Tempo doeloe, mijn hoela

In een wat wonderlijk, licht naïef stuk van Kester Freriks in de NRC over dat we het verleden van Nederlands-Indië niet moeten vernietigen door alleen met schuldgevoel naar die periode te kijken, stelt hij onder meer: ‘Wat vaak vergeten wordt is hoe belangrijk de Nederlandse koloniale tijd in Oost-Indië óók was voor de mensen die destijds inlanders heetten of inheemsen, de koloniale bevolking.’ Het stuk is geschreven ter promotie van zijn boekje Tempo Doeloe, een omhelzing waarin volgens de begeleidende teksten ‘heimwee geen verboden woord is’.

Het lijkt wel alsof Freriks nog voordat die goed aangevangen is de gehele discussie bij voorbaat wegpoetst. ‘Hoe belangrijk de Nederlandse koloniale tijd in Oost-Indië óók was voor de mensen die destijds inlanders heetten of inheemsen, de koloniale bevolking.’ Het naïeve in Freriks stukje schuilt hierin dat hij beweert dat het ‘intussen verboden is om te zeggen dat een leven doorgebracht in de archipel een gelukkige tijd was, misschien de gelukkigste die men min of meer heeft gekend.’

Maar voor wie dan, Kester, daar gaat het toch om?

Ik breng ze toch nog maar even in herinnering die ‘inheemsen’ en dan in een tekst uit het bij deze uitgeverij verschenen Volledige werk van Multatuli, deel 9, blz 202, een schrijven van de Resident aan de bewoners van de residentie Menado, op Celebes nu beter bekend als Sulawesi:

‘Ontvangt ze dus gelijk een gehoorzaam kind die ontvangt, wetende, dat ze komen van een vader, die dat kind liefheeft! Tot nog toe waart gij verpligt de rijst, die gij voortbragt, te leveren aan het Gouvernement, en gij ontvingt daarvoor betaling.

Die betaling was laag gesteld, en het Gouvernement verkocht die rijst met winst.

Dat was billijk, want de groote kosten, die nodig waren om uw land zoodanig te besturen, dat gij daarin met vrouwen en kinderen aangenaam leven kondet, moeten natuurlijk enigermate vergoed worden. ‘

En dit is dan nog een citaat van een ambtenaar waarvan wij later terecht zijn gaan vinden dat hij in wezen aan de goede kant stond. Maar hier staat dus: wij hebben u uitgebuit om het geld te hebben u te kunnen knechten. En u leeft daar zo aangenaam van. Ja, de ‘Nederlandse koloniale tijd in Oost-Indië was óók voor de mensen die destijds inlanders heetten of inheemsen, de koloniale bevolking, zeer belangrijk.’

In een uitstekende repliek in dezelfde krant schrijven historici ‘We moeten een nieuwe balans vinden tussen geschiedschrijving, collectief geheugen en persoonlijke herinnering: Vergangenheitsbewältigung noemen de Duitsers dat. Het is jammer dat het grootste deel van Freriks’ stuk in schril contrast staat met deze genuanceerde en humane laatste overpeinzing.’

Kester is alweer begonnen met heimwee, voordat er überhaupt een aantal humane overwegingen de revue passeerden. Ik denk dat dat prematuur is en we ons eerst nog even moeten gaan schamen.

——-
 IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade. Heeft een heel gelukkige tijd gehad in Sulawesi, maar moet toch veel nadenken over ons koloniale verleden.

 

 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Over het beleven van de dood

De dood beleeft men niet, schreef Ludwig Wittgenstein eens en ik heb jarenlang deze zin met instemming meegedragen. Maar de laatste tijd is mijn sympathie voor dit citaat gesleten en voel ik me geroepen er in opstand tegen te komen. Deze maand is het twintig jaar geleden dat ik L. verloor. De dood kondigde zich in haar aan. Het was onwerkelijk en angstaanjagend om te zien. Als wij uit stenen zouden bestaan dan was het L. die bij elke steen van haar eigen lichaam kon vertellen waarom hij daar niet hoorde. Ze begon zichzelf af te breken. Uiteindelijk verhing ze zich in haar kamer. Het was een zorgvuldig geplande en met diepe wanhoop beargumenteerde laatste daad.
Ik wist maanden voordat dat ze zou stoppen met leven dat ze het niet zou redden. Je kon de dood door haar leven zien groeien. Je zag het in haar lijden, je hoorde het in haar woorden, je zag hoe ze uit elkaar viel en daar te weinig tegenover kon stellen.
En deze dagen zie ik de dood ook komen voor de moeder van J, mijn vrouw. Hier komt de
dood verkleed als ziekte: kanker. Je ziet een leven langzaam bezwijken, verzwakken, vergaan. En hoewel de gehele gedaante van de dood in een zieke nog achter leven schuil gaat, beleef je de dood wel degelijk. Als toeschouwer, maar ook als stervende.
Dat men de dood niet beleeft is een bewering die ik nog steeds begrijp. Als de dood het einde van alle ervaring, van al het beleven is, dan kun je de dood zelf niet ervaren, niet beleven. De aanname is hier wel dat de dood een einde is. Wie gelooft dat de dood slechts een overgang is naar een ander ‘leven’ kan bezwaar maken tegen deze bewering.
Waar ik bezwaar tegen maak is dat Wittgenstein met een liniaal de dood gelokaliseerd heeft alsof het een punt in ruimte en tijd is: het punt van de overgang van leven naar dood. Maar de dood is vaak veel meer dan dit ene kleine moment. Het idee dat de dood keurig te begrenzen en af te bakenen zou zijn, is onzinnig. De dood heeft vage randen. Er is geen scherpe grens tussen dood en leven. Zelfs de aankondiging van het sterven behoort tot dood. Het vreemde is dat Wittgenstein een paar jaar later ook begreep dat het onzinnig is om begrippen zo nauwkeurig te willen afkaderen of te begrenzen door exacte definities. Zijn latere werk gaat over weinig anders dan juist dit. In plaats van te geloven in waterdichte definities begon hij over ‘familiegelijkenissen’ en vage grenzen van begrippen. Alleen over de dood had hij het niet meer.
Misschien dat ik de laatste maanden familiegelijkenissen zie tussen de toestand van mijn schoonmoeder en hoe L. twintig jaar geleden zich de dodelijke vernieling in dacht. Die vergelijking is vergezocht want de situatie van een oude vrouw die kanker heeft laat zich nauwelijks vergelijken met een vrouw van dertig die zelfmoord pleegde. En toch meen ik overeenkomsten te zien. Het leven trekt zich terug, de krachten nemen af en de zekerheid dat dit onomkeerbaar en niet lang vol te houden is groeit met de dag. Dat beleven is de dood.

