We moeten praten

We moeten praten. (Eindelijk kan ik die zin zelf een keer gebruiken; normaliter wordt die altijd tégen me gebruikt.) Er is iets aan de hand met mijn generatie – en ik schaar me voor het gemak maar onder zowel Generatie Y als Z, want ik val er net tussenin: we gaan kapot. Stuk. Neer.

De laatste tijd valt het me op dat steeds meer leeftijdsgenoten in mijn omgeving een psycholoog of psychiater bezoeken, maar het valt me nog meer op dat daar nog steeds niet of met veel schaamte over wordt gesproken. Er is de angst om niet serieus genomen te worden. Opmerkingen als ‘ach joh, het is een trend, het is hip onder de jeugd om depressief te zijn’ of ‘iedereen heeft wel eens een slechte dag, en verder hoor je toch ook niemand klagen’ en ‘zo erg kan het toch niet zijn?’ behoren (nog steeds) tot de orde van de dag. Nog even en ze komen op Delftsblauwe tegeltjes te staan.

Ik ben ook niet overgeslagen toen de mentale kreukels werden uitgedeeld en heb in de afgelopen jaren veel volstrekt karakterloze praatkamers van binnen mogen zien, maar ik praat dus zelden met anderen over wat ik daar bespreek.

Laatst vroeg iemand hoe het met me ging en ik zei: goed. Ik loog, want het ging slecht, maar dat zei ik niet, zoals bijna niemand in mijn omgeving ooit eerlijk antwoord geeft op die vraag. Als we het wel doen, maken we er meteen een grapje achteraan of trekken we het terug. Zoals de zangeres Froukje, een groot talent en voor mij de stem van onze generatie, treffend zingt in ‘Heb ik dat gezegd’: ‘Het gaat slecht, oh dat is gewoon iets wat ik af en toe zeg/ Maak je maar geen zorgen, het gaat heus wel weer weg/ Als ik even ontstress, ik wil niet dat ik je dag verpest.’ We zijn bang, bang om de dag van de ander te verpesten, om ons kwetsbaar op te stellen en open te zijn omdat je dan te raken bent, om voor ‘aansteller’ te worden uitgemaakt. (Nu ik dit schrijf, realiseer ik me maar al te goed dat dit voor altijd op het internet blijft staan en dat het misschien ooit tegen me kan worden gebruikt.)

Het is bijna onmogelijk om mentale problemen bij mijn generatie niet in een groter geheel te plaatsen. Het lijkt of de mentale crisis die wild om zich heenslaat een steeds groter probleem wordt met steeds langere armen. Er woedt een grote brand, met allemaal kleinere brandhaarden in dat grote vuur.

De lijst met zorgen is schier oneindig. Zo maken we ons zorgen over de verharding en verwildering van de samenleving en zien we het extreemrechtse gedachtengoed steeds meer oprukken. Zo heeft de coronacrisis met een grote moker ingeslagen op iedereen, incluis de jongeren en de studenten. Zo stommelen velen van ons de grotemensenwereld in met een studieschuld, geen tot weinig uitzicht op een eigen woning maar met een torenhoge huur voor een bezemkast. Om nog maar te zwijgen over de gigantische klimaatcrisis die in onze nek hijgt, die wij maar ‘even’ moeten oplossen – we moeten de wereld redden, terwijl we amper onszelf kunnen redden (‘De wereld staat in de fik en ik zou het willen blussen, maar het vuur is groter dan ik’ – wederom Froukje).

Dit zou je kunnen zien als de klaagzang van een millennial, maar ik zie het als een constante, terechte angst voor de toekomst. Een zwaard van Damocles dat boven onze generatie hangt, een rotsblok van Sisyphus dat we omhoog proberen te duwen, maar dat telkens wordt verzwaard met een nieuw probleem als we bijna boven zijn, waardoor het weer naar beneden rolt, en we moeten blijven rennen tot niet onze benen, maar onze breinen het begeven.

