Weten in zwart-wit

(Klik hier voor deel 1 van deze blogserie)

Recent zag ik A German Life uit 2016 van Christian Krönes. Het is een sober gefilmde documentaire waarin Brunhilde Pomsel (1911-2017) vertelt over haar leven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zij ziet zichzelf als een doodgewone Duitse vrouw die toevallig werkte voor een van de hoogste nazi’s (Joseph Goebbels, minister van Propaganda). Na de oorlog zat ze een gevangenisstraf van vijf jaar uit; vervolgens keerde ze terug naar het ‘normale Duitse leven’. Pas vlak voor haar dood gaf Pomsel voor het eerst een interview. Ze was 103 jaar oud.

Van zeer dichtbij, in zwart-wit gefilmd, kijkt Pomsel langs de camera. Ze zucht, frunnikt aan haar ketting, sluit haar ogen. Ze spreekt bedachtzaam, traag. De kijker krijgt alle ruimte om zelf een mening te vormen. Hoe schuldig is ze? Waarom toont ze geen berouw?

Brunhilde Pomsel zegt nooit geïnteresseerd te zijn geweest in politiek. ‘Dat was voor een vrouw niet nodig,’ zegt ze. Ze vindt zichzelf slechts een onbeduidende figuur in de geschiedenis. Maar is dat niet juist het probleem? Eigenlijk schetst zij zichzelf daarmee precies als ‘de banaliteit van het kwaad’ zoals Hannah Arendt dit omschreef.

In Wat maakt een verzetsheld (2021) schrijft Rutger Bregman: ‘Een gezonde samenleving met degelijke wetten en een goed werkende democratie van macht en tegenmacht heeft genoeg aan gewone mensen die gewoon hun best doen, gewoon doen wat van hen wordt verwacht. Maar wat als de samenleving niet gezond is? Wat als “doen wat van je wordt verwacht” precies het probleem is?’

Met gesloten ogen zegt Brunhilde Pomsel: ‘Es ist wie mit alle Dingen, auch das schöne hat Flecken, auch das schreckliche hat Sonnenstellen.’ Dan is het weer stil. Aarzelend zoekt ze naar woorden: ‘Es ist immer… Es ist nicht schwarz-weiss… Es gibt immer ein bischen Grau, in das Gute und in das Slechte.’ Maar wat als we toegeven dat sommige zaken wel degelijk zwart-wit zijn en we eigenlijk allang weten wat ons geweten ons vertelt?

Pomsel legt haar beide handen om haar hals, een gebaar dat het midden houdt tussen een verdediging en een zelfgefabriceerde strop. Dan kijkt ze plotseling recht de camera in: ‘Het is moeilijk (…) aan het einde van de dag denk je toch alleen aan jezelf.’ Is dat echt zo? Is dat wat de mens typeert?

Een van de zeldzame keren dat Pomsel zich opwindt is wanneer ze spreekt over Sophie en Hans Scholl, die pamfletten tegen het nationaalsocialisme verspreidden van verzetsbeweging Die Weiße Rose. Als secretaresse kreeg Pomsel het dossier onverzegeld op haar bureau. Ze veert omhoog, steekt een keurig gemanicuurde vinger in de lucht en zegt met luide stem: ‘Als ze hun mond hadden gehouden, hadden ze nu nog geleefd.’ En doelend op de pamfletten: ‘Alleen maar voor zo’n schijtpapier.’

Sophie Scholl werd geëxecuteerd en naar verluidt waren haar laatste woorden: ‘Hoe kunnen we verwachten dat gerechtigheid de overhand krijgt als er bijna niemand bereid is om zich individueel aan een rechtvaardige zaak over te geven? Zo’n fijne, zonnige dag, en ik moet gaan, maar wat doet mijn dood er toe, als door ons duizenden mensen worden gewekt en tot actie worden aangezet.’

Brunhilde Pomsel werd in elk geval nooit tot actie aangezet. En wij, zo veel jaren later? Hoe zullen wij ooit op ons eigen (niet) handelen terug kijken?

(Met dank aan Liliane Brakema)
Foto: NDSM-werf Amsterdam Noord

"Foto van Berthe Spoelstra"
Berthe Spoelstra

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Haar debuutroman Schemerland kwam in 2009 uit bij Van Oorschot. In augustus 2021 volgt Zwerm. Voor Tirade schrijft ze over o.m. theater en literatuur.

