Chimay Bleue

De ober kwam mij een tweede flesje Chimay bleue brengen. Ik zat aan een tafeltje in de lounge van Hotel Metropole een beetje uit te blazen van alle culturele manifestaties en feestelijke bijeenkomsten die de afgelopen twee dagen hadden plaatsgevonden rondom de uitreiking van de Prix Europalia 1980. Vroeg in de avond, nadat ik samen met de andere acht juryleden was voorgesteld aan het koninklijk paar, waren de twee prijswinnaars gelauwerd: de beste Franstalige en de beste Nederlandstalige auteur van na de tweede wereldoorlog. De ceremonie was afgesloten met een galaconcert. Ik had de cocktail die daarop volgde weten te vermijden en was in een taxi terug naar mijn hotel in het centrum van Brussel gereden.

Gedurende de dagen voorafgaand aan de verkiezing waren wij juryleden – als vertegenwoordigers van de negen EEG-landen – gefêteerd. Men had ons op sleeptouw genomen van de ene imposante uiting van Belgische kunst en cultuur naar de andere: een rondleiding op de grote Brueghel-tentoonstelling, toneelstukken van gerenommeerde Belgische auteurs, het galaconcert. Van alle attracties die er voor ons op de agenda stonden had ik niets gemist. Ik had het nu eenmaal op mij genomen Nederland correct te vertegenwoordigen. En ik vermoedde dat ik niet snel nogmaals een met zo’n Bourgondische zwier georganiseerde manifestatie zou meemaken.

Nu het officiële gedeelte voorbij was en ik alles nog eens de revue liet passeren, haalde ik opgelucht adem: ik vond dat ik het er niet slecht had afgebracht. En ik begon juist in hoger sferen te geraken, toen ik door de draaideur in de hal het Franse jurylid Georges Perec zag binnenkomen.

Ik kende twee romans van hem: La Disparition en La vie mode d´emploi. Zijn manier van schrijven was opvallend, want bij elk van zijn boeken legde hij zich een systematische vormbeperking, een zogeheten ‘contrainte’, op. Zo was in La Disparition van begin tot eind de letter e weggelaten. De titel van de roman verwees naar de officiële ‘acte de disparition’ waarin hem na de oorlog de verdwijning was gemeld van zijn moeder, die in 1943, op zijn zevende, naar Auschwitz was gedeporteerd. Het systematisch wegvallen van de letter e stond voor de uitroeiing van een groot deel van het volk waaruit hij voortkwam. Intussen was, ondanks de ontbrekende e, de meest voorkomende letter in het Frans, het verhaal zelf goed te volgen geweest.

Die middag had ik zijn verbale vaardigheid bewonderd, nadat de juryleden Suzanne Lilar als de grootste Franstalige Belgische auteur van dat moment hadden gekozen. Meteen na deze unanieme uitspraak had Perec in minder dan een kwartier het juryrapport aan de secretaris gedicteerd. In zijn eentje formulerend, rustig, zonder haperen, slechts nu en dan zijn gedachte bijstellend als het Luxemburgse jurylid hem erop attendeerde dat er een kleine toevoeging gemaakt zou kunnen worden.

Onze ogen ontmoetten elkaar en hij groette. Waarschijnlijk omdat hij mij alleen zag zitten, liep hij recht op me af en vroeg of ik er bezwaar tegen had als hij aan mijn tafeltje kwam zitten.

‘Pas du tout,’ reageerde ik met een uitnodigend gebaar, en hij nam tegenover mij plaats.

Als ik zeg dat hij recht op mij afliep is dat misschien niet helemaal juist, want zijn tred kwam mij enigszins wankel voor. Maar als dat al zo was, dan toch maar heel lichtjes. Bovendien zou ik mij best kunnen vergissen vanwege mijn tweede trappist, want als ik moe ben, kan meer dan één glas van dat vocht invloed hebben op mijn waarneming.

Ik had in de twee voorafgaande dagen slechts kortstondig contact met hem gehad, eigenlijk nauwelijks meer dan oogcontact. Maar voor mij was dit het meest intense moment van de hele manifestatie geweest, een moment dat dwars door alle formaliteiten heen brak. Dat was op de eerste dag, vrijwel aan het eind van de lunch, toen de verklaring kwam waarom ik was uitgenodigd als jurylid in wat zo’n illuster gezelschap bleek te zijn. De openingslunch had ten doel de juryleden aan elkaar voor te stellen. Aan het hoofd van de tafel troonde de directeur van het door de Belgische overheid gefinancierde ‘Promotion des Lettres’. Dit was een enigszins gezet heerschap van achterin de dertig, dat een beetje uit de hoogte korte, voor iedereen goed verstaanbare gesprekken voerde met de juryleden. Tot mijn verbazing bediende hij zich daarbij van de pluralis majestatis. Ten slotte richtte hij het woord tot mij en vroeg luid of het klopte dat ik Arthur Rimbaud in het Nederlands had vertaald. Daarna wilde hij weten welke vertalingen dat waren.

Illuminations et Une saison en enfer.’

‘Juist, daarom hebben wij u uitgenodigd om in de jury plaats te nemen.’ Hij persoonlijk was een groot bewonderaar van Rimbaud, hij had zelfs zijn proefschrift aan hem gewijd. En hij besloot:

‘Wij hebben ons laten vertellen dat uw vertaling er mag zijn; en dat nog wel van zo´n gecompliceerd poëet! Om zijn prozagedichten te vertalen moet men wel een grote kennis van het Frans hebben!’

