Mechaniek van de ontroering

Na de uitreiking van mijn middelbareschooldiploma gingen mijn broer, schoonzus, mijn ouders en ik ergens eten. Mijn broer had wat boekjes voor mij gekocht, als cadeau: een dichtbundel van Sybren Polet (om de naam), gorgelrijmen van C. Buddingh’, gedichten van Gerrit Komrij en een boekje van Rutger Kopland: Het mechaniek van de ontroering. Ik las dat laatste boekje in die zomervakantie, in de trein naar Goslar. Ik vond het prachtig en daarna zette ik het ergens in een kast, bij mijn poëziebundels, ook al waren het essays, naast Koplands Verzamelde gedichten. Maar die titel, die bleef bij mij hangen en eens in de zoveel tijd dacht ik eraan. 

De laatste dagen komt die titel steeds vaker bij me bovendrijven; ik denk veel na over ontroering. Wat maakt dat mij iets treft, ineens in het hart raakt? Of het nu muziek is of proza of poëzie.

Ik speel nu onder andere een sonate van Mozart (voor de kenners: KV 330 in C groot). Van het stuk als geheel word ik heel vrolijk, zoals ik eigenlijk altijd vrolijk word van Mozart. Maar een aantal keer in dat stuk zijn er een paar maten die mij in het bijzonder raken, die ik zo ongelofelijk mooi vind, dat ik iedere keer dat ik ze speel, hoop dat ik die klanken kan onthouden, zodat ik er de rest van de dag van kan blijven genieten. Het lukt echter nooit om die akkoorden te onthouden. En iedere keer dat ik bij die maten aanbeland, vraag ik mij af waarom voor mij die maten boven de rest van het stuk verheven zijn, waarom die maten mij zo raken. 

Ik moet denken aan een uitspraak van de pianist Arthur Rubinstein, die vertelt over het spel van de Russische pianist Sviatoslav Richter: ‘Ik vond zijn spel niet bijster bijzonder, tot ik plotseling tranen over mijn wangen voelde stromen.’

Zo gaat het bij mij ook vaak. Ik speel een stuk op de piano en ik heb er veel plezier in. Ik vind het geen heel bijzonder stuk, maar er zijn van die kleine momenten, zoals die maten bij Mozart, dat ik plotseling iets voel. Of, deze week las ik het eerste verhaal uit de nieuwe bundel van Maxim Osipov. Stilistisch vond ik het niet heel sterk. Maar ineens merkte ik dat het verhaal mij enorm aangreep. De manier waarop de schrijver terugblikt op gebeurtenissen en de plaatsen waar die zich afspelen, is prachtig. Het verhaal palmde me gewoon in.

Ook toen ik laatst bij de film Close was, was ik ook ontroerd, al was daar de reden duidelijker. De film gaat over de vriendschap tussen twee jongens die naar dezelfde middelbare school gaan. En plotseling verbreekt een van de jongens de vriendschap. Tijdens die film moest ik ineens weer terugdenken aan de vriendschappen die ik op de bassischool en middelbare school heb gehad. Zoveel scènes in de film (als de jongens nog vrienden zijn) kwamen mij bekend voor. Slechts een van de vriendschappen die ik tot nu toe heb gehad is in ruzie geëindigd (ik ben nog steeds van mening dat hij vervelend deed en niet ik). De rest van die vriendschappen verwaterde toen ik naar de middelbare school of naar de universiteit ging. Ik heb nog lang contact gehouden met mensen, maar je komt er toch op een zeker moment achter dat jij altijd degene bent die hen appt, weinig andersom. Op de middelbare school zelf had ik ook een jongen met wie ik in de eerste drie jaar heel close was. We deden eigenlijk alles samen. Sommige docenten noemden ons de Siamese tweeling, omdat we alle groepsopdrachten samendeden. In de pauzes hadden we een hoekje waar we zaten te praten, te lachen en te eten, terwijl we afgaven op de andere jongens in onze klas, die stoer deden en alcohol dronken. Toen we naar de vierde gingen was het opeens over. Ik zat niet meer bij hem in de klas en hij ging ineens stoer doen en drinken. Ik weet nog dat ik daar niet heel rouwig om was. Geen ruzie, niks, gewoon uit elkaar gegroeid. Ze moesten inderdaad gaan, om maar een regel van Kopland te gebruiken. Die herinneringen kwamen op tijdens de film Close. Dus het is logisch dat ik iets bij die film voelde.