Ook leeft mijn generatie in een vreemde paradox: enerzijds delen we alles op sociale media, zijn we opener en collectiever dan ooit, maar anderzijds zijn we mentale binnenvetters en zwijgers geworden aangaande dit onderwerp. Als iemand vraagt hoe het gaat, hoor je vaak: ‘Goed, kijk maar op Instagram!’, waar we alleen maar de mooie, goede, positieve dingen delen en nog veel te weinig de slechte dingen. Er is een ontwikkeling, maar nog te vaak is iemands feed een verbloemde weergave van iemands leven.

De samenleving roept al vele jaren dat het taboe op mentale problemen nu eindelijk eens van de schouders geworpen moet worden, maar er lijkt weinig, of té weinig te veranderen. Ondertussen raken steeds meer generatiegenoten verstrikt in zichzelf, doen de wachtrijen voor een behandeling bij een hulpinstelling de wachtrijen voor de Zara verbleken. Door die lange wachtrijen voor een behandeling worden de mentale kreukels vaak nog erger, waardoor die nodige behandeling nog urgenter wordt – een vicieuze cirkel.

We moeten dus praten. Praten over de mentale problemen binnen mijn generatie en de oorzaken ervan, want anders kroppen we het op, imploderen we en gaan we kapot. Neer. Stuk. Sterker nog: we moeten eerlijk antwoord gaan geven op de vraag: ‘Hoe gaat het met je?’ Laten we daar mee beginnen.

De volgende keer dat iemand aan je vraagt hoe het gaat, en het gaat slecht, zég dan dat het slecht gaat. Er zullen vast mensen zijn die je verontwaardigde blikken geven, een denigrerende opmerking maken, of helemaal geen respons geven, maar denk dan: ‘Heb ik dat gezegd?’ Ja, dat heb je gezegd, en dat mag. Het moet zelfs.

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

In de Oorshop

Mijn Indonesische jaren: Rendra

Tijdens mijn werk aan de universiteit had ik behalve met Pramoedya Ananta Toer en Sitor Situmorang, beiden behorend tot de Angkatan 45 (Generatie 1945), ook contact met de geëngageerde dichter, acteur en toneelregisseur Rendra (1935-2009), die wordt gerekend tot de Angkatan 66. De in Yogyakarta geboren Rendra, spraakmakend om zijn dramatische voordracht, had in 1971 en 1979 opgetreden op het Rotterdamse festival Poetry International. De Leidse hoogleraar A. Teeuw publiceerde in 1979 zijn vertalingen van Rendra’s poëzie in de bundel Pamfletten van een dichter. In eigen land was het Rendra echter verboden zijn protestgedichten voor te dragen.

Rendra liet zich in zijn poëzie inspireren door de Javaanse traditie en de wereldliteratuur. Evenals Sitor had hij de invloed ondergaan van Federico Garcia Lorca, getuige zijn Balada Orang-orang tertjinta (Balladen van geliefde mensen, 1957), een plastische verbeelding vol metaforen over de tijd van de Indonesische Revolutie. Na een verblijf in de VS (van 1964 tot medio 1967) werden getuigenissen de drijvende kracht van Rendra’s poëzie.

Toen het Erasmus Huis in 1981 verhuisde naar een terrein naast de Nederlandse ambassade, zette toenmalig directeur Roel Verstrijden de opening van het gebouw luister bij met een poëziemanifestatie, waaraan vijftien Indonesische en vijf Nederlandse dichters deelnamen. De Nederlanders waren Remco Campert, Bert Schierbeek, Edgar Cairo, Jules Deelder en Rutger Kopland. Aan Indonesische zijde deed ook Rendra mee. Verstrijden vertelde mij dat de politie Rendra was komen zoeken, maar dat de organisatie hem snel had weggeleid naar Nederlands grondgebied: de ambassade, die een geheime verbindingsgang had met het Erasmus Huis.

Anders dan Pramoedya en Sitor werd Rendra niet beïnvloed door Nederlandse schrijvers. Hij las Multatuli’s Max Havelaar pas in de vertaling van H.B. Jassin, die in 1972 uitkwam. Niettemin wilde het Multatuli Genootschap in 1987 graag vernemen wat Rendra van Multatuli vond. Ik kreeg het verzoek om hem te interviewen. Ik vroeg Poncke Princen, die tijdens de Revolutie als Nederlandse soldaat de Indonesische kant had gekozen, om met mij mee te gaan.

