Kroeggeluk

Al vanaf het moment dat ik legaal mag drinken, kom ik in dezelfde kroeg in Amersfoort: Van Zanten. Mijn vrienden gingen in de laatste stuiptrekkingen van hun tienertijd naar clubs, naar cocktailbars, naar loodsen waar zo hard gesprongen werd op stampmuziek, dat je er waarschijnlijk centimeters korter vandaan kwam. Ik zat in die tijd al in de kroeg met wat gelijkgestemde leeftijdsgenoten, maar vooral met mensen die mijn vader of moeder hadden kunnen zijn, of ouder – ik kreeg gratis levenslessen van ze, en soms ook gratis bier.

Een goede kroeg is meer dan een overkapte bar. Overal kan je naar de toog lopen, een biertje bestellen en gaan zitten, maar in mijn stamkroeg is dat voor mij maar een klein onderdeel van het kroeghangen. Het is een van de weinige openbare plekken waar ik zonder twijfel naar binnen stap. Het interieur is dat van een ouderwetse, bruine kroeg, het licht is gedimd en de muziek is bijna altijd fijn. Vaak zit er iemand die ik ken – van gezicht, of van de vage gesprekken die we eerder hebben gevoerd. Vaste kroeglopers onthouden elkaar, denk ik, misschien zelfs als een soort vergeefse geheugentraining.

Deze week zat ik er met een jeugdvriendin, die ik had meegesleept om bij te praten. Toen we aan een tafeltje in een hoek zaten, vroeg ze me waarom ik hier eigenlijk zo vaak kwam, en wat er zo speciaal aan was. Van Zanten is zo’n vast gegeven voor me geworden, dat die vraag niet eens meer in me opkwam. Ik boog wat naar voren, vouwde mijn handen in elkaar, en probeerde uit te leggen waarom ik zo van die plek hield.

‘Omdat iedereen achter de bar aardig is,’ mompelde ik.

‘Dat heb je wel op meer plekken,’ antwoordde de jeugdvriendin snel.

‘Omdat ze de moeite nemen om mijn naam te onthouden, en ik die van hen. En omdat ze altijd een praatje aanknopen.’

‘Dat is beroepsdeformatie,’ lachte ze snedig.

‘Omdat ik het gevoel heb dat dat niet zo is. Omdat het altijd lijkt alsof ze het fijn vinden dat ik er ben. Omdat ik het fijn vind dat zij er zijn. Omdat ze tot mijn leefwereld en mijn bestaan zijn gaan behoren. Omdat ik ze op een vreemde manier vertrouw, en dingen toevertrouw.

‘Daar heb je ook vrienden voor.’ Ze nam een slok van haar Guinness.

‘Omdat ze Guinness hier op de tap hebben,’ vulde ik aan. ‘En omdat ze hier de mooiste kopstootjes inschenken, met een kop en belletjes. Omdat ze altijd iets aanraden wat goed is.’

‘Alleen daarom?’

‘Omdat,’ ging ik verder, ‘hier nooit rottigheid is. En omdat er altijd een gemoedelijke sfeer hangt.’

‘Oké, maar dat heb je ook in –’