Maar wat is het mechaniek, de reden achter die ontroeringen bij Mozart of bij Osipov? Ik weet het niet; er zijn geen duidelijke herinneringen of gebeurtenissen die ik met de muziek of het verhaal kan verbinden.

Ik zat dinsdag bij een college van Osipov (hij geeft op dit moment college in Leiden) en hij vertelde over een kort verhaal van Tsjechov, De Bisschop. Hij kon moeilijk uitleggen waarom hij het zo’n geweldig verhaal vond. Het raakte hem om vele aspecten: om de kerk, om de manier waarop het sterven van de bisschop wordt beschreven. Hij bracht zijn ontroering over, maar kon het waarom niet helemaal uitleggen. 

Het sterkt mij in mijn niet-weten dat ook Maxim Osipov het niet weet, maar ik zal blijven zoeken.

"Foto van Sybren Sybesma"
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

In de Oorshop

Van oude liefdes, de dingen, die voorbijgaan

In één week kwam ik drie oude geliefdes tegen. De eerste liep ik in de binnenstad van Utrecht tegen het lijf. Het was miezerig en de gevels lieten hun hoofden hangen, alsof ze een misdaad hadden begaan. Iemand riep mijn naam en ik keek op: aan de overkant van de straat stond Pau te zwaaien.

Ze droeg nog steeds dezelfde, donkergroene, wollen winterjas, had dezelfde bruine handschoenen aan en was nog net zo mooi als toen ik haar voor de eerste keer mocht zoenen. Pau was een van mijn eerste, echte liefdes. Omdat doorlopen eigenlijk geen optie meer was, stapte ik zo nonchalant mogelijk op haar af. Voor ik iets kon zeggen, had Pau haar armen om me heen geslagen en stond ik als een standbeeld in haar omhelzing.

Nadat ze me los had gelaten, begon ze aandoenlijk te ratelen, zoals ze vroeger ook altijd ratelde. Ze knipperde dan met de snelheid van het licht, gebaarde wild, maar toch sierlijk met haar armen, en wiebelde van de ene op de andere voet. Ze vertelde hoe het met haar ging, dat ze me zo lang niet had gezien, waar ik zoal mee bezig was, hoe het eigenlijk met mij ging en dat ze niet veel tijd had, want ze had een date.

Nog voordat ik antwoord kon geven op haar vragen, rende Pau weer weg. Ik keek haar na, omdat ik ergens hoopte dat ze zich om zou draaien, zoals ze zich vroeger altijd omdraaide als we afscheid hadden genomen, maar ze verdween in een zijstraat, zonder om te kijken.

Twee dagen later stond ik net buiten Amersfoort op de bus te wachten. Aan de overkant ontwaarde ik ineens een meisje met wie ik een paar keer op date was geweest, Ef – ik vond haar ongelofelijk leuk, maar zij was nog niet klaar voor een relatie. Het kostte me twee maanden om daar overheen te komen, en nu, een jaar later, stond Ef tegenover me, te wachten op de bus. Ik zwaaide niet, maar dacht aan haar stem, dat ze zo zacht praatte dat het bijna fluisteren was, dat ze hield van de gedichten van Bukowski, hoe haar lippenstift naar citroen smaakte en dat ze me na onze dates soms nog in beschonken toestand had gebeld. Na een paar minuten kwam haar bus aanrijden en verdween zij ook. Ik zocht de enige foto waarop we samen staan op, en keek er zo lang naar, dat ik mijn bus miste.

Daarna appte Bee me of ik wat met haar wilde drinken, omdat ze in Amersfoort was. Bee is de enige die ik af en toe nog spreek. Het ging goed met haar, vertelde ze, toen we in mijn stamkroeg zaten. Ik loog dat het goed met mij ging – ik voelde me, door de ontmoetingen met Pau, Ef, en nu ook met Bee in één week, alleen. Ik staarde de barsten in de bodem van mijn bierglas en geselde mezelf met alle dingen die ik verkeerd had gedaan in de liefde, die vermaledijde liefde.

