Ziek

Mijn kinderen hebben een sterke weerstand. Maar heel zelden komt het voor dat ik ze thuis moet houden. Toen ik Ada eergisteren van school haalde, klaagde ze al over buikpijn, en in de nacht kwam daar een flinke koorts bij. Ik sliep met opgetrokken benen in haar korte meisjesbed terwijl B in onze slaapkamer bij het ijlende meisje waakte.

Ik had degene moeten zijn die met Ada opbleef, maar dat is dus niet wat er gebeurde. In de ochtend was mijn vrouw gebroken en had mijn dochter nog steeds koorts. Even later moest B op haar werk een dissertatie geven over het onderzoek waaraan ze nu al jaren werkt.

Mijn eigen werkdag zat zo vol dat ik me niet voortdurend schuldig kon voelen over mijn nachtelijke snordrukkerij, maar het knaagde wel zo nu en dan. Ada lag te zweten op de bank; op een tafeltje naast haar stalde ik sap en karnemelk en andere dingen uit die ze lekker vindt.

‘Dank je,’ zei ze. Ze pakte mijn hand en hield hem tegen haar voorhoofd. ‘Warm, ben ik.’

Ik haalde een koude washand voor op dat hete bolletje en dacht aan hoe het moet zijn geweest in de tijd van Jacob Olie, die nog geen tweehonderd meter bij ons vandaan op de Zandhoek woonde. Toen kon een hoestje nog tuberculose betekenen, een beetje koorts het begin van polio. Er waren artsen en ziekenhuizen, maar de kindersterfte loog er niet om in die jaren. Drie van Jacobs zeven kinderen stierven jong.

Ik geloof dat de liefde voor je kind zuiver biologisch is, en dat die dus in elke tijd hetzelfde moet hebben gevoeld, maar ik weet ook dat hevige angst uitdooft als je er lang genoeg aan wordt blootgesteld.

Als een kind maar weinig kans heeft om haar eerste jaar te overleven, hecht je je er dan minder aan? Elk organisme streeft naar groei en het overdragen van genetisch materiaal, en dus zou elke bedreiging van een drager van ons genetische materiaal opnieuw een code rood moeten veroorzaken.

Jacob verloor drie kinderen, maar zou directeur worden van de eerste Nederlandse ambachtsschool en over een periode van vijftien jaar drieduizend foto’s maken van zijn stad. Iemand die in het Amsterdam van onze tijd drie kinderen verliest, komt dat nooit teboven.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Reyna (I)

Begrijp me niet verkeerd want ik was direct verliefd, maar in de stoffige bende die Cairo is kan ik niet anders dan me mijn ondergang voorstellen. Ik doe dit altijd in het licht van Reyna’s gezicht, waar een hardheid uit spreekt die ik niet eerder heb gezien. Ze woont in de eerste kamer van het huis vanaf de voordeur en wat zich langs haar waagt wordt achtervolgd door diep geblaf dat elke dag alle angst van mijn maag naar mijn nek perst. Als ze haar deur uitstapt (wat ze niet echt doet) ritselt ze hoogstens. Ik heb het over haar al te luide stilte zoals Hrabal het over een al te luide eenzaamheid had. Ik weet precies wanneer ze thuis is of buiten in een taxi zit, en het was vanaf het begin duidelijk dat ze uit haar zwijgen iets groots verwacht. Thuis lijkt de lucht om haar wenkbrauwen te buigen tot het over haar neus in het boogje van haar bovenlip stort. Ik kom haar bijna nooit tegen, als het gebeurt is het tussen elf en een ’s middags of twaalf en twee ’s nachts. Ze vraagt dan altijd of ik aan het slapen was. Vijf dagen na mijn verhuizing vroeg ze of ik bij haar kwam zitten.  