Ik deed er het zwijgen toe en trok bij wijze van antwoord mijn wenkbrauwen lichtjes op. Perec, die schuin tegenover mij zat, brak breeduit glimlachend door de impasse heen en redde de situatie met de veronderstelling:

‘Of je moet net zo gek zijn als Rimbaud!’

‘Wie weet,’ grijnsde ik, en ik zag zijn ogen oplichten. De blik die hij toen op me wierp is me bijgebleven als een blik van verstandhouding, alsof wij betrokken waren in een ironisch verzet tegen snorkende conventies.

Mijn hart sprong op toen hij zo onverwacht naar mijn tafeltje liep. In La Disparition staat een pastiche van Rimbauds gedicht ‘Voyelles’, maar dan zonder de e. ‘Vocalisations’ heet dat gedicht bij hem. Ik wilde graag van hem horen wat hij nu precies dacht over Rimbaud – de man die met zijn dichten het leven had willen veranderen.

Maar nu hij in de lounge tegenover mij zat, zag hij er afgemat en terneergeslagen uit. Er lag iets onmiskenbaar treurigs over hem, niets meer van dat bijna snaakse van de vorige dag toen hij Rimbaud voor gek had verklaard en met dat ene zinnetje zowel de directeur van de ‘Promotion des lettres’ als mij, de Rimbaud-vertaler, op de hak had genomen. Zijn blik leek nu veel donkerder dan tijdens de kennismakingsceremonie, meer in zichzelf gekeerd.

`Chimay bleue,´ zei hij peinzend, terwijl hij het flesje dat naast mijn glas stond in zijn hand nam. Kennelijk overwoog hij of hij hetzelfde zou bestellen. Maar toen bedacht hij hardop dat het bier een nogal hoog gehalte aan alcohol had en dat het misschien verstandiger zou zijn als hij zich hield bij wat hij al de hele avond had gedronken. Hij wenkte de ober en bestelde een Hollandse jenever.

Hij was meteen na de prijsuitreiking vertrokken en had de rest van de avond doorgebracht met vrienden die in Brussel woonden. Dat was zwaar geweest, want hij had afscheid moeten nemen. Hij had nog maar kort geleden gehoord dat hij ongeneeslijk ziek was en niet lang meer te leven had. Dat had hij zijn Brusselse vrienden moeten vertellen. Hij had overwogen af te zeggen als jurylid. Maar dat hadden zijn vrienden in Parijs hem afgeraden. Dus was hij toch maar gekomen, al wist niemand van zijn gastheren hoe hij eraan toe was: dat had hij hun niet willen vertellen.

Meteen na deze ontboezeming verontschuldigde hij zich dat hij mij lastig viel met zijn persoonlijke problemen. Om hem gerust te stellen zei ik dat hij zich niet moest excuseren: het greep mij weliswaar aan wat hij vertelde, maar ik vond het een eer dat hij mij in vertrouwen nam van iets dat zwaar te dragen moest zijn. En in een opwelling, om hem te laten weten dat ik met hem meevoelde, drukte ik even met mijn vingers op de rug van zijn hand, die hij voorbij zijn glas op het tafeltje hield.

Hij dronk zijn jenever met kleine teugjes. Toen zijn glas leeg was, zei hij dat hij een moment zijn ogen dicht moest doen, dat hij zich moe voelde, zo moe. Ik wist niets anders op te merken dan: ‘Je vous en prie,’ en hield mij stil, terwijl hij zijn armen over elkaar op de tafel legde en zijn hoofd erop liet rusten.

Ik begreep dat met hem praten over Rimbaud of over het schrijven met een zelfgekozen beperking van de baan was. Ik had hem hierover willen polsen omdat ik niet zo lang geleden in een interview met hem had gelezen dat hij zich vooralsnog geen poëzie zag schrijven zonder zich de een of andere contrainte op te leggen. Dat zelfs de meest klemmende vormbeperking hem minder schrik aanjoeg dan de gedachte een gedicht zonder contrainte te moeten schrijven. Waarom bang zijn voor een meer directe wijze van uitdrukken, had ik hem willen vragen.

Een poosje keek ik naar de slapende man. Het speet mij dat ik niet met hem van gedachten kon wisselen over het schrijven, maar ik had vooral met hem te doen dat hij al zo vroeg afscheid moest nemen van dit leven. Mijn wake over Perec duurde niet lang, want na een minuut of vijf kwam de ober naar ons tafeltje en zei bestraffend:

‘Dit is geen gezicht. U zit hier in een hotel van standing. Kunt u mijnheer niet wakker maken?’

‘Ik denk er niet aan hem te storen in zijn slaap. Mijnheer heeft een zware dag gehad.’

Nu begon de kelner het Franse jurylid aan zijn schouder te trekken en heen en weer te schudden, eerst zachtjes, maar toen er geen reactie kwam, werden zijn bewegingen steeds geagiteerder. Uiteindelijk trok hij Perec nogal onbehouwen omhoog en duwde zijn bovenlichaam terug tegen de leuning van zijn stoel.

‘Zo kunt u hier niet blijven zitten, mijnheer. U geeft aanstoot aan de andere gasten.’

‘Wat is er aan de hand?’ vroeg Perec, die zijn ogen opsloeg en mij ontheemd aankeek.

‘U kunt hier niet zitten slapen, mijnheer, dat geeft geen pas,’ zei de ander weer.

