Cooligan

Op een terras aan de Nieuwmarkt praatte ik met Laura over haar nieuwe boek. Ik had de eerste versie ervan te lezen gekregen en was enthousiast – de best mogelijke uitkomst wanneer een bevriende schrijver om je mening vraagt.

De kritiekpuntjes die ik had sloten aan bij Lau’s eigen vermoedens – de best mogelijke uitkomst voor een schrijver die een vriend om zijn mening vraagt, dus onze afspraak was vooral gezellig.

Toen de serveerster vroeg of we nog iets wilden drinken keek ik op mijn horloge: tijd om de metro te pakken naar Duivendrecht, waar Marisca me zou oppikken om naar Friesland te rijden. Het verdriet van de Zuiderzee, ga erheen als je nog iemand van zijn kaartjes kunt beroven, want de voorstelling is strak uitverkocht.

Op station Nieuwmarkt was het rustig, lijn 54 beloofde er binnen drie minuten zijn. Ik verheugde me op de rit, zocht een muziekje uit voor in mijn oordoppies. Marisca zou broodjes halen bij die fijne Surinaamse zaak naast de Makro; ik hoopte op kippenhart en levertjes, bakkeljauw, zoutvlees met kousenband.

Toen de metro aankwam en vertraagde werd ik een zijwaarts schommelen in de treinstellen gewaar, alsof een groot gewicht zich daarbinnen van de ene naar de andere kant verplaatste. Het piepen van wielen op rails nam af en een gebulder werd waarneembaar. Ik nam mijn audiodopjes uit en deed een stap terug van de rand. De deuren schoven open; niemand stapte uit. Ik liep naar de ingang en keek naar een wand van mannenvlees. Ajaxshirtjes spanden om bovenlijven als condooms om lome strandpikken.

Ritmisch gebrul bulkte door de hal. Ik geloof dat de fans zongen, maar ik kon er geen taal van maken. Omdat ik niet wist wanneer de volgende 54 zou komen en of het daarin rustiger zou zijn, omdat Marisca op me wachtte en die heerlijke broodjes ongetwijfeld al aan het afkoelen waren, stapte ik in. De deuren sloten achter me en smeerden me over twee bezwete ruggen uit.

Ik had nog nooit tussen voetbalfans gestaan. Hoewel het metrostel steeds harder wiegde, het gebrul luider werd en de mannen maat hielden door tegen de ruiten te beuken, voelde ik geen angst. Ook de twee Rangersfans die tussen de Ajacieden stonden leken zich niet bedreigd te voelen, ze zongen eigen clubliederen tegen die van de Amsterdammers in en werden geinend door de meute heen en weer geduwd.

In al die beweging kwam ik steeds verder naar achter te staan. Toen Duivendrecht werd omgeroepen, besefte ik dat mijn halte vóór die van de Bijlmer Arena lag. Hoe zou ik ooit op tijd de deur bereiken? Ik zuchtte, overwoog Marsica te appen dat het toch iets later werd, maar kon mijn armen niet bewegen.

Ik zou hier tussen de marshmallowmannen moeten hangen – mijn voeten raakten de grond niet meer, ik werd hooggehouden in een vleesbankschroef – tot we bij de Arena waren en daarna een metro terug moeten nemen, als station Arena nog geen oorlogszone was geworden. Er zaten barsten in het glazen schot waartegen mijn rug gedrukt werd en de aardman met de sloopkogelknuist naast me was erin geslaagd een diepe afdruk van zijn knokkels over te brengen op het plafond.

De metro vertraagde al voor mijn station toen ik voelde dat er iemand naar me keek. Wat schichtig maakte ik oogcontact met de aardman. Kilootje of 140; het puntje van zijn kale kruin maakte een perfecte gelijkbenige driehoek met zijn schouderkoppen, en ik besefte hoezeer ik de versmalling die een nek heet altijd voor lief genomen had. De pupillen van de man waren verwijd en spierkabels leken te worstelen onder de stoppels op zijn kaken.

Het voelde onverstandig om oogcontact te houden, maar er gebeurde iets achter die zwarte schijven: daarbinnen werden berekeningen gemaakt. De deuren schoven open en de aardman kantelde zijn kop. Zijn wenkbrauwen gingen omhoog, zijn mondhoeken krulden op en ik kreeg de zachtaardigste knipoog die ik ooit van een man ontvangen heb. Een van zijn graafmachineklauwen landde op mijn schouder en met zijn andere hand maakte hij een doorgang vrij tussen zijn stamgenoten, waardoor ik nét op tijd uit de wagon kon stappen.