We werden ontvangen in Rendra’s woning in Depok, naast de repetitieruimte van zijn Theater Bengkel. Hij had voor deze gelegenheid een Javaanse kokkin laten komen, die een met kruiden gevulde geitenkop had bereid, een soort tête de veau, maar dan van geit. Het was verrukkelijk. We praatten wat over koetjes en kalfjes en tussen Poncke en Rendra vlogen de grappen heen en weer.

Op een gegeven moment moest er ernst worden gemaakt van het doel van onze komst. Rendra ging rechtop zitten, sloot zijn ogen, mediteerde een minuut lang en begon toen te spreken. Naar zijn inzicht had Multatuli in het op machtsdenken georiënteerde Java gestalte gegeven aan een moreel bewustzijn, aan hak azazi – fundamentele rechten voor het individu – wat iets nieuws was in die tijd.

Ik heb Rendra’s verhaal onder het pseudoniem Joop Huisman gepubliceerd in het tijdschrift Over Multatuli. Waarom dat pseudoniem? De Universitas Indonesia, met een brigadegeneraal als rector, had het niet zo op dissidenten, dus ik vond het verstandiger om niet met mijn eigen naam naar buiten te treden. Maar toen ik in november 1987, in het kader van ons congres ‘Nederlandse studiën in Indonesië’, een literaire avond organiseerde in het Erasmus Huis, nodigde ik ook Rendra daarvoor uit. De titel van die avond, De vogel vliegt in mijn borst, was ingegeven door het gedicht ‘Borstvogel’ van Leo Vroman en het gedicht Burung terbakar (Vuurvogel) van Rendra, waarvan de laatste regels luiden: ‘Met brandende vleugels en zonder illusie / vliegt hier de rampzalige vogel: in mijn borst!’

In 1988 verhuisde Rendra met zijn Bengkel Theater naar Bojong Gede, een plaatsje ten zuiden van Depok. Hier had hij een groot stuk land gekocht, in de verwachting dat de grondprijzen daar zouden stijgen door de sterke groei van Depok (hij kreeg gelijk: 240.000 inwoners in 1982 tegen 2,4 miljoen in 2021). Hier woonde hij met zijn laatste echtgenote Ken Zuraida en wijdde hij zich, behalve aan literatuur en theaterproducties, ook aan ecologisch duurzame landbouw.

In augustus 1989 bezocht ik hem daar samen met Leonore van Prooijen en Karin Evers, die hem in opdracht van de NCRV interviewden voor een serie portretten van Indonesische schrijvers. Zoals gewoonlijk was de ontvangst hartelijk en ontspannen. We zaten op gevlochten matten in de zon en kregen Indonesische lekkernijen geserveerd.

Sinds 1985 mocht Rendra van Soeharto’s Nieuwe Orde weer optreden, wat hij altijd met veel verve deed. Vooral zijn gedicht over de mastodonten van het militair-bureaucratische regime was indrukwekkend. Als hij met nadruk op elke lettergreep het meervoud ‘mastodon-mastodon’ uitsprak, stampte hij tegelijk met zijn voet op het podium. Niettemin kwam het ook voor, dat hij door het regiem werd teruggefloten en bepaalde gedichten niet mocht voordragen. Zo werd zijn opzwepende gedicht ‘Namens de mensen van Rangkas Bitung’ (1990), geïnspireerd op Max Havelaars toespraak tot de hoofden van Lebak, verboden. Op Poetry International bleef hij een favoriete gast, met vervolgoptredens in 1991 en 1995.  

Intussen had ik mij voorgenomen uit Rendra’s poëzie een bloemlezing samen te stellen. Ik streefde ernaar om niet alleen de langere protestgedichten op te nemen, waar Rendra zijn faam als performer aan te danken had, maar ook kortere gedichten, waarin we meer van zijn innerlijk zien. Zo was er in Depok anno 1985 een bundeltje Nyanyian Orang Urakan (Liedjes van Bandelozen) verschenen, slechts zestien pagina’s dik, met gedichten van Rendra in zijn karakteristieke zwierige handschrift. Hierin poseert hij als een zwerver, maar één die voortdurend de weg naar zijn eigen innerlijk terug weet te vinden, naar de krachtbron van zijn energie.

