gepraat, gelachen, gelegen. Vielen we samen in slaap. Nu was ons zwijgen oorverdovend.

‘Slaap je al?’ vroeg ze, en ik hoorde hoe ze zich omdraaide, voelde haar zachte adem in mijn nek. Ze ging met haar hand door mijn haren, alsof ik nu al moest getroost.

‘Ja,’ probeerde ik nog, en ze lachte, maar meer uit ongemak, denk ik nu. ‘Misschien is het beter als we morgen praten,’ zei ik, om de tijd te rekken.

Morgen zou ik vast een uitweg hebben verzonnen, had ik een beter antwoord klaar, kon ik ons nog redden van een afscheid, dacht ik. Ik zou valse dingen zeggen over hoop, over tijd, over ons. Over mij.

‘Het is beter als we nu praten, en dat weet jij ook,’ mompelde ze en knipte het lampje op mijn nachtkastje aan. ‘Anders stellen we uit en dan weet ik niet of ik het nog kan.’ Ze sprak de woorden uit alsof ze de zin zorgvuldig had voorbereid, uit haar hoofd had geleerd.

Haar ogen waren rood, alsof ze net had gehuild. Waarschijnlijk was dat ook zo, en had ik dat opgemerkt, als ik me niet meteen had om gedraaid, als ik niet had weggekeken, weer had weggeken.

‘Moeten we er niet een nacht over slapen, los van elkaar? Je slaapt altijd beter in je eigen bed, toch?’ probeerde ik nog. Voordat ik wilde voorstellen dat ik ook op de bank kon slapen, ging ze rechtop zitten en keek me aan.

‘Ik denk dat het echt beter als we nu praten,’ zei ze, zo zacht dat ik het bijna niet verstond, en daarna nog iets over haar laatste trein. Ik ging ook rechtop zitten en ontweek iedere vorm van oogcontact.

‘Dus je wilt echt praten, nu?’ vroeg ik voor de laatste keer, alsof dat haar nog van gedachten zou doen veranderen. Als ik naar haar had gekeken, had ik waarschijnlijk gezien dat ze knikte.

‘Ja, ik vrees van wel,’ fluisterde ze. ‘Ik heb mijn tandenborstel ook niet meegenomen.’

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Handleiding voor de regentijd van Suriname

Twee emmertjes water halen, … daarna op het erf legen. En dan het proces weer opnieuw uitvoeren. Ik ben uren bezig en er lijkt geen einde aan te komen. Tenminste is één kamer nu droog. De andere twee slaapkamers, de woonkamer en de keuken zijn nog vol met water.

In het begin maakte ik me geen zorgen om de grote regenbui die in de vooravond van zondag 23 april startte. We zitten namelijk in het grote regentijd seizoen in Suriname, dus is het te verwachten dat er enkele zware regenbuien zullen langskomen, maar toen het na een uur nog steeds zwaar bleef regenen, de straat helemaal blank stond en het water in het toilet steeg, begon ik mij wel zorgen te maken. Helaas na twee uren werden mijn angsten waarheid, het water begon langzaam door de spleten onder de deuren naar binnen te glijden, vanuit het erf dat nu ook blank stond. Heel langzaam schoof het doorzichtige substantie alsof het voorzichtig de omgeving aan het verkennen was om te zien waar het precies naartoe kon gaan. Daarna begon die steeds verder en meer naar binnen te stromen. We probeerden in het begin tegenstand te bieden. Zoveel mogelijk water weg te scheppen en te dweilen. Maar we waren niet opgewassen tegen het natuurgeweld. Het water begon steeds harder en met enige regelmaat zich naar binnen te stoten en we gaven het na dertig minuten op. Belangrijke spullen die op de grond stonden werden op tafels geplaatst, zoals kabels van apparaten en schoeisel.  Het water had de keuken intussen al gekoloniseerd en ging nu richting de kamers. We keken machteloos hoe het water sierlijk gleed over het oppervlak. De keiharde regen was geen moment in kracht afgenomen. De berichten op de socialmediakanalen gaven mee welke andere plekken in de binnenstad door het water werden gegijzeld. Eerst de plekken die vaker slachtoffer werden, zoals de Domineestraat, Costerstraat en de Gravenberchstraat. Maar andere plekken die voorheen gespaard waren gebleven, werden ook getroffen. 