Op het perron draaide ik me om. Ik wilde hem bedanken, tenminste naar hem zwaaien, maar de deuren gleden toe, de metro trok op, een sleep koele lucht voortrekkend die met me opging tot ik de trappen naar beneden nam. Ik bliepte mijn ov-kaart tegen een poortje en ging buiten op een betonblok zitten. Een minuut later draaide de zwarte Mazda van mijn vriendin de Kiss & Ride op.

Marisca leunde over de passagiersstoel heen en duwde het portier voor me open. Ik rook kippenlever, als ik me niet vergiste ook bakkeljauw. Als die broodjes koud geworden waren, dacht ik, dan zou ik ze vanaf hier nooit kunnen ruiken. Met een huppeltje stapte ik in.

Terwijl we de Kiss & Ride uit reden wenste ik voor het eerst in mijn leven dat een voetbalteam zou winnen. En dik ook. Vier-nul, als zo’n score een mogelijkheid was, bij voetbal.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

In rotsen grijs: Trotse ouders (II)

Bij een grote flat in de New Territories stopte een politieauto. Twee agenten stapten uit. Ze gingen het gebouw binnen en ze namen de lift naar boven. Ze hadden een huiszoekingsbevel bij zich, maar ze hadden van hun chef te horen gekregen dat ze het papier waarschijnlijk niet hoefden te gebruiken; de ouders schenen hen goedgezind te zijn.

Ze liepen de gang in en ze stopten bij een deur. Even wisselden ze een blik: wie van hen zou aanbellen?

Kevins moeder deed open. Zijn vader was niet thuis. Ze nam de agenten zwijgend op. 

‘Mevrouw Ho,’ begon een van de agenten. Maar Kevins moeder had al een stap naar achter gedaan. Ze gebaarde dat ze haar moesten volgen. De agenten keken elkaar opnieuw aan. Ze stapten over de drempel heen en sloten de deur achter zich. Ze veegden hun voeten op de deurmat. Voor hen lag een lange gang met hier en daar een deur. De vloer was van hout. Kevins moeder stond in een van de deuropeningen. Ze liepen naar haar toe. Links van hen was de eetkamer en keuken. Rechts een klein washok. De moeder stond daartegenover, half in Kevins kamertje. Achterin de gang was nog een deur. De slaapkamer van de ouders waarschijnlijk.

‘Dit was zijn kamer,’ zei ze. ‘Ik heb thee. Willen jullie een kopje?’
‘Nee hoor dank u wel,’ zeiden ze vrijwel gelijktijdig. ‘Wij redden ons wel.’
De vrouw knikte en liep naar de eetkamer.

De agenten stapten de kamer binnen. Het was een kleine ruimte. Er stond een eenpersoonsbed en in het verlengde daarvan een kledingkast. Op het nachtkastje lag een laptop, een MacBook Air. Aan de muren hingen posters. De popband Beyond, hun laatste concert. En enkele filmaffiches: Infernal Affairs, In the Mood for Love en Comrades: Almost a Love Story. Ze zaten met plakband aan de muur vast.

Een van de agenten pakte de laptop en stopte hem in een tas. De ander opende de kledingkast. Met de zaklamp op zijn telefoon keek hij wat erin lag. Op het oog alleen maar kleren. Hij tilde de stapel T-shirts op en rommelde tussen de sokken maar vond niks. Hij schoof de kleerhangers met overhemden en nette broeken opzij en hij bevoelde de achterwand van de kast. Hout; er zat niks opgeplakt. Hij draaide zich om naar zijn collega en hij haalde zijn schouders op.

‘Is dit alles?’
‘Mobiel ligt op het bureau.’ Zijn collega haalde ook zijn schouders op en voor de vorm keek hij nog even onder het kussen en onder het dekbed. Daarna schudde hij zijn hoofd.

Ze liepen de gang weer in. De vloer kraakte. De moeder verscheen op de drempel van de eetkamer.

‘Hebben jullie alles?’ vroeg ze.

Ze knikten.

‘Laptop? iPad? Mobiel?’