In 1991 publiceerde uitgeverij De Geus mijn vertalingen van Rendra’s poëzie onder de titel IJzeren wereld, bestaande uit negen afdelingen, met als laatste vers ‘Getuigenis van Saïdjah’s vader’. Weer tekende Robert Nix voor het omslag, waarvoor hij – zoals hij mij verklapte – een papier had verfrommeld. Het gekreukte beeld dat hierdoor ontstond paste uitstekend bij Rendra’s kritische visie op de Indonesische werkelijkheid. Bij die visie werd hij niet geleid door enige ideologie, zoals Pramoedya en Sitor begin jaren zestig. In een interview verklaarde Rendra dat zijn ideologie bestond uit het plaatsen van vraagtekens bij elke ideologie. Zijn protest was een protest uit naam van ‘de volheid van het leven’.

De laatste keer dat ik Rendra zag was op Poetry International 1995. Hij gaf tijdens zijn optreden een teken van herkenning toen hij mij in de zaal zag zitten. Na afloop praatten we bij in de bar van zijn hotel, waar we een glas whisky dronken. Rendra was in menig opzicht een spiritueel mens.

"Foto van Kees Snoek"
Kees Snoek

Kees Snoek (1952) doceerde Nederlandse taal en letterkunde aan universiteiten in Michigan, Indonesië, Nieuw-Zeeland en Frankrijk (Straatsburg en Parijs). Hij publiceerde onder meer de biografie van E. du Perron (2005) en vertaalde poëzie van Sitor Situmorang en Rendra. In augustus verscheen bij Van Oorschot Wissel op de toekomst, zijn keuze uit de brieven van Sjahrir (de eerste premier van Indonesië) aan zijn Hollandse geliefde.

 

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

De kortste nacht

Om vier uur stond ik op omdat de slaap voorbij was, mijn zoon – een en al been, tegenwoordig – lag naast me als kolen na een hele avond haard. Ik verwachtte donker in de keuken, maar zag het blauwen daar in Oost: de torens aan het einde van de stad als uitsneden, verwijderd uit de vroege lucht.

Ik zocht de stoel op bij het raam waar B graag zit, en las in Roos’ bundel De dwaler, die tijdens de lockdown verscheen. Soms is het werk van anderen zo goed dat je aan jaloezie niet toekomt. Ik zag al die bewegingsvrijheid, volgde de schrijfster op haar vlucht en dacht alleen maar mooi. Niet lang daarna: hoe aan de grond gebonden mijn eigen taal geworden is. Misschien was ik tóch jaloers.

Tijdens de lockdown las ik Augustus van Irma Achten, en herinnerde me de vrijheid in mijn eigen debuut. Ik zocht contact met haar en Irma bleek zoals haar zinnen: warm en vertrouwd als rijpende vijgen in de zon. We zaten in haar Friese keuken, twee mensen met een boek ertussen. Ze maakte ree met gekke pasta en ik wilde niet meer uit die keuken weg. Er leek in Amsterdam opeens zo weinig ruimte over.

Een vriendin vertelde gisteren dat ze gaat vertrekken. Een nieuwe baan, een buitenland. Soms is een keus zo goed voor iemand anders dat je vergeet dat hij slecht uitpakt voor jou. Is dat altruïsme, of een sterk inlevingsvermogen dat je de vrijheid van anderen even laat ervaren alsof ze de jouwe is?

Wie schrijft kan vliegen, en hoewel ik dacht een paar weken niet te zullen werken na de afronding van Dorp, trekt er weer een nieuw boek aan me. De kortste nacht staat voor de deur, en het wordt erg warm. Misschien maak ik morgenochtend een beginnetje, terwijl de rest nog slaapt.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Moe van toeschrijven

Ali Smiths Summer (2020) opent met een discussie over een citaat. Sacha is een schoolopstel aan het schrijven en heeft daarvoor een vermeende uitspraak van Hannah Arendt van het internet gevist. Haar moeder leest mee over haar schouder en wijst erop dat de bronvermelding ontbreekt. Sacha toont haar een pagina met zoekresultaten: ‘Brainyquote. Quotehd. Azquotes. Facebook. Goodreads. Picturequotes. Quotefancy. Askideas. Birthdaywishes.expert, she said. All these places come up when you type in bits of the quote. Those are just the top sources. There are masses of sites quoting her saying it.’ De moeder is hier niet tevreden mee en ploegt door de sites heen op zoek naar de brontekst, maar die blijkt onvindbaar: er is alleen een oneindige keten verwijzingen, die nergens aan lijkt te ontspringen.