In de Oorshop

De duivenkoning

De duiven op de Dam vroegen Moeder Natuur om een koning.

‘Als enigen in het dierrenrijk ontberen wij leiding,’ koerden ze tot vervelens toe. ‘Stuur ons een koning die bij ons past, waar we tegenop kunnen kijken.’

Dus Moeder Natuur, moe geworden van de aanhoudende ontevredenheid, vervulde hun wens. Ze schonk de duiven in haar oneindige genade een vorst.

Aan de achterzijde van het Paleis op de Dam zit hij. Een man met een muisgrijze baard in een lange jas die majesteitelijk rood kleurt. Met lenige, opgetrokken benen en de vingers in elkaar verstrengeld. Een ouwetje, met een tas waarvan de inhoud niet zichtbaar of bekend is, omringd door zijn koninklijke hofhouding van duiven. Het is een absurd gezicht. 

De duiven bezien hun leider met de nodige scepsis.

‘Z’n kop lijkt me leeg, zit er überhaupt iets van wijsheid in?’ vraagt de een zich hardop af.

‘Ik bedoel, die plastic Burger King-kroon geeft onze koning wel iets lulligs,’ fluistert de ander onopvallend.

‘Wat hebben we aan een meester die ons geen raad kan geven, geen inzicht kan verschaffen?’

‘Ik hoop dat er lekkernijen in die tas zitten. Stel je voor: broodkruimels in overvloed,’ jubelt een dikke duif. ‘Nooit meer bedelen op het plein.’  

‘Mensen zijn rovers,’ sneert een vrouwtje. ‘Inhalig als ratten. Let op mijn woorden, kameraad: nog geen kruimel krijgen we!’

‘Er verandert niets aan de kringloop van het leven. Eens bedelaars, altijd bedelaars,’ weet haar echtgenoot te vertellen.

De koning zegt intussen niets. Hij staart glazig voor zich uit en van enige beweging is geen sprake. Het gemor onder het gevogelte neemt toe.  

‘Net een standbeeld, verdomme.’

‘Als het zo doorgaat, kunnen we ’t wel laten.’

‘Verstaat-ie ons wel?’

‘Misschien verroert-ie zich als we op hem schijten.’

De duivenkoning blijft even roerloos als altijd, zittend op de stenen trappen en nagewezen door de voorbijgangers.

‘Volgens mij staan we ontzettend voor lul,’ jammert de duif met de kortste snavel.

‘We zijn de klos,’ concludeert de oudste duif. ‘Geef deze maar aan de meeuwen, die verdienen hem. De meeuw is een foute vogel.’

‘Die jatten altijd het lekkerste vuilnis!’

‘Schorem is het! Geteisem! Weg ermee!’

‘Juist! Naar de meeuwen met dit geraamte!’

‘Wij eisen brood!’  

‘Verwacht hij dat we hier de hele dag rond blijven hangen?’

‘Mooi niet, ik heb wel wat beters te doen.’

‘Ja zeg, het begint langzamerhand ridicuul te worden.’

‘Van het toeristenvolk krijg je meer reactie.’

‘Een stel Japanners heeft een halve hamburger naast de prullenbak gegooid.’ 

‘Ik vlieg ervandoor!’

‘Wacht! Wacht! Kameraden, wacht nou! Volgens mij gaat onze koning iets zeggen.’

En inderdaad, de droge kreukellippen barsten open en er verschijnt een vonkje in de pupillen. Spreek tot ons, nobele heer, spreek tot ons!

Met schorre stem zingt hij: ‘Mááárk… en Róóób… een clóóówn… en een harlekijn.’

Een onbekende en terecht vergeten smartlap op monotone wijze gezongen is waar de duiven het mee moeten doen. Ze vliegen gedesillusioneerd weg, richting de Dam. Daar is het weliswaar druk, maar daar worden ze tenminste gezien en gevoed; al is het door een grillige mensenmeute die het ene moment een vleiend kiekje maakt en etensresten rondstrooit, om het volgende ogenblik dwars door de duivengroep heen te banjeren of ze op een rotschop te trakteren.

De duiven prefereren aandacht boven géén aandacht.