‘iPad?’ zei een van de agenten. ‘Waar ligt die?’
Ze ging hen voor de kamer in. Ze keek om zich heen. Ze rommelde wat in de kledingkast, maar ook zij vond niks.

‘Dan moet hij hem meegenomen hebben.’
‘Weet u waar hij verbleef?’

Ze schudde haar hoofd.

‘Oké, dank voor uw hulp.’
Ze liet hen uit. De deur viel in het slot. Ze liep terug naar de eetkamer. Op het aanrecht stond een theepot. Op het vuur stond water te koken.

Ze hoopte dat ze wat aan die laptop hadden. Dat het hen de leiders van de oproerkraaiers bracht. Ze was altijd trots op hem geweest. Hoe hij zijn middelbareschooldiploma kreeg, als een van de besten van zijn klas: heel hoge cijfers. Podium. Kort dankwoord. Applaus. Zij ging lachend met hem op de foto. Hij in zijn eerste pak – wat zag hij er ineens volwassen uit. Hoe hij wel eens meehielp met koken. Uien sneed, dumplings vouwde. Hoe hij rechten ging studeren aan de beste universiteit. Ieder mens maakt fouten. Maar Kevin maakte nooit fouten. Hij was door die terroristen gehersenspoeld en hij moest nu geholpen worden. De overheid zou hem helpen. En alle onruststokers zouden worden opgepakt. Daarna zou hij terugkomen. En ze zou weer trots op hem zijn.

"Foto van Sybren Sybesma"
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

En niet verdwijnen

Ik schrijf een boek waarin ik wegga. Niet ik, mijn hoofdpersoon, maar toch. Een verhaal waarin ik onderzoek wat er met iemand zoals ik aan de hand zou moeten zijn eer hij alles achterliet.

Het wordt een boek over niet bij anderen kunnen horen. Elke bladzijde doet pijn.

Guillaume, die naar een stad in een ander land vertrokken is, stopt met schrijven en keert terug naar de horeca, neemt een oud café in het centrum over omdat ik dat ook zou doen als ik ergens opnieuw beginnen moest, nergens meer aan wilde denken. Natuurlijk heeft zijn vertrek niets opgelost, haalt wie hij is hem in.

Ik onderzoek hoe eenzaamheid door generaties heen werkt, hoe een alleenzijn dat in de oorlog van Guillaume’s grootmoeder begon werd overgedragen op zijn vader en daarna op hem – een afstand tot de wereld waarin alle anderen leven, maar die afstand is ook een kier waardoor een licht naar binnen kan dat de vorm van woorden kiest.

Guillaume’s oma vertelde verhalen aan zijn vader, die liedjes schreef, zelf werd Guillaume dus schrijver.

In eerdere boeken beschreef ik levens die ik al miste bij het tikken van het laatste woord; het was verdrietig om niet meer op die plekken en bij die personages te kunnen zijn. Dat verwacht ik bij Guillaume’s verhaal niet.

Onze zoon Nadim (10) gaat steeds vaker zelf op pad. Hij doet boodschappen voor zijn moeder of voor mij, zoekt vrienden op die in de buurt wonen, haalt kauwgomballen in de Jordaan. Soms zie ik hem op straat, op de blauwe fiets die lang te hoog voor hem was maar waarvan het zadel nu maximaal is opgekrikt. Aan zijn grote voeten draagt hij hagelwitte gympen. Hij kijkt dromerig en hoopvol als hij denkt dat niemand hem ziet.

Mijn hart veert op als hij voorbijkomt maar soms roep ik hem juist niet, wil ik alleen maar naar hem kijken. Wanneer hij om de hoek verdwijnt is er een zoet verdriet, een missen dat mijn longen vult, naar mijn kop stijgt, me een tijdje overneemt. Dit is alles wat Guillaume nog van zijn zoontje heeft.

Even later, als ik thuis aan het werk ben, hoor ik mijn jongen binnenkomen. Hij hangt zijn sleutels altijd aan hetzelfde haakje. Nooit is hij iets kwijt. Hij doet zijn gympen uit, zijn sokkenpassen klinken in de gang.

‘Hier,’ roep ik vanuit het kantoortje. ‘Hier ben ik.’

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In rotsen grijs: Trotse ouders (I)

Kevin werd tijdens een charge van de oproerpolitie gearresteerd. Bij het wegrennen gleed hij uit. Drie agenten doken bovenop hem. Ze drukten zijn lichaam tegen de grond en ze sjorden zijn armen op zijn rug. Schaafwonden brandden op zijn handen.