Na een paar alcoholvrije biertjes vertrok Bee ook. Ik keek haar na tot ze de straat uit was, haar eigen leven in, waarin ik nu slechts een voetnoot was. Ik bleef zitten in de kroeg, als een man in een film: een leeggelopen blik, gebogen rug en de droeve glimlach van een filmster.

Barman Bas schonk een royale, dubbele whisky in en gaf me een klop op mijn schouder. Aan de bar zaten Joep en Isis, voor die avond barman en barvrouw buiten dienst, en spraken wat lieve woorden. Kroegvrienden Miel, Lot en Bins bleken ook aanwezig te zijn, en ik sloot me bij hen aan. Bins praatte me moed in, Miel sloeg een arm om me heen en Lot luisterde begripvol. Later wandelde goede vriend en drinkebroer Fred ook nog binnen en gaf me, zonder iets te vragen, een stevige knuffel.

Om twee uur ’s nachts wandelde ik naar huis. De straatlantaarns strooiden kwistig licht over de straat en de huizen. Alle mensen in de kroeg hadden mijn gemoed bij de lurven gegrepen, en opgetild. Eigenlijk was er liefde genoeg, dacht ik, en zette mijn kraag op. Liefde genoeg, voor wie het wil zien.

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Everyman – de nieuwe McEwan als instant klassieker

Ik had nog niet eerder twee zeventigers op de vuist zien gaan. Het is een schrijnende scène, zo goed beschreven dat je woedend bent na afloop. Roland is te laat in zijn leven met Daphne getrouwd, die voor de tweede keer door Peter verlaten is. Kort na dat huwelijk blijkt ze ziek en ze sterft al snel. Eén ding moet Roland voor haar doen: haar as op een geliefde plek uitstrooien. En zorgen dat Peter er niet bij is. Maar wie doemt daar op, op die mooie zonnige dag?

Als Roland na een worsteling door een steen tegen zijn hoofd in het water belandt en even kopje onder gaat ziet hij Peter op de brug de as uitstrooien.

In Ian McEwans magistrale laatste boek Lessons heeft de Elckerlyc met de naam Roland veel te leren en een lange weg te gaan. Zijn levensloop wordt parallel gelegd aan grote gebeurtenissen in de 20ste eeuw, rond het Varkensbaaiconflict in 1962 neemt hij een levensveranderend besluit, en passant krijgen we de geschiedenis van Die Weiße Rose in München mee, we zien hem rondlopen langs de Muur in 1989 en in 2021 maakt hij de pandemie mee. Geboortejaar van Roland en Ian McEwan zijn hetzelfde.

McEwan weet het allemaal heel goed op spanning te zetten. Als jonge vader is Roland opeens zijn vrouw kwijt, ze vertrekt met de noorderzon, de politie verdenkt hem zelfs enige tijd. Vandaar duikelen we zijn geschiedenis in en komen bij het moment dat de cover zo kleurrijk toont, pianolessen van een mooie jonge juf die veel zal betekenen in Rolands seksueel ontwaken. Wat mooi is aan deze roman is de wijze waarop een betrekkelijk gewoon leven zo in verhaspelde vorm aangeboden wordt dat de spanning steeds voelbaar blijft: precies zoals dat tijdens een leven gaat, we weten nooit van iets hoe het afloopt. Wanneer je zo’n leven navertelt moet je dus technische oplossingen bedenken als alles door elkaar heen vertellen. Dat doet McEewan extreem vernuftig.

En de everyman leert veel: het bestaan is traumagestuurd, veel van wat we meemaken voelt eerst minder erg dan het later blijkt te zijn. We doen kwetsuren op en zien en voelen die vaak pas helder in retrospectief. Wat een spannende relatie leek, lijkt later meer op misbruik, de bijzonder getalenteerde pianist zal later zijn tijd slijten achter een vleugel in hotellobby’s waar mensen een taartje eten. De verdwenen moeder van zijn zoon wordt de grootste naoorlogse schrijver in Duitsland. Haar leven is veelbetekenend. En Roland rommelt maar wat aan. Maar McEwans antiheld vertelt de lezer veel over zichzelf, zijn tijd en wie we zijn op deze lange rocky road die het leven is.

