Het genie van de Tuilerie

In de ronde vijver van het Tuilerieën park in Parijs varen bootjes rond, door wind aangedreven. Wanneer zo’n zeilbootje midscheeps een duttende eend raakt, zie je die werkelijk geïrriteerd kijken. ‘Weer zo’n snertboot’ zie je haar denken, wat een zeer eendse uitdrukking is. Ik zag nog meer gedierte denken.

We voerden de verwende eenden wat van het uitstekende Parijse brood, dat knispert in je oren, toen we op zeker moment een rijzige zilvermeeuw aan zagen komen varen. Zij posteerde zich tussen de eenden en wachtte netjes haar beurt af, wat al niet echt in character is voor een zilvermeeuw. Toen we haar een klein stukje brood toevoegde gebeurde er iets wonderlijks. De meeuw focuste haar blik op het stukje brood dat ze 15 cm voor haar snavel op het wateroppervlak liet liggen. De aanwezige eenden gingen er in twee rijen van drie naast haar naar liggen kijken.

Er dobberde verwachting…

Als je naar de snavel van de zilvermeeuw keek dan begreep je ook wel waarom ze geen poging waagden. Dit curieus opgestelde groepje hield zich een poosje in deze opstelling. De meeuw keek naar het broodje, de eenden bezaten hun ziel in lijdzaamheid…

We slaakten echt een gil van verbazing toen de zilvermeeuw een knaap van een vis uit de vijver pikte en opvloog, met enige moeite. Want ook een jonge goudkarper weegt wel wat. De eenden stortten zich op het brood.

We hadden een zilvermeeuw leren kennen die met aas vist! Is zij de enige daar, een meeuwgenie, of kunnen er meer dat? Het gedrag van de eenden verried dat het hun redelijk bekend was.

In Nina Burtons Levensmuren. De wereld rond mijn zomerhuis dat we recent uitgaven, staat een beschrijving die in de buurt komt (maar niet zo gewiekst als onze meeuw!) Het is een fijn boek met een plezierige wirwar aan soms ongelofelijke feiten en inzichten over dieren die de auteur aantreft rond het Zweedse huisje dat ze gaat bewonen. Van bijen en hommels tot een flink stuk over mieren. Over dassen en vossen en eekhoorns, geweldig voor wie graag naar diergedrag kijkt.

Diergaarde

Een leeg hok is het volst van kijken
je turen blijft je langer bij
dan alle beesten die je zag.

Chr. J. van Geel (uit Onverzamelde gedichten)

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Exact die man

Voor het eerst in tien jaar ging er geen werk mee op vakantie, en dat was mede te danken aan de gruwelijke eindsprint die ik had getrokken. Met het geklik van mijn toetsenbord nog in de oren reed ik mijn gezin naar de Elzas, waar we zouden kamperen omdat doorreizen naar Italië ten tijde van onze planning onhaalbaar had geleken.

Op de camping in het kleine en begrijpelijk onbekende Wattwiller stond ook het gezin van Mark. Mark is directeur van mijn uitgeverij, en bleek in zijn vrije tijd net zo’n fijne gozer als wanneer hij aan het werk is. Onze Ada (4) ervoer haar eerste vakantieverliefdheid en was niet weg te slaan bij Marks zoon Kees (14). Met het oog op een toekomst waarin onze families aan elkaar verbonden zouden zijn, probeerde ik het voorschot voor mijn volgende boek op te krikken.

Er werd gruwelijk weer voorspeld dat uitbleef – Wattwiller ligt in een extreem gelukkig hoekje van een Alp-uitloper, één en al loefzijde. B en ik deden een wijnhuis aan en aten twee keer verrassend goed zonder in gidsen te hebben gekeken. Zoals altijd verging ik elke ochtend van de rugpijn omdat ik uit een geslacht van niet-kampeerders kom en mijn lichaam niet zo adaptief is als mijn geest.

Na twee weken Fruitsland togen we, mild uitgerust, verder naar de meest noordelijke Bourgogne, waar we een huisje gehuurd hadden met een veranda – toch het fijnste woord ter wereld – die uitzag op glooiende graanvelden. Ook hier was het ondanks alle waarschuwingen heerlijk weer.