‘Hoe heet je?’ riepen enkele mededemonstranten van een veilige afstand. ‘Hoe heet je?’

‘Kevin Ho!’ schreeuwde hij. ‘Kevin Ho!’

‘Stil! Je staat onder arrest!’ beval een van de politieagenten en hij drukte Kevins hoofd tegen het koele asfalt. Zijn veiligheidsbril gleed van zijn gezicht. Zijn gele helm lag een eindje van hem vandaan, tijdens de val afgevlogen. Het ding wipte op de bolle kant lichtjes van links naar rechts.

Ze trokken hem overeind. Een van de agenten schopte de helm naar de andere demonstranten, zoals vroeger de afgehakte hoofden van gedode tegenstanders naar hun medestrijders werden teruggeworpen na een veldslag, om angst in te boezemen.

Terwijl hij werd meegetrokken naar het politiebusje riep hij over zijn schouder nogmaals zijn naam naar zijn kameraden.

‘Kevin Ho! Ik ben Kevin Ho!’

De agenten duwden hem vooruit. Hij hoopte dat men hem had verstaan. Het was belangrijk dat ze hem verwijderden uit de digitale groepen waarin de protesten werden georganiseerd, zodat de politie minder bewijs tegen hem zou hebben. Ze konden hem dan alleen aanklagen voor deelname aan een demonstratie. Bovendien kon de politie dan ook niet via zijn telefoon in de groepen kijken. Ja, hij hoopte dat ze zijn naam hadden gehoord.

Het busje reed stevig door. Hij zat tussen twee agenten in. In de bochten probeerde hij niet te veel tegen hen aan te leunen. Hij spande zijn spieren aan.

Bij het politiebureau in Tsim Sha Tsui remde het busje hard. Hij kende het gebouw maar hij was er nog nooit in geweest. Ze duwden hem naar binnen. Hij probeerde om zich heen te kijken, maar kon niet veel in zich opnemen. Hij dacht nog enkele andere demonstranten te zien: jonge mensen in zwarte kleren. Geen tijd om gezichten te herkennen.

De agenten sloegen linksaf. Hij dus ook. Bij een ijzeren deur bleven ze staan. Ze fouilleerden hem snel en ze namen zijn telefoon en portemonnee in. De agent rechts van hem opende de deur, waarna hij naar binnen werd geduwd. In de cel deden ze hem zijn boeien af. Daarna liepen ze weg. De deur viel in het slot. Ze hadden geen woord gezegd.

Het was een soort verhoorkamer. Er stond alleen een houten stoel. Aan het plafond hing een lamp die helwit tl-licht verspreidde. Het was er nog lichter dan buiten. De ruimte was nagenoeg vierkant. Geen ramen en de vloer was van beton. Aan de binnenkant van de deur zat geen deurklink. Kevin ging op de stoel zitten. Was er een camera? Hij zocht met zijn ogen de kamer af. Misschien zat er wel eentje in de lamp. Hij keek omhoog. Het licht deed pijn aan zijn ogen. Niks te zien. Hij richtte zijn blik op de deur.

De adrenaline trok uit zijn lichaam weg en de gedachten keerden terug. Zijn handpalmen begonnen te kloppen. Hij voelde weer hoe hij bij het rennen plotseling weggleed, hoe zijn rechtervoet iets raakte of verkeerd neerkwam en onder zijn lichaam wegvloeide. Hoe hij voorover klapte terwijl de rest van zijn groepje doorrende. Hoe hij had geprobeerd om snel overeind te krabbelen, half struikelend. Handen die hem vastgrepen. Asfalt.