‘Challas Louq, ta3ala’ (Louq is de Duitse herder waarmee ze in een kamertje van ongeveer drie bij vier stappen leeft). ‘Kappen Louq, kom hier’ (hij springt op de bank). Ik ben naar de woonkamer verplaatst en deze vrouw met eindeloze wallen op een perfect gebroken gezicht vraagt of ik sap wil. Ze schenkt een wazig glas vol en mijn mondhoeken blijven hangen in de glimlach van eerder, toen ik ‘Sukran’ (‘dank je’) zei. Ik vraag haar hoelang ze hier al woont, en nadat ze haar wietblik heeft geopend breekt ze los; ze vertelt me over een eerder leven, toen ze in een villawijk van Cairo woonde waar ze een grotere herdershond in een grote tuin had. Dat haar vertrek naar onze eroderende kattenkathedraal in het hart van het hart – Downtown Cairo -, geen keuze was. ‘I don’t think I’ll stay here for a long time, also because of Louq, but I just need to get some cash before I leave’. Ik weet niet waar naartoe en ik denk niet dat ze dit met iemand deelt. In de eerste lente van de pandemie, tijdens de enige lockdown die Egypte heeft gekend, verloor Reyna haar baan. Ze moest de huur van haar appartement opzeggen en weg uit Sheikh Zeiyed, een wijk waar de hoge middenklasse massaal naartoe vlucht, waar de chaos die nog kilometers ver uit Cairo spuit van massieve muren ketst, terwijl ze een vacuüm van winkels, orde en rust over de straten trekken. Waar de rijke Caireen volledig ingekapseld volledig gelukkig is. Ik ben er dus een keer geweest en werd direct uit een gigantisch winkelcentrum gejaagd omdat ik op een muurtje zat. Waarom ik met haar zit is duidelijk. Ik ben er niet echt en tegen mij spreken is zwijgen. 

Ze praat door: Reyna komt uit de Nijldelta, en ze zegt dat de mensen daar beter zijn, ‘but I had to leave this Egyptian village life, you know’; Ik kan me moeilijk een voorstelling maken van het Egyptische plattelandsleven, maar in alle eerlijkheid vertaalt gezellige bemoeizucht zich zelfs in het oneindige Cairo met al het gemak naar controle. Ik let op wat ik zeg omdat het duidelijk is dat mijn verhaal met het stof mee overal neer kan vallen. En hoewel ik min of meer m’n schouders op kan halen terwijl ik waar ik maar wil een shisha bestel, heb ik niet echt vrij spel. Het verschil is dat de sociale cohesie in mijn wijk niet valt of staat bij wat ik doe of laat, zodra het duidelijk is dat mijn Arabisch gebroken is in ieder geval. Toch wil ook ik niet dat de oude vrouw van wie ik huur het idee heeft dat mannen ’s nachts op mijn muffe bank bier drinken. Of dat de lokale agent me vies aankijkt omdat ik vaak laat langs hem strompel. Ik begrijp dat iemand als Reyna, die door gangen sluipt en meestal zwijgt, minstens een mensenmassa nodig heeft om in op te gaan. Maar ze benadrukt dat de Caireen hard en onpersoonlijk is. Als het pijnpunt hier echt ligt in het warme familiaire tegenover grootstedelijke anonimiteit dan heb ik in Nederland nooit geleerd wat samenzijn is. Hier trillen de straten meestal van de hitte. Vriendschap wordt bezegeld bij de eerste keer dat je de ander de hand schudt en aan tafel wordt niet echt geproost omdat het overduidelijk is dat we de dag vieren. Thuis heb ik mijn zomers jarenlang ergens tussen de West-Friese weilanden in de blokhut van mijn grootouders doorgebracht. Wanneer ik daar langs het Ananasbos loop ben ik nog steeds bang dat ik in een struik val en iedereen vergeet dat ik er überhaupt was. In Cairo kan ik sterven op de stoep terwijl ik weet dat ik uiteindelijk bij elkaar wordt geraapt door een moeder of een broer die ik nooit eerder heb ontmoet.  

"Foto van Senna Felius"
Senna Felius

Senna Felius (1997) is dichter. Ze studeert filosofie en Arabisch en woont in Egypte. Haar poëziedebuut staat in Tirade 487.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Jezelf denken denken

De marathonvoorstelling van de Leedvermaaktrilogie van Judith Herzberg door Het Nationale Theater had vanaf het begin alles mee. Regisseur Erik de Vroedt kwam vertellen wat er allemaal mis was gegaan en dat ook nog een grote rol was uitgevallen: Jaap Spijkers was ziek en een ‘moedige, knappe jonge Indo met tekstboek’ de regie-assistent, zou zijn rol waarnemen.