‘Omdat ze hier de beste tosti’s maken. Omdat ik, wanneer ik buiten sta te roken, naar een uitzicht kijk dat niet gaat vervelen. Omdat ik hier, toen ik negentien was, de eerste date had met mijn eerste grote liefde. Omdat ik hier zat nadat ze mijn hart brak. Omdat ik hier ook kwam, nadat anderen mijn hart braken, of toen ik de harten van anderen had gebroken. Omdat ik hier kwam met Helene en Fred, en nu met Fred alleen, en ik altijd het gevoel heb dat ze nog bij ons zit. Omdat het licht ’s middags, als ik zit te schrijven, zo mooi door het glas-in-lood op de tafel kan vallen. Omdat ik hier nieuwe mensen heb leren kennen. Omdat ik hier afscheid heb genomen van mensen. Omdat ze geen frituursnacks serveren, maar gehaktballetjes, nacho’s en oesters. Omdat ze een schuifdeur hebben, en omdat mevrouw Van Zanten daar de wacht houdt. Omdat ieder moment hier een schouwspel is, en omdat hier verhalen wonen. Omdat hier heel Amersfoort samenkomt, wie je ook bent en wat je ook doet. Omdat ik hier ook altijd terecht kan. Omdat het leven hier op z’n krappe plek lijkt te vallen, als ik in het schip van deze kroeg zit en de wereld ongenadig langs ons heen snelt. Omdat ik me hier altijd thuis voel, een gevoel van thuis dat ik zelfs niet in mijn eigen huis heb. Omdat ik hier, op een goede avond, het gevoel heb dat ik een beetje besta.’

De jeugdvriendin zweeg en staarde me aan. Ze keek even de kroeg rond, nam een slok van haar doodgeslagen bier en tooide zichzelf met een begripvolle glimlach.

‘Ik denk dat ik het begrijp,’ grinnikte ze, licht van haar stuk gebracht. ‘Wil je nog een kopstootje?’

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

In de Oorshop

Samen werken

In het schrijven groei je door veel te lezen, door na te denken over wat een schrijver gedaan heeft en waarom. Je groeit door zelf veel te schrijven en dan na te denken over wat jij doet en waarom, maar het meest belangrijk vind ik het vragen en krijgen van feedback.

Bij schrijven is dat lastig omdat het maken van werk aan het laten zien ervan voorafgaat. In het proces zelf sta je alleen, pas als je alles op papier hebt vraag je wat een ander ervan vindt. Al zou het kunnen: iemand die je real time bijstuurt haalt je daarmee alleen maar uit je inspiratiebubbel.

Omdat een maker onmogelijk kan weten hoe haar werk overkomt, moet ze dat zo nu en dan bij lezers ijken. De ideale persoon om feedback aan te vragen is iemand van wie je weet dat hij je werk snapt en een warm hart toedraagt. Een kritische lezer, die goed onder woorden kan brengen wat hij vindt en niet bang is om zijn band met jou daarbij te schaden. Een collegaschrijver is vaak ideaal omdat collega’s snappen dat hun eerlijke en volledige feedback van levensbelang is.

Als eerste lezers voor mijn nieuwe manuscript vroeg ik een klinisch psycholoog, een collegaschrijver en mijn uitgever Menno, eerste lezer van het eerste uur. De kritiek van de psycholoog en schrijver zijn inmiddels binnen: er is overlap en er zijn verschillen. Vrijdag spreek ik Menno. Met zijn opmerkingen erbij zal ik mijn boek herschrijven, daarna zoek ik nieuwe meelezers.

Ik ken een hoop schrijvers die alleen met hun redacteur aan boeken werken. ‘Anders krijg je al die meningen,’ zeggen ze dan, ‘en moet je je afvragen welke kritiek je volgt of naast je neerlegt. Daar kom je niet uit, en dan ga je met iedereen mee en wordt het één grote bende.’

De stap van schrijven voor jezelf naar schrijven voor een publiek kun je niet maken zonder feedback, en hoe meer feedback je krijgt, hoe sneller je je ontwikkelt. Door steeds weer te horen hoe je zinnen (verkeerd) begrepen worden, krijg je door waar je communicatie te wensen overlaat. Waar je de lezer verliest.

Als je honderd mensen om hun mening vraagt, krijg je geen honderd meningen. Je krijgt een paar grote kritiekpunten aangereikt en een hoop perifere problemen waarover groepjes mensen het eens zijn. Die grote punten verdienen sowieso je aandacht, van de kleine kun je bedenken of ze je op een of andere manier raken.