En daarbij: bijna 500 pagina’s zonder een moment verveling. Jammer dat deze keer de Nederlandse vertaling niet gelijktijdig heeft kunnen verschijnen. Naar mijn smaak een niet te missen McEwan!


(hier iets over zijn vorige boek op dit blog)

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Hiero, Sinterklaas

De route die de Sint zou varen was verlegd, wat de nodig stress gaf in mijn gezin. Al jaren stonden we op een vaste tijd in het Wertheimpark om de goedheiligman te verwelkomen, maar nu moesten we dus naar de hoek van de Heren- en Leidsegracht, waar volgens het tot op de minuut exacte schema om halftwaalf voorbijgevaren zou worden.

We waren ruim op tijd en vonden zelfs een bankje in de zon, met een plek op de kadewand ervoor waar de kinderen veilig konden zitten. Om ons heen hadden zich toeristen en expats verzameld, die allemaal wilden weten hoe het nou precies zat met onze traditionele blackface-viering.

Een kleine inventarisatie van de bij lange na niet volle kade leerde ons dat wij samen met een bevriend gezin de enige Nederlanders waren, en dus hadden we onze handen vol aan het informeren van de verzamelde Spanjaarden, Zwitsers en Engelsen. Ik hoorde mezelf dingen zeggen als: ‘We were led to believe that they were black because of soot from the chimneys they climbed down. I never saw them as black people, growing up.’

Of was dat omdat ik in het Brabant van de jaren ’70 nooit zwarte mensen zag? Als ik het me goed herinner waren de geadopteerde Sri Lankaanse kinderen van vrienden van mijn ouders de enige niet-witte kinderen in mijn wereld. Het is dus heel goed mogelijk dat mijn eerste associatie bij het ontmoeten van een Ghanees zwarte piet zou zijn geweest.

‘But I can really understand what it looks like,’ voegde ik er snel aan toe. ‘And it’s a good thing we’ve been able to change that aspect of the tradition. I believe that even the most backward counties have now gone for roetveegpieten.’

Vriend Marco, naast wie ik op het bankje zat, haakte in en vertelde dat hij gisteren in Amersfoort nog helemaal zwartgeverfde pieten had gezien. Redding uit mijn ongemak – ik ben een ster in plaatsvervangende schaamte – werd geboden door de Sint zelf.

Een stoomfluit klonk en het werd onrustig op de kade. De kinderen leunden zo ver mogelijk voorover. Het viel me op dat er geen muziek gespeeld werd, en terwijl de eerste boot naderde werd duidelijk dat de pieten op deze nieuwe route niets te strooien hadden. Marco haalde snel een zak pepernoten bij een nabije winkel, en een sixpack Heineken voor de grote mensen.

Zodat de omstanders toch iets van de uitbundigheid die bij het feest hoort zouden meekrijgen, keilde ik klauwen vol van die pepernoten over de kade, wat vreemd genoeg leek te leiden tot onbegrip en een wat aftastende boosheid.

‘But it’s our tradition,’ zei ik tegen een vrouw die fronsend over haar hoofd wreef. ‘It’s typically Dutch!’

Omdat ik er zo vriendelijk bij keek wilde een Spaans stel naast ons tóch wel een nootje proeven. De Sint voer voorbij, maakte een draai de Leidsegracht in en ik besloot – misschien vanwege de matte sfeer – vól mijn moment te pakken. Met een arm over Marco’s schouders schreeuwde ik: ‘Hier Sinterklaas! Hier zijn we! Vergeet u Marco en Gilles niet? We zijn heel braaf geweest. Westerpark en Prinseneiland!’

Het lukte me de aandacht van de Sint te vangen, maar in plaats van een blik van herkenning en een geruststellend gebaar, toonde de goedheiligman iets wat leek op het begin van angst. Wat ik in zijn ogen las: was dit dan het moment dat hij in gedachte op afstand had proberen te houden, maar waarvan elke moderne Sint wist dat het zomaar kon komen?

