Een minachtend firmament – over herinneren

(De wereld in stukken 15)

Elke herinnering vernieuwt het beeld van waar de herinnering over ging, we herinneren ons dus herinneringen, en hoe meer je je iets herinnerd hebt, des te onbetrouwbaarder is het waarschijnlijk, steeds verandert er iets kleins. Persoonlijke mythologie zou je het kunnen noemen. Naarmate je ouder wordt zit je met meer onrechtmatigs opgescheept. Op deze kaart staat een gebied van betrekkelijke oude herinneringen. Mijn eerste grote reis ging naar Nicaragua waar mijn broer woonde die ik een paar jaar niet gezien had. Ik was 19. Boven Panama geraakte ik met mijn vliegtuig in een luchtzak, we vielen driehonderd meter naar beneden en het voedsel zat aan het plafond. (zie kaart 6, mijn laatste herinnering eraan.)

In de patio in Managua las ik zes delen Paustovski en een paar delen Machado de Assis. Zomaar wat herinneringen die ik me al zo vaak herinnerd heb. Er is ook een problematische. Ik bezocht Omotepe, het eiland in het Lago de Nicaragua, (waarin endemische zoetwaterhaaitjes zwemmen)  waar in een dorp aan de hoofdstraat pre-colombiaanse ‘stone idols’ stonden, veel, ik liep er bewonderend langs me afvragend waarom ze daar op een rij stonden en volgde met een vinger de mooie labyrintische patronen erop. Op een enkele droogden de buurtgenoten hun was). Een paar jaar later was ik er opnieuw en waren ze allemaal weg. Alleen kan ik dit niet staven aan herinneringen van anderen, noch aan foto’s. In Honduras en Guatemala zag je veel meer Maya-tempelcomplexen. Misschien vielen de beelden daarom ook op in 1990.

Zijn er landen die meer geleden hebben onder de mateloze bemoeizucht van neokoloniale mogendheden, zoals we de VS op zeker moment toch wel mogen noemen? Het begon met een gek, William Walker, filibuster, die zich in 1855 president van Nicaragua noemde. Groot voorstander van slavernij als hij was maalde hij niet zo om wat de plaatselijke bevolking ervan vond. De Somoza-dynastie werd van 1927-1979 door de VS in het zadel geholpen en gehouden, en kort daarna kreeg je de vreselijke neiging van Ronald Reagan zich ermee te bemoeien. Begin jaren ’80 droeg hij zijn steentje bij aan de Koude Oorlog door de Contra’s die vochten tegen de marxistische Sandinisten te steunen met geld en wapens. Veel wapens vonden hun weg naar de drugskartels (zie de onthutsende film American Made met Tom Cruise, 2017). In de jaren ’90 was Augusto Sandino nog zeer aanwezig op muurschilderingen (de muurschildercultuur in Centraal-Amerika!) De revolutionair met de grote cowboyhoed stond zelfs als een silhouet op een heuvel aan het Lago de Managua.

Een Hondurese herinnering die afgesleten en ongetwijfeld aangepast is geraakt is die aan Jan Saal. De zeeman uit Rotterdam die we begin jaren ’90 in La Ceiba ontmoette in zijn hotel, vertelde over hoe hij er beland was en over zijn betrekkelijk avontuurlijk leven niet uitgepraat raakte. Zijn uitspraak ‘De tropen heb mijn altijd heel best bevallen’, is gevleugeld geraakt en mompel ik iedere keer als ik in de tropen belandt. Want ik deel zijn voorkeur. Ik voel me opmerkelijk goed in de tropen.  Waarschijnlijk is dat op zijn beurt een aangepaste vorm van persoonlijke mythologie. Ik voel me er goed omdat ik me herinner me er goed te voelen.