De juiste feedback voel je, alsof zo’n lezer rommelt aan een splinter die je uit luiheid veel te lang hebt laten zitten. Is hij negatief over iets wat jij als het onwrikbare hart van je verhaal ziet, dan leg je zijn mening terzijde.

De kritiek van sommige recensenten op de stem van de ijsvogel in mijn laatste roman Dorp raakte me niet, omdat ik over die stem nooit getwijfeld heb. Zonder die vogel (die natuurlijk geen echte vogel was, maar dat terzijde) was er voor mij geen boek. Het was alsof ze schreven: Gilles is een rossige Amsterdammer van achtenveertig en dat vinden we maar niks. Achtenveertig werkt voor ons totaal niet, en ook nog rossig, zeg. Nee!

Ik snap dat het voor een beginner lastig kan zijn om te scheiden welke kritiek hout snijdt en welke niet. Je moet daar gevoel voor krijgen, ervaring mee opdoen. Je moet kinderen met het badwater weggooien, die fouten inzien en je kinderen weer opdreggen.

Mensen die me voor begeleiding benaderen hebben heel vaak een roman in de maak. De vraag is dan of ik wat er al ligt wil lezen, kan aangeven wat er beter kan. De derde vraag is altijd of ik – áls ik iets in het werk zie, uiteraard – een uitgever voor ze weet.

Een beginnend schilder, die een voorstudie laat zien en hoopt op een expositie bij een dikke galerie. Maar ik vind dat nooit erg, omdat ze nog niet weten hoe het werkt. Daarnaast komt het natuurlijk voor: een eerste poging die wordt opgepikt, groeit tot een roman die iedereen bij de echte boekhandel kan kopen.

Ik moet vaak aan dat stuk van literair agent Willem Bisseling in De Volkskrant denken, waarin hij onder meer zegt: “Goed schrijven kost jaren van training, verdieping en toewijding. […] Via literaire lezingen, schrijfopleidingen en -wedstrijden verdiep je je in het vak. En door heel veel (goede) boeken te lezen, zie je dat schrijven meer behelst dan een verhaaltje vertellen. Een echte schrijver beoefent een vak en is kritisch over zijn werk.”

Nu ik het herlezen heb, geloof ik dat de negatieve reacties die het stuk opriep minder te maken hadden met wát er stond dan met hóé het er stond. Willem had het meer aanmoedigend kunnen zeggen. Je wilt schrijver worden? De markt is kut, maar het kan nog steeds! Dít is hoe het tegenwoordig werkt…

Een aspirantschrijver moet niet vragen of haar verhalen goed zijn en welke uitgever ze moet hebben, maar hoe ze het best kan groeien in het ambacht en zó goed wordt dat niemand meer om haar stem heen kan.

beeld: Jess Witte

disclaimer: de man naast me op het bankje is Jan van Mersbergen. Hij kan al heel goed schrijven.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

In rotsen grijs: Nocturne (I)

De borrel-annex-buffet aan het eind van de dag was druk bezocht; ik schatte het gezelschap op zo’n vijftig man. Het zaaltje lag op een van de hoogste etages van een wolkenkrabber. Door de ramen kon je het water zien dat Hongkong verdeelde in Hong Kong Island en Kowloon, dat op het vasteland lag en via de New Territories verbonden was met China. Ik wilde op mijn vrije dag naar Kowloon. Zou het daar erg verschillen van Hong Kong Island?

Het was niet het beste moment voor een conferentie in Hongkong; buiten op straat liepen in het zwart geklede mensen met spandoeken: ‘Free Hong Kong! Revolution Now!’ Op de dag dat ik in de stad aankwam stapte ik moe de metro uit en ineens was er overal traangas. Rennende mensen. Oproerpolitie. Geschreeuw. Ik stond daar met mijn koffer. Van het Nederlandse nieuws wist ik dat er protesten waren, maar ik had er eigenlijk geen moment rekening mee gehouden dat ik er iets van zou merken. Maar ze waren er echt en ik stond er middenin. Iemand duwde me ruw opzij. Hij droeg een gele helm en een gasmasker. Ik verloor even mijn evenwicht, maar door te leunen op mijn koffer kon ik overeind blijven. 