Ik zag het verfremdungseffect van Bertolt Brecht bewaarheid worden: als je meteen het publiek de wegdroommogelijkheid ontneemt (man met script toont het kunstmatige) komt alles harder binnen. Het was het begin van een transparante avond. Transparant om vele redenen. Omdat het stuk in de uitvoering dat zelf is: anders dan bij de klassieke drama’s waar een bode komt vertellen wat er op het strijdtoneel gebeurd is, geschiedt hier alles in de marge. De geniale vondst van Herzberg in haar Leedvermaak is dat het zich in zijn geheel afspeelt in een bijruimte bij een huwelijksfeest. Waar iedereen even uitpuft die niet aan het feesten is. Zo krijg je alle zijlijnen mee, niet het hoofdverhaal, lijkt het, maar daarmee juist wel wat echt van belang is. Transparant ook omdat de auteur in de zaal zat. In Rijgdraad zit een tekst als ‘wat gek eigenlijk, je kunt je zelf zien zien, maar niet denken denken.’ En dat is wat we ergens waarnamen, we zagen Herzberg denken denken. Onafwendbaar verdubbelt zich een bij vlagen autobiografisch stuk in het hoofd van de kijkende auteur. We zagen niet alleen de geschiedenis van oorlog en verwerking, die van Lea (schitterende rol van Tamar van den Dop), maar ook de waarneming en het tot tekst maken daarvan, van Herzberg. En verder nog. Ter verhoging van de diepte van dit alles zaten er acteurs in de zaal die het stuk vroeger speelden, ook acteurs die de verfilmingen speelden. En de moeder van een van de actrices zat in de zaal ongetwijfeld door haar eigen terug-in-de-tijd-telescoop te kijken.

Een familiegeschiedenis over decennia naoorlogs trauma werd uitgespeeld in een omgeving waarin zich zoveel betrokkenen over decennia hadden opgehoopt, dat het hele theater leek te gaan over hoe families zich met van alles opzadelen, over hoe je het juiste niet kunt zeggen en voelen, over van wie de oorlog eigenlijk is en van wie juist liever niet. We keken door een uitvoering in 2022 naar een uitvoering in 1972, naar het schrijven van de tekst, naar het voelen ervan, naar de naoorlogse tijd tenslotte de oorlog in en tot daarvoor. De geschiedenis was doorzichtig gemaakt.

1945

Wij kregen helden op de thee
ze zaten samen op de canapé
ze hadden helemaal geen
conversatie, ik keek en keek
tot ze verlegen waren
ze wisten zich geen raad
met zo een vrede.

(uit: 100% Hopla’s, Judith Herzberg, Uitgeverij De Harmonie)


Een zaal vol zat zich geen raad te weten met zo een vrede.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

De weg naar huis

Naast alleswinkel Rief op de Marnixstraat, waar ik vaak boodschappen doe als ik de kinderen van school gehaald heb, voert een straatje naar de kade, en aan het einde van dat straatje staat een jonge magnolia.

Op de meeste dagen van het jaar komen Nadim, Ada en ik daarlangs zonder de donkere stam en takken echt waar te nemen, maar de afgelopen week stond de magnolia in bloei, en dus stopten we steeds even om te kijken naar de bloemen, die me altijd aan suikerwerk doen denken, aan kwarktaart. Aan kaarsen, als de knoppen nog gesloten zijn.

Omdat ik halverwege een nieuwe roman ben denk ik veel na over welke beelden nou in zo’n boek terechtkomen en welke niet. De stad die ik wil opvoeren bestaat niet echt, is een samentrekking van plekken waar ik ooit was; dus ben ik vrij om beelden op te diepen uit mijn geheugen, een heel decor te bouwen waarin alles op de ideale plek staat.

Beelden die je uit de tweede hand hebt – uit boeken, van film of televisie – werken niet. Ik geloof er heilig in dat de lezer het merkt als de vertaalslag van de werkelijkheid naar fictie een tussenstap heeft ondergaan.

Onze Ada (5) kijkt als B en ik uitslapen graag naar meidentekenfilms, en hoewel ze van zichzelf een expressief meisje is, kan ik het onmiddellijk zien als ze een personage uit Winx of Super Hero Girls nadoet. Een hand op de heup, een opgetrokken schouder, een wegwerpgebaar, de manier waarop ze een pluk haar om haar vinger draait.

We assimileren allemaal voortdurend, zelfs de stugsten onder ons nemen een andere taal op in hun accent als ze ergens lang genoeg wonen. Misschien ziet gedrag er pas on-eigen uit als we het bewúst laten zien.

Met een doos gebutste tomaten in mijn fietskratje stopte ik gisterenmiddag voor de magnolia, en ik moest denken aan dat mooie beeld van Nikos Kazantzakis, over de amandelboom die in de bloesem schiet als haar gevraagd wordt om iets over god te zeggen. Kapotgeciteerd, maar wel een opvatting van god waar ik mee kan leven. Een niet te stuiten kracht, een vreugde en een vruchtbaarheid, iets waarop je zou kunnen leren vertrouwen.