Ik zwierf er maanden rond dus de herinneringen zijn legio. Papegaaien in een vulkaankrater, rum uit plastic zakjes, Amerikanen die niet wisten in welk land ze waren, met 100 km/u tegen een veestapel oprijden, een dolgelukkig varken in de branding. Stuk voor stuk ijkpunten in het begrip van de wereld en tegelijkertijd hopeloos particulier. Op 22 juli 1990 was er minder particulier een totale zonsverduistering. In de Maya-mythologie een zeer duister voorteken. De lucht werd zwaar als lood, mensen gilden, dieren krijsten, kippen waren onthutst. Iets als deze aardbeving in León:

Aardbeving Nicaragua

’t Is vroeg; de witte huizen, kerken, tuinen,
De hekken waar ik langs liep, spelend kind,
Als man ’s nachts zong, staan in de stilte samen
Al eeuwen tot een stad; er is geen wind.

De maan bleekt in ’t azuur; teerrood begint
De dag over de heuvlen, voor de ramen.
Daar komt de schok, schuin knikken oude huizen,
Er puilen menschen uit, van angst doof, blind,

Knielen op straat dicht naast elkander. Help,
Heilige God, Santa Virgen! De bodem siddert,
Als door onzichtbre klauwen ingetrokken.

De lucht wordt zwaar als lood. Komt er geen wind?
’t Is of de dood de weerlooze aarde worgt,
Terwijl het firmament minachtend toeziet.

(J. Slauerhoff vertaalt hier de Nicaraguaanse dichter Rubén Darío (hier een aardig stuk erover in Hollands Maandblad)

Een León zonder wind, de zon brandde er door mijn t-shirt heen. Een wereldkaart is ook een verzamelplaats van persoonlijke mythes. Een vreemd en eindeloos labyrint van steeds iets verschuivende herinneringen. De volgende keer plakt Time in a bottle van Jim Croce eraan vast, gewoon omdat dat nu op de radio is… Wat is er eigenlijk onveranderlijk op deze wereld?

Lezen: Paul Theroux The Mosquito Coast

Salman Rushdie De glimlach van de jaguar.

Kijken: American made

Naar kaart 16

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Eine kleine Nachtmusik

De zaal zat vol met mensen. De interviewer links van me had al zijn vragen gesteld en keek de zaal in. Nu mocht het publiek mij aan de tand voelen. Er gingen verscheidene handen de lucht in. Aan beide zijden van de zaal stonden mensen met microfoons aan lange stokken, wachtend om de microfoon voor de mond van de vragensteller te houden. De interviewer wees iemand aan.

De man stond op en wachtte even tot de microfoon stil hing. Even ging zijn hand ernaartoe om hem vast te pakken, maar halverwege de beweging liet hij zijn hand weer zakken. Ik draaide mijn stoel in zijn richting.

‘Waarom geeft u in de zomer geen concerten meer? Tot een paar jaar geleden deed u dat nog wel. Doet u dat bewust of komt het gewoon iedere keer niet goed uit met uw andere plannen?’ Hij ging weer zitten.

Ik lachte en wendde me weer tot de zaal.

‘Ja, dat is wel een leuk verhaal.’

‘Vertel,’ zei de interviewer, zijn wenkbrauwen optrekkend.

Ik knikte in de richting van de vragensteller. ‘Ja. ’s Zomers treed ik niet meer op. Ik doe dat bewust: ’s zomers is het te warm en dan slaap ik niet goed. En zoals je weet zijn de meeste concerten in de avond, zo rond een uur of acht, negen en dan ben ik echt al helemaal gesloopt.’ Ik maakte een gebaar met mijn handen. ‘En als ik moe ben, kan ik ook gewoon niet goed Schubert en Chopin spelen, om van Bach nog maar te zwijgen. En dat is natuurlijk niet heel handig.’ De zaal lachte.

‘Oh dat is interessant,’ zei de interviewer. ‘Maar waarom bent u dan opeens opgehouden met zomerse concerten? Ik neem aan dat u al uw hele leven slecht slaapt in de zomer.’

‘Ja, daar kom ik nu op inderdaad,’ zei ik.

‘Sorry. Ga verder.’