‘Sorry,’ mompelde ik.

Meer mensen renden langs me heen. Ik probeerde me te herinneren waar de protesten om draaiden. Iets met een uitleveringswet? En iets met meer democratie? Ik liep een stukje terug het metrostation in, weg van het traangas en de rennende mensen.

Op de vloer van het zaaltje lag rood tapijt. Er stonden ronde statafels en een paar lange lage tafels met stoelen eromheen. Tegen de muur tegenover de ingang stond een brede tafel met eten. Rijst met ei. Kip. Eend. Tofu met ui. Vis. En nog veel meer. Ik vroeg me af of het eten pittig was. Er lagen eetstokjes en plastic kommetjes naast. Voor de Westerse gasten die niet met eetstokjes konden omgaan, zoals ik, waren er ook borden, messen, vorken en lepels.

De meeste mensen stonden te praten. Ik was moe en ging zitten. Naast me zat een jongetje van een jaar of tien, korte mouwen en korte broek, verdiept in een boek. Een vrouw kwam op hem toegelopen met een vestje. Ze legde het vest om de schouders van het kind. Zonder van het boek op te kijken stak hij zijn armen in de mouwen. Het was hier inderdaad vrij fris; je kon ook doorslaan in aircogebruik.

‘My son,’ zei ze vergoelijkend. ‘School was out early, today.’

Ik knikte en glimlachte begrijpend.

‘I really liked your talk,’ vervolgde ze.

‘Thank you very much.’ Ik knikte dankbaar.

‘Sara Leung.’ Ze stak haar hand uit. ‘Je ziet er moe uit.’

‘Ik ben ook moe.’

‘Jetlag ha? Eet wat, dan gaat het beter.’

Ik lachte. ‘Zal ik doen.’

‘En wat vindt u van Hongkong?’ vroeg ze.

‘Mooi, maar druk.’

‘Ja, dat heb je niet in Amsterdam.’

‘Nee, gelukkig niet,’ zei ik, terwijl ik mijn ogen door de ruimte liet gaan. ‘Is dat David Wong?’ Ik knikte in de richting van een grote groep die zich om een oude man met een bril had verzameld.

‘Ja,’ zei ze. ‘Je moet zeker even met hem gaan praten.’

‘Iedereen wil met hem praten.’

‘Natuurlijk, hij is beroemd én hij heeft mooie verhalen. Wat wil je nog meer?’

‘Eten!’ zei ik lachend.

Later stond ik met een kopje koffie bij het raam. David Wong werd nog steeds door mensen omringd. Ik keek uit over de stad. Het was donker buiten. Overal lichtjes, van straatlantaarns, stoplichten en auto’s, zoals wanneer je tijdens een nachtvlucht het laatste stuk van de daling door het raampje de verlichte snelwegen, straten en huizen ziet, met af en toe een donker weiland. Ik dacht aan Wong Kar Wai en het jachtige nachtleven van Hongkong in zijn films Chungking Express en Fallen Angels. De stad was zo gigantisch en zo modern. Neonlichten als ik op straat liep. Er kwam iemand naast me staan. David Wong. Hij knikte naar me. In stilte keken we door het raam. 

‘Mooi praatje,’ zei hij.

‘Dank u wel.’

‘Stuur me wat van uw werk. Ik heb daar ook wat ideeën over. Misschien kunnen we samen wat doen?’

‘Wat een eer. Heel graag!’