Als mij gevraagd wordt waarom deze bijzondere man, met z’n Burger King-kroon en doffe ogen die niet meer meedoen, op deze merkwaardige plek zit, dan geef ik dit antwoord.

Een betere verklaring heb ik niet, ik ken ook niemand die mij er een kan geven, maar ik sta open voor elke aannemelijke suggestie.

"Foto van Tim en Tirza"
Tim en Tirza

Tim Veeter

Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

 

Tirza Gehring

Tirza Gehring (1989) is actrice, fotograaf en tekenaar. Met een precieze en gedetailleerde handtekening schept Tirza tijdloze beelden, maar schuwt niet haar voorliefde voor historie en antiek daarbij in te zetten. Overal tekent en denkt ze in beelden, sferen en verhalen. Sinds acht jaar woont ze in Amsterdam.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

De grote vlucht naar buiten

Vakantie. Een wandeling onder een uitgestrekte hemel, een vervallen huis van gestapeld steen. Raamkozijnen waarvan het hout tot streepjes is weggerot en ingedroogd. Over al die heuvels kijken en denken: wat als vandaag de eerste dag was? Waarmee zou ik dan beginnen?

Het dak, misschien. Als eerste wil je toch een dak dat regen buitenhoudt. Dan verwarming, warm water, elektriciteit, kamers voor de kinderen, internet zodat ook hier gewerkt kan worden. Een bankje voor de deur om al dat uitzicht in je op te nemen.

Ik zou hier kalmer zijn, besef je. Een versie van mezelf waarmee het fijner leven is. Als ik dan op bezoek ging bij vrienden in de grote Nederlandse stad, zouden ze me stil vinden. Ik zou er goed uitzien, ongejaagd en bruin, maar ik zou steeds vroeg naar mijn hotel gaan en een dag eerder vertrekken dan ik had beloofd. Op weg terug in mijn Subaru Forester zou verdriet me overvallen, omdat ik wist dat ik een thuis verloren had.

De afgelopen dagen lees ik I am an Island van Tamsin Calidas. Wie het opzoekt ziet dat het een “waargebeurd verhaal is over het buitengewone vermogen van de natuur om, wanneer je alles verloren hebt, in je behoeften te voorzien. Een magnifiek boek over eenzaamheid, veerkracht en zelfontdekking”.

Ik kocht het omdat ik wilde weten wat nou precies verstaan wordt onder zo’n écht zomerboek, en ben nu halverwege. Dat “magnifieke” weet ik niet zo, want ik heb op de stijl wel wat aan te merken, maar I am an Island is in ieder geval een sloopkogel van een vertelling, die de psychische en fysieke ellende van de hoofdpersoon nauwelijks gefilterd bij de lezer binnenramt. Calidas en partner hoopten – of dit boek helemaal autobiografisch is betwijfel ik – op een ruig eilandparadijs, maar vonden tegenslag en harde buitensluiting.

Wat ik goed snap is de droom, die ik ken en heerlijk vind. Wat ik nauwelijks kan bevatten is de naïviteit die zichtbaar wordt in het volgen ervan. Je moet toch snappen dat je ook op dat eiland jezelf gaat zijn, maar dan onder zwaardere omstandigheden en zonder een sociaal netwerk?

Tot dusver las ik in I am an Island vrijwel niets over het verleden van Calidas. Slechts één keer komt haar broer op het eiland logeren, die al na een paar dagen vertrekt. Dat Calidas’ ouders het zwaar hebben – moeder is dementerende – blijkt tijdens één enkel bezoek, maar er moet nog zoveel meer aan de hand zijn en zijn geweest. Het schijnbare gebrek aan solide banden in Calidas’ verleden is op zijn zachtst gezegd opvallend.

De lezer blijft zitten met het gevoel dat het ‘eilandparadijs’ de hoofdpersoon niet gelokt heeft, maar dat ze er door haar verleden heen gedreven is. Dat ze erheen vluchtte, al voelde ze dat zelf niet.

De eilandbewoners die ze opvoert hebben vrijwel allemaal een hekel aan buitenstaanders. Hoe welkom kon deze plek tijdens haar eerste verkennende bezoek dan overkomen? Hoe komt een mens zo ongevoelig voor afwijzing dat ze besluit zich hier te vestigen? Is ze misschien afwijzing gewend en ervaart ze de houding van de eilanders als normaal?