Na drie dagen Bourgogne kwam Parijs, de etappe waarop de kinderen zich het meest verheugd hadden. Ada kijkt een superheldenserie die zich afspeelt in die stad, en kon niet wachten om er rond te lopen. Nadim (9) had eigenlijk alleen de Eiffeltoren voor ogen. We installeerden ons in een huizenruil-appartement in het vijftiende en liepen er onmiddellijk heen.

Ik herinnerde me de Eiffeltoren veel kleiner en was nog meer onder de indruk dan de kinderen, maar misschien hadden we Nadim moeten voorbereiden op alle clochards en alle Afrikaanse immigranten die prulletjes verkopen. Zwaar getroffen door de ongelijkheid in de wereld sjokte mijn jongen mee. Naast Eiffeltorenaandenkens werden er ook suikerspinnen, crêpes en absurde hoeveelheden snoep aangeboden, een palet dat zo overweldigend was dat Ada er kortsluiting van kreeg.

Ze zeurde om alles wat werd aangeboden, eiste het daarna met gebalde vuisten en wees aansluitend de citroengranité die ze wél van me kreeg af. Daarna nam ze hem toch aan, zoog het rietje vol citrusijsschilfers en spoog die tegen mijn mouw.

Het is belangrijk dat ik eerlijk ben. Ik hoop op je begrip en vergiffenis, maar de lelijke waarheid is dat ik Ada’s granité uit haar hand heb gemept. Ik mepte de granité, niet de hand, als dat nog uitmaakt.

Nadim was hierdoor (en door de ongelijkheid in de wereld als geheel) zó aangedaan dat hij het op een deerniswekkend wenen zette. Nu had ik twee gierende kinderen en een ontstemde vrouw, en op dat moment – dat exacte moment – zag ik mezelf zoals een passant me zou kunnen zien.

Mijn nijdigheid, mijn vermoeide kop, mijn vlekkige campingkleding. Mijn huilende zoon, mijn roodaangelopen krijsende dochter, mijn vrouw die er nu even het zwijgen toe deed om me later nog de oren te wassen. Ik was die man geworden. Exact die man, daar in Parijs, bij de Eiffeltoren.

De kinderen herpakten zich zoals kinderen dat kunnen en de rest van onze dag verliep wrijvingsloos, maar het kan ook zijn dat ze alleen maar probeerden te voorkomen dat ik nog meer snoep tegen de grond zou meppen. In de avond, voor het slapengaan, zei Nadim dat hij wel erg geschrokken was, en Ada moest nog even huilen om haar citroenijsje, waarvan ze nu zei dat het haar absolute lievelingsijs ooit was geweest.

Hoewel ik nog een stevig gesprek verwachtte, zei B alleen dat ik zoiets maar niet meer moest doen. Ze klonk boos noch teleurgesteld, en dus lag ik die nacht lang wakker, me afvragend wat er erger kon zijn dan woede en desillusie.

De volgende ochtend was de lucht strakblauw. We wandelden tot het niet meer ging en huurden toen elektrische stepjes. Na het Orsay kregen de kinderen een suikerspin. Parijs was groot en goed en ik was niet meer die man, maar ik wist nu dat hij nog in me sluimerde, verzekerd van het komen van zijn kans.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

In the woods

Draad

1.

De eerste keer dat ik las over het ‘wood wide web’ was in Robert Macfarlane’s Benedenwereld (2019); de tweede keer was in De eik was hier, het kinderboek dat Bibi Dumon Tak schreef voor de maand van de filosofie 2021. Zij noemt het het ‘wortelwijdeweb’. 

Het www is een verborgen netwerk van wortels en schimmeldraden waarmee, schrijft Macfarlane, bomen voedingsstoffen aan elkaar kunnen doorgeven. Het is, voegt de eik van Dumon Tak daaraan toe, ‘mijn ondergrondse krant’. Het is van levensbelang.

2.

We hebben thuis een stukje grond kunnen bijkopen, wat onze achtertuin met een meter of tien verdiept heeft. Prachtig. Blij mee. Vrije momenten in de tuin: tegels en stenen eruit, planten eruit, oude schuttingen weg, nieuwe erin, dertig kruiwagens zand voor nieuwe terrassen en tegelpad erin gekiept, rug nog steeds oké, sierappelboom laten staan, pruimenboompje verplaatst. Zomerweer. Ik besloot dat tuinieren mijn nieuwe hobby is. Straks fijn de hele zandbak herbeplanten tot een waar Arcadië.