Wat had die verwarde man daar op de kade in zijn hand? Pepernoten of een heel ander soort projectiel?

Om mijn Sintlievendheid te benadrukken mikte ik mijn pepernoten naar de pieten op de achterplecht, maar die probeerden ze niet eens te vangen. Sommigen doken ervoor weg.

Zo stil als hij gekomen was vertrok de Sint ook weer, en liet ons wat vertwijfeld achter.

Wat het niet makkelijker maakte was de duidelijk leesbare reactie van de omstanders: hoe was dit nou een volksfeest? Drie fluisterboten met halfslachtig verklede, wat schichtige Hollanders erop?

‘Als dat zo doorgaat,’ zei ik tegen B, ‘dan is deze traditie hartstikke dood voordat wij kleinkinderen hebben.’

‘Onzin,’ zei B. ‘Tuurlijk is er dan nog Sinterklaas.’

Ik liet het erbij, maar bedacht dat de traditie kennelijk niet sterk genoeg verankerd was geweest om een ontmaskering als pseudo-racistisch feest te overleven. Ik vond en vind het verdwijnen van zwarte piet een belangrijke stap voor Nederland, maar het lijkt erop dat met het uittrekken van de angel ook de lucht uit Sinterklaas gelopen is.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Zien is mooier dan zwaaien

De vakantiehuisjes uit mijn jeugd stonden er nog, precies zoals ik het me de afgelopen vijftien jaar had herinnerd. Het hekwerk rondom de huisjes leek ook nog van precies hetzelfde, toen al krakkemikkige hout. Het was alsof de tijd daar had stilgestaan.

Ik legde mijn hand op het hout en ineens zag ik mezelf zitten: een klein ventje in een tuinbroek, waar twee knalgele regenlaarzen onderuit staken, een kop met ondeugende ogen en een guitige glimlach. Mijn nicht zat naast me op het hek, precies zoals we elke ochtend doorbrachten. Ze had nog blond haar en was twee koppen groter, toen al. We keken samen naar de schapen, die daar toen graasden. Eén van die schapen was ‘ons’ schaap – we hadden het beest een naam gegeven, en bezochten haar elke ochtend, want Kitty was onze beste, mooiste, en vooral wolligste vriend.

Voor het raam van het Eftelinghuisje met het puntdak zat mijn oma bijna twintig jaar jonger garnalen te pellen. Het was een vertrouwd beeld, en ze klaarde het karwei vliegensvlug, volleerd en met volle aandacht. Ze had nog geen rimpels, lachte breeduit en leek gelukkig. Mijn moeder, een vrouw van in de dertig, stond naast haar, met mijn broertje, een jochie van amper één jaar oud, slapend op haar arm. Ik zag hoe mijn moeder wat zei tegen mijn oma, en dat ze beiden begonnen te lachen, zo hard dat mijn broertje er wakker van werd.

Na een tijdje door het raam te hebben gekeken, liep ik voorbij de huisjes, naar de zee. De zilte, maar vertrouwde geur van het water golfde mijn neusgaten in. Het duin was minder steil dan ik me al die tijd herinnerd had. Het was nog steeds een flinke klim, en je kon je nog altijd van het duin laten rollen en door het helmgras duiken, met flarden zand in je kielzog en je kleding.

Het strand lag er nog onveranderd bij, was nagenoeg leeggewaaid en de zee was een spiegel. Ineens doemde mijn vader uit het water op, als een diepzeeduiker uit een andere tijd, gestoken in een pak dat hem moest beschermen tegen het koude water. Hij had meer haar dan nu en was ogenschijnlijk klaar met het garnalentrekken: hij hield het volle net met de schaaldieren als een buit boven zijn hoofd. Mijn oma kon weer aan de bak en dat vond ze vast heerlijk, al was het alleen al omdat ze minstens de helft tijdens het pellen stiekem weg zou snoepen.