‘Een paar jaar geleden moest ik hartje zomer een concert geven op een openluchtfestival. Schubert, Schumann en Brahms stonden op het programma. De weersverwachtingen voorspelden niets goeds voor mij: de dagen voor het concert zou het heet worden, overdag zo’n dertig graden en ’s nachts zou het ook niet echt afkoelen. Ik bad echt al een maand voor het concert – en ik bid eigenlijk nooit – dat het de avond voor het concert zou gaan regenen, of stormen, of keihard vriezen. Overigens wenste ik er gelijk bij dat het op de avond van het concert zelf lekker warm zou zijn en niet regende, want ja: openlucht.’ De zaal lachte. ‘Of het die tegenstrijdigheid in mijn wens was, of iets anders, maar de weersverwachtingen veranderden niet. Het was ontzettend heet en ik sliep slecht. Ik wist mij geen raad. Hoe kon ik ervoor zorgen dat ik beter sliep zodat ik het concert tot een goed einde kon brengen? Dus belde ik mijn zus.’ De zaal lachte. Ik maakte een weet-niet-gebaar met mijn handen en de zaal lachte nog harder. ‘En mijn zus zei dat ik twee dingen kon doen: een airco installeren of ergens in huis gaan slapen waar het koeler was dan in mijn slaapkamer. Nou, probeer maar eens hartje snikhete zomer aan een airco te komen, dus er bleef maar één optie over. Ik herinnerde me van natuurkunde op school dat warmte altijd opstijgt, dus ik besloot beneden op de begane grond te gaan slapen. De nacht voor het concert sleepte ik mijn matras de trap af en legde het op het parket in de huiskamer. De huiskamer grenst aan de open keuken en dat is een zeer belangrijk detail voor de rest van het verhaal.’ De zaal grinnikte.

‘Ik was nog wel zo slim geweest om een oogmaskertje mee te nemen, want op de begane grond hangen geen gordijnen. Maar er was een hoop waar ik geen rekening mee had gehouden, zoals straks duidelijk zal worden.’ De zaal lachte wederom.

‘Inderdaad. Dus ik sloot mijn ogen en viel in slaap. Het was een stuk koeler en aangenamer dan in mijn slaapkamer. Vlak voor ik in slaap viel dacht ik nog: dit is de oplossing! Dit ga ik nu vaker doen!

‘Nadat ik een paar uur had geslapen, werd ik wakker van een lage bromtoon. Het was plotseling begonnen en het was iets mechanisch, iets machineachtigs, geen bromvlieg of mug. Het bleef aanhouden en werd ook steeds vaker gevolgd door een soort gereutel, zoals het geluid dat een rietje maakt als je het laatste restje vloeistof uit je glas opzuigt. Het zoemde rond in de kamer. Het kwam uit de keuken. Ik stond op en liep erheen, benieuwd wat het was. Het was de afwasmachine. De afwasmachine was, precies zoals ik ‘m iedere avond instelde, om precies drie uur aangegaan zodat hij klaar zou zijn als ik in de ochtend wakker werd. Maar normaal hoor je dat ding niet! Vloekend ging ik weer naar mijn matras en viel na enig gedraai weer in slaap.

‘Hier houdt het niet op. Een tijdje later klonk er een harde knal. Echt van pats!’ – ik sloeg mijn handen op elkaar – ‘Ik schrok op en vroeg me slaapdronken af wat er nu weer was gebeurd. Buiten hoorde ik een brommertje. Ik keek op mijn horloge. Het was bijna zes uur. De krant was net gebracht. Ik heb een brievenbus die hoog in de deur zit… Wederom, normaal hoor je dat niet!

‘Kreunend ging ik weer liggen en probeerde de slaap weer te vatten. Gelukkig lukte dat, maar ik had misschien een halfuur geslapen toen er een luid gepiep uit de keuken klonk, waar ik wederom van wakker schrok. De afwasmachine was klaar. Je kan begrijpen dat ik vreselijk veel zin had om dat apparaat volledig tot gruis te slaan. Oi oi oi. Was ik maar in mijn eigen bed blijven liggen. En toen dacht ik, dit nooit weer.’ Ik schudde droevig mijn hoofd.