 Het pruimenboompje is twee jaar oud, een meter of drie hoog, iel nog. Ik had hem er al uit, toen ik bedacht eens te gaan googelen wanneer je bomen kunt verplaatsen. Níet in de zomer! ‘Dan gaat hij dood,’ staat op groenepassies.nl. En áls ik een boom wil verplaatsen, dan zou ik al een jaar eerder de wortels ervan hebben moeten ‘rondsteken’, zegt internet. 

Dezelfde dag dat ik de boom uitgroef en een meter of wat achterwaarts weer in de kleigrond plantte, hingen alle bladeren slap. Ik heb hem dagelijks met een gieter vol water verwend, tot het ging regenen en hij dagenlang in een diepe plas stond. Nu zitten er nog een paar bruine blaadjes aan.

3.

Groep acht heeft afscheid genomen. Ouders coronaproof in de zaal, broertjes, zusjes, soms een extended family. Kinderen voor het laatst toegesproken. We noemen dat bij ons de ‘schoolverlatersavond’. Zoals ieder jaar slaap ik de nacht die erop volgt nauwelijks. Behalve het eindeloos terugspoelen van wat er gezegd was en van de emoties die opspeelden, piekerde ik deze keer over iemand die er niet was. Laat ik haar Aisha noemen. Zo aanwezig ze de drieënhalf jaar bij ons op school was, zo afwezig was ze deze avond.

Aisha kwam vier jaar geleden vanuit Syrië, via tentenkampen in Turkije en Griekenland, naar Nederland, samen met haar moeder en twee broertjes. Haar vader was omgekomen bij een bombardement. We vermoedden een trauma, maar hulpverleners hebben tot nog toe hun tanden op haar stukgebeten. Aisha vertelde dat ze vaak nachtmerries had, ze was voor niemand op school bang, erkende gezag als het haar uitkwam, manipuleerde, maakte ruzie, stal als de raven, leek vijftien op haar twaalfde – ze was zo’n meid die van ons vroeg standvastig, ja onvermurwbaar te zijn en haar tegelijk te omarmen. Te verwennen.

Ze was niet op de afscheidsavond. Toen de school eerder die dag uitging, had ze huilend het lokaal verlaten.

4.

Aan welke draden zitten wij vast? En áls het al moet: wanneer moeten wij worden rondgestoken?

"Foto van Jack de Boer"
Jack de Boer

Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

 

Voer voor filmfanaten

Mijn reis naar Parijs viel op een uiterst hedendaagse manier in het water. Coronagevallen in de familiesfeer – geen drama verder, iedereen is inmiddels hersteld. Wachtend op het bevrijdende teken had ik alle tijd om enkele dierbare herinneringen aan de stad na te lopen, te mijmeren over de plekken die ik de volgende keer wil bezoeken of terugvinden. Trekt Parijs me juist omdat alles wat ik er beleef gekleurd is door eerdere ervaringen? Kan ik niet beter een plaats bezoeken die geheel nieuw is, proberen te reizen zonder ballast van het verleden? 

‘Je kunt een stad onbevangen tegemoet treden, die bekijken zoals die je voorkomt en de herinneringen zo goed mogelijk verdringen, de vergelijking met de eerste steden uit de herinnering halt toeroepen. Je kunt er ook in opgaan, de stad een nieuw decor laten zijn voor jouw oude theaterstuk,’ las ik diezelfde dagen in 51 manieren om de liefde uit te stellen, de nieuwe roman van Erik Lindner (1968). De stad die in dit boek centraal staat is niet Parijs maar San Sebastián, een kustplaats in het Baskenland. Lindners verteller, een naamloze Nederlandse journalist, is daar om een artikel over de Baskische onafhankelijkheidsstrijd te schrijven. In een café ontmoet hij Karmele, een lokale make-upartieste voor arthousefilms. Ondanks bemoeilijkte communicatie – ‘Karmele spreekt geen Engels en ik geen Spaans, we schuiven voorzichtig wat woordjes Frans naar elkaar toe.’ – is er contact, waar in korte tijd een intense verhouding uit voortkomt. De minnaars zeggen elkaar enkele dagen later noodgedwongen vaarwel, hun werkzaamheden wachten, maar daarmee komt de liefde niet ten einde. Terug in Nederland en op reis denkt de verteller steeds weer aan Karmele. Hij verlangt ernaar haar weer terug te zien en wil haar echt leren kennen.

