Benul

Mijn vrouw en ik waren in Deurne. Waarom doet er niet toe. We waren er en ik dacht: Jan Hanlo. Dit was, zo zou blijken, een unieke gedachte.

Buiten Deurne denk ik ook wel eens aan Hanlo. Verwantschap is een groot en ijdel woord in dit geval – laat ik het houden op herkenning. Onze common ground: jeugd. Zoals hij jeugd als ‘normgevende instantie’ ziet, om te weten hoe te leven, zo wil ik dat ook graag zien. Hoewel dit beginsel in mijn werk voor de klas regelmatig onder druk komt te staan, houd ik me er toch aan vast. Het is een mooi beginsel, licht en hoopvol. Noodzakelijk.

Volwassenen doen er verstandig aan naar kinderen op te kijken. Doen we daarmee iets tegennatuurlijks? In de postuum uitgebrachte bundel Mijn benul (1974) scherpt Hanlo zijn ideeën over de omkering aan. Blijkt dat hij niet zozeer het kínd de baas wil laten zijn – dat is hem al te gortig – maar de volwassene, ‘die ernstig probeert zoveel mogelijk de opvattingen, de visie, de mogelijkheden, de ongeborneerdheid, de zuivere maar toch reeds duidelijke ethiek, van het jonge kind te kennen en te aanvaarden.’

Zulke volwassenen zijn er maar weinig. Die er zijn, horen we amper. Ja, in Hanlo’s tijd, vlak na de oorlog, waren er een paar luidruchtige omkeerders. Voor een groep kunstenaars was het toen duidelijk dat, om de beschaving weer op te bouwen, kínderen gids moesten zijn. Het was helaas een besef van korte duur. We hadden moeten inzien dat we jeugd blijvend nodig hebben: om ergens aan te beginnen, om op te krabbelen, om toekomst te willen, om – inderdaad – te leven.

Hanlo en de kindertijd – van alle psychologie die hem aan deze thematiek verbindt, is het geluk in zijn eigen jeugd de wortel. Hier is een schrijver die nou eens niet verhaal wilde halen op wat hem vroeger was aangedaan, hij kon juist putten uit een fijne jeugd. En die jeugd vond plaats in dit Peeldorp. Gevolg: op Deurner bodem ontkiemde een singuraliteit in de Nederlandse letteren. Maar welke turfsteker had oog voor de orchidee die daar bloeide en welke turfstekernazaat weet nú dat er ooit een orchidee op hun veengronden stond?

Mijn eerste gang was naar de plaatselijke boekhandel, die – joechei! – weer open was. Ze hadden een paar schappen Toon Kortooms, voor Hanlo moest ik maar naar boekwinkeltjes.nl. Mijn tweede gang: het vvv-kantoor – ook open! – maar helaas: nooit van Jan Hanlo gehoord. Toen naar Stationsstraat 51, een groot wit herenhuis, villa Rozenberg, waar Jan woonde, met zijn moeder, bij zijn grootouders, van zijn nulde tot zijn vijftiende, waar hij in de prachtige tuin Robinson Crusoë was. De tuin is nu een parkeerterrein, het herenhuis een tandartsenpraktijk. Op zoek naar een plaquette: ‘voormalig woonhuis Jan Hanlo, dichter, schrijver (jaartallen)’ – ik zocht vergeefs.

De zon scheen, de heropende terrassen aan De Markt zaten vol. Mijn vrouw en ik luisterden naar de gons die over het plein golfde. Het was een geluid dat we lang niet gehoord hadden, een aanzwelling van belofte, van zin, van leven. De mensen waren herboren, oud was weer jong, jong was eeuwig. Dit keer was het een kwaad virus dat ons terugbracht naar de kindertijd. Nu het weer kon, en mocht, dronken we bier als moedermelk. Massaal, helemaal volgens onze natuur. En nu we dit ontij te boven lijken te komen, dan graag ook de volgende stap, langdurig als het kan: ‘De moraal uit onbeïnvloede kinderhandelingen en -opvattingen af te lezen.’ (Uit Moelmer, 1967.) In de geest van ons toekomstwillende kroost draai ik daar deze punt aan: turfsteken (en aardgaswinnen en olieboren en coltan delven) doen we voortaan niet meer. Laat de orchideeën bloeien. Leg Hanlo in je boekwinkel.