‘En hoe ging het concert die avond?’ vroeg de interviewer lachend.

‘Nou, op zich niet heel dramatisch, maar dat was gewoon geluk. Ik voelde mij belabberd, werkelijk waar. Ik had minder geslapen dan ooit. Bijna had ik iemand gevraagd om me iets van drugs te geven, van die peppillen. Maar de adrenalinerush bleek uiteindelijk voldoende.’

‘Goed. Volgende vraag,’ zei de interviewer grinnikend en hij wees naar een jongen voorin de zaal.

De jongen stond op en pakte de microfoon wel vast. ‘Wat voor merk afwasmachine hebt u?’




"Foto van Sybren Sybesma"
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Ansichtkaart

In een la bewaar ik de ansichtkaarten die mensen me ooit hebben gestuurd. Omdat ik een poging deed om de vuilstort die ooit mijn bureau was op te schonen – in de hoop dat het ook op mijn eigen leven af zou stralen – kwam ik ze weer tegen.

Een vriend was neergestreken aan het Gardameer, mijn broertje vertoefde in Curaçao, een vriendin verbleef in een pittoresk dorpje in Spanje – paperassen van mensen die de wereld wilden zien, en gingen.

Op de achterkant hadden de afzenders kleinmenselijke, beknopte reportages geschreven over het weer, de omgeving, en wat ze allemaal hadden gezien. De krappe berichtjes gaven de gepolijste toeristenfoto’s wat meer kleur, bliezen leven in de vlakke stockfoto’s. Dat het goed met ze ging, zo schreven ze, en dat ze genoten. En hoe het mij verging.

Nadat ik nog meer van die bestaansbewijzen door mijn vingers had laten gaan, bleef ik steken bij een ansichtkaart van Malta. De ansichtkaart had me ruim vijf jaar geleden bereikt, en was van Een. Ook zij schreef over de omgeving, wat ze allemaal had gezien, en haar belevenissen, maar sloot af met het gegeven dat ik het meeste al wist, natuurlijk. En met drie kusjes.

Ik had al een tijdje niet meer aan Een gedacht, al bewoont ze nog steeds vrij hardnekkig de onderlaag van een deel van mijn gedachten. In de vijfde klas kruisten onze levens, voor Habemus Pizza, naast het Sint-Pietersplein. Na onze ontmoeting zagen we nog amper iets van Rome, omdat onze blikken vergroeiden met het scherm van onze telefoons en we alleen maar aandacht hadden voor de gevleugelde berichten die we elkaar stuurden.

Eenmaal terug in Nederland spraken we zo vaak af, als we konden. Ik weet nog hoe mijn hart als een technobas in mijn borstkas bonkte als ik in de trein zat om haar te zien, hoe ik geloofde dat ik zeker wist wat geluk was toen ze me de eerste keer aanraakte, hoe de verliefdheid in me groeide tot ik het gevoel had dat ik nooit meer in mezelf zou passen.  

Ik was nog nooit zo verliefd geweest. Maar zoals het met bijna iedere eerste liefde af moet lopen, liep het ook met ons af: we gaven elkaar op en liepen uit tot een bijzaak in elkaars bestaan.

Misschien is het de vertekening die altijd optreedt bij herinneringen aan een eerste liefde, maar ik denk dat ik me nooit meer zo heb verloren in iemand, als in Een. De weerhaken die aan die eerste liefde zitten, sloegen zich in mijn geheugen, en kwamen nooit meer los, van hoeveel meisjes ik daarna ook heb gehouden.

Ik keek net zo lang naar de ansichtkaart, tot de bootjes in de haven op de foto zwarte, dunne streepjes werden en begroef me in haar laatste woorden: dat ik het meeste al wist. Dat was toen, dacht ik, toen we elkaar elke dag spraken, van ieder detail, iedere gedachte, iedere minuscule gebeurtenis uit elkaars leven op de hoogte waren.