Verontwaardigd dat de ober hem zo kleineerde en de les las, zei ik zo luid mogelijk, dat iedereen het kon verstaan:

‘Ach, deze kelner is nogal klein van geest. Hij weet niet dat het soms van meer manieren getuigt dat je mensen met rust laat dan bang te zijn voor wat de buitenwereld ervan denkt.’

Nu Perec weer rechtop zat, trok de ober zich terug. Ik zag dat hij doodop was en inderdaad maar één ding nodig had: zijn bed.

`Wat een onaangename atmosfeer hier,’ zei ik. En stelde voor op te breken. Dat leek hem een goed idee. Maar toen hij overeind kwam, zag ik dat hij stond te tollen op zijn benen. Omdat ik bang was dat hij zou vallen, greep ik hem bij de arm.

‘Nee,’ zei hij, ‘u mag mij hier niet vasthouden. Ik moet deze ruimte op eigen kracht verlaten.’

Ik liet hem los. Zich vermannend liep hij de lounge uit. Maar toen de klapdeuren achter ons dichtsloegen en wij alleen waren in de gang met de rijk gestoffeerde trap naar de verschillende verdiepingen, leek het wel of de krachtsinspanning hem te veel was geweest: ik zag dat hij opnieuw moeite had zich staande te houden.

Ik nam hem nogmaals bij de arm en vroeg of hij het goed vond dat ik met hem meeliep naar zijn kamer.

‘Graag,’ zei hij nu. En terwijl hij op mijn arm leunde, vergezelde ik hem naar zijn kamer op de eerste verdieping.

Daar aangekomen viste hij de sleutel uit zijn colbert, deed de deur van het slot, en zei:

‘Dank u, de rest gaat wel alleen.’ Met een ‘bonne nuit’ kuste hij mij op beide wangen en verdween.

De volgende dag aan de koffietafel gaf hij mij zijn adres in Parijs en zei dat ik hem maar moest bellen als ik in de hoofdstad kwam, dan konden wij een afspraak maken.

Toen ik een paar maanden later in Parijs probeerde hem te bereiken werd de telefoon niet opgenomen.

Ook al ligt de kennismaking met Perec ver achter mij en heeft hij inmiddels in Frankrijk met de opname van zijn werk in de Pléiadereeks een bijna mythische status bereikt, toch komt nu en dan, als een levende herinnering, die lichtende blik in mij terug waarmee hij destijds tegen mij zei: ‘Om Rimbaud te vertalen moet je misschien wel net zo gek zijn als hij.’

Begin maart 1982 las ik in de krant dat hij was overleden. Vreemd, hoewel wij elkaar maar kort hadden gesproken, stemde dit bericht mij treurig alsof het een oude bekende was. En misschien was dat ook wel zo, althans in die zin dat onze ontmoeting er een was die raakte aan iets wezenlijks en vertrouwds. Voor deze veronderstelling pleit een publicatie van Perec uit 1981, niet zo lang nadat wij elkaar in de lounge van het hotel hadden getroffen. Dat najaar verscheen een wat langer gedicht van zijn hand, in een beperkte oplage. Het is zonder contrainte in vrije verzen geschreven en heet ‘L´Éternité’, naar het beroemde gedicht van Rimbaud.

Deze verwijzing naar Rimbaud kwam op mij over als de afronding van het gesprek dat wij een jaar eerder in Brussel waren begonnen. Zó liet hij mij alsnog weten dat de man die met zijn dichten het leven wilde veranderen hem méér aansprak dan hij bij onze kennismaking suggereerde.

"Foto van Hans van Pinxteren"
Hans van Pinxteren

Hans van Pinxteren is dichter en vertaler

In de Oorshop
een van de boeken die er niet kwamen...

Bis, bis!

Maarten Biesheuvel belde in tijden van grote opgewektheid regelmatig op om bijvoorbeeld te vragen naar hoeveel exemplaren er van het Verzameld Werk verkocht waren. Omdat de schitterende cassette kort na zijn P.C. Hooftprijs was gemaakt –  en met een bijdrage uit die prijs – was de oplage behoorlijk groot en hoewel we er heel redelijk van verkochten, kon ik hem helaas nooit vertellen dat het uitverkocht was. ‘Oh nou jammer, toch bedankt hoor!’ was standaard de repliek. Als we een herdruk hadden moeten maken was dat iets geweest wat enigen van ons hier ook wel slapeloze nachten had bezorgd. Maartens omgang met de taal was eigenzinnig, hoe een boek eruit moest zien was aan zeer speciale eisen onderhevig: een boek moest gebonden zijn, echt gebonden, anders viel het al snel uit elkaar. Alinea’s mochten niet, sommige woorden scheef hij aaneen en waag het niet er een spatie in te voegen. Biesheuvel was zo ook de auteur van een oeuvre van boeken die er niet kwamen. Van geen auteur hebben we meer afgewezen omslagen in de archieven liggen, het was soms onmogelijk om met hem te werken, zo onmogelijk als het moet zijn geweest om Biesheuvel te zijn: heen en weer geslingerd tussen droom en angst, verg je van jezelf en de ander oneindig veel.