Beekman & Beekman heet het café op de hoek – vooruit, met een beetje goede wil zijn zij ook representanten van ongeborneerdheid en zuivere ethiek. Maar het café ernaast draagt de naam De Potdeksel. Dat kan heus anders. Ik suggereer: Drie Koninkies. Of, voor een wat ouder publiek: Stock Of The Varnished.

"Foto van Jack de Boer"
Jack de Boer

Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

 

In de Oorshop

De Duivelsberg (Geschiedenis van een landschap II)

Iedereen die in of rondom Nijmegen woont is wel eens gaan wandelen op de Duivelsberg. Waar de naam Duivelsberg vandaan komt weet niemand, maar er doen verschillende verhalen de ronde. Het aannemelijkste verhaal is dat het een verbastering is van ‘Duffelt’. Tot 1949 hoorde de heuvel namelijk bij het Duitse dorpje Wyler, en vanaf daar keek je uit op de Duffelt, de streek tussen Nijmegen en Kleef. Maar er gaat ook een ander verhaal rond: over een meertje midden in het bos, verbrande heksen en verschillende mystieke gebeurtenissen.

De heuvel en het natuurreservaat om de Duivelsberg liggen in de gemeente Berg en Dal, pal tegen de Duitse grens aan. De heuvel is 75,9 meter hoog, bevindt zich op de stuwwal ten oosten van Nijmegen en wordt omringd door tamme kastanjes met gedeeltelijk bovengrondse wortels.

Ik ging op een koude middag wandelen in het gebied rondom de heuvel. Toen wist ik nog niets over de berg of over alle mythen en sagen die erover verteld worden. Ik wandelde een route van zes kilometer, dwars door de bossen, door Beek, en langs kleine boerderijtjes met scheve muren van het optrekkende vocht. Aan het einde van de wandeling kwam ik bij het meertje, dat ook wel de Heksendans genoemd wordt.

Ik bleef staan en las aandachtig het informatiebord. Waarschijnlijk was er in de Romeinse tijd op deze plek leem gewonnen. Door bladeren en takken kon het water na het stoppen van deze industrie niet meer weglopen, en zo ontstonden er verschillende waterbekkens. Voordat het Christendom Europa overspoelde werden er hier water- en natuurgoden aanbeden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hier hevig gevochten. In de middeleeuwen werden hier tientallen heksen verdronken.

Ik schrok op van een groep wandelaars die me in windjacks voorbijliepen en ik besloot achter ze aan te gaan, zodat ik niet langer alleen was. De geschiedenis van dit landschap drukte ineens zo zwaar op me dat ik het gevoel had dat ik door mijn benen zou zakken.

Eenmaal thuis probeerde ik niet meer aan de plek te denken. Ik mocht niet denken aan de vermoorde heksen, al het geweld, het leed, de pijn die de plaats in zich droeg. Ik besloot de rest van de dag Gilmore Girls te kijken, die avond eten te bestellen en vroeg naar bed te gaan. Wist ik veel dat het die nacht alleen maar erger zou worden.

Ik ben erg gevoelig voor geluid, en ik heb een strikt avondritueel om in slaap te kunnen komen. Als er iets anders gaat dan normaal, word ik angstig. Ieder geluid klinkt dan extra hard. Zelfs geroezemoes van buren klinkt dan als geschreeuw voor mij. Deze avond was al anders verlopen omdat ik ’s avonds nooit televisiekijk, dus ik was extra alert toen ik de afwas opruimde en mijn tanden ging poetsen. Ik voelde mijn hart achter mijn ribben bonken en probeerde mezelf te kalmeren door ondertussen op TikTok te kijken.

Toen ik in bed ging liggen, klonk er een zacht getik. Het begon boven me, dus ik dacht dat het de bovenbuurman was die iets afklopte, maar het ging zo lang door dat ik me niet kon indenken wat hij aan het doen was. Waarom was hij zo lang aan het tikken? Moest ik hem een bericht sturen?