Alles wat er over was gebleven op dat kleine, breekbare moment waarop ik de ansichtkaart in mijn handen had: haar levensteken uit Malta. Heel even dacht ik aan hoe ons leven nu had kunnen zijn, als we nog samen waren geweest. Maar: ik had geen idee waar ze nu uithing, wat ze deed, wat ze dacht. Ik wist alleen dat er een tijd was geweest waarin ik het meeste van haar had geweten.

Met moeite legde ik de ansichtkaart op de stapel en borg die stapel op in de la, die ik zo zacht, zo teder, zo pijnloos mogelijk mijn bureau weer inschoof.

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

De mengkroes – Caraïben

(De wereld in stukken 14)

Er zijn van die kaarten waar het werkelijk ritselt van de verhalen. En waar je hard enorm van gaat kloppen. Starend naar dit kaartje overvalt me een soort Aleph gevoel: in het verhaal van Jorge Luis Borges met die titel  beschrijft hij een punt waar alles tegelijkertijd gebeurt en te zien is. Een kaart kan dat bewerkstelligen. Er zit zo intens veel leven en zo veel geschiedenissen in deze paar vierkante centimeter dat je altijd tekortschiet. Kiezen kan bijna niet, ik beperk me noodzakelijkerwijs tot drie verhalen die iets te maken hebben met de beweging van Afrika en Azië naar de Caraïben naar de VS en terug. (De Caraïben zijn over vier kaartjes verdeeld maar neem ik bij elkaar.)

1. In een der meesterwerk van de Amerikaanse journalistiek Joseph Mitchells McSorley’s wonderbaarlijke saloon bezoekt Mitchell een Calypso-avond in New York. Op Trinidad is de muzieksoort Calypso groot. ‘Excuses voor de onderbreking,’ zei Houdini, terwijl zijn blik het meisje volgde. ‘Wat ik maar wil zeggen, ik ben een echte Calypsoniaan, de enige in dit land. Al moet ik natuurlijk af en toe terug naar Trinidad om nieuwe inspiratie op te doen. Het is als een deur die lang geleden dicht is gedaan. De scharnieren zijn roestig. Maar zodra de roest van de scharnieren valt, wordt de deur weer soepel. Ik moet terug naar Trinidad om de roest van me af te laten vallen. Ik moet terug en wat calaloo eten. Dat is soep van blauwe zwemkrab. Het is een zondagssoep. Ik moet terug om gin juleps te drinken. Dat is melk van groene kokosnoten met gin.’ Calypso-zangers houden wedstrijden waarin het best beledigende lied wint. Roasts avant la lettre dus. Veel zangers hebben een schimmig verleden.

‘De voornaamste weldoener van de Calypsonianen is een Portugese zakenman die Edward Sa Gomes heet en een keten van muziekwinkels drijft op Trinidad en Tobago, een nabijgelegen eiland. Hij leent hen geld, betaalt hun borgsom als ze in de gevangenis terechtkomen en treedt als scheidsrechter op in hun eindeloze disputen. Als de zangers worden uitbetaald, geven ze hun geld onmiddellijk uit aan kleren en drank. Ze maken voortdurend ruzie met elkaar, soms uit geslepen zakelijke overwegingen. Houdini heeft bijvoorbeeld ooit een beledigend plaatje gemaakt dat ‘Executor, the Homeless Man’ heette. De Lord Executor antwoordde met een even beledigend plaatje, ‘My Reply to Houdini’. Mensen in Trinidad kochten beiden plaatjes, louter om te zien wiens reputatie er meer werd geschaad.’

2. De geweldige Lafcadio Hearn, van Grieks-Ierse afkomst, met een goed oog voor alle andere Amerikaanse culturen, met name Afro-Amerikanen en Aziatische volken, reist in de tweede helft van de 19e eeuw door de Caraïben en kijkt er, bijvoorbeeld op de markt in Martinique zijn ogen uit.