Ik keek naar al die romigroze bloemen en bedacht dat alleen mensen onnatuurlijk over kunnen komen. Dieren en planten, dacht ik, zijn altijd en onwrikbaar zichzelf. Misschien is dat ook wel waarom we met aan jaloezie grenzend genot naar ze kunnen kijken.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Uitgespuugde vlieg

In navolging van Franz Kafka vind ik het interessant om kleine, wroetende knaagdieren en insecten te bestuderen. Ik volg ze op straat of in het park. Ik spreek ze aan en bewonder ze. Alles wat kruipt en knaagt en wegschiet in holen of raten.

Aan de rivier vond ik een gewonde bij en hield die lang op mijn vinger voor mijn neus. Het prachtige diertje krabbelde over mijn wijsvinger en mijn palm, de knokkels en nagels, en ondertussen ruiste de rivier en scheen de middagzon en dwaalde de rook van sigaretten van vissers over het water. Ik maakte een foto met mijn telefoon en zette de bij op Instagram. “Save the bees”, schreef ik erbij. Het regende hartjes. Rivieren, groggy bijen, zonneschijn.

Like.

De volgende morgen vond ik een stervende kakkerlak op de trap in de hal. Een joekeltje, hij bungelde van trede naar trede, rolde om en kwam niet meer overeind, spartelde, in Gregor Samsa-stijl. Ein ungeheueres Ungeziefer. Ik nam de kakkerlak op mijn vinger, en liet hem worstelen, over de knokkels, de palm, etcetera. Het was een prille ochtend, met zacht licht, en een buurvrouw had de overloop verfraaid met bloeiende geraniums. Oké, het is een hal van een appartementencomplex, maar toch, er bestaan minder fraaie plaatsen om te sterven. Ik nam een foto en plaatste de foto van de kakkerlak op Instagram, en schreef erbij “Save the cockroaches”.

In een angstaanjagende televisietoespraak riep Vladimir Poetin op tot het zuiveren van het Russische volk. Verraders en de vijfde colonne in Rusland, de Westerse agenten en infiltranten, de agent provocateurs en wat niet al – hij zou ze als vanzelf herkennen, als een “vlieg die in je mond vliegt en die je dan uitspuugt.”

Ik gedenk de kakkerlak in de hal, en de verzwakte bij, aan de oever van de rivier. Het moet een vreselijke dood zijn, die je je ergste vijanden niet toewenst. Eerst vlieg je in de mond van Vladimir Poetin, misschien vermaalt hij je nog met zijn peperdure tanden, en spuugt je uit.

Afschuwelijk.

"Foto van Guido van Hengel"
Guido van Hengel

Guido van Hengel is historicus en schrijver van non-fictie. Hij schreef De zieners (2018) en De dagen van Gavrilo Princip (2014). In 2021 verscheen bij Van Oorschot Roedel. Een alternatieve geschiedenis van Joegoslavië.

Geduld

De test wees uit dat ik vooral een denker ben. Dat verbaasde me niet, ik had de vragenlijst zelf ingevuld en op deze uitkomst aangestuurd. Het was een aardigheidje van onze orthopedagoog:  de leerstijlentest van de Amerikaanse psycholoog David Kolb. Andere antwoorden hadden een dromer, een doener of een beslisser van me gemaakt. Die ben ik ook allemaal wel ten dele, maar in mijn zelfbeeld rust de ene hand op mijn knie, de andere stut mijn hoofd.

Er is ook een stilte na de storm. Ik zat achter mijn bureau en staarde wezenloos voor me uit. Daarnet had een moeder me aangesproken bij de deuropening. Ze had kinderen naar buiten zien vliegen, ze had flarden van hun verhalen opgevangen, ze had tien minuten op haar zoontje moeten wachten die zijn fietssleutel kwijt was. ‘Goh, zijn ze altijd zo druk? Knap hoor, dat jullie zoveel geduld hebben,’ had ze tegen me gezegd. Als compliment had het aan duidelijkheid alles te wensen over gelaten. 