Ik had zulke erge hardkloppingen dat ik besloot een slaappil in te nemen. Als ik zo’n pil inneem, ga ik precies zeven uur knock-out. Ik deed mijn nachtlampje uit en mijn oordoppen in, wachtte tot ik mijn ledematen zwaar voelde worden.

Toen ik wakker werd had ik het ijskoud, en ik lag niet langer in mijn bed, maar in ondiep water. Ik probeerde mijn armen en benen zo te bewegen dat ik op kon staan, maar het lukte niet. Het was alsof een kracht mij horizontaal wilde houden. Het was zo donker dat ik niet wist of ik mijn ogen open of dicht had, maar toen zag ik ineens de maan. Er waren een paar wolken weggeschoven en de lichtgevende bol zorgde ervoor dat ik iets kon zien.

Ik was in het bos. Ik dreef in de Heksendans, en boven me zag ik talloze entiteiten zweven. Langgerekte figuren met grimmige gezichten. Ze zongen een lied waarvan ik de tekst niet kon verstaan. Ik probeerde weer op te staan, maar het lukte nog steeds niet. Ik kreeg het kouder en kouder, en het leek alsof ik langzaam aan het bevriezen was. Mijn hele lichaam tintelde, en ik denk dat ik toen opnieuw outgegaan ben.

Toen ik wakker werd was ik nog steeds in het bos. Ik lag aangekleed en verkleumd op de rand van het meer, de zon was net opgekomen. Verward liep ik naar huis. Ik verlangende naar een hete douche. Toen ik aangekleed op de bank zat, zocht ik naar informatie over de Duivelsberg. Dit is wat ik vond: https://www.theghosthunter.nl/duivelsberg.htm.

"Foto van Willemijn Kranendonk"
Willemijn Kranendonk

Willemijn Kranendonk (1994) is schrijver en dichter, voor zowel kinderen als volwassenen. Haar werk verscheen o.a. in Tirade, DW B, Liegend Konijn en op Lilith Magazine, Revisor, De Internet Gids, Hard//Hoofd en De Optimist. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman die dit jaar nog uit zal komen bij Uitgeverij Van Oorschot en volgt ze de master Jeugdliteratuur aan de Universiteit van Tilburg. Mei 2022 verschijnt haar eerste kinderboek bij Uitgeverij Billy Bones.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

OMG

Vanwege een aanhoudende hoofdpijn bij Nadim belde ik de assistente van onze huisarts voor een afspraak. Hoewel mijn jongen geen enkel ander symptoom van Covid had, stond zij erop dat we eerst voor een coronatest gingen.

Ik maakte een afspraak om elf uur bij de teststraat naast Station Sloterdijk en appte Nadim, die sinds een paar weken een telefoon heeft en thuis op me wachtte. Dit alles deed ik vanaf de fiets, met haast op weg om les te gaan geven in Oost. Even later, toen ik in een lokaal wachtte op het binnenklossen van mijn leerlingen, piepte mijn telefoon.

Coronatest? schreef Nadim. OMG. Nee.

Gast. Schreef ik terwijl ik de deur sloot achter de laatste puber. Ada kan het ook.

Ada is een temperamentvolle sloper van vier, en liet zich vorige week zonder slag of stoot bewattenstaven.

Mijn leerlingen verrasten me met de kwaliteit van hun werk, en de les vloog voorbij. In gierende vaart trapte ik terug naar huis om een lijkbleke jongen op te halen, die nog allerlei vragen had over wat hem nou precies te wachten stond.

In de teststraat deden ze alleraardigst. Mijn jongen kreeg een plaktattoo mee die zou getuigen van hoe stoer hij was geweest, en op weg naar huis aten we een ijsje. Het viel me op dat er wat kleur terug in zijn koppie kroop.

Ik dacht aan de ochtend, nog vóór het bellen van de huisarts, toen ik Otis de Hond uitliet op Het Stenen Hoofd en aan de praat raakte met Merijn, die nieuw is in de buurt. Merijn is 32 en heeft een eigen zaak, maar nog geen kinderen. Ik raadde hem ongevraagd aan daar zo lang mogelijk mee te wachten.