De eilandmannen zijn seksueel intimiderend. Sinds Calidas’ partner haar op een avond vol huiselijk geweld met twee gebroken handen achter heeft gelaten, komt er zo nu en dan een dronken man langs, midden in de nacht. Calidas laat hem dan binnen en herhaalt een paar keer dat het nu écht te laat is, dat ze écht te moe is voor bezoek. Dit is het gedrag van een getraumatiseerd persoon, die eraan gewend is dat haar grenzen voor anderen niet bestaan.

Een hoofdpersoon als stopverf; deuk na deuk loopt ze op, zonder ooit een tegenbeweging te maken. Ze blijft maar, draagt maar. Het is masochistisch. Ik werd daar ongeduldig van, toen geloofde ik het verhaal niet langer maar bleef toch lezen, nu ben ik vooral boos. Stomme trut, denk ik al lezend. Jezus Christus. Doe normaal.

De woede die de hoofdpersoon moet voelen, gevoeld door de lezer. Ik wilde me in deze column afvragen of dit knap gedaan is van de schrijfster, of dat hier zuivere autobiografie aan de hand is, en het vooral verschrikkelijk is voor de schrijfster. Maar eigenlijk, bedacht ik vanochtend onder het hardlopen, doet dat er niet toe. Het effect is hetzelfde.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Mijn Indonesische jaren: Een scala aan ontmoetingen in Jakarta

In Jakarta woonde ik in Menteng, de villawijk uit de jaren dertig. Ik heb daar op drie verschillende adressen gewoond. Van 1982 tot 1985 op Jalan Lembang, die rond een grote vijver liep; vervolgens op Jalan Sawo, vlakbij de spoorlijn; en in mijn laatste jaar op Jalan Malang.

Aan de oostelijke zijde van Menteng, bij Jalan Cikini, bevindt zich Taman Ismail Marzuki (afgekort TIM), een groot open terrein. ‘Taman’ betekent tuin. Daar staan diverse gebouwen met een culturele functie. Hier ging ik naar toneelvoorstellingen in theaters waar ’s avonds sigarettenrook omhoog kringelde en vleermuizen rondvlogen, en bezocht ik het letterkundig documentatiecentrum dat vernoemd was naar zijn oprichter, H.B. Jassin (1917-2000).

Jassin had niet alleen een indrukwekkende verzameling letterkundige documenten aangelegd: deze ‘paus’ van de Indonesische literatuur was ook de vertaler van Erasmus en Max Havelaar. Hij was een van de ondertekenaars van het Cultureel Manifest van 1963 en een collega van mij aan de Universitas Indonesia. Wanneer de kandidaatsscriptie over een letterkundig onderwerp ging was hij dikwijls mijn mede-examinator.

Eén keer verraste hij mij: de kandidaat die ik had begeleid had haar scriptie gewijd aan De voorstad groeit van Louis-Paul Boon. Nadat wij vragen hadden gesteld over haar analyse van structuur en stijl, had Jassin nog een toegift: hij ondervroeg de kandidaat over de ideologie van deze roman. Het kwam erop neer dat de ideologie die aan Boons roman ten grondslag lag niet strookte met de Pantjasila, de filosofische grondslag van de Indonesische staat. Uiteraard gaf de kandidaat dat grif toe, en ik luisterde geamuseerd naar deze korte gedachtewisseling. Jassin was een erudiet man met een gedrongen gestalte en een vriendelijk voorkomen. Ik kon het goed met hem vinden. Hij had een grote familie die leefde van zijn honoraria.

Behalve Jassin had ik nog een collega die haar sporen had verdiend op literair gebied. Haar naam is Toeti Heraty (1933-2021). Zij was de dochter van de beroemde architect Roosseno (1908-1996), die nog met Eddy du Perron in de redactie van het progressieve Bandoengse tijdschrift Kritiek en Opbouw heeft gezeten.