‘Een fantastische, verbazingwekkende bevolking- een bevolking van de ‘duizend-en-een-nacht’. Het is veelkleurig; maar de dominante tint is geel, zoals die van de stad zelf – geel in de vermenging van alle tinten die kenmerkend zijn voor mulâtresse, capresse, griffe, quarteronne, métisse, chabine – een algemeen effect van rijk bruinachtig geel. Dit is een volk van halfbloeden, het beste gemengde ras van West-Indië.

Recht als palmen, soepel en lang, maken deze gekleurde vrouwen en mannen een enorme indruk door hun waardige houding en gemakkelijke elegantie van beweging. Ze lopen zonder met hun schouders te draaien; – het perfect geplaatste torso lijkt rigide te blijven; toch is de pas een lange, volle stap, en het hele gewicht staat verend in evenwicht op het uiterste puntje van de blote voet. Geen, of bijna niemand, draagt schoeisel: het stappen van vele blote voeten over het verwarmde plaveisel maakt een aanhoudend fluisterend geluid.

Misschien wel de sterkste nieuwe indruk van alles maakt die van de bijzonderheid en schittering van bepaalde dameskostuums. Deze werden minstens honderd jaar geleden ontwikkeld door een of andere merkwaardige wet die de kleding regelde van niet vrije en vrije mensen van kleur, een wet die aanzienlijke vrijheid toestond met betrekking tot materiaal en tint, voornamelijk de vorm voorschrijvend. Sommige dracht suggereert de Oriënt: ze bieden prachtige gedurfde kleurcontrasten; en bovenal is het volledig bedekte kapsel zo opvallend oosters dat men in de verleiding zou kunnen komen te geloven dat het voor het eerst in de kolonie werd geïntroduceerd door een of andere mohammedaanse slaaf. Het is niet meer dan een reusachtige Madras-zakdoek, die met bewonderenswaardige kunst om het hoofd is gevouwen, als een tulband; een glanzend uiteinde is aan de voorkant doorgestoken en blijft als een pluim omhoog steken.’

3. Met steeds minder ruimte, steeds meer verhalen: Frank Martinus Arion De Deserteurs is een onderschat boek dat zijn tijd vooruit was: een Amerikaanse en Caraïbische geschiedenis aan de vooravond van de afschaffing van de slavernij.

4.Ten slotte, de held Derek Walcott over zijn Caraïben: ‘Dit is de basis van de Antilliaanse ervaring, deze schipbreuk van fragmenten, deze echo’s, deze scherven van een enorm stamvocabulaire, deze gedeeltelijk herinnerde gebruiken, en ze zijn niet vervallen maar juist krachtig. Ze overleefden de Middle Passage en de Fatel Rozack, het schip dat de eerste contractarbeiders van de haven van Madras naar de suikerrietvelden van Felicity vervoerde, de geketende Cromwelliaanse veroordeelde en de Sefardische Jood, de Chinese kruidenier en de Libanese koopman die stoffen verkocht op zijn fiets.’

Lezen: Joseph Mitchell McSorley’s wonderbaarlijke saloon

Derek Walcott Omeros, en The Antilles. Fragments of Epic Memory

Lafcadio Hearn Two Years in the French West Indies

Patrick Leigh Fermor The Violins of St.Jacques

Hillman & D’Agostino Understanding the Contemporary Caribbean

Nog een stukje met Hearn in de West-Indies, en een zwik stukjes over Joseph Mitchell.

Luisteren: Oswin Chin Behilia Zona mi Protesta

Naar kaart 15

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Afgroeien

Binnenkort keer ik voor het eerst in mijn leven terug naar iets wat ik ooit achterliet.

Onder alles wat ik tot dusver deed lag de aanname van groei. Sterker dan mijn denken was de aandrang wat me overkwam te zien als onderdeel van een stijgende lijn, zelfs de verschrikkelijke dingen. Tegenslagen werden zo treden, klappen correcties.

Die drang leek bijna lichamelijk, wat aansluit op de kentering die ik erin voel nu ik naar de vijftig kruip. De ziekte en dood van mijn vader hielpen natuurlijk ook niet.