‘In feite is het alsof je er een bedrijfje bij neemt,’ zei ik.

Merijn knikte en liet zijn hond Taxi voor zich uit naar huis draven. Otis hing hijgend in zijn riem, hij wilde achter Taxi aan. Toen we afscheid van Merijn en Taxi hadden genomen, voelde ik me schuldig over wat ik had gezegd.

Negatief doen over het ouderschap mag eigenlijk alleen onder ouders; de positieve kanten kun je dan bekend veronderstellen. Ik nam me voor Merijn de volgende keer op koffie te trakteren en daar dan heel breed over uit te varen.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Mijn Indonesische jaren: Sitor Situmorang

Toen ik medio 1982 werd uitgezonden naar Indonesië had ik al twee jaar colleges Indonesisch gevolgd aan de University of Michigan, maar mijn beheersing van de taal was nog beperkt. Niet lang na mijn aankomst in Jakarta ging ik naar de Pasar Senen, het oudste winkelcentrum.

Ik schuimde de boekwinkels op de eerste verdieping af en zag de laatste dichtbundel van Sitor Situmorang liggen, Angin danau (Wind over het meer), met op het omslag een immens meer aan de voet van blauwige bergen. Dat was het Tobameer, in de Bataklanden van Noord-Sumatra. Sitor was geboren op het eiland Samosir, dat aan de rand van het meer ligt. Het beeld intrigeerde mij en ik raakte onder de indruk van de manier waarop in obsessieve korte regels de Batakse natuur werd opgeroepen. Met behulp van een woordenboek vertaalde ik enkele verzen.

Mijn interesse in Sitor Situmorang werd versterkt door wat ik te weten kwam over zijn levensloop, die hem naar vele landen had gevoerd. Toch keerde hij, de ‘verloren zoon’, altijd weer terug naar het Tobameer, naar zijn eiland, naar de grond van zijn ouders en voorouders. Sitors vader Ompu Babiat (1850-1963) was de leider van een voorname Batakse clan die was overgegaan tot het christendom, maar die tevens de voorouderlijke tradities in ere hield.

Sitor verliet Samosir al op zesjarige leeftijd om in grotere plaatsen onderwijs te volgen. Op 21-jarige leeftijd werd hij journalist – eerst in Sumatra, daarna in de hoofdstad Jakarta. Hij bleef daar tot 1950, toen hij op uitnodiging van de Stichting voor Culturele Samenwerking naar Amsterdam ging, waar hij twee jaar voor de stichting werkte. Anders dan Pramoedya, die in 1953 op uitnodiging van Sticusa naar Nederland kwam maar het er slechts zes maanden uithield (‘het was alsof ik er in een doodkist terecht kwam’), hield Sitor het administratieve baantje vol.

In zijn vrije tijd ontmoette hij jonge Nederlandse dichters zoals Lucebert en Bert Schierbeek en begon zelf ook gedichten te schrijven. In 1952 ging hij naar Parijs, waar hij ook twee jaar bleef. Hier raakte hij onder de invloed van het existentialisme. In zijn gedichten identificeert hij zich vaak met verloren zielen, zoals een man die van de Eiffeltoren sprong. In de vorm van zijn gedichten werd hij beïnvloed door het surrealisme van Paul Éluard, en door Lorca’s experimenten met traditionele dichtvormen als balladen.

Sitors eerste dichtbundel kwam uit in 1953 en werd in 1955 gevolgd door twee omvangrijke bundels. In die eerste drie bundels komen diverse thema’s naar voren: het verlangen van de zwerver die de wereld wil verkennen, schuldgevoelens over een verlaten geliefde en over de vervreemding van de eigen cultuur, en ten slotte de eenzaamheid van een anoniem bestaan in de stad.

In 1954 keerde Sitor terug naar Indonesië. Hij vertaalde essays van Du Perron uit De smalle mens (1934) onder de titel Menentukan sikap (‘Een houding bepalen’, 1956). Zelf meende hij dat schrijvers niet in een ivoren toren moesten blijven zitten, maar een keuze moesten maken, in die revolutionaire tijd waarin politiek werd gezien als de ‘commandant’. Hij werd voorzitter van de socialistisch georiënteerde Stichting voor Nationale Cultuur. Intussen had hij ook enkele verhalen geschreven waarin zijn jeugd op Samosir en de tijd van de Indonesische Revolutie centraal stonden.