In een poging dat laatste te bevorderen kijkt hij zoveel mogelijk films waaraan zij heeft meegewerkt. Hoewel Karmele zelf nooit in beeld komt en haar kunst alleen kortstondig op andermans gezichten te zien is, hoopt hij zo nader tot haar te komen. Door te kijken, te interpreteren, te peinzen en te herinneren kan de verteller zijn geliefde nog iets langer vasthouden, en verhinderen dat hun geschiedenis tot het afgeronde verleden gaat behoren.  

De schrijver stelt zich met deze opzet in staat om vrijelijk uit te waaieren. ‘Er dringen zich onophoudelijk verhalen voor de werkelijkheid, films die naverteld moeten worden, scènes die een symbolische lading kunnen krijgen in herinnering gebracht,’ denkt de journalist, en Erik Lindner neemt het allemaal in de tekst op. In korte hoofdstukken essayeert hij soepel en sierlijk over schrijvers als Walter Benjamin, Cesare Pavese en Paul Bowles, de psychologie van de reiziger en het wezen van de herinnering. Maar vooral vat hij een groot aantal van de gekeken films samen. Het relatief elementaire verhaal van de liefdesgeschiedenis wordt daarmee onderbroken door een hele hoop microvertellingen die voor afwisseling en verdieping zorgen – de grote hoeveelheid trivia maakt deze roman absoluut voer voor filmfanaten. Maar ook muziekliefhebbers kunnen in 51 manieren om de liefde uit te stellen aan hun trekken komen. De titel knipoogt vanzelfsprekend naar het bekende liedje van Paul Simon, met dat melige refrein dat Lindner terloops heel treffend typeert, en ook de fenomenale art-punkband Wire speelt een belangrijke rol in het verhaal. 

Toch wordt Lindners proza vooral gekenmerkt door beschrijfkunst. Op een manier die lezers van zijn poëzie bekend zal voorkomen, registreert hij steeds minutieus wat zijn verteller ziet. Veel stadsgezichten, in dit geval, en al is de vertelstem naar mijn smaak te sereen en afstandelijk voor het gekozen onderwerp, weet Lindner met deze passages wel fraai het verlangen naar het vreemde vast te leggen en, in mij althans, op te wekken:

‘Ik parkeer de auto op de rondweg aan de achterkant van de berg, onder de kin van Jezus, en loop langs de weg de stad in. Huizen kruipen tegen de berg op, de hoogte van de daken verschilt. Kinderen kaatsen zwarte schijven tegen een blinde muur, katten slapen op de trappen, hun rug tegen de hoek van de trede. In de kerk waar ik langsloop wordt het orgel gestemd, er klinken langgerekte tonen die op het einde worden bijgebogen. Het pension is een etage waar een familie woont, ik krijg de oude kinderkamer. Een deur in de gang staat open, erachter draait onafgebroken een wasmachine. De knal van de dichtslaande deur klinkt in het trappenhuis als een geweerschot.’ 

De voorkeur van de verteller gaat voortdurend heen en weer tussen herinnering en ervaring, heden en verleden. Op een moment citeert hij enkele prachtige regels van Kees Ouwens (1944-2004), en daarmee lijkt het pleit beslecht: “Ga de zee niet weerzien veertig jaar later. / Geoordeeld zal worden: het is niet de zee, het is water.” Het verrassende einde laat echter zien dat het er in werkelijkheid genuanceerder aan toegaat. De conclusie zal ik niet verklappen, maar voor mij was het reden om na alle overwegingen toch vast te stellen: volgend jaar moet ik weer naar Parijs. 

"Foto van Lodewijk Verduin"
Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

(Weinig) Opbeurend

Ik woon niet ver van het huis dat Anne Frank achterliet toen zij moest onderduiken. Jaarlijks organiseert de boekhandelaar op de hoek een sobere 4 mei-herdenking op het plein ervoor. In coronatijd hield iedereen goed afstand en er waren beduidend minder mensen aanwezig dan voorgaande jaren. Aan de overkant van het grasveld stond een vader met zijn zoon van een jaar of zeven. Vlak voor de stilte over het plein neerdaalde fluisterde hij zijn zoon iets in het oor. Het kind luisterde met grote ogen. Ik had graag gehoord welke woorden hij koos om de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog uit te leggen.