Het feestje ter gelegenheid van de grote blauwe cassette was in 2008 de eerste presentatie die ik bij Van Oorschot meemaakte. Eva en Maarten werden gebracht vanuit Leiden en gingen eerst even op de uitgeverij bijkomen van de reis. Ergens tussen bravoure en vertwijfeling verkeerde Maarten bij zulke gelegenheden, steun zoekend bij zijn Eva, die zeer vaardig de sociale aspecten van het samenzijn waarnam. Er volgden nog aardig wat van dergelijke bijeenkomsten – die misschien speciaal Eva ook heel leuk vond – bij prijsuitreikingen, bij de voorbereidingen van televisie-avonden en gewoon bij hen thuis.

Na een paar mislukte pogingen om tot een mooie nieuwe bloemlezing te komen lukte dit in 2015 toch: Merijn de Boer en ik reisden af naar Leiden om Maarten 100 exemplaren te laten signeren, er was op zijn verzoek een speciale editie gemaakt, net wat mooier en duurder, en dan wilde hij zeker wel signeren.  Eerst moest je dan een half uurtje wachten voordat Maarten naar beneden kwam. En we hebben zelf zo’n beetje de boeken in de richting van zijn handtekening moeten bewegen, wat een opgave was, maar een bij vlagen hilarische. De man wist ook wanneer hij publiek had.

 Na Eva’s dood werd dat wachten wat langer: in februari stond ik een anderhalf uur naar de duiven in de tuin van Sunny Home te kijken voor het lukte. Maar dan kon je wel goed over Karel van het Reve praten, over Nabokov en over Joseph Conrad, van wie we ooit een prachtige vertaling van Mirror of the Sea hadden uitgegeven en bij welke gelegenheid ik Maarten om een voorwoord vroeg: ‘Bij Conrad moet geen voorwoord, daar is ‘ie veel te goed voor.’

Zo’n weigering werd wel goedgemaakt met een goede sigaar en een glas whisky. En een nieuwe suggestie: ‘Geef Lentebeken van Toergenjev anders eens opnieuw uit! Ken je dat? Dat is verschrikkelijk mooi.’ Ik las alles wat Maarten aanraadde, misschien om erachter te komen hoe dat hoofd werkte. Het was prachtig, en intens droevig, zoals ook veel van zijn eigen werk. Dat hoofd was als die blauwe cassette; een intens en geweldig universum, humoristisch en absurd, maar hij zat erin opgesloten, zonder uitgang, bedrukkend mooi.  

Voor zijn advertentie kozen we een citaat van Conrad:

‘Perhaps life is just that, a dream and a fear…’

In zijn ‘Brief aan vader‘ maakt Maarten zich er druk om dat hem dat niet geleerd is: te leven: ‘…de dood is een groot recht vader, maar er zijn ook plichten: Help je zoon door het leven! Sta hem bij! Ik moet u eren vader en nu heb ik in zekere zin gezegd dat u een luilak bent. Dood gaan kunnen we allemaal, maar waarom maakt u niet af waar u aan begonnen bent? Doe uw mond toch eens open en vertel mij hoe ik zin aan mijn leven moet geven. Nou, u antwoordt niet.’

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

De buurman

Mijn buurman, meneer Braaksma, woont op de begane grond. Het is een jolige oude baas met een geruite pet op, die voorover gebukt achter zijn rollator naar voren schuifelt. Op warme dagen gebruikt hij het ding als een stoel en overziet hij de buurt. Alles aan hem is rond; zijn bolle lijf, zijn hoofd in de vorm van een ham. ‘Weet je wat dit is?’ vraagt hij me kloppend op zijn bast. ‘Levenslust!’ En dan schatert hij homerisch om zijn eigen grap.

Regelmatig maak ik een praatje met hem als ik terugkom met een volle boodschappentas.

‘Zo…terug van de rooftocht?’ zegt hij dan met een aanstekelijke Jordanese tongval. ‘Ze zijn weer es bij me langs geweest. Figuren van de woningbouwvereniging. Willen weten of ik niet eens aan de cv-ketel wil? “Nou”, zeg ik, “jullie mogen dat onding best installeren…as ik in me graf leg! Ik heb me kacheltje en ben daar dik tevreden mee. Dank je feestelijk”. Ik ben over de tachtig! Wat moet ik nog met zoiets onbenulligs?’   

Als ik dan inbreng dat het gebruik van kachels misschien wettelijk niet meer mag, en dat ze hem daarom zo lastigvallen, zegt hij droog: ‘In míjn huis maak ík dat uit.’ En dan slaakt hij een diepe, welgemeende zucht.

Mijn meest bizarre herinnering is de volgende: ik loop langs hem en hij begroet me met een ondeugende grijns. ‘Zes es, jongen,’ vraagt hij met zijn handen leunend op zijn wandelstok, ‘is jouw generatie gelukkig?’

‘Ja,’ zeg ik kortaf zonder een idee te hebben waar dit heengaat.

Hij lacht nu zodanig hard dat zijn rollator piept en kraakt onder zijn schuddende lijf, smekend om zuurstof. ‘Nou,’ hikt hij, ‘volgens mij niet,’ waarop hij wijst naar de boom tegenover ons pand waar in de bovenste takken twee behaatjes zitten.

Ik geef het eerlijk toe, want ontkennen heeft geen zin. ‘Gisteravond werd ik dronken met een vriendinnetje en toen hebben we in kennelijke staat…’ We kijken samen geamuseerd naar de kledingstukken die vastzitten aan de klauwen van hout.  