Wegens zijn sterke affiliatie met de regering van Soekarno en zijn boek Sastra revolusioner (Revolutionaire literatuur, 1965) werd Sitor in 1967 gearresteerd en geïnterneerd in de Salemba-gevangenis in Jakarta. In 1975 werd hij vrijgelaten. Zijn gedicht ‘Daerah Bumi Hangus’ (‘Verzengd gebied’) gaat over de jaren 1965-1967, de periode van de stille genocide, zoals de historicus Lambert J. Giebels die heeft genoemd. In zijn boek met die titel (2005) beschrijft Giebels hoe er, in de tijd na de mislukte coup van 30 september 1965, waarbij zes generaals werden vermoord, een massaslachting plaatsvond onder (vermeende) communisten die circa een half miljoen Indonesiërs het leven heeft gekost.  

In 1981 vestigde Sitor, inmiddels gescheiden van zijn eerste vrouw en hertrouwd met Barbara Brouwer, zich in Nederland, waar hij medewerker werd van het Koninklijk Instituut van Taal-, Land- en Volkenkunde te Leiden. Ik heb Sitor leren kennen in 1984, toen hij in de 2e Schuytstraat in Den Haag woonde. Hij vertelde me dat hij wat was ingedut door het comfort van de westerse consumptiemaatschappij. We hebben toen mijn eerste vertalingen van zijn gedichten besproken. Later hebben we een zomer van huizen geruild: ik zat in Den Haag en hij in mijn huis in Jakarta, waar hij zijn vrienden van vroeger ontving.

In 1987 verraste hij mij  met een reeks sterk ritmische gedichten met een mystieke inslag, waarin hij in de geest terugkeerde naar zijn eiland van herkomst. Maar er zaten ook kritische gedichten bij, over de Japanse tijd en over een hedendaagse Japanse triplexmolen op een van de eilanden, waar geronselde Javaanse arbeidsters werken:

Verhaal, exemplarisch voor de 20ste eeuw,
Verhaal van het bos van de Amazone, van Kalimantan, van Sumatra:
Verhaal van gevelde woudreuzen,
naakt, op hun zij, als gestrande walvissen.

Sitor was een pezige zestiger die niet veel at maar de hele dag sterke koffie dronk. Als hij door een onderwerp werd gegrepen, uitte hij zijn enthousiasme in een staccato betoog, dat ondersteund werd door levendige gebaren en vriendschappelijke stompen waarmee hij zijn geestdrift uitleefde op zijn gesprekspartner.

In 1990 verscheen bij uitgeverij De Geus in Breda mijn bloemlezing uit Sitors poëzie, in een tweetalige editie, onder de titel Bloem op een rots. Het had een prachtig omslag van de grafisch ontwerper Robert Nix, geïnspireerd op een Bataks textiel. In 2004 publiceerde uitgeverij Komunitas Bambu in Jakarta een uitgebreide bloemlezing van mijn vertalingen, met uiteraard de originele gedichten voorop: Lembah Kekal / Eeuwige Vallei.

In 1996 was bij De Geus De oude tijger uitgekomen, mijn vertaling van een aantal autobiografische schetsen en verhalen van Sitor, wederom met een fraai omslag van Robert Nix op basis van tijgertapijten uit het Tropenmuseum. Op 20 december 2014 overleed Sitor in zijn woonplaats Apeldoorn. Een week later vond zijn afscheid van Nederlandse en Indonesische vrienden plaats in het mortuarium van Schiphol. Hierna werd hij begraven op het eiland Samosir. In 1998 had hij in Parijs een gedicht geschreven over zijn laatste rustplaats met – in mijn vertaling – de volgende regels:

Als straks mijn einde komt
leg dan op mijn graf
geen grafsteen maar een kei uit de bodem
zonder inkervingen zonder versiering

behalve de allerheiligste boodschap –
de zegen van Moeder gebeiteld in steen:
De Verloren Zoon is teruggekeerd!
Ik ontvang hem in mijn schoot!