Ik riep iets naar de jongere versie van mijn vader, maar hij reageerde niet. Net voordat ik me weer om wilde draaien, zag ik een silhouet, iets verderop: het was mijn opa. Hij stond met een hengel in zijn hand, die eeuwige sigaret tussen zijn lippen en zijn harde, maar schitterende blik op oneindig. De zee, zijn vertrouwde vriend, kuste af en toe de punten van zijn rubberen laarzen. De laatste keer dat ik hem had gezien, was op zijn uitvaart. Daar, op dat strand, zag hij er goed uit: een blos op zijn wangen, een lach op zijn gezicht, zijn rug recht. Niet koud, stijf, bleek en opgebaard.

Ik zwaaide met mijn hand naar mijn opa, maar hij merkte me ook niet op, gevangen in zijn eigen, stilstaande tijdsgewricht. Omdat ik heel graag wilde dat hij me zou zien, stak ik beide handen in de lucht en begon met wapperen, maar mijn opa bleef doodgewoon en onbewogen naar zijn dobber en de zee staren. Ik liet mijn handen weer halfstok hangen en keek naar hem, totdat knipperen onvermijdelijk werd. De wind waaide wat verjaarde tranen van mijn wang. Hoe hij daar aan het vissen was, hoe hij niets ving, hoe hij eigenlijk helemaal niet meer bestond, terwijl ik hem daar toch zag staan: het ontroerde me ineens enorm.

Later, toen ik het duin had beklommen, weer langs de huisjes was gelopen en de zon veel te fel in mijn ogen scheen voor de tijd van het jaar, dacht ik: zien is heel soms, op de perfecte dag, op de juiste plek, met het gepaste gemoed, honderd keer mooier dan zwaaien.

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

In it to Guinness 2

Vanuit mijn hotel achter Trinity College begon ik aan de wandeling naar het huis van Colins moeder. Dat was best een eindje lopen, maar het regende voor het eerst in dagen niet; de mensen op straat leken tevreden, knikten zelfs zo nu en dan naar mij en naar elkaar.

Hoewel er nog een hardnekkige piep in mijn oren hing door de pubdisco op het Pucafestival van gisteren viel de kater mee, en was ik blij om ’s ochtends in mijn uppie door Dublin te stappen. Ik gaf mijn sjaal een extra wikkel, stak mijn handen in mijn zakken en versnelde mijn pas denkend aan B, die nu in Amsterdam de kinderen naar school gebracht zou hebben.

Het eerste filmpje kreeg ik tijdens mijn ontbijt al binnen: Ada (5) zei dat ze me miste terwijl haar broer over haar schouder hing en gekke bekken trok. De laatste dag, had ik teruggestuurd. Morgen ben ik weer thuis.

Komt ome Colin mee? vroeg Nadim (11) vanaf zijn eigen toestel. Sinds hij weet dat Col in films speelt is hij niet meer bij zijn peetoom uit de buurt te slaan.

Bang van niet, gappie, appte ik terug en stak over, daarbij de verkeerde kant op kijkend hoewel er bij elke straathoek LOOK RIGHT langs de stoeprand stond geschilderd. Piepende banden, een schreeuw en het geluid waarmee mijn vader een heel leven geleden het blikken deksel van onze koektrommel aandrukte.

Daar lag ik, op te kijken naar de pui van het Insomnia Café. Terwijl de bestuurder van het koekblik en een aantal voetgangers zich om me heen verdrongen en bekvechtten over of ik al dan niet rechtop gezet moest worden, trok ik mijn telefoon en belde Col, die onmiddellijk opnam.

‘Wat is er aan de hand?’ vroeg hij, en ik zag mijn maat heel helder voor me. Hij zou op de bank bij Rita zitten met zijn slaaphaar, de hoornen bril met borrelglazen die de wereld nooit te zien krijgt op zijn neus.

Colin is technisch blind – ik meld het hier maar even – en als kind had hij het daardoor niet makkelijk op St. Bridget’s, maar het wordt tijd dat hij die pijn achter zich laat. Door zijn bezorgdheid heen was duidelijk te horen dat hij yoghurt met krokante dingen at.