Toen ik stopte als recensent van Proefwerk zei ik dat ik alles wel gedaan had wat je qua horeca kon doen, ik was full circle. Ik vroeg een beurs aan voor een volgende roman en ontdekte dat mijn boek over een café ging. Het soort dat onze stad dreigt te verliezen, een clubhuis voor de buurt, een huiskamer voor advocaat én zelfkanter.

Die beurs raakte op en de vraag waarmee ik in de toekomst mijn geld moest verdienen werd dringend. Bij wijze van experiment besloot ik te bedenken uit welke taken mijn werkweek zou bestaan als inkomen niet meetelde.

Schrijven bleef nummer één, lesgeven in schrijven hoorde daarbij. Maar ik moest óók in een team werken, mijn extraverte kant uitlaten. Fysiek en mentaal belastend werk doen waarbij ik niet kon piekeren en dat na het uitklokken meteen van me afgleed.

Natuurlijk dacht ik aan de horeca, maar de keuken kon ik niet meer in – dit zou meteen een perfectionisme oproepen dat ik nu voor het schrijven wilde reserveren.

De bediening was geen optie omdat ik dan eten moest serveren, en dat zou óf heel goed eten zijn (met alles wat dat met zich meebrengt) óf van een niveau zijn waarmee ik niet kon leven. De bar bleef over: relatief eenvoudig werk dat al je aandacht eist, dat je met liefde kunt doen, maar niet meeneemt naar huis.

Ik testte dit plan door er met vrienden over te praten en het voelde steeds verstandiger, mits ik niet meer dan één dienst in de week draaide en de nazit beperkt kon houden. Ik maakte een lijstje van cafés die geen eten of pretentieuze cocktails serveren, maar waar wél nauwgezet gewerkt wordt. Ik schrapte zaken waar de eigenaar of bedrijfsleider in geëxternaliseerde zelfhaat leeft.

Ik schrapte zaken waar ikzelf graag kom, en was onmiddellijk terug bij af.

Selectiebias is een schitterend begrip uit de psychologie. Het benoemt de neiging van onderzoekers om hun proefpersonen zó te selecteren dat die met hun gedrag de onderzoeksaanname zullen bekrachtigen. Voor mij reikt die bias verder: het is een mooie noemer voor wat wij mensen doen met onze blik. Uit een absurd groot aanbod van toevalligheden filteren we schijnbaar vanzelf een lijn, een narratief.

Het heeft kennelijk zo moeten zijn, zeggen we dan. Toch niet te geloven dat ik gisteren nog aan je dacht en dat ik nu opeens, na al die tijd, tegen je aanloop? Daarbij glad al die mensen vergetend die in de afgelopen achtenveertig uur óók onze mentale revue zijn gepasseerd.

Toen ik op het punt stond om het op te geven hoorde ik dat fijne kennissen van me de mooiste, oudste, bruinste kroeg van de stad over wilden nemen. Ze zouden De Druif behouden voor de buurt, zichzelf en iedereen die dit soort instituut een warm hart toedraagt.

Vorige week solliciteerde ik voor het eerst in dertig jaar als barman.

I got the job. Per 11 mei doe ik de donderdag.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Goed leven

Het schiereiland van een schiereiland – bestaat er een betere plek om te verpozen voor een schrijver? Omgeven door de kalme beweging van wind en golven, ver weg van het gedruis van de metropolen en daarmee rustig genoeg om er weg te kunnen zinken in het borrelen van de binnenwereld, terwijl de verbinding met het vasteland het wel mogelijk maakt om, wanneer het schrijfwerk gedaan is, terug te keren naar de wereld en het leven van de anderen. Vogelvrij, maar net niet in volledige verlatenheid.