Ik hoorde de 4 mei-lezing van Roxane van Iperen en op de toonbank van de boekwinkel op de hoek lagen naast elkaar De Fundamenten (2021) van Ramsey Nasr, Wat maakt een verzetsheld (2021) van Rutger Bregman, Onbehagen. Nieuw licht op de beschaafde mens (2016) en Mens/Onmens (2015) van Bas Heijne. Wat geweldig dat het pamflet weer terug is. Of zijn ze nooit weggeweest en had ik het gewoon niet gezien?

In elk geval: Van Iperen schetst een weinig opbeurend collectief zelfbeeld dat is gebaseerd op het wegkijken van misstanden, een niet-willen-weten, nog altijd. Ze laat zien hoe afdalen in de geschiedenis, in onszelf, voor velen te pijnlijk is. Want in weerwil van wat we graag geloven zijn wij geen helden. We kijken liever weg. Van de klimaatcrisis, structurele ongelijkheid, kinderarbeid, vluchtelingen aan onze grenzen, dierenleed in onze megastallen. Het is veel makkelijker om jezelf te beschouwen als een klein radertje, je verantwoordelijkheid voor het grote geheel te bagatelliseren en je ogen te sluiten. Nee, bijna niemand staat ’s morgens op en denkt: vandaag word ik een held, vandaag kom ik grootscheeps in verzet (ik parafraseer hier Rutger Bregman, die Eva Fogelman citeert uit Conscience& Courage, 1995). 

En toch: als er één ding helder wordt uit deze vlammende en noodzakelijke essays is het dat steeds meer mensen van de daken willen schreeuwen dat we een omslagpunt hebben bereikt. ‘De 21e eeuw is de eeuw van het geweten’, schrijft Ramsey Nasr. Vlijmscherp analyseert hij hoe onze definitie van welvaart niet langer gebaseerd zou moeten zijn op groei en winstmaximalisatie, aangezien dit model slechts welvaart oplevert voor enkelen en niet kan bestaan zonder uitbuiting en uitputting van anderen. We zijn op een punt beland waarop we onszelf opnieuw moeten afvragen: wat is een zinvol bestaan, en ten koste van wat en van wie mag dat gaan?

Het wordt steeds moeilijker moreel juist te handelen én onze ‘vrije’ Westerse levensstijl te behouden. Wat praten we allemaal goed om onze bestaanszekerheid te behouden? Ook wij doen tenslotte, net als 76 jaar geleden, slechts wat goed is voor onszelf, ook al weten we dat we daarmee anderen benadelen. Zouden dat de woorden zijn die de vader op Dodenherdenking in het oor van zijn zoon fluisterde?

Vorige week zag ik ze weer, vader en zoon. Ze kwamen uit het zwembad en liepen met natte haren voor me uit. Het kind danste aan de hand van zijn vader, zijn stormtrooperrugzakje deinde op en neer. Het jongetje zong: ‘Maar papa, ik wil helemaal niet zelf nadenken, ik wil niet zelf nadenken…’ Het klonk vrolijk, onbezonnen. De vader glimlachte en keek vastberaden.

"Foto van Berthe Spoelstra"
Berthe Spoelstra

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Haar debuutroman Schemerland kwam in 2009 uit bij Van Oorschot. In augustus 2021 volgt Zwerm. Voor Tirade schrijft ze over o.m. theater en literatuur.

Vierenhalf tot slaaf gemaakten

Het veelvuldig gebruik van spiegels in de slavernijtentoonsteling in het Rijksmuseum geeft helder de bedoeling weer. We moeten naar onszelf kijken. Een deel van de rijkdom van de Nederlandse natie is tussen de 16e en 19 eeuw over de ruggen van tot slaaf gemaakten verkregen. De stad Amsterdam bood recent haar verontschuldigingen aan.

Mijn moeder vertelde me laatst dat ik van haar vader de capaciteit had geërfd tot wat deze boer uit Wilsveen ‘boerentimmerwerk’ noemde, niet al te precies dingen van hout maken, kasten etc. In mijn parenteel voornamelijk boeren en boerenknechten aan de ene zijde, houtvorsters en een sporadische hoge ambtenaar land- en bosbouw aan de andere kant. Westland versus Veluwe. In Zeeland heeft op zeker moment iemand als ik uit eikenhout deze ’tronco’ vervaardigd. Het was het ding dat mij het directst aansprak op de tentoonstelling. Ik kan dit ding maken, daar is het eenvoudig genoeg voor. Een goed stuk eiken, een zaag, boren en schaven, wat hang en sluitwerk. De maker van dit werk heeft zich met de eigen enkel ervan vergewist of de enkelgaten ruim genoeg en niet te ruim waren. De historische houding van de Nederlanders jegens slavernij zweeft ergens tussen pragmatisch winststreven – we hebben land en dat moet bewerkt door sterke mensen die niet te snel sterven in tropische omgevingen – en een enkele soms religieus aangestuurde meer empathische denker, die de onredelijkheid van het uitgangspunt ziet, maar daar vaak door de omstandigheden niet al te ver mee komt.