Socrates zei dat geschreven taal gevaarlijk is omdat ze uit haar context kan worden genomen. Een opgeschreven ‘uitspraak’ zit niet meer vast aan haar spreker en aan de specifieke omstandigheden waarin ze tot stand kwam. Het getypte woord zou hij waarschijnlijk nog enger vinden – niet alleen omdat het met Ctrl-C en Ctrl-V vermenigvuldigd kan worden in een fractie van de tijd die het een kopiist kostte om zijn ganzenveer bij te punten, maar ook omdat de inbedding in beginsel lijkt te ontbreken. Het geschreven woord zit nog vast in het handschrift van de (over)schrijver, zelfs het gedrukte woord is beperkt tot de fysieke oplagen waarin het wordt verspreid, maar het getypte woord is pure data, een ijle instantie die zich via het internet razendsnel en wortelloos kan verspreiden.

Wat is het belang van toeschrijving op het internet? Het is duidelijk dat de lezer niet geacht wordt om het werk van Arendt erop na te slaan en zich te verdiepen in de originele context van het citaat. Maar haar naam voegt iets toe aan de uitspraak – het gaat meer om effect dan om waarheid of traceerbaarheid.

Ik ben tot keurige academicus opgeleid, ik heb waardering voor het bolwerk van gesystematiseerde kennis waarin haarfijn gedocumenteerd ligt wie wat waar en wanneer heeft gezegd, en ik herken me in de frustratie van de moeder van Sacha wanneer ik stuit op een website als Brainyquote. Maar soms, vooral als ik me dagenlang blind heb gestaard op voetnoten en bibliografieën, word ik moe van toeschrijving, en komt het me voor als een vreselijk ijdele onderneming. IJdel omdat het onmogelijk is de kluwen van alles wat ooit is gezegd te ontwarren, omdat taal en kennis inherent collectieve en rommelige fenomenen zijn, en omdat het zo kleinzielig is om claim te willen leggen op een bepaalde reeks woorden.

Daarbij wordt de academische tendens om alles netjes vast te leggen vaak onterecht geprojecteerd op het verleden dat bestudeerd wordt, zodat je het haast als een jammerlijke lacune in onze kennis zou beschouwen dat het patent van de originele uitvinder van het wiel niet bewaard is gebleven. Collectieve en anonieme inspanningen hebben geen gemakkelijke plaats binnen dit archiefsysteem, dat op individualiteit, originaliteit en competitie gebaseerd is. Bovendien wordt in het streven naar correctheid het effect van toeschrijving vaak uit het oog verloren: Kierkegaard zou huiveren als hij wist dat zijn 21e-eeuwse exegeten gedwongen worden om naar zijn hyper-pseudonieme Of/Of te refereren als (Kierkegaard 2007).

In David Marksons experimentele roman Wittgenstein’s Mistress (1988)probeert Kate, de laatste persoon op aarde, zoveel mogelijk beroemde citaten en anekdotes op te rakelen. Ze noemt zichzelf ‘de curator van de wereld’, die nu weinig meer is dan een museum waarin zij als enige ronddoolt. Maar in de loop van het boek gaat het haar meer en meer moeite kosten om de feiten uit elkaar te houden: de individuele toeschrijvingen lossen langzaam op in een maalstroom van associaties en herinneringen. ‘The world is everything that is the case,’ zo luidt een van de zinnen die door Kates hoofd blijft spoken, maar ze kan maar niet bedenken wie dat heeft gezegd, en merkt elders zijdelings op dat ze nog nooit een pagina Wittgenstein heeft gelezen.