David Wong glimlachte. Hij had dikke brillenglazen. Hij wees. ‘Kijk, daar ben ik geboren, waar nu die grote toren staat. Ik was de derde van drie broers.’ Hij keek me aan. ‘Ooit stonden daar slechts kleine huisjes en ander laagbouw. Nauwelijks voor te stellen hè? Soms denk ik dat ik mijn jeugd gewoon gedroomd heb, dat het altijd was zoals het nu is.’ Hij grinnikte. ‘We zijn net als Amerikanen. Het New York van Edith Wharton zal je vergeefs zoeken. Ook daar zijn al die statige huizen met die prachtige balzalen allemaal afgebroken.’

‘De vooruitgang,’ mompelde ik.

‘Inderdaad. Er was woonruimte nodig. Meer en meer mensen kwamen hier wonen. En veel andere ruimte is er niet.’

Ik keek naar de toren. ‘Wat deden uw ouders?’

‘Mijn vader werkte op de scheepswerven.’

‘Zwaar werk.’

‘Nou, hij was meer een van de coördinatoren die ervoor zorgde dat alles een beetje goed verliep bij het slopen, het bouwen en het repareren van schepen. Mijn oudste broer is daar ook gaan werken.’

‘Hongkong was een belangrijke haven toch?’

Hij knikte. ‘Hongkong was de sweatshop van Europa, van de wereld. Veel speelgoed en textiel kwam hier vandaan. Hongkong was rijk en een toevluchtsoord voor mensen die niet meer in China wilden of konden leven tijdens de Culturele revolutie en daarna. Al die nieuwe huizen waren voor hen.’ Hij wees weer. ‘Dáár woonden er heel veel. Hun kinderen zijn nu eerste generatie Hongkongers. Er zijn niet veel families zoals de mijne die hier al meerdere generaties wonen.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Er waren zo ongelofelijk veel vluchtelingen. China was arm en er was van alles verboden. Dus men kwam hierheen.’

‘Iedereen mocht gewoon binnenkomen?’

‘In het begin wel, maar Hongkong raakte overspoeld. Dus na een tijdje werden ze tegengehouden. Je kreeg toestanden die je nu bij jullie ziet, aan de randen van Europa.’ Hij keek me aan. ‘Mensensmokkelaars en vluchtelingen die werden teruggestuurd.’

Ik knikte. ‘Vreselijk.’

Hij wees weer. ‘Vroeger ging ik altijd met mijn broers naar de waterkant, kijken hoe de schepen binnenvoeren. En soms gingen we naar mijn vader op de werf en dan was er altijd wel een hooggeplaatste Brit die ons wat snoep toestopte.’

‘Oh ja, het was een Britse kolonie.’

‘Jazeker, daarom spreekt men hier ook zo goed Engels.’ Hij zweeg.

‘Wat vindt u van de protesten?’ vroeg ik.

wordt vervolgd: deel twee van ‘Nocturne’ zal volgende week op het Tirade-blog worden gepubliceerd

"Foto van Sybren Sybesma"
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

Wie nu alleen is

Ik stond alleen in de Kleine Komedie, terwijl de regen als een slak trieste strepen op het raamwerk trok. Mijn gezelschap had op het laatste moment afgezegd, toen ik al in de trein zat naar de hoofdstad. Voor veel mensen zou dat geen probleem zijn geweest, maar voor mij wel: ik doe eigenlijk zelden iets alleen buiten mijn eigen huis. Dagen kan ik doorkomen in mijn eigen vissenkom, maar zodra ik een stap buiten de deur moet zetten, heb ik liever iemand bij me. De wereld lijkt minder gevaarlijk met iemand aan je zijde.

Ondanks de afzegging had ik toch besloten door te reizen: Patrick ging in première met zijn nieuwe voorstelling, Hoogtij, en dat wilde ik absoluut niet missen. Sinds ik hem het lied hoorde zingen waarvoor hij volkomen terecht de Annie M.G. Schmidtprijs kreeg, was ik een onvervalste bewonderaar. Ik geloofde het daarom ook amper toen ik wat kleine, simpele en bescheiden bijdrages mocht leveren aan de voorstelling.