‘De buurvrouw spreekt er schande van,’ zegt Braaksma, ‘maar ik vind het geweldig. Jij bent net as ik; houdt ook van een beetje ontregeling. Kom es hier.’ Samenzweerderig breng ik mijn gezicht dichterbij die van hem. ‘Dat bordje voor mijn raam met die hond erop en de tekst ‘IK BIJT NIET, IK AMPUTEER’…da’s één grote flauwekul. Ik heb helemaal geen hond. De blafgeluiden die je hoort, komen van een bandje.’ Hij lift zijn imposante fysiek van de rollator, die een kreet van opluchting slaakt. ‘Mevrouw van hiernaast meent dat mijn hond haar narcissen ongevraagd van water voorziet.’

Hij waggelt het bloemenperk met de zojuist besproken narcissen tegemoet en keert zijn rug naar me toe. Een rits wordt naar beneden getrokken en zijn broek zakt gedeeltelijk naar beneden. Mijn keurige opvoeding dwingt me weg te kijken, maar mijn perversie kan het niet laten. Een verschrompeld en gerimpeld brandblussertje komt tevoorschijn en een dun straaltje uiterst donkere urine klettert neer op de bloempjes. De blaadjes buigen onderdanig naar voren als ze eenmaal geraakt zijn. Nadat hij zijn lading heeft gelost, bergt Braaksma zijn in onbruik geraakte gereedschap netjes op, de waarschuwingswoorden ‘WIJ ZIJN GEEN HONDENTOILET’ negerend.

Drie dagen na zijn overlijden vind ik het hondenbord bij de vuilnisbakken. Ik heb het meegenomen naar huis als aandenken aan deze tijdloze rebel.

"Foto van Tim en Tirza"
Tim en Tirza

Tim Veeter

Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

 

Tirza Gehring

Tirza Gehring (1989) is actrice, fotograaf en tekenaar. Met een precieze en gedetailleerde handtekening schept Tirza tijdloze beelden, maar schuwt niet haar voorliefde voor historie en antiek daarbij in te zetten. Overal tekent en denkt ze in beelden, sferen en verhalen. Sinds acht jaar woont ze in Amsterdam.

Vakantie

Ik neem een paar weken vakantie.

Ergens in augustus kom ik terug bij Tirade.nu!

Een warme zomer,

Gilles

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Gewichtloos

What will you miss the most on Earth?

I will miss swimming the most.’

Dit fragment uit een interview met een potentiële Marskolonist komt uit Weather (2020), die nieuwe roman van Jenny Offill (1968). Deze minuscule inkijk in het gevoelsleven van een geharde, rücksichtslose avonturier ontroerde me: dat iemand die bereid is om vrienden, familie, dierbare plekken en zelfs de aardse zwaartekracht achter zich te laten, toch hecht aan de gewichtloze toestand van de zwemmer. 

Na drie maanden voornamelijk binnen te hebben gezeten, ben ik voor het eerst weer baantjes gaan trekken. Buiten, in het Brediusbad; de eerste keer in de ochtendzon, de tweede keer in de kou. Aanvankelijk viel die gewichtloosheid me wat tegen. Sterker nog: ik merkte er vrijwel niets van. Mijn lijf leek log en slap te zijn geworden. Ik sleepte mezelf zo goed als het ging vijfentwintig meter op en neer, happend naar adem en proestend van weer een mondvol chloorwater.

Later die week las ik het meest recente boek van L.H. Wiener (1945): Zeeangst. Een logboek (2020). Het is een verslag van een bootreis naar Engeland en terug, vergezeld door vriendin Ant en poes Loes. De schrijver legt minutieus de koers en voortgang vast, en fileert onderwijl het gedrag en taalgebruik van de Britse medemens. Het is een relatief luchtig geheel, dat af en toe wordt opgeschud door calamiteiten, die de tocht (gelukkig) niet definitief dwarsbomen. 

Meer dan de reis zelf zijn het de terloops genoteerde anekdotes en herinneringen van Wiener die dit boek zo onderhoudend maken. Zo brengt hij een prachtig saluut aan de tragische cultauteur Malcolm Lowry (1909-1957) en vertelt hij bijzonder aanstekelijk over The Unquiet Grave (1944) van Cyril Connolly (1903-1974). Indringend is Wieners beschrijving van zijn eerste confrontaties met de zee, waar het logboekmee opent:

‘Op 4 mei 1958, ik was toen dertien, heb ik op driehonderd meter voor de kust van Zandvoort het verdrinkingsproces zo goed als geheel ondergaan. Het licht ging uit op het moment dat ik door een der andere schipbreukelingen weer het leven werd in getrokken.

Deze gebeurtenis heeft de zee voor mij getransformeerd tot een vijand, die het op mij heeft voorzien en die ik vrezen moet, terwijl ik tegelijkertijd weet dat het niet zo is. En zo is zeezeilen voor mij een dualistische uitdaging geworden. Enerzijds zee kiezen en opgaan in de natuur, met alle existentiële diepgang van dien, en anderzijds het tarten van de dood. Niets minder dan dat.’

Na zelf weer even de mogelijke vijandigheid van het water geproefd te hebben, probeerde ik het een week later nog eens. Het morgenlicht maakte het bad schokkend helder: onderwater kon ik, tussen de trappelende benen door, de verste uithoeken zien. Na de eerste meters viel de weerstand opeens weg. Ik gleed door het water, voelde me daadwerkelijk gewichtloos, opgetild – een sensatie die ik inderdaad niet graag missen zou.