Wittgenstein zou dat misschien niet erg hebben gevonden. Hij schrijft in de inleiding van de Tractatus dat ‘wat ik hier geschreven heb, geenszins pretendeert om in het bijzonder nieuw te zijn. Daarom geef ik ook geen bronnen aan, omdat het me onverschillig is of wat ik gedacht heb vóór mij al door een ander is gedacht.’ Zo’n uitspraak getuigt tegelijkertijd van grootheidswaanzin en van bescheidenheid.

"Foto van Kyrke Otto"
Kyrke Otto

Kyrke Otto (1995) studeerde filosofie en klassieke talen en is momenteel werkzaam als docente en promovenda aan de Radboud Universiteit, waar ze onderzoek doet naar de rol van aforistische schrijfvormen in de Lebensphilosophie-beweging. In bredere zin interesseert ze zich voor kwesties van genre, stijl en methode en de relatie tussen filosofie en literatuur. Essays en gedichten van haar hand verschenen o.a. in De Gids, De Nederlandse Boekengids en Tirade.

Onze voorouders

In Karel Weeners Steinharts biecht. Zielenstrijd op de Batoe-eilanden speurt de historicus naar de achtergrond van een verzameling voorouderbeeldjes die op een zolder in Den Haag aangetroffen werden. Een mooie start van hoe het moet: ‘ongemakkelijk erfgoed’ heeft een herkomst en een verhaal. Dat is een verhaal dat niet makkelijk verteld wordt, noch makkelijk gevonden, want het vereist gedegen archiefonderzoek.

In dit boek gaat het dan speciaal om de Lutherse Missie, die vanuit Duitsland en Amsterdam eind 19e en begin 20e eeuw hun best doen op een aantal eilanden nabij Sumatra’s westkust de plaatselijke bevolking te kerstenen. Het is een subtiel boek, dit van Weener. Hij tracht niet al te oordelend te beschrijven wat hij vindt, en eindigt bij een missionaris die zo dicht mogelijk bij enig begrip van de situatie komt. Dat is de Steinhart van de titel, die zich specialiseert in de Niasse taal en zangen optekent uit de monden van de bewoners. Het is voor een deel ook de geschiedenis van de zending: je ziet bleke Duitse en Nederlandse missionarissen met een wisselend begrip voor hun omgeving kort leven, en vooral sterven, op de eilanden die veel vergen van jonge gezinnen met vast goede bedoelingen.

Meer nog dan het de komende jaren noodzakelijk en terecht terugbezorgen van meegenomen erfgoed, gaat het om onderzoek naar de omstandigheden waarin het verworven werd. Dat toont Weener goed, de hoeveelheid beeldjes verbindt hij met decennia aan zending, gefrustreerde pogingen tot contact, goede en kwade bedoelingen, morele superioriteit en handelsgeest, inzet en lapzwanserigheid: ons koloniaal verleden.

Heel terzijde komt de Nederlandse kunstenaar Rudolf Bonnet langs, die waarschijnlijk slechts een bijrolletje heeft omdat hij doet wat Weener tracht te vermijden: oordelen. En dus heel fraai te zien hoe deze bakkerszoon, die een goed deel van zijn leven op Bali doorbracht en schilderde, ook met de bevolking, op een reis naar Nias vrij adequaat waarneemt wat we verkeerd aan het doen zijn. Inzicht, spot on, in 1930. Het was er wel. Over Bonnet had ik wel meer willen lezen. Over de elkaar opvolgende zendingsgezinnen misschien wat minder.

Weener schrijft: ‘Verontwaardigd vraagt Bonnet zich af hoeveel harmonische schoonheid en levensvreugde er op Nias niet behouden had kunnen blijven als de zendelingen in de godsdienstige bijeenkomsten de Ni­asse traditie hadden gevolgd: een kerk in Niasse bouwstijl, door de eigen beeldsnijders versierd met christelijke motieven; gemeentele­den die naar de kerk komen in hun traditionele feestkleding, zittend op hun eigen matten; geen klok, maar het volle klankenspel van de Niasse gongs. Het ware waarschijnlijk zelfs niet heel moeilijk ge­weest om hier met de Niasser zelf aan zijn gezangen een Christelijke richting te geven, daar de tekst meestal van een soepel veranderlijke vorm is, waarbij dikwijls geïmproviseerd wordt. Had men verder de voorouderverering niet tot een voorouderherdenking kunnen her­leiden?’