Wat was dit fenomeen dat nu de binnenstad van Paramaribo aan het teisteren was en waaraan geen einde bleek te komen? Waren de sluizen wel opgewassen tegen de hoeveelheid water die naar beneden zeeg? Hoe ging het met de mensen die op straat waren?

Het water had intussen alle kamers in het huis bereikt en begon zich te settelen. We besloten maar te gaan liggen, in de ochtend zouden we wel een assessment maken van de situatie en dan te werken aan de wederopbouw. 

In het ochtendnieuws op de radio werd aangegeven dat de meteorologische dienst Suriname zegt dat het om een combinatie van de normale neerslag, die de intertropische convergentiezone met zich meebrengt en een storing die het geheel verder opvoert, ging. ‘De zware regens houden de komende dagen aan’ werd als waarschuwing meegegeven. Ik zucht. De scholen waren gesloten omdat een aantal onder water stond en een aantal moeilijk te bereiken was omdat de wegen in de omgeving nog onder water stonden. Een aantal bedrijven hield hun deuren gesloten. En verschillende auto’s stonden als sculpturen op de verschillende wegen, ze leken deel van het decor van een post-apocalyptisch evenement.

Terwijl we het water uit het huis aan het scheppen waren, vroeg ik mij af of we hieraan wel zouden kunnen wennen, steeds vaker watersnood in de binnenstad van Paramaribo bij regenbuien. Met klimaatverandering zal dit fenomeen namelijk vaker voorkomen aangezien er gespeculeerd wordt dat het ook vaker zwaar gaat regenen. Hoe moeten leerkrachten inspelen op ondergelopen leslokalen, school erven en straten in de omgeving? Hoe moeten werkplekken inspelen op de ondergelopen straten waardoor werknemers moeilijk of het werk niet kunnen bereiken. 

Het boek Waterjager van Chris Polanen, een werk van fictie, lijkt nu steeds meer de toekomst accuraat te voorspellen. 

We moeten nu echt gaan denken aan een handleiding ‘hoe in de komende jaren met de regentijd in Suriname’ om te gaan. Een applicatie waar bijvoorbeeld kan worden ingevoerd welke straten of buurten te vermijden bij zware regenval, zou ook een goeie zijn om te hebben op je telefoon. We moeten de aanpak van deze situatie niet alleen overlaten aan de overheid, maar als burgers ook zelf komen met initiatieven aangezien wij allemaal met de consequenties moeten omgaan. Anders is het water naar zee dragen, pun intended.

"Foto van Kevin Headley"
Kevin Headley

Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

Slapen, schrijven

De zon werd als een vlag aan het vlakke firmament gehesen en de vogels floten scheve liedjes toen ik de stationshal van Amersfoort binnenliep. Kolonies halvegaren liepen in polonaiseformatie naar de trein richting de hoofdstad, die meer dan tien wagons telde. In Amsterdam wachtten Mus en Mary op me, de katten van Gil.

Net als vorige zomer mocht ik weer even de kattenbewaarder zijn, en dat kwam me goed uit: vorig jaar schreef ik in dat kraaiennest de meeste gedichten voor Deus Ex Machina af. Alle gedichten waar ik aan begon de afgelopen weken stribbelden tegen, dus ik hoopte weer het een en ander af te krijgen.

Maar niet vandaag, vandaag niet. Ik had geen seconde geslapen en wist niet of ik nog steeds dronken was, of al brak. Alles wat ik wilde was wat rust, en niemand naast me. Met het laatste beetje helderheid dat ik nog bezat, besloot ik naar de achterste wagon te lopen, in de hoop dat de oranjegangers te lui waren om hetzelfde te doen. Elke stap die ik zette voelde als een aanslag. Mijn kleding rook alsof het was gewassen in een teil met verschraald bier, mijn lever bonkte harder dan mijn hart en de kater klampte zich aan mijn been als een blok gewapend beton. Het meisje met wie ik die nacht zoende in een zijstraatje had ik slordig en maar deels uit mijn mond gepoetst.