"Foto van Kees Snoek"
Kees Snoek

Kees Snoek (1952) doceerde Nederlandse taal en letterkunde aan universiteiten in Michigan, Indonesië, Nieuw-Zeeland en Frankrijk (Straatsburg en Parijs). Hij publiceerde onder meer de biografie van E. du Perron (2005) en vertaalde poëzie van Sitor Situmorang en Rendra. In augustus verscheen bij Van Oorschot Wissel op de toekomst, zijn keuze uit de brieven van Sjahrir (de eerste premier van Indonesië) aan zijn Hollandse geliefde.

 

Mark Rutte en de (steeds minder) schone schijn

De Teeven-deal, de datsja van Poetin, de burgerslachtoffers in Hawija, het memo over de dividendbelasting en meest recent ‘de functie elders’ voor Omtzigt: het lukt VVD-leider Rutte maar niet om eerlijk te zijn over de feiten. Het geritsel, geblunder en gekonkel in deze kwesties wordt eerst glashard door hem ontkend, en wanneer hij moet toegeven dat er toch wel iets aan de hand is, verdwijnt het zicht op zijn eigen rol in een mistig geheugen. Geneuzel over wie wat precies op welk moment en in welke bijlage heeft gezegd. Cruciale vragen die stuiten op de frase ‘ik heb er geen herinnering aan’. Het is moeilijk voor te stellen dat Rutte niet weet dat wij door hebben dat hij de waarheid niet spreekt. Gelooft hij zelf nog in het beeld dat hij zo krampachtig van zichzelf neerzet? ‘Ik heb de pers naar eer en geweten te woord gestaan.’ Wat voor geweten is dat, waarvan je zo vaak en zo glad mag liegen?

Wat ziet Mark Rutte wanneer hij in de spiegel kijkt? In 1990 was de legendarische serie Twin Peaks op tv, waarin de sympathieke FBI-agent Dale Cooper, op zoek naar de moordenaar van een  tienermeisje allerhande seksuele en gewelddadige misstanden ontdekt. Het laatste shot toont  Cooper, die op de ochtend na zijn bezoek aan een ondergrondse kamer vol duistere krachten in de badkamerspiegel kijkt en sardonisch grijnst. Wat een huiverende teleurstelling. Ook hij  was bezeten geraakt door het kwaad!

Onze demissionaire minister-president blijft de schijn van onberispelijkheid ophouden, al is er niemand meer die er echt in gelooft. Waarom eigenlijk? Iedereen snapt toch wel dat in de politiek dingen gebeuren die niet zouden moeten gebeuren. Net als in het ziekenhuis of in het verkeer. Richtlijnen zijn er om na te streven, van fouten moet je leren. En dat lijkt nu precies het punt bij Rutte: hij doet niks fout, en de regels gelden voor anderen. Reeds als staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid was hij gebeten op het aanpakken van bijstandsfraude. In schril contrast daarmee staat zijn vergoelijkende reactie op fraude door partijgenoten. Hierin staat hij niet alleen. Toenmalig minister Edith Schippers ontwaarde in 2015 zelfs een complot tegen de VVD vanwege alle aantijgingen. Ik zou om te beginnen geen aanleiding geven tot verwijten!  Tot voor kort stond de VVD bovenaan in de Politieke Integriteitsindex, die schandalen turft naar ernst en aantal.  

Waarom wil Rutte zijn positie zo graag behouden dat hij zijn geloofwaardigheid er voor opgeeft? Toch niet louter om over anderhalf jaar het record van langstzittende premier van Nederland te kunnen breken? Onlangs zei hij trots te zijn op wat hij de afgelopen 10 jaar bereikt heeft. Trots waarop dan? De bodem zit vol stikstof en plastic, overal verrijzen grote loodsen, vogels verdwijnen, kinderen verlaten school als analfabeet, en in Europa staan we alleen, als belastingparadijs dat het vingertje heft naar andere landen over hun financiële beleid. Rutte is vooral de man van beloftes die geen standhouden: 130 op de snelweg, ‘geen cent meer naar Griekenland’, de afschaffing van dividendbelasting, compenseren van aardbevingsschade. Grote problemen zijn doorgeschoven naar de toekomst. Wat het behalen van de EU-klimaatdoelen betreft scoort Nederland slecht. Maar wat kan het ons schelen, zolang wij het zelf goed hebben?