‘Ik keek naar links toen ik naar rechts had moeten kijken,’ zei ik, ontwakend in het besef van mijn eigen pijn, die toch aanzienlijk was. ‘Ik mag eigenlijk maar één koekje, en dan moet de trommel dicht, maar soms neem ik er twee.’

‘Blijf waar je bent,’ riep Col en rende – zoveel was af te leiden – zijn moeders voordeur uit.

Hoewel ik geen sirene gehoord had stopte er een ambulance aan mijn voeten. Ik hoorde weinig anders dan de ademhaling van mijn maat, die nu mijn kant op sprintte. Ik zei tegen de broeders dat hij eraan kwam; bij het noemen van Cols naam keken de mannen elkaar aan, deelden een glimlachje.

‘De acteur?’ vroeg de ene. ‘We gaan je nu optillen, goed?’

‘Waar ben je precies?’ riep Col in mijn oor.

‘Insomnia café,’ kreunde ik, en lachte ondanks de pijnscheut in mijn zij. Zolang als ik hem ken heeft Colin slaapproblemen; soms haalt hij maar een paar uur in de week. Dat leidde zelfs tot een drugsprobleem, maar daarover is inmiddels wel genoeg geluld.

Ik merkte dat mijn nek aan het verkrampen was, maar lag nu op een stretcher, wat toch een vooruitgang was. ‘Ik heb hem aan de lijn,’ zei ik tegen de broeder met de krullen, en hield mijn telefoon op. ‘Wil je hem spreken?’

‘Binnenkort,’ zei de andere broeder, ‘met een biertje erbij. We zetten je even in de ambulance voor een onderzoek en een paar vragen. Je hebt best een duwtje gehad.’

God zegene de Ier, zijn sarcasme en understatement: weer lachte ik, meteen daarop kromtrekkend van de pijn. In de ambulance was het licht en schoon, het rook er heel vertrouwenwekkend naar ontsmettingsmiddel.

Mijn overhemd werd losgeknoopt, mijn T-shirt doorgeknipt. Er werd aan alle kanten in me gepord en ik moest zeggen of dat pijn deed, wat het deed. De broeders wisselden een blik, deelden mede dat we tóch naar het ziekenhuis gingen.

‘Col is er bijna,’ kreunde ik en gaf mijn telefoon aan de broeder met de krulletjes. Hij luisterde kort, trok een wenkbrauw op en legde het toestel op mijn buik. Met brede banden werd ik ingesnoerd.

Terwijl we aanreden keek ik door het achterruitje van de ambulance; voorbij het matte kruis was de straat te zien. De auto die me aangereden had reed met knipperende lichten naar een vrije parkeerplek. Een agent leidde het verkeer erlangs en ik tuurde naar diens kalme armgebaren tot een beweging verderop mijn aandacht trok.

Midden op de weg, tussen banen vol spitsverkeer, sprintte een donkere figuur in een wit truitje. Omdat hij oostwaarts rende raakte de ochtendzon hem vol in het gezicht – zijn brilleglazen lichtten op als bakens.

Zeilend op mijn laatste beetje adrenaline gooide ik mijn vuisten in de lucht en juichte voor mijn vriend. Als dit ervoor nodig was om hem over zijn brilschaamte heen te helpen, besloot ik, dan was dat helemaal oké.

beeld: Rita F.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Koen Dobbelaer"
    Koen Dobbelaer

    Koen Dobbelaer (2000) is schrijver, scenarist en voormalig kindacteur. Deze zomer studeert hij af van de studie Writing for Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht met het filmscenario Een Film Over Familie, een absurdistisch drama over de drang naar maakbaarheid. Dit najaar verschijnt de door hem geschreven film De Laatste Dag in het Leven van Walterus.

  • "Foto van Sybren Sybesma"
    Sybren Sybesma

    Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

  • "Foto van Nicole Montagne"
    Nicole Montagne

    Nicole Montagne studeerde Vrije Grafiek aan de kunstacademie in Utrecht en Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Zij debuteerde in 2005 met de essay- en verhalenbundel De neef van Delvaux. Onlangs verscheen bij Wereldbibliotheek haar nieuwste essay- en verhalenbundel: De verzuimcoördinator.