Is het wetmatigheid dat hoe beter we ons inleven in een cultuur, hoe minder we willen veranderen? En dus hoe slechter je kijkt, hoe evangeliserender je wordt?

Intussen zijn al die artefacten in de musea een mooi blijk van wat vaak in weerwil van de bedoelingen zal hebben plaatsgevonden: verzamelwoede, door fascinatie voor de ander. En daarmee zijn de voorouderbeeldjes onbedoeld precies wat ze waren. Ze helpen ons te communiceren met en na te denken over wat onze voorouders deden en hoe ze leefden. Ze hebben mij geholpen iets nauwkeuriger naar mijn voorouders te kijken. En dat geldt voor de Batoers vast evenzeer.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Presenteren

Boekpresentaties dragen voor zover ik weet niet bij aan de verkoop van het gepresenteerde boek. De meeste mensen die zo’n middag of avond bezoeken kopen het ter plekke, maar zouden dat toch wel bij een boekhandel gedaan hebben omdat ze bekenden van de schrijver zijn.

Tot dusver heb ik van mijn presentaties altijd een feestje gemaakt. Ik nodigde iedereen uit die ik graag wilde zien, en nam de hele dag vrij. Een cliché is natuurlijk de parallel met een geboorte: iets wat heel lang in je heeft gegroeid, ga je nu aan de wereld laten zien, te beginnen bij de mensen om wie je het meest geeft.

Wegens de Omstandigheden mag ik voor Dorp (23-06) geen kroeg ramvol vrienden en collega’s regelen, en ik heb besloten ook geen alternatieve wegen te bewandelen. Ik accepteer signeersessies waarvoor één fan komt opdagen als horend bij het vak, maar een livestream van een interview in een verder lege zaal kan ik niet aan.

Ik hoor de stoel van mijn aspirant-interviewer al kraken, zie de kabel van haar microfoon vastraken onder het buizenframe van het wiebelige tafeltje met rookglazen blad tussen ons in. Iemand heeft een spotje bijgedraaid, dat hard in mijn ogen schijnt als ik in de camera wil kijken. Die lichte feedback als mijn interviewer op haar cuecards kijkt en haar microfoon, topzwaar, van zich weg laat zakken.

Het zou voelen alsof ik mijn baby in de etalage bij de Knaakland legde.

Vrijnemen zal ik wel, de 23e. Ik hoop dat het een zonnige dag is, want dan loop ik extra langzaam over de gracht naar Van Oorschot om mijn kind er op te pikken. Ik drink een glaasje met de verloskundigen aldaar en neem Dorp dan mee naar huis om er een paar dagen heerlijk mee te cocoonen.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Lodewijk Verduin"
    Lodewijk Verduin

    Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

  • "Foto van Nicole Montagne"
    Nicole Montagne

    Nicole Montagne studeerde Vrije Grafiek aan de kunstacademie in Utrecht en Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Zij debuteerde in 2005 met de essay- en verhalenbundel De neef van Delvaux. Onlangs verscheen bij Wereldbibliotheek haar nieuwste essay- en verhalenbundel: De verzuimcoördinator.

  • "Foto van Julia Buijs"
    Julia Buijs

    Julia Buijs is theater- en filmschrijver en manusje van alles. Deze zomer studeert ze af aan de opleiding Writing For Performance aan de HKU, met het scenario voor een bemoedigende animatiefilm over een station waar het altijd regent en niemand een gezicht heeft. Met dit en haar toekomstig werk wil ze proberen de lezer stil te laten staan, adem te laten halen en zichzelf en anderen te omarmen. Haar teksten zijn fantasierijk, gelaagd, experimenteel en persoonlijk. Ze werkt door middel van sprokkelen, puzzelen en plakken en gelooft binnen vijf jaar een eigen genre gecreëerd te hebben. Verder zal je haar kunnen vinden als vleermuisveldwerker, regisseur, festivalprogrammeur, creatief producent, saunameester, kinderboekenschrijver en juist ook voorloper van de ‘Kinderlijke’ Verhalen voor Volwassenen.