"Foto van Lodewijk Verduin"
Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Ahoy Pan,

Boca Chica opnieuw, Boca Chica nog steeds. Boca Chica. Ze waren er nog: de meisjes. Alles was er nog: de lege kantoren waar de verf van de muren bladdert, dezelfde dikke mannen in legeruniformen en de scooter-taximan met het vierkante hoofd wachtte nog steeds onder dezelfde boom. Boca Chica: niets was veranderd.

Uiteindelijk zijn we dan vertrokken. Onder zeil varen we nu dicht aan de wind onder de zuidkust van Hispaniola, gigantisch eiland in de tropische ochtendzon. De kustsnelweg oogt vooralsnog zoals altijd, vol met als gekken rijdende auto’s. De reclameborden daarboven zien er ook hetzelfde uit als voorgaande jaren: de ooit felle kleuren zijn nu verbleekt en verroest. De kleine Caribische golfslag beukt op de kust zoals ze eeuwen heeft gedaan en ik ruik die typisch Caribische geur nog eenmaal: nat regenwoud en verbrand plastic. De geur van natte hitte. 

Ik weet niet of ik mijn zeepost aan een of twee personen moet adresseren. Je zei dat je je na zoveel maanden nooit meer alleen voelt, maar wel eenzaam. Ik schrijf  dus vooral aan jou, voor jou, de wachtende Pan aan de andere kant van de oceaan. Je kunt het later wel voorlezen als onze kleine geboren is.

Elk jaar is het moeilijker onze cacao, koffie en rum over de grens, door het hek van de haven van Boca Chica te krijgen. Waar we ze een aantal jaren geleden nog afkochten met flessen goedkope wijn uit Spanje, werkt dit niet meer. ‘Capi, Capi, Capi!’ schreeuwen ze van vroeg tot laat en ze willen geld zien. Geld voor het hek, geld voor de douches, geld voor de unie, geld voor het sjouwen van de zakken, wat ze niet doen en geld voor het gebruiken van de kruiwagen met de lekke band.

De regenplassen zitten vol vliegen en er drijven rattenkadavers die zelfs de uitgemergelde zwerfhonden niet meer willen vreten. Langzaam verandert de haven in een scheepskerkhof. Het schip dat hier op uitlopers van de deining tegen de kademuur beukt is nog steeds hetzelfde als vier jaar geleden. Het oude blauwe containerschip waar we toen een keer mochten douchen van die oude vriendelijke kapitein is nu verlaten en verroest; ik denk dat het hier ook nooit meer zal wegkomen. Ook nooit meer wegkomt, net als alle mensen hier in de haven in het dorpje en eigenlijk het hele eiland. Met gebogen schouders staan ze ons weer na te turen. Je wordt daar niks, maar blijft dezelfde. 

Vier jaar geleden ontsnapten we even van boord en reden met verschillende hard toeterende taxibusjes over de vervuilde snelweg naar Santo Domingo. Eergisteren had ik voor het eerst in weken een middag vrij en vertrok met de eerste stuur voor zo’n zelfde tocht. Dezelfde grijsbruine smog lag over de stad, het waren waarschijnlijk dezelfde mensen die wandelden over de snelwegen als jaren geleden (als ze niet aangereden waren in de tussentijd), dezelfde honden in dezelfde schaduw onder de viaducten, dezelfde droogte. Nog steeds die winkelwagentjes vol plastic zakjes noten en warme blikjes cola.

Eenmaal in de kakafonie van de grote stad aangekomen, dacht ik bij elke prachtig pleintje alleen maar aan jou. Hier hadden we gelopen, en je was zo ver weg nu. Ergens in het oude stadsdeel dat we jaren geleden niet konden vinden, zaten we op een heel toeristisch terras. Het was typisch zo’n terras waar wij nooit zouden gaan zitten, niet het rum barretje in een achterwijk waar wij altijd terecht komen. Dit was de façade van toerisme die je overal op de wereld tegenkomt en die wij zolang we samen reizen proberen te omzeilen. Nu was er geen tijd voor omzeilen dus gingen we in de grote kussens zitten en werden bediend door obers in nette pakken. De stuur en ik dronken grote hoeveelheden Mojito die niet smaakte.

En ineens waren daar de eerste tekenen van wat zich op de wereld afspeelde. Westers uitziende mensen kwamen aan ons tafeltje om vragen te stellen over onze scheepsshirts. Of we op dat grote zeilschip voeren? ‘Jawel, de eerste stuurman en de kapitein van het schip zaten voor hen’, was ons antwoord. Of we niet de haven gingen verlaten binnenkort? En zouden wij niet naar Europa zeilen dan? Er ontstond een oploopje, steeds meer mensen kwamen rond ons tafeltje. Ik bleef naar de lege Mojito glazen staren, en probeerde te denken. Het virus transformeerde daar, onder de overscherende zwaluwen, van de cynische grap die het de laatste weken aan boord geweest was tot keiharde realiteit. De Dominicaanse Republiek zou binnen een paar dagen haar grenzen sluiten en er vloog niks meer naar Europa. Hoera, eindelijk was het zeilschip weer het snelste vervoer over de oceaan. Ineens konden we als mens niet meer vervuilen: wilden we dit als anti-globalisten niet al jaren?  

Maar ook overviel een gevoel van ineens in een oorlogssituatie zitten mij: deze ex-vakantievierders waren de nieuwe vluchtelingen en deze toerist-vluchtelingen willen naar huis. Zelfs de heftige oceaanoversteek van vijf weken of meer, die wij met ons zeilschip over de oceaan gingen maken, was beter dan vastzitten in vakantieland.