Het is goed mogelijk dat Geerten Meijsing (1950) hiermee zou instemmen. Op een filosofische bedevaart naar Syracuse, de plek waar Plato volgens sommigen heeft geprobeerd zijn gedroomde republiek te realiseren, belandde hij op Ortygia, waar hij spontaan langere tijd bleef hangen, bekoord door de alomtegenwoordigheid van het water: 

”t Eerste wat mij opviel, was dat elk dwarsstraatje aan beide kanten op zee uitloopt, een andere zee aan elke kant: aan de ene kant de binnenzee van de Porto Grande, aan de andere de Ionische. Wat een weelde: op en neer te kunnen lopen tussen twee zeeën! Dat lukt je nog niet in Panama. Ik ben de koning te rijk. En ik wist het zeker: dit was mijn koninkrijk, en ik voelde mij eindelijk thuis.’ 

In zijn Siciliaanse brieven (2023) brengt Meijsing verslag uit van het dagelijks leven in zijn nieuwe kroondomein, daarbij veel aandacht bestedend aan couleur locale en plaatselijke gebruiken – wat dat betreft sluiten deze teksten expliciet aan bij de klassieke reisliteratuur. Een deel ervan werd jaren terug in Vrij Nederland gepubliceerd, maar dan, zo geeft de auteur te kennen, ‘in een vereenvoudigde oervorm’. Dat klinkt enigszins cryptisch, maar bedoeld wordt dat deze definitieve bundeling de volledige toenmalige briefproductie bevat, ongeredigeerd en hier en daar zelfs uitgebreid, rijker in descriptie en detail en daarmee een nog groter genoegen voor de lezer.

Want laat duidelijk zijn: deze levensberichten draaien vooral om de bijzondere geneugten van het Mediterraanse bestaan, die door de schrijver met een aan uitzinnigheid grenzend enthousiasme gevierd worden. Zo struint hij vismarkten af, onderwijl recepten delend, indexeert hij de verschillende smaken en bloeiperioden van lokaal fruit (druiven, peren, pruimen en vijgen), en ziet hij opdrogend in de zon na het nemen van een duik (‘fare un tuffo’) verrukt toe hoe een metgezel om een onbewoond eiland heen zwemt: ‘Van zwemmen krijgen vrouwen mooie schouders, en hun borsten duiken uit de golven op.’ Ook bevat het boek een schitterende lofzang op het roken, waarbij Meijsing de waarschuwing op de verpakking van zijn Toscaanse sigaren (‘Il fumo uccide’) als beginpunt neemt:

‘Leven is dodelijk, zullen ze bedoelen, en leven is niet zozeer lang leven, als wel goed leven. Mijn leven in ballingschap is in alle opzichten een grotelijks geslaagde poging ‘het goede leven’ te leven, ook met weinig geld.’ 

De liefhebber ziet hierin een herneming van het epicurisme en hedonisme uit de vroege boeken van Joyce & Co.; nog altijd toont Meijsing zich een toegewijd student van het alledaags geluk, het zinnelijke genot. Dat maakt deze Siciliaanse brieven tot een gepaste literaire herintrede: dit fraaie egodocument, dat jeugdig en niet fatalistisch is van toon, doet eerder geïntroduceerde thema’s op verfrissende wijze weerklinken, waarmee een sinds lang indrukwekkend oeuvre simultaan wordt verbreedt en verdiept.

"Foto van Lodewijk Verduin"
Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Sybren Sybesma"
    Sybren Sybesma

    Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

  • "Foto van Aska Hayakawa"
    Aska Hayakawa

    Aska Hayakawa groeide op als third-culture kid in Leiden. Haar verhalen gaan over eenzaamheid in het kapitalisme en de hedendaagse zoektocht naar geluk. Deze zomer studeert ze af van de studie Writing for Performance aan de HKU met het avondvullend toneelstuk Pièce de Résistance! en een scriptieonderzoek naar werkbare kwetsbaarheid. Eerder schreef ze theaterteksten voor Cecilia Moisio Company, Club Guy & Roni, Maas Theater en Dans en Bosfest. Haar kortverhalen werden gepubliceerd bij DIG, De Gids, Tirade Blog en De Revisor. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman bij Uitgeverij Pluim.

    (portret: Lin Woldendorp)

  • "Foto van Milo van Bokkum"
    Milo van Bokkum

    Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.