Gingen ze hem verhoren? Hij had een advocaat nodig. Zou hij die krijgen? Zou hij erom mogen vragen? Had dat wel zin? Stond zijn straf niet al vast omdat hij zich schuldig had gemaakt aan ‘staatsondermijnend en onpatriottisch gedrag’ of ‘terrorisme’? Hoeveel jaar zou hij moeten zitten? Zou hij, als hij ooit vrijkwam, de stad nog kunnen verlaten? Misschien had hij een paar weken geleden al moeten vertrekken, zoals sommigen van zijn vrienden. Een vrij Hongkong, een Hongkong zonder inmenging van China. De CCP had vast mensen van de geheime dienst of officieren uit het leger naar Hongkong overgevlogen. Dat waren geen lieverdjes. Hij stond op en leunde met zijn rug tegen de muur tegenover de deur. Zouden ze hem slaan? Kon hij die pijn verdragen? Nutteloze vragen. Iedereen brak uiteindelijk. En dan zou ook hij namen noemen en verklaringen ondertekenen. Als ze hem onder handen gingen nemen, zou hij dan proberen zo lang mogelijk te zwijgen of niet? Hij ging weer zitten, zijn rechterheup deed pijn. Hij bevoelde de korsten op zijn handpalmen.

De deur ging open. Kevin stond op. Er kwamen twee mannen binnen, een in pak en een in uniform. De laatste had een klapstoeltje bij zich dat hij uitklapte en neerzette. Hij bleef bij de deur staan. De man in pak nam het klapstoeltje en zette het tegenover de stoel van Kevin. In zijn hand had hij een clipboard met enkele papieren. Hij was een jaar of dertig. Hij ging zitten en gebaarde dat Kevin hetzelfde moest doen. Het klapstoeltje kraakte. De man sprak Kantonees. Goddank, het was niet iemand van het vasteland, of hij kwam uit Guangzhou, maar zo klonk hij niet. 

‘Kevin Ho,’ zei hij. ‘Geboren in 1996 in Hongkong.’

‘Brits-Hongkong,’ mompelde Kevin.

De man zuchtte en hij keek Kevin strak aan.

Kevin keek terug. Als hij niet van het vasteland kwam, dan was hij ook een Hongkonger. Meeloper van de CCP. Een lafbek die niet durfde te protesteren of een verrader.

‘Wisten je ouders wat je aan het doen was?’

Kevin schudde zijn hoofd.

‘Je bent geen goede zoon.’

Kevin trok zijn wenkbrauwen op maar gaf geen antwoord.
‘Je hebt je ouders in een zeer onpatriottisch daglicht geplaatst.’

‘Ze lopen aan de leiband van China. Ga maar bij ze langs.’

‘Geen schaamte? Geen spijt?’
‘Ik wil een advocaat.’
De man stond op en klapte het stoeltje weer in, waarna hij het aan de man in uniform gaf. ‘Ik zal iemand sturen voor je handen.’ De deur viel achter hen dicht.

Wat zouden zijn ouders doen als ze hoorden dat hij vastzat? Zouden ze hem komen opzoeken? Zijn ouders. Hij had ze voor het eerst in zijn leven teleurgesteld. Hij had altijd hoge cijfers gehaald omdat zij dat verwachtten. Hij was naar die middelbare school gegaan omdat zij dat de beste vonden. Hij was rechten gaan studeren omdat zij vonden dat hij dat moest doen. Hij was altijd voorbeeldig geweest, maar toen kwamen de protesten. En die kon hij niet negeren. Hij kon niet niet meedoen. Een vrij Hongkong. En toen hij thuis aan de keukentafel zei dat hij had meegelopen met een demonstratie, had zijn vader gezegd dat politiek niet voor jonge mensen was en dat China, de CCP, het Vaderland, het beste met hen voorhad en dat Hongkong nu eenmaal onderdeel was van China en dat ze samen een grote toekomst tegemoet gingen. De mensen die nu de straat opgingen zaten gewoon te rellen om niks, rotzooi te trappen. Zijn moeder had helemaal niks gezegd. Zijn vader had hem gesommeerd op te houden met protesteren en gewoon door te gaan met zijn studie. ‘Vergooi je toekomst niet,’ zei hij. Hoe paradoxaal. Toekomst. Een vrij Hongkong. Die twee dingen waren zo nauw met elkaar verbonden: wat was zijn toekomst als Hongkong net als China werd? Hij was boos geworden. Hij was opgesprongen, vuisten gebald, en bijna had hij zijn vader geslagen. In plaats daarvan sloeg hij keihard op de tafel en daarna was hij de deur uitgelopen, trillend van woede en verdriet. En nu had hij zijn ouders al een paar weken niet meer gezien; hij mocht het huis niet meer in. Hij sliep bij vrienden. Bijna al zijn spullen lagen nog thuis. Hij stond op.

wordt vervolgd: deel twee van ‘Trotse ouders’ zal volgende week op het Tirade-blog worden gepubliceerd

"Foto van Sybren Sybesma"
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

Het einde

Deze zomer keerden we terug naar een plek waar we een jaar of vijf geleden waren. Val Veny ligt vlak onder de boomgrens in het Italiaanse Val d’Aosta, een groen plateau naast een steil massief waar twee gletsjers omheen slingerden.