Ik bereikte de achterste wagon ongeschonden, opgelucht als een paling die voor de eerste keer Saragossa ziet. De coupé lag in een kalmte die weinig goeds kon betekenen, zo kalm. Het klopte: vlak nadat ik mezelf had gedeponeerd op het harde blauw van de intercity kwamen de eerste feestvierders binnen. Ze trokken de eerste blikjes bier open, terwijl ik mijn laatste biertjes nog op mijn lever voelde.

Binnen een paar minuten was het hele treinstel gevuld. Een jongen vroeg me of ik mijn tas kon weghalen, zodat hij kon zitten. Ik gehoorzaamde, schoof de tas onder de stoel en begroef mijn blik in het boek dat ik toch niet zou kunnen lezen. Zijn stem doorboorde mijn trommelvlies met elke woord dat hij uitbracht.

Na een half uur stommelde de trein Amsterdam Centraal binnen. Ik wachtte tot iedereen zich verplaats had naar het perron, trok mezelf omhoog aan de stoel voor me en liep zo snel als ik kon de trein uit, het perron af, het station uit. Weg van de oranje massa die naar de binnenstad stroomde.

Met een omweg bereikte ik de rust van het Prinseneiland. Nog even, dacht ik, nog even en ik zou in de nok zijn, waar de wereld zo mooi weg kon vallen. Nadat ik vier sleutels in het slot van de benedendeur had gestoken, paste de vijfde. De trap gromde me toe als een valse zwerfhond en verzuurde mijn benen, nog voordat ik één stap had gezet.

Uitkijkend naar de aankomst in de nok duwde ik de deur dicht, om aan mijn klim te beginnen, maar het zware ding leek te klemmen. Ik duwde nog een keer, maar nu iets harder.

‘Pas op!’ riep een meisje, dat aan haar stem te horen niet ouder dan tien jaar kon zijn.

‘Wij moeten er ook in!’ riep een ander meisje, ook niet ouder dan tien jaar. Twee jonge, glunderende gezichten verschenen, met een frisheid die alleen is gegeven aan iemand die zich niet had gegeseld met twintig bier. Ze hadden allebei een step aan hun hand en keken me nieuwsgierig aan.

‘Sorry,’ zei ik en begon de trap te beklimmen.

‘Wat doet u hier?’ vroeg het ene meisje, terwijl de ander de deur in het slot liet vallen. Ik hield me vast aan de trapleuning toen ik me omdraaide.

‘Slapen,’ mompelde ik.

‘Maar het is middag!’ riep het meisje dat de deur dicht had laten vallen uit en zette haar paarse step neer.

‘Schrijven, dan,’ antwoordde ik op de vriendelijkste manier die ik in me had. ‘Ik ga schrijven.’

De meisjes haalden hun schouders op, alsof ze me niet geloofden, maar mijn geloofwaardigheid ze niet genoeg kon schelen om er verder op in te gaan. Ze schoten langs me heen, de trap op. Een van de meisjes keek nog even achterom.

‘Welterusten dan, meneer,’ riep ze en verdween de middag in.  

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Gilles van der Loo"
    Gilles van der Loo

    Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

  • "Foto van Anna op de Weegh"
    Anna op de Weegh

    Anna op de Weegh schrijft experimenteel theater over honger, onhoudbare transformatie en de (her)ontdekking van een lichaam. Haar teksten zijn vlezig, tactiel en poëtisch. In de afgelopen vier jaar werkte ze o.a. als dramaturg, liep ze stage bij Theater Utrecht als regieassistent voor de voorstelling Panic Room en zette ze samen met Maggie Thedinga het tweekoppige collectief Disgusted & Horny op.

  • "Foto van Milo van Bokkum"
    Milo van Bokkum

    Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.