Het was erg bijzonder om het script van de voorstelling te zien groeien. Ik kreeg een kijkje in de gaarkeuken van het cabaret, in het hoofd van Patrick zelf en in zijn manier van werken. Het was een onvergetelijke ervaring. Jaren geleden had ik het hoogmoedige voornemen om zelf cabaretier te worden, maar dat werd ik niet en dat is beter voor iedereen. Nu ik flarden van het werkproces van een echte cabaretier heb mogen inzien, heb ik allesbehalve spijt – cabaret moet je overlaten aan de mensen die het écht kunnen, zoals Patrick.  

In het voorjaar bezocht ik een try-out in Utrecht. Later streken we neer op een terras, bespraken we mijn notities, dreunden we onze favoriete liedteksten op en dronken we bier. In de snikhete, verzengende zomer mailden we heen en weer, wisselden we spraakmemo’s uit en mocht ik zien hoe het script als een beloftevolle kameleon nieuwe vormen aannam.

Op die druilerige dinsdagavond kon ik eindelijk zien hoe de voorstelling was geworden. Ik bewoog me als een hond zonder baasje door de foyer en probeerde weg te vallen tegen het interieur. Vlak voordat het ongemak en het meerkoppige monster van de onbekende menigte me aan kon zetten tot vluchtgedachtes, stapten Conny, de grand dame van Amersfoort, en Donata, haar theaterdochter, binnen. Bekenden! Mijn hart maakt altijd een klein sprongetje als ik Conny zie, maar het sloeg nu bijna over.

De voorstelling was zonder omhaal prachtig geworden. Alles klopte: het spel van Patrick, de grote lijn, de liedjes, het decor, het verpletterende einde. Ik lachte meer dan goed is voor een iemand die gedichten schrijft, voelde weer die brok in mijn keel bij het liedje over zijn zoon en was geraakt door het moois dat Patrick had neergezet.  

De avond liep uit tot een naborrel met Conny en Donata, terwijl ik eerder van plan was meteen weer huiswaarts te keren, naar mijn vissenkom. Ik kwam nog een vage bekende tegen, werd door Donata voorgesteld aan Sanne (zij als de bekende cabaretière, ik als de onbekende dichter – het had het concept van een tragisch duo kunnen zijn) en praatte nog wat na met Patrick, die er geheel terecht ruim een uur over deed om van de ene kant naar de andere kant van de foyer te komen.  

Ik was al bijna vergeten hoe ik een paar uur eerder verloren en alleen in de foyer had gestaan als een verdwaald kind bij de ballenbak, wachtend op ouders die opgeslokt waren door de IKEA. Terwijl de trein me weer veilig naar Amersfoort reed, dacht ik aan die bekende regel van Rilke, en hoe het tegendeel zonet was bewezen: wie alleen was, hoefde dat niet lang te blijven. Zelfs niet op een herfstdag.                

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

De zee en alles wat daarin is

Wat een fijne formule is het toch: veertig mensen zitten lekker te eten en te keuvelen en tussen de gangen door vertellen een paar boeiende schrijvers iets over een onderwerp en is er een muzikaal intermezzo. Dinsdag jl. waren de schrijvers Tijs Goldschmidt en Alexander Nieuwenhuis, die spraken over navigatie bij dieren, exoten en de geluiden die de bio-akoesticus Bernard L. Krause opnam. Saskia Meijs (altviool) en Leo Bouwmeester (piano) speelden een paar dieren uit het bestiarium van Francis Poulenc – gedichten van Guillaume Apollinaire.