Er kwam een collega bij me binnen. Ze bracht me een uitdraai van toetsresultaten en vroeg me of ik even tijd had voor de Actie voor Oekraïne. Zij was zo iemand die na schooltijd meteen doorwerkte, wat ik niet kon, maar benijdde. Ik moet altijd bijkomen, dingen verwerken, een kop koffie, ongeacht hoe de dag verlopen is. De kinderen waren vandaag inderdaad druk geweest, ik had me helemaal moeten geven, zoals dat wordt gezegd van schaatsers en wielrenners. Het was me redelijk afgegaan, maar meteen schriften nakijken, de lessen voor morgen voorbereiden en de administratieve rompslomp te lijf gaan was twee etappes na elkaar fietsen.

In geen enkel handboek van de pedagogiek heb ik iets diepzinnigs over geduld gelezen. Goed, onderwijsvernieuwer Jan Ligthart is gekomen (en gegaan) met ‘Opvoeding is een kwestie van liefde, geduld en wijsheid – en de laatste twee groeien waar de eerste heerst,’ (de tekst staat op zijn grafsteen). Psycholoog Walter Mischel heeft ons de inmiddels in twijfel getrokken inzichten uit een marshmallowtest bij kleuters aangereikt (als je de marshmallow laat liggen terwijl ik weg ben, krijg je straks een tweede). Esoterische boekjes en zelfhulpboeken over ‘wachtkracht’ vertellen dan nog dat geduld een pleister is voor alle wonden, een sleutel tot tevredenheid en een kameel waarmee je de woestijn doortrekt, maar tot een lemma in een wetenschappelijk onderzoek heeft geduld het bij mijn weten nooit geschopt. Geduld is een academische verschoppeling.

Wat is geduld precies? Is het altijd een woestijnschip? Waarom hoorde ik in het compliment van die moeder een aanmerking, of een verwijt misschien? ‘Mijn geduld is een eindige grootheid, hoor,’ had ik geriposteerd en de moeder had nog gezegd: ‘O ja?’ Het is wat ik weet over geduld, dat het op zeker moment op is. Dat de mate van mijn professionaliteit samenhangt met de controle die ik erover heb. Als ik in vorm ben weet ik precies wanneer ik geduld moet oefenen en wanneer ik korte metten moet maken. Op het verkeerde moment, dus willekeurig, onbeheerst geduld tonen of verliezen is funest. Welk type van Kolb heeft het meeste geduld? Is een denker van nature royaal bedeeld? En heeft een denker meer geduld met denkers dan met bijvoorbeeld doeners? Ludwig Wittgenstein, groot denker, die nadat hij zijn Alles verklarende Tractatus voltooid had als onderwijzer aan de slag ging, slóeg zijn leerlingen als zij niet aan zijn hoge verwachtingen voldeden. Wat moet een denker denken om geduld te kunnen doseren?

Stapel schriften, kop koffie, collega naast het bureau. Een doener waarschijnlijk, net zoals de meeste van de kinderen uit mijn klas. Denkers worden moe van doeners, dat is het. Had ik me helemaal gegeven? Nee! De denker die ik ben was nauwelijks aan bod gekomen vandaag, al die doe-kinderen hadden doen van me gevraagd. Ik had een álter ego gegeven, iemand die moest handelen, snel en beslist. Geen gedelibereer, maar intuïtie, gut feeling, fingerspitzengefühl. Heel moeilijk voor een denker, want terwijl de tent wordt afgebroken puzzelt hij nog geduldig op een wijze ingreep.

De collega is er bij gaan zitten. ‘Ja,’ zeg ik, ‘Oekraïne.’

"Foto van Jack de Boer"
Jack de Boer

Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

 

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Mira Aluç"
    Mira Aluç

    Mira Aluç (1993) schrijft korte verhalen en beschouwingen. Haar werk is sinds 2015 onder andere verschenen op Mister Motley, in Streven, De Revisor en De Gids en werd meermaals gepubliceerd op DIG (De Internet Gids) en in Tirade. In 2020 werd haar verhaal Backspace opgenomen in Rebel, Rebel, de bundel van Uitgeverij Prometheus ter gelegenheid van de Boekenweek. Ook maakte zij de podcast Balkon voor Sprekende Letteren.

  • "Foto van Jack de Boer"
    Jack de Boer

    Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

    Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

     

  • "Foto van Greet Kuipers"
    Greet Kuipers

    Greet Kuipers (1962) is psychiater. Onder het pseudoniem Minke Douwesz publiceerde zij bij uitgeverij Van Oorschot twee romans, Strikt en Weg. Voor de laatste ontving zij de Opzij Literatuurprijs 2009 en de Anna Bijns Prijs 2012.