Toeti was in Leiden gepromoveerd op het begrip ‘ik’ in de cultuur. Zij doceerde filosofie aan de Universitas Indonesia, maar heeft vooral naam gemaakt als dichter en kunstverzamelaar. In 1979 publiceerde ze een tweetalige bloemlezing (Engels-Indonesisch) van poëzie geschreven door vrouwen. Zelf had ze, toen ik haar leerde kennen, twee bundels op haar naam staan. Ik waagde me aan een vertaling van enkele gedichten en besprak die met haar. Zij woonde net als ik in Menteng. Tot aan haar overlijden, op 13 juni van dit jaar, werkte zij nog aan diverse schrijfprojecten. 

Intussen voorzag ik me in boekhandels en in Jassins documentatiecentrum van Indonesische dichtbundels, en langzamerhand breidde ik zo mijn verzameling uit. Ik vertaalde gedichten van dichters die me aanspraken, zoals Abdul Hadi W.M. (*1946), B.Y. Tand (1942-2000) en Sapardi Djoko Damono (1940-2020). De laatste, die natuurgedichten schreef met existentiële, licht surrealistische accenten, doceerde Indonesische literatuur aan de Universitas Indonesia. Ook hij was soms mijn mede-examinator bij literatuurexamens. 

Op suggestie van Reny Poetiray, een Molukse dame die memoires had geschreven, hield ik in mei 1986 bij mij thuis een literaire salon, waarvoor ik zowel Nederlanders als Nederlands-sprekende Indonesiërs had uitgenodigd. Onder de deelnemers bevonden zich verscheidene mensen die creatief werk schreven, plus een aantal geïnteresseerden. We begonnen om zeven uur ’s avonds en mijn bedienden voorzagen de deelnemers van eten en drinken. De eerste avond was een succes, de kring breidde zich uit en de literaire salon werd een halfjaarlijkse traditie. Er zijn er in totaal acht gehouden, maak ik op uit mijn oude agenda’s. De kring was nooit groter dan twintig personen.

Vaste gasten waren Jacob Vredenbregt (1926-2020) en Poncke Princen (1925-2002). Beiden waren met Indonesië vergroeid. Poncke was er gebleven sinds hij als Nederlands soldaat was overgelopen naar de Indonesische zijde. Jacob had er verschillende perioden doorgebracht en woonde er sinds de jaren zestig permanent. Hij had in 1984 onder het pseudoniem M. Jacob gedebuteerd met zijn roman Aan het einde van de middag. Deze roman was gebaseerd op zijn ervaringen tussen 1951 en 1956 als bemiddelaar bij arbeidsconflicten tussen Indonesische vakbonden en Nederlandse ondernemingen. In 1986 kwam zijn roman De opstand uit, over zijn tijd als krijgsgevangene tijdens de Indonesische Revolutie. Op de literaire salon las hij verhalen voor die in 1988 gepubliceerd zouden worden in De deftige kolonie en andere verhalen. Zijn boeken kwamen uit bij Nijgh & Van Ditmar en vanaf het laatste boek liet hij, op verzoek van zijn uitgever Vic van de Reijt, zijn pseudoniem vallen. Jacob was een groot en enigszins vilein causeur en las met veel brio zijn eigen verhalen voor, waarvoor hij uit zijn rijke levenservaring putte. Zijn finest hour zou hij beleven toen hij in 1989 werd geïnterviewd door Adriaan van Dis in diens bekende tv-programma.

Poncke las op de literaire salon zijn eigen gedichten voor, waarin hij vaak een droomsfeer opriep:

In dit morgenlicht rijden
en luisteren naar de muziek van eeuwen geleden
terwijl ik het klavecimbel van eigen gedachten bespeel.

Hoe ik in mijn laatste droom voor het ontwaken schilderde
en op de veranda in de koelte
voor het huis zat achter de witte rozen
en jij aarzelend vroeg of ik ze mooi vond.

Zullen de dingen worden zoals we wensen
of rennen we weer tegen de muren
van de onmacht op?

De muren van de onmacht maakte hij mee in de strijd die hij dagelijks vanuit zijn advocatenkantoortje in Menteng voerde, voor mensenrechten en tegen het regime van de Nieuwe Orde. In dat kantoortje kwam ik soms langs en één keer zei hij over Soeharto: ‘We hebben hem eindelijk bij de ballen.’ Dat bleek achteraf wel mee te vallen. Poncke was een ridder zonder vrees of blaam, die zowel onder de Oude Orde als onder Soeharto’s Nieuwe Orde ‘knijp heeft gezeten’, zoals hij dat in zijn karakteristieke Nederlands placht te zeggen. 