Rutte, de über-manager, met de breed lachende uitstraling alles onder controle te hebben, is een geruststellende leider voor wie graag de kop in het zand steekt. Toegegeven, het lijkt me erg moeilijk om een land te besturen met zo veel verschillende belangen. Des te meer dringt zich de vraag op waarom hij dit zo graag wil blijven doen. Waar sommige regeringsleiders genieten van de geneugten van hun positie – parades, diners, een limousine, vrouwen – lijken deze aan Mark weinig besteed. In een hoodie op de fiets trekt hij een lange neus naar dit soort mannen. Voor hem geen narcistisch machtsvertoon.

Maar binnenskamers kan hij naar verluidt dwingend en woedend zijn. Aan de touwtjes trekken zonder dat iemand het ziet, het klinkt als een kwajongensstreek, een dikke portemonnee op de stoep die wegschiet zodra iemand zich bukt om hem op te rapen. Het conservatorium overwogen, maar geschiedenis gestudeerd, om in een bedrijf bij  Personeelszaken te gaan werken: zijn keuze roept de associatie op met dromen van grootsheid maar bang zijn het niet waar te kunnen maken. Dan rommel je het beste maar wat aan. De obsessie met ‘je eigen broek kunnen ophouden’ past hierbij. Angst voor ontmaskering.

Een klassiek Freudiaan zou hier een verdrongen Oedipuscomplex vermoeden. Een zoon rivaliseert, strijdt met vader, en hoeft zich ook als hij verliest niet te schamen: hij heeft zijn mannetje gestaan. Rutte duikt, en neemt zijn verlies niet. Sterker nog, hij kan zich niet heugen op het slagveld te zijn geweest. Liever dan gehavend maar aanwezig, is hij schoon en afwezig. Het fantoom van het brave jongetje: misschien is dat Marks ideaalbeeld wel.

Door zich als loopjongen van het grootkapitaal op te werpen hoort hij toch bij de top. Geen partner, geen kinderen, een man alleen, lijkt hij niet zozeer te leven voor zichzelf als voor de roedel: ‘normale mensen’, witte mannen. Iedereen die anders is, ook dieren: bekijk het maar. Achter de schijn van jovialiteit gaat meedogenloosheid schuil.

Misschien mogen we het als voortschrijdend inzicht beschouwen dat Rutte belooft ‘zijn stinkende best’ te gaan doen ons vertrouwen te winnen. De geur van eerlijk zweet. Of wordt het de walm van de zoveelste doofpot?

"Foto van Greet Kuipers"
Greet Kuipers

Greet Kuipers (1962) is psychiater. Onder het pseudoniem Minke Douwesz publiceerde zij bij uitgeverij Van Oorschot twee romans, Strikt en Weg. Voor de laatste ontving zij de Opzij Literatuurprijs 2009 en de Anna Bijns Prijs 2012.

Moddergat

Er was meer dan een jaar voorbij sinds we met zijn allen aan één tafel aten, en bijna twee jaar sinds de laatste keer dat we met dit gezelschap de stad uit waren geweest.

Voorheen gingen we vaak naar het huis van Noors moeder op Terschelling, maar sinds de extra kinderen, partners en honden ons kwamen versterken passen we daar niet meer in. Dertien mensen en drie honden is een tall order voor elke vakantieplanner, maar Lauren vond een huis in Moddergat (Friesland); een huis dat in kleine appartementen was onderverdeeld, met een gezamenlijke keuken, zit- en eetkamer.

Ik had verwacht dat ik zou moeten wennen aan zoveel volk bij elkaar. Dat leek eerst niet zo te zijn en bij nader inzien wel. We waren getest en dus omhelsde ik iedereen bij aankomst, maar hoewel dat op geen enkele manier vreemd voelde, bleek zo’n toenadering nu iets waarvoor je soms kon kiezen, niet langer een vanzelfsprekendheid.