Ons schip was echter totaal volgepakt met balen biologische cacao, koffie en vaten rum bestemd voor Amsterdam. De zakken cacao lagen zelfs in de leefgedeeltes, omdat het ruim vol was, een broeierige geur van cacao en rum hing rond het schip. Het zou ondoenlijk zijn alles weer uit te laden en te laten verrotten op de kades van Boca Chica. De reden waarom we hier waren was op een groene manier vracht halen en niet om toeristen te redden. Ook zag ik niet helemaal voor me hoe deze mensen in vakantieoutfit in een zware storm om vier uur op dek moesten komen om dan de bovenbramzeilen te bergen. Dus jammer voor de nieuwe vluchteling: u moet nog even in het  beloofde vakantieland blijven. Drink nog een Mojito met ons en geniet nog wat langer van dit werkelijk prachtige uitzicht!

De zon ging onder en in de tropische avondzwoelte reden we met een taxi naar de haven terug. De taxichauffeur maakte in gebroken Engels grappen over Europa. De rollen waren omgedraaid, de mensen van hier wilden niet naar daar en lachten het oude continent uit. Ik dacht aan jou, mijn reden om naar huis terug te keren; ik dacht aan jou, mijn thuis om naar toe te keren. Ik keek goed naar alle cafés, benzinestations en winkels langs de snelweg: zou dit het laatste stuk beschaving zijn dat we zouden zien voor een langere tijd?

De dag daarop zat ik op een terras onder een palmboom, keek uit over de baai waar waterscooters en speedboten op hoge snelheid heen en weer voeren. Het nieuws in de wereld volgde elkaar snel op. Een voor een werden de grenzen dichtgegooid: voor zeilschepen geen toegang op Bermuda, de Azoren sloten hun havens. Macron besloot doodleuk heel Schengen dicht te gooien. Wat te doen? Blijven of zee verkiezen?  Vogels vlogen laag over, een disco in de verte zette de boomba-muziek maar weer aan. Het was kiezen tussen de vlucht naar huis zoals de vogels of blijven in dit treurige vakantieoord.

Afwegingen en berekeningen, Kon ik in een keer naar Nederland zeilen? Met veertien mensen, zonder motor, zonder koelkasten, 4000 liter water en helemaal afhankelijk van het weer?  Het zeezeilen zonder motor was nu in mijn nadeel. Als ik in een windstilte zou komen te zitten, ergens midden op de oceaan, zou er geen hulpmotor zijn om ons door de windflauwte heen te duwen. Normaal omzeil ik de depressies om niet in al te heftige stormen te komen. Nu zou  ik ze wellicht opzoeken voor een snelle oceaanoversteek. Moest ik de noordelijke route nemen om meer in het pad van de Westerlies te komen of toch de normale zuidelijke weg tussen Azoren-hoog en de depressies in blijven navigeren?  Nog nooit in mijn bestaan als kapitein had ik me zo alleen gevoeld.

Het weer voor die twee dagen was aardig voor het begin van onze weg naar buiten, ontstnapping weg van de Caribische zee. Net als Columbus tussen Puerto Rico en Dominicaanse Republiek door, de Mona Passage hoog aan de wind, weg blijven van de lage wal. Als Columbus het al kon met zijn scheepjes die niet aan de wind konden varen, moest ons dit ook lukken. Columbus voer toch ook non stop naar huis toe zonder weet en gedetailleerde kaart?

Met andere zeezeil-kapiteins die met hun zeilschepen ook in de Caribbean lagen, had ik telefonisch contact over hun plannen, nu we in deze situatie zaten aan de andere kant van de wereld. De meeste besloten hun schooltraining programma’s af te kappen en naar huis te varen, hals over kop. Ze mochten steeds minder eilanden binnen varen en waren dus bezig met diesel bunkeren en voedsel provianderen voor een snelle terugtocht. Mijn schip was na een maandenlange struintocht totaal volgeladen, dus ik had niet veel meer te zoeken in de Caribbean. Ik moest ook weg hier.

Ik belde de kok. Ze moest zich voorbereiden op 7 of 8 weken op zee in plaats van de normale vier weken. Geen tussenstops op Bermuda, Azoren of Frankrijk: Het bleef een lange tijd stil aan de lijn toen ik dit vertelde. Zonder koelkasten aan boord had zij nu net als ik een gigantische uitdaging. Met dezelfde krakkemikkige taxibusjes bleef ze een hele dag heen en weer van en naar de markten rijden om zoveel mogelijk houdbare groente en fruit in te slaan. Een aantal matrozen zat in de zon op de kade naast het schip en waste het fruit en de groente tegen kakkerlakken en andere insecten.

Ondertussen zat ik op het achterdek berekeningen te maken: de eerste twee weken zou alles goed te doen zijn qua voedsel. De trossen bananen zouden als eerste allemaal tegelijk rijp worden. Een week met in elk gerecht banaan verwerkt. Hierna zou al het fruit opraken, waarna er steeds minder diversiteit zou zijn. Als laatste zouden de pompoenen overblijven. En dan blijft er alleen rijst en blikvoer over, en wat hierna?

Elke randdebiel kan tegenwoordig met een GPS de oceaan oversteken, mijn hoofdzaak was om de veertien verschillende bemanningsleden samen te laten werken. Ruzies en verveling zijn een grotere vijand dan storm en gevaarlijke kusten. 