"Foto van Kees Snoek"
Kees Snoek

Kees Snoek (1952) doceerde Nederlandse taal en letterkunde aan universiteiten in Michigan, Indonesië, Nieuw-Zeeland en Frankrijk (Straatsburg en Parijs). Hij publiceerde onder meer de biografie van E. du Perron (2005) en vertaalde poëzie van Sitor Situmorang en Rendra. In augustus verscheen bij Van Oorschot Wissel op de toekomst, zijn keuze uit de brieven van Sjahrir (de eerste premier van Indonesië) aan zijn Hollandse geliefde.

 

Alles komt goed

Ik ben vaak bang dat Nadim (9) een zorgelijke man zal worden. Al toen hij drie was kon hij vanuit zijn autozitje vragen of we de paspoorten wel mee hadden.

‘We gaan naar Zeeland, jongen.’

‘Maar komen we dan niet te laat?’

‘Het huisje op de dijk is altijd open. En je weet toch dat we nooit ergens te laat voor zijn geweest? Probeer nou te slapen.’

Maar slapen in de auto kan hij niet. Daarin – en in dat zorgelijke – is hij net zijn vader. Ik zie niets positiefs in mijn gebroken nachten, geen winst in al die beren op mijn weg. Soms hoor ik ouders trots zeggen dat hun kind erg op hen lijkt. Die ouders zijn opvallend vaak niet al te slimme mannen. Trekken van mezelf die ik in mijn zoon herken, zijn veelal trekken die ik hem juist niet had toegewenst.

Dat een kind ook niet op je kan lijken, blijkt uit de persoon van Ada (4), die zich nooit ergens druk over maakt. Kwaad is ze vaak genoeg, maar zorgen had ik bij haar nog niet gezien. Tot vanochtend.

Ik bracht de kinderen naar school; Ada zat op mijn stang, haar tas lag in het fietskratje van Naad. Omdat de lage groepen een andere ingang hebben dan de bovenbouw, namen we op de hoek van de straat afscheid van Nadim. Met Ada reed ik door naar de ingang bij de steeg. Toen ik haar de stoep op tilde, miste ik opeens haar tas.

‘Die zal Nadim je zo wel komen brengen,’ zei ik. ‘Hij weet waar je lokaaltje is.’

‘Maar nee,’ zei Ada met grote ogen. ‘Dat kan niet. Het moet van mijn juf. Iedereen moet een tas.’

Sinds deze week is er een nieuwe juf, en kennelijk is dat nog even wennen.

‘Aad,’ zei ik. ‘Maak je niet zo druk. Kom, ik breng je naar de poort. Je zal zien dat het goed komt.’

‘Papa. Ik wil nú mijn tas.’

Ik keek naar de poort, die nog dicht was. We waren kennelijk wat vroeg. Nadim zou nu waarschijnlijk óók voor een gesloten deur staan.

‘Goed,’ zei ik. ‘We fietsen wel naar de voorkant om je tas te halen.’

Toen ik haar weer op de stang wilde tillen, kwam haar broer om de hoek gerend. Hij hield de tas met een gestrekte arm in de lucht.

‘Ada!’ riep hij. ‘Je tas!’

Met glimmende oogjes trok ze de banden over haar schouders. Ze huilde bijna van opluchting.

‘Dat is lief,’ zei ik tegen Nadim. ‘Maar je had toch ook naar haar lokaal kunnen gaan?’

‘De deuren waren nog dicht,’ riep hij, en rende alweer naar zijn eigen ingang.

Terwijl we door de poort liepen pakte Ada mijn hand. Ze wilde niet loslaten toen het tijd werd om zich aan te sluiten bij haar groep.

‘Vind je het spannend?’ vroeg ik.

Een knikje.

‘Je weet dat je grote broer in de buurt is toch? Als Nadim erbij is kan je niks gebeuren.’

Misschien, dacht ik terwijl ik even later aanzette op weg naar huis, kwam de winst van al die zorgen onze geliefden toe.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Verschrikkelijk

De vakantie had niet gewerkt. Iedereen die ik sprak zei hetzelfde: het was dit jaar onmogelijk om weer te beginnen.