Slingerden klopt, omdat de ene gletsjer plaats gemaakt had voor een brede zanderige geul, het ijs zo recent gesmolten dat er nog geen grasspriet groeide. De andere gletsjer leek dit jaar veel korter.

Op de dag van onze aankomst klonk een luid geruis, alsof een stapel sneeuw op het dak van ons hutje er in één keer afgeschoven werd. Een deel van de gletsjer bleek afgebroken, wat die middag nog een keer gebeurde, en meerdere keren in de dagen erna. Lokale mensen vertelden me dat ze zoiets hier nooit gezien hadden.

‘Nog twee van deze zomers,’ zei de uitbater van het Chalet del Miage, ‘en het ijs is weg.’

Ik keek naar zijn sterk ingekorte menukaart en vroeg naar zijn vrouw, die me ooit de fijnste ingemaakte boleetjes geserveerd had. Zijn gezicht betrok nog verder.

‘Haar hart,’ zei hij. ‘Ze mag niet meer werken.’ Zijn hand steeg naar zijn borst, maar kwam er niet te liggen. Alsof zelfs een klopje ter hoogte van zijn eigen hart teveel voor haar zou kunnen zijn.

Smeltend gletsjerijs vult de rivieren. Als die opdrogen, verdorren de bergwanden en valleien; gras en bomen zullen doodgaan, niets meer met hun wortels bijeenhouden. Wanneer het regent zullen zand en steengruis naar het dal worden gespoeld.

Een week later, in de Marche, zagen we bruine wijnranken. Het zeewater was er warm als bloed. Zelfs de bossen in het hogere Toscane leden onder de loeiende zon. Voor het eerst in mijn leven schakelde ik een airco in, en sliep toch slecht in het besef dat de unit op het dak nu warmte toevoegde aan de gloeiende nacht.

Er hing een schaarste over het land. Ingrediënten waren duur, de groenten die me altijd zo gelukkig maken oogden overspannen. Hoewel we het goed hadden met onze kinderen en vrienden, was het veranderde klimaat dagelijks aanwezig.

Zoals altijd wanneer ik me ergens druk over maak onderzocht ik of mijn blik gekleurd werd door interne aangelegenheden – of mijn selection bias de eindigheid uit alles pikte. Gezien ik volgend jaar vijftig word zou dat zo vreemd niet zijn.

Alleen bij het huisje in Zeeuws-Vlaanderen, waar we afgelopen weekend zaten, was alles als vanouds. Twee bijna nazomerse dagen met van dat lage, zoete licht. De zee was warm, maar ook verkoelend, de wind zout en schoon.

Na onze terugkomst dronk ik met Gerbrand koffie aan de Noordermarkt. Omdat hij ouder is dan ik, vroeg ik of hij iets gemerkt had van het vijftigworden, en Gerbrand vertelde dat het gevoel van hoop waar hij altijd bij had gekund rond dat moment verdwenen was.

We waren stil terwijl ik zijn hoop legde naast mijn eigen versie: het tegen alle logica in vertrouwen op een stijgende lijn in de dingen, ook bij grote tegenslag. Ik ben altijd bang geweest die aanleg kwijt te raken.

‘En toch ben je er nog,’ zei ik na een tijdje, misschien omdat ik niet met hopeloosheid wilde eindigen.

‘Toch ben ik er nog,’ zei Gerbrand.

Bij hem klonk het meer als een ontdekking dan een bezwering. Ik hoorde zelfs wat verwondering.

Op weg naar huis dacht ik aan Gerbrands intonatie, of hoe ik die had opgevat. Was mijn selection bias toch niet uitgewerkt, of nam de verwondering het op een zekere leeftijd over van de hoop?