Wat wil je nog meer? Nou ja, je zou wel willen dat dergelijke onderwerpen minder geproblematiseerd waren. Halverwege de avond dacht ik aan Rachel Carsons Silent Spring, het boek uit 1962 waarin ze opmerkt dat de vogels opeens minder zongen daar waar zij woonde in Amerika en ze tot de conclusie komt dat dat wel eens te maken zou kunnen hebben met pesticides die de boeren gebruiken om hun gewassen te beschermen. Als dat zo doorgaat dacht ze, leidt dat ooit tot een volstrekt stille lente. Een angstbeeld dat me iedere zomer als de vogels zwijgen – omdat ze in de rui zijn (en zeer vermoeid van kinderen opvoeden -) naar de keel grijpt.

Daags ervoor las ik toevallig Carsons The Sea Around Us uit, een eerder boek, 1951, waarin Carson, die maritiem biologe was, haar gehele kennis over de oceanen over de lezer uitstort. Fijnzinnig, eloquent, wetenschappelijk, maar voor een groot publiek. ik heb toevallig de eerste Britse uitgave uit datzelfde jaar die ik prachtig vind, inclusief boekenlegger:

Ik heb veel geleerd van deze vrouw over de zee, over de winden en de golven, de gebergten, het fascinerende idee dat het op aarde net nadat de aardkorst voldoende was afgekoeld zodat water niet sissend zou verdampen, het vermoedelijk millennia aan een stuk door geregend heeft, wat de oceanen vulde, nog ver voor dat er leven ontstond, voor planten en dieren verschenen, een baaierd met een gestage stroom van onophoudelijke regen op een levenloze planeet. Een vrolijke gedachte waardoor elke depressieve februari een lachertje wordt.

Mij roepen de wateren,
Mij roepen de zeeën.

Mij roepen, een lijfelijke stem verheffend, de verten,
Alle tijdperken op zee, gevoeld in het verleden, roepen mij.

(uit: ‘Ode van de zee’, Fernando Pessoa, vert. August Willemsen)

Er komen er nog meer, van die fijne Van Oorschot Schrijversdiners bij de Roode Bioscoop. 2 november een avond met Maxim Osipov naar aanleiding van zijn nieuwe verhalenbundel Kilometer 101, en 29 november met Marjoleine de Vos over lekker eten in haar boek Een dolgelukkig Montessorivarken. Over lekker eten. Dat kort daarvoor verschijnt. Houdt deze website in de gaten!

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

De goede reis

Het was feest. In het mensenaquarium waar vriend Thomas werkt zouden we afscheid nemen van mijn broer die feitelijk mijn zwager is. Thomas haalde ons één voor een op met de lift en liet ons binnen. Zo groot was het kantoor, zo verpletterend het uitzicht over de havens, dat ik niet anders kon dan naar die glaswand lopen en een weids gebaar maken.

‘ONE DAY, SON, THIS WILL ALL BE YOURS,’ schalde ik in mijn beste ringmeestersstem. En tegen Thomas: ‘Mogen we straks racen met kantoorstoelen?’

Al het wit, al het gebogen glas in die goudstalen sponningen, al het matte zwart. Omdat ik zelden in kantoren kom, laat staan kantoren in moderne gebouwen, is mijn eerste associatie nog steeds American Psycho. Ik kan op zo’n plek geen verhaal situeren zonder een seksmoord erin.

Pim zou naar Colombia met vriend Sven. Voor Sven een motorreis van drie maanden voordat hij terugkeert naar Lauren en zijn aanstaande vaderschap; broer Pim wilde geen terugkeer vastleggen.

Pim is flink wat jonger dan ik, maar in de zeventien jaar dat we elkaar kennen zijn veel van zijn vrienden de mijne geworden, een aantal van hen zie ik ook zonder hem. Het zijn – net als hijzelf – ondernemende mensen met een groot hart en een geweldig gevoel voor humor. Dankzij hen is mijn eigen jeugd met zeker tien jaar opgerekt.

Ouder worden betekent je vorm en werk vinden, je plek vinden, iemand vinden om die plek mee te delen, iemands ouder worden. Werk, plek en iemand bleven voor Pim lang ingewikkeld, vandaar ten dele Colombia. Het grote elders lonkte, en daar kun je van alles over vinden, maar dat hoeft natuurlijk niet.