Hoewel ik geen uitsteller ben, schoof ik de klussen en mails als natte truien van me af. De kleinste moeite leek teveel, en zelfs het altijd zo helende koken vond ik stom.

Aanvankelijk dacht ik dat mijn malaise te maken moest hebben met het soort zomervakantie dat we hadden. Niet erg zuidelijk, niet erg zonnig, niet erg overweldigend in natuur en zonsondergangen. Maar twee weken in het bos, een aantal dagen op het platteland en een weekend Parijs zonder een letter te tikken – hoezo was ik ontspannen noch hersteld?

Ik sprak collega Irma, die me vanuit een Zwitsers vakantieadres belde. Ze had er net een maand in Griekenland op zitten, en probeerde nu te schrijven in een zijkamertje terwijl haar vrouw en zoons speelden in de tuin.

‘Het is verschrikkelijk,’ zei ze. ‘Alsof ik van binnen leeg ben, en er nooit meer iets zal komen.’

‘Precies,’ zuchtte ik. ‘De bodem lijkt eruit.’

‘Maar dit kennen we, toch? Dit gaat voorbij. Het beste wat je nu kunt doen is werken, gewoon beginnen. Bijt je vooral niet vast in de frustratie.’ Irma komt vaak snel tot een advies, wat aandoet als een mannelijke eigenschap, al mag je dat geloof ik niet meer zeggen. Hoe dan ook vind ik het prettig, omdat ze daarna niet stopt met luisteren, wat weer heel vrouwelijk van haar is.

Omdat Nadim de laatste maanden van het schooljaar last had van een spanningshoofdpijn die volgens de huisarts bij zijn schouders begon, was ik op zoek gegaan naar een kanootje. Zo eentje waar je óp zit en niet ín, zodat hij er niet mee zou kunnen kapseizen. De betaalbare bleken uitverkocht, dus had ik er voor ons vertrek naar Frankrijk een gereserveerd bij een bedrijf in Wormer.

Deze week kreeg ik een mailtje, en toog er met de kinderen heen om de kano op te halen. Ik spande hem op het dak van onze bejaarde Skoda. Ondanks een gebrek aan spanbanden bleef hij prima zitten tijdens de rit naar huis, en even later gleed de kano de Amsterdamse gracht op. Ik zette Naad erin, tilde Ada met haar zwembandjes op de punt en keek mijn kinderen na.

De zon rolde uit over het water, Nadims bootje leek er een stukje door te worden opgetild. Binnen een paar slagen voer hij recht, behendiger dan ik hem kende, en met een glimlach keek mijn jongen achterom. Al snel waren ze uit het zicht.

Ik wist welk rondje Nadim zou varen omdat ik het met hem besproken had. Over een kwartier zouden ze van links aankomen. Ik ging zitten en strekte mijn benen op de kade. Met mijn rug tegen een voorwiel van de Skoda voelde ik een bijna vergeten rust mijn lijf in wolken. Misschien, dacht ik, voeren ze straks nóg een rondje.

Misschien zou ik vanavond een begin maken aan dat verhaal voor Extra Extra.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Menno Hartman"
    Menno Hartman

    Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

  • "Foto van Kevin Headley"
    Kevin Headley

    Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

  • "Foto van Jasmijn Kenselaar"
    Jasmijn Kenselaar

    Jasmijn Kenselaar studeert in de zomer van 2025 af als toneel- en filmschrijver. Het samenbrengen van mensen en het aanbieden van nieuwe perspectieven kenmerken haar signatuur. Ze schrijft veel voor en over jongeren en plaatst haar verhalen vaak in werelden die een beetje – of heel erg – verschillen van de onze. Haar eindwerk De Ongewilden is een komische, sciencefiction-dramafilm over een zestienjarige wees die zich staande probeert te houden in een wereld die niet voor haar gemaakt is. Haar afstudeerscriptie As if! is een praktijkgericht onderzoek naar hoe schrijftechnieken kunnen worden ingezet om films en series te creeëren met een positieve impact op tieners. Voor afstuderend regisseur Julija Filipović schreef ze daarnaast De Golven – een vrije bewerking van de gelijknamige roman van Virginia Woolf. Haar korte film GENIUS is in juni 2025 te zien tijdens het Rotterdams Open Doek Filmfestival.