Hoe rudimentair de Zeeuw met zijn boerentimmerwerk ook heeft nagedacht gedurende zijn pakweg 4 of 5 uur werk – van eik tot eindresultaat – aan deze tronco, hij zal overwogen hebben waarvoor zijn tronco dient, en hij zal daar een mening over hebben gehad. En hij heeft zeer praktisch een beslissing genomen die misschien veelzeggend is: de lengte van het stuk hout waarop hij de hand legde, en de afstand tussen twee benen, zijn eigen benen zal hij als uitgangspunt hebben genomen, resulteert in 9 enkelgaten. Hij zal een beetje gelachen hebben zoals ik dat doe als ik met m’n matig houtbewerkerstalent vaak een praktische uitkomst gewoon maar moet accepteren… een oneven aantal gaten voor wat toch meestal een even aantal tot-slaaf-gemaakten-benen is, lijkt een beetje dom. Maar misschien heeft hij toen overwogen dat één tot slaaf gemaakt wel met één been vastgezet kon worden.

En daar is het gebeurd denk ik. Daar heeft hij zoals we toch allemaal wel regelmatig doen en waarschijnlijk deden een eigen falen laten opknappen door een niet gekende ander. Wat doet het er eigenlijk toe? Dit cynisch, maar waarschijnlijk ook gewoon praktisch marchanderen met problemen van iemand anders, omdat het jouw probleem niet is, is een al te menselijke overweging die voor het grootste percentage Nederlanders die gewoon in bijvoorbeeld Zeeland in een schuur werkten prima volstond. Een halve tot slaaf gemaakte meer of minder. Maar hoe voelde dat, met één been in de tronco?

Nu echter staren de negen ogen van deze tronco mij in een spiegelpaleis aan en ik ben de cynische maar praktische maker van dit ding en heb nagedacht over hoe het werkt, ben een beetje trots op dat het me gelukt is en realiseer me dat ik net niet goed genoeg heb nagedacht waarvoor het dient als ik mijn 40 centen incasseer bij aflevering van het werkstuk.

Want ik heb pijn en beperking geleverd en niet goed genoeg over de zee heen gedacht.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Willemijn Kranendonk"
    Willemijn Kranendonk

    Willemijn Kranendonk (1994) is schrijver en dichter, voor zowel kinderen als volwassenen. Haar werk verscheen o.a. in Tirade, DW B, Liegend Konijn en op Lilith Magazine, Revisor, De Internet Gids, Hard//Hoofd en De Optimist. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman die dit jaar nog uit zal komen bij Uitgeverij Van Oorschot en volgt ze de master Jeugdliteratuur aan de Universiteit van Tilburg. Mei 2022 verschijnt haar eerste kinderboek bij Uitgeverij Billy Bones.

  • "Foto van Lia Tilon"
    Lia Tilon

    Lia Tilon (1965) debuteerde in 2002 met de roman Huizen van papier bij Uitgeverij De Arbeiderspers. In 2012 publiceerde Uitgeverij Cossee haar roman Zielhond, in 2017 gevolgd door Archivaris van de wereld. Tilon schrijft romans en korte verhalen. Zij blogt over emigratie en de vraag wat heimwee is. Is heimwee wel verbonden met een plek in je leven, of aan het gevoel dat je had toen je je op die plek bevond? En maakt het wat uit?

  • "Foto van Femke Lucia"
    Femke Lucia

    Femke Lucia (Bogota, 1998) is een eerlijke schrijver, die realistische, menselijke verhalen in een magisch daglicht zet. Ze schrijft omdat ze gelooft in de kracht van verhalen en hecht veel waarde aan gemeenschappelijkheid, haar voorouders en Latijns Amerikaanse muziek. Ze bevindt zich in een zoektocht naar de vorm en betekenis van het schrijverschap, en laat zich daarbij leiden door haar eigen ritme en intuïtie.