Zonder hoop geen leven, en als een verre reis zonder retourticket iets uitdrukt dan is het wel hoop. Wat doe je als er niets meer schittert aan de horizon? Precies, je kijkt de andere kant op.

Ouder worden is mensen kwijtraken. Grootouders en ouders verliezen, daarna je vrienden, één voor een. Wie ervoor openstaat kan nieuwe vrienden maken, contacten aangaan in een jongere generatie. Je kunt je op je kinderen richten, maar als het goed en heel verdrietig is komt er een dag waarop mijn kinderen me niet meer nodig hebben. In andere woorden: ik snap mijn broer.

Het feestje liep vol, als je dat kunt zeggen over een ruimte waarin ook duizend man zou passen. Toen het eerste bier gedronken was zei Pim een paar woorden tegen de verzamelde vrienden. Hij hield van ons, wilde hij maar zeggen. Wij waren zijn echte fortuin, en zo voelden we ons ook. Er waren jointjes en meer blikkies bier. Binnen de kortste keren had ik pijn in mijn zij van het lachen.

De kantoorstoelrace kwam er. Ik had Niels als duwer en vreesde minder voor mijn leven dan ik had gehoopt, wat misschien te maken had met de perrongrote bank die we als finish gebruikten. Wie gelanceerd werd landde zacht. Het werd een uur of twee. Men overlegde over een vervolgplek, maar omdat ik die week al twee afscheidsetentjes met Pim had bijgewoond besloot ik de after even te laten voor wat die was.

Terwijl ik naar huis fietste dacht ik aan het citaat van Hilary Mantel dat Manon Uphoff op Instagram gedeeld had: “You don’t know how you got here, but suddenly you’re staring fifty in the face. […] When you think you’re pregnant and you’re not, what happens to the child that has already formed in your mind? You keep it filed in a drawer of your consciousness, like a short story that never worked after the opening lines.”

En opeens wist ik wat ik had moeten zeggen terwijl ik met Pim proostte op een goede reis.

Here’s to opening lines, broer. To opening lines.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Gigi Müjde"
    Gigi Müjde

    Gigi Müjde studeert in augustus 2025 af van de schrijfopleiding met een gemoderniseerde bewerking van het Middelnederlandse toneelstuk Mariken van Nieumeghen, namelijk: Meryem van Mokum. Door de lens van een oud Nederlands stuk, reflecteert die op de hedendaagse Nederlandse samenleving. In diens schrijven, speelt Gigi met taal, gebaar en referenties – om de lezer een eigen(aardige) wereld in te lokken vol verwarring en plezier. Die schrijft ook graag in samenwerking, vooral met Robin Alberts volgens hun eigen versie van de flarf-techniek, waarin er een tekst heen en weer wordt verstuurd en om en om wordt herschreven tot het onherkenbaar vol zit met liefde voor taal. Gigi schrijft alleen vanuit liefde, anders telt het niet.

  • "Foto van Jan Lodewijckx"
    Jan Lodewijckx

    Jan Lodewijckx (1990) had het wel even gehad op kantoor. Hij kocht een zware fiets en een kleine tent en zegde zijn werk op en zijn appartement.

  • "Foto van Ida Hondelink"
    Ida Hondelink

    Ida Hondelink is schrijver en performer. Ze studeert momenteel af aan de studie Writing For Performance aan de HKU. Reeds is ze actief als dichter en essayist op verschillende platforms en podia, waaronder Notulen van het Onzichtbare, Hard//hoofd, Dichters in de Prinsentuin, de U-Slam en de Nacht van de Literatuur. Haar werk is fantasierijk, maatschappijkritisch en heeft doorgaans een poëtische ondertoon.
    (portret: Lin Woldendorp)