Ik merkte dat ik vaker dan voorheen op mezelf een boekje las, een luchtje ging scheppen. Sven had ook een gitaar mee en we speelden samen. Na een tiental jaren zonder muziek geniet ik daar de laatste tijd weer van, maar mijn handen willen nog niet echt. Ze voelen stram en een beetje lomp: alsof ik er oudemannenhanden overheen heb aangetrokken.

Luc was met zijn bakbrommer gekomen en maakte ritjes over de landweg met de bak vol vrienden en hun kinderen. Niemand krijste harder dan ik toen hij het ding op volle snelheid op één voorwiel liet balanceren. Nadim zat met een brede grijns naast me, zijn ogen groot en hongerig naar avontuur.

Hoewel het niet mijn plan geweest was, accepteerde ik mijn vaste rol als kok van onze groep. Met Noor reed ik naar de kutsuper in een naburig dorp, en een uurtje later zette ik de tafel vol met schaaltjes groenten. Ik merkte dat de complimenten van mijn vrienden me verlegen maakten; dat was nieuw.

Toen de avond gevallen was moesten er spelletjes gedaan worden. Ik heb een enorme hekel aan spelletjes, maar Jeroen kwam naast me zitten en kreeg een kostelijke lachstuip omdat iemand hem had laten blowen. Alle chocolade bleek op, en dus reed ik mijn vriend naar een pompstation op tien kilometer afstand, waarvan het winkeltje helaas gesloten was. Echt slecht was dat niet, omdat ik mijn mondkapje vergeten had en Jeroen niet uit zijn lachstuip kwam. Hij had daar met geen mogelijkheid verstaanbaar kunnen maken wat hij wilde.

De volgende ochtend werd er wad gelopen. Degenen die daarmee ervaring hadden besloten de wandeling thuis uit te zitten. Wadlopen is net als gewoon lopen, maar dan door een saaier landschap dat je ook nog keihard tegenwerkt. Na een uurtje werd er geappt of ik de wandelaars met de auto wilde komen halen. Onderweg, aan de dijk, verkocht een dame versgerookte palingen. Die laten liggen lukte niet: ze waren retevet en niet te zwaar gerookt.

Die avond ging ik vroeg naar bed omdat ik graag in stilte wilde lezen, en besefte pas de volgende ochtend dat ik zoiets voorheen nooit deed. Niemand had me geprobeerd tegen te houden; ook dat was nieuw.

Misschien, dacht ik terwijl we de volgende dag afscheid namen, was het nog te vroeg om de ware schade van de afgelopen anderhalf jaar op te maken.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Jasmijn Kenselaar"
    Jasmijn Kenselaar

    Jasmijn Kenselaar studeert in de zomer van 2025 af als toneel- en filmschrijver. Het samenbrengen van mensen en het aanbieden van nieuwe perspectieven kenmerken haar signatuur. Ze schrijft veel voor en over jongeren en plaatst haar verhalen vaak in werelden die een beetje – of heel erg – verschillen van de onze. Haar eindwerk De Ongewilden is een komische, sciencefiction-dramafilm over een zestienjarige wees die zich staande probeert te houden in een wereld die niet voor haar gemaakt is. Haar afstudeerscriptie As if! is een praktijkgericht onderzoek naar hoe schrijftechnieken kunnen worden ingezet om films en series te creeëren met een positieve impact op tieners. Voor afstuderend regisseur Julija Filipović schreef ze daarnaast De Golven – een vrije bewerking van de gelijknamige roman van Virginia Woolf. Haar korte film GENIUS is in juni 2025 te zien tijdens het Rotterdams Open Doek Filmfestival.

  • "Foto van Tim Veeter"
    Tim Veeter

    Tim Veeter

    Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

  • "Foto van Jan Lodewijckx"
    Jan Lodewijckx

    Jan Lodewijckx (1990) had het wel even gehad op kantoor. Hij kocht een zware fiets en een kleine tent en zegde zijn werk op en zijn appartement.