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Porno en peepshow – een geschiedenis

Uiteindelijk las ik op dat prachtige eiland nog een paar dingen. Onder meer een long read van Gay Talese over Frank Sinatra, een aan te bevelen kunststuk omdat het de omcirkelende capaciteit van Talese toont: echt in gesprek met Sinatra komt hij niet, maar door wie hij om hem heen spreekt, weet hij een geweldig precies en ergens ontluisterend beeld van de man te schetsen. My way or the highway. Dus bestelde ik een paar boeken die meteen thuis op me lagen te wachten. En lezend in Thy Neighbours Wife stort ik van de ene verbazing in de andere. Las ik ooit zoiets?

Het boek is een geschiedenis van de ontwikkeling van gecommercialiseerde seksualiteit in Amerika naast de ontwikkeling van de seksuele moraal in dat land. Maar hoe doet hij zoiets? Het boek begint met een jongen in de late jaren veertig, begin vijftig die met een seksblaadje naar huis loopt waarna we zijn hele woonsituatie en achtergrond opgedist krijgen voordat hij later op de avond uiteindelijk in de gelegenheid is alleen met zijn blaadje te zijn. Specifiek een plaatje heeft zijn opgewonden aandacht. In het volgende hoofdstuk gaat het over wie er op dat plaatje staat, Diane Webber, en wat haar achtergrond en verhaal is, tot aan het moment dat ze ene Hugh Hefner tegenkomt. Het hoofdstuk over deze Playboy-oprichter toont hem eveneens in extenso in zijn tijd en vanuit zijn ontwikkeling, je krijgt heel veel fascinerende geschiedenis mee! Zo belanden we bij Samuel Roth, een joodse immigrant vanuit een ruraal Oostenrijks dorpje die een groot clandestien drukker, antiquair en pornograaf zou worden en zijn leven lang in gevecht zou blijven met de Amerikaanse censuur, ook hij speelt daarmee een cruciale rol. John Williamson, een begaafd mechanicus die opgroeit in de moerassen van Alabama in het zuiden van de VS en jarenlang op Stille Zuidzee-eilanden verblijft wordt een ‘mechanicus van de sensualiteit’ in een langzaamaan uitgroeiende vrije seks-commune in California: Wife-swappers.

Screw, Playboy, massage parlours, Talese werkte acht jaar aan zijn brede geschiedenis, sprak honderden mensen, sommigen van hen meer dan 50 maal en bouwt een beeld op dat tevens een echte, intens geresearchte geschiedenis van Amerika is, ik heb uit geen eerder boek zoveel over dat land en zijn geschiedenis geleerd. Knap is dat hij alle personen bewogen heeft hun echte naam te mogen gebruiken. Het toont zijn wil verifieerbaar te zijn, maar ook zijn capaciteit de mensen in hun portretten volstrekt in hun waarde te laten. Wat een knap boek!

Nu heb ik nog drie boeken van hem liggen. Hopen dat ze niet alle drie net zo goed zijn, want ik voel een obsessie ontstaan.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Sem van de Graaf"
    Sem van de Graaf

    Sem van de Graaf (2002) schrijft absurde verhalen die uit de bocht vliegen en toch een sterke moraal communiceren. Zijn werk is komisch, vervreemdend en oprecht.Hij studeert af van Writing for Performance aan de HKU met het lange filmscenario ‘Een stoel, de dief en Elske’ en zijn onderzoek ‘Handen’. Verder schrijft hij toneel voor verschillende groepen, waaronder zijn eigen collectief ‘bröd’ waarmee hij met de gelijknamige voorstelling in Zaal 3 stond. Zijn VHS-korte films stonden op het Rotterdams Open Doek en het Gouds Filmfestival, waar hij de prijs won voor Beste Film Jong Talent.

  • "Foto van Jan Lodewijckx"
    Jan Lodewijckx

    Jan Lodewijckx (1990) had het wel even gehad op kantoor. Hij kocht een zware fiets en een kleine tent en zegde zijn werk op en zijn appartement.

  • "Foto van Mira Aluç"
    Mira Aluç

    Mira Aluç (1993) schrijft korte verhalen en beschouwingen. Haar werk is sinds 2015 onder andere verschenen op Mister Motley, in Streven, De Revisor en De Gids en werd meermaals gepubliceerd op DIG (De Internet Gids) en in Tirade. In 2020 werd haar verhaal Backspace opgenomen in Rebel, Rebel, de bundel van Uitgeverij Prometheus ter gelegenheid van de Boekenweek. Ook maakte zij de podcast Balkon voor Sprekende Letteren.