Weer aan boord organiseerde ik een muster voor de hele bemanning. Ik besprak wat de situatie in de wereld was, voor zover we die konden overzien en wat dat voor ons inhield. Dat we maar beter uit konden gaan van een worst case scenario: zeven weken op zee, Non stop van Boca Chica naar Amsterdam. De bemanning kon er nog voor kiezen af te stappen, maar dan zat je naar alle waarschijnlijkheid nog een aantal maanden vast in de Dominicaanse Republiek in Lock Down. Je mag kiezen, grijnsde ik, en ze bleven. Ze bleven allemaal, zelfs de grootste praters bleven. O heerlijk: dit was dus de verbroedering in crisissituaties, veel keus was er ook niet.

Een paar uur later kwam er door de middaghitte een veel lawaai makende vrachtauto die mijn extra water kwam brengen. Overal waar maar plek was: in de bibliotheek, kapiteinskamer, in de bilgeruimtes sloegen we de 40 liter flessen water op. Samen met de vier ton die we in de tanks hadden, moest dit zonder douchen en schoonmaken genoeg zijn voor acht weken koken en drinken. Ook berekende ik dat we vier extra gasflessen nodig hadden.

De nacht voor vertrek kon ik net als altijd niet slapen, alles ging weer door mijn hoofd, hoe zal het zijn buitengaats, is het niet te ver 6000 mijl varen in een keer? Komt het allemaal wel goed? Het enige wat me toen kon helpen was het van me afschrijven. En ik schreef wat flarden totdat het licht werd.

Drinkt een bakkie met de bootsman

’t tuigage nagekeken, de lieren ingevet?

zijn gereedschap en reserveonderdelen

zeevast gezet?

Op de brug: stuurmannen aan het werk, weerberichten worden vergeleken, uitklaarpapieren ingevuld, zeekaarten gladgestreken, de barograaf constant? De roerinrichting nagekeken?

De man met mitrailleur kon niet lachen en de man met drugshond ook niet, maar ik had hun laatste uitklaarstempel nodig anders kon ik zeker geen enkele haven meer in. Nadat ze klaar waren met hun drugscontroles kreeg ik het stempel en wensten ze me een goede vaart, tot volgend jaar. ‘Tot volgend jaar,’ zei ik maar, al wist ik zeker dat ik hier komende jaren niet terug zou keren. Ik wilde zo vroeg mogelijk afvaren, omdat ik het land/zee effect optimaal wilde benutten. De wind stond van het in de nacht kouder geworden land af en die wind konden we gebruiken de haven en baai uit te varen. Daarna was het dicht onder de kust oostwaarts zeilen met een noordooster wind die later in de middag zou veranderen in oost: dan zou het kruisen beginnen om de Mona Passage te bereiken.

All hands! Zet de Mars, los de gijen en aan de schoten! Single up de trossen! Zet het voorstagzeil en het stagzeil. Wanneer de Mars staat, kan de Onderbram gezet worden en de laatste tros die strak staat los worden gegooid. Het schip wil de haven uit, ze bouwt snel gang op. Het land slaapt nog, het lijkt wel een ontsnapping, maar waarnaartoe? We kijken niet achterom maar vooruit. Het is een nauwe vaargeul om buiten te komen. Boca Chica, voor een laatste keer? Beweging in de boot, niks is beter voor het schip en bemanning. We ronden de eerste boeien, rond de riffs en de spoelgolven. Een sleepboot in de verte komt juist de haven binnen. Via marifoon wensen ze ons een goede vaart: we zijn los.

En zo schrijf ik jou mijn eerste zeepost, thuisvaarder, ik zal alle zeilen bij zetten om zo snel mogelijk naar huis te keren. We varen een grote leegte in, in mijn logboek schrijf ik als aankomst Horta Azoren, al weet ik bijna zeker dat we daar niet heen zullen gaan. De wachten aan boord zijn net begonnen, het wachten voor jou zal binnenkort over zijn.

"Foto van Wiebe Radstake"
Wiebe Radstake

Wiebe Radstake groeide op tussen de boeken van zijn ouders in tweedehands boekwinkel Boven het Dal te Zierikzee. Hij is zeekapitein op zeilschepen rond de wereld. Naast de zeezwerftochten die hij maakt, haalt hij zijn inspiratie uit het dwalen door de steden en het struinen over stranden. Hij werkt aan een brieven/reis boek met de titel Thuisvaarder/Thuisvader. De logs van Tirade zijn korte stukken uit Thuisvaarder.  Momenteel is Wiebe onderweg vanuit Europa met een driemaster richting Suriname en de Caribbean. Als hij niet aan boord is op dwarsgetuigde zeeschepen woont hij op een zeeuwse klipper in Middelburg samen met vrouw en twee kinderen.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Willemijn Kranendonk"
    Willemijn Kranendonk

    Willemijn Kranendonk (1994) is schrijver en dichter, voor zowel kinderen als volwassenen. Haar werk verscheen o.a. in Tirade, DW B, Liegend Konijn en op Lilith Magazine, Revisor, De Internet Gids, Hard//Hoofd en De Optimist. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman die dit jaar nog uit zal komen bij Uitgeverij Van Oorschot en volgt ze de master Jeugdliteratuur aan de Universiteit van Tilburg. Mei 2022 verschijnt haar eerste kinderboek bij Uitgeverij Billy Bones.

  • "Foto van Milo van Bokkum"
    Milo van Bokkum

    Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.

  • "Foto van Menno Hartman"
    Menno Hartman

    Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.