"Foto van Machiel Jansen"
Machiel Jansen

Machiel Jansen blogt voor Tirade incidenteel over zaken die ‘Big Data’ raken. Hij leidt het Scalable Data Analytics-team bij SURFsara Amsterdam. Machiel is gepromoveerd op Knowledge Engineering en heeft in 2007 bij verschillende bedrijven en universiteiten aan SURFsara gewerkt.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Het gewicht

IMG_8165Toen onze dochter net geboren was mocht ik haar aankleden. Ik tilde haar uit de armen van de verloskundige en Ada was licht genoeg om weg te vliegen, maar ook toen al: dat gewicht.

Hier was de aanzet tot iets, een leven, de wens om beet te pakken, in te nemen, te tasten en te streven naar staan.

Rivieren zijn niet meer dan de wens zich in de armen van de zee te storten, en zo is een kind dat wordt geboren het ontwaken van een wens, een drang, een onuitgeschreven hunkering.

Dit jaar bouwde ik een pergola op het dak, ik zaagde balken en liep splinters op. Eerst maakte ik de staanders, toen de dragers en aan een daarvan twee ogen, twee touwen en een plank.

Ik zette Ada op haar schommel en ze lachte zoals ze lachte toen ze haar eerste perzik at: haar ogen dicht haar wangen bol haar hoofdje in haar nek.

‘Hoger!’ riep ze, nog voordat ik iets had gedaan.

Ik trok de schommel naar achter en voelde de spanning in haar armen door de touwen heen. Ada’s armen zijn kort en bonkig, staan bol van de wens die Ada is.

Bij elke duw voelde ik het rekken in me; bij elke terugkeer het geluk, de tijdelijkheid ervan, een korte gewichtsloosheid en dan weer: kwijt.

‘Hoger!’ riep ze, en ik duwde haar nog harder van me af, omdat dit de afspraak is. We geven armen en benen aan een drang en dat kan er alleen maar toe leiden dat die drang bij ons vandaan loopt, haar reis begint die uitmondt in de zee.

_____________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Een doos met verkruimelend papier

Hans Keilson had zich in 1928 in Berlijn laten inschrijven als student medicijnen. Naast zijn studie volgde hij een opleiding tot sportleraar en speelde hij in een jazzbandje. Viool en trompet waren zijn instrumenten. Hij moet zich hebben vermaakt. ‘Hauptsache, die Kapelle amüsiert sich’ – onder dat motto speelde het groepje op feesten in heel Berlijn.

Soms denk ik: Keilson heeft de gouden jaren van Weimar-Berlijn nog meegemaakt en die tijd werd in zijn latere leven een ideaal, een droom uit het verleden om naar terug te verlangen. Het is een theorie waar ik voorlopig aan vasthoud, maar die ik nog nergens bevestigd heb gekregen, niet in interviews en niet in artikelen.

In 1933, toen Hitler al aan de macht was, studeerde hij nog. Ik vroeg me af hoe moeilijk of makkelijk hij het als Joodse student had. Dreigde hij niet van de universiteit te worden weggestuurd? Om informatie te krijgen raadpleegde ik afgelopen zomer het archief van de Humboldt-universiteit. Het hoofdgebouw is centraal gelegen aan Unter den Linden, maar voor het archief moet je op een andere plek zijn. Per taxi hebben weduwe Marita Keilson en ik ons ernaar toe laten brengen. We reden zo lang in oostelijke richting door Berlijn dat we dachten: er is een vergissing in het spel, we zijn al bijna de stad uit. Maar zie, op een soort bedrijventerrein stond een modern gebouw waar het universiteitsarchief was gevestigd.

In een doos met verkruimelend papier zoals je dat als onderzoeker stiekem mooi en een beetje romantisch vindt, deden we een ontdekking: een vragenformulier dat Hans Keilson in 1933 als Joodse student moest invullen. Hij diende informatie te geven over zijn ouders en grootouders: hoe heetten ze, wat voor werk deden ze, welke godsdienst hingen ze aan? Bij ieder familielid luidde zijn antwoord op de laatste vraag, als een refrein: Jude. Hij moest melden of hij lid was, of was geweest, van politieke partijen of studentenverenigingen als de Demokratische Studentengruppe, de Sozialistische Studentenschaft en nog een paar verenigingen die de nazi’s onwelgevallig waren. En hoe zat het met lidmaatschap van marxistische of antifascistische groeperingen? De vragen waren een poging om zijn politieke zondigheid in beeld te krijgen en zijn uitsluiting als student mogelijk te maken. Bij Keilson werkte het niet. Hij was bij geen enkele organisatie betrokken, ook niet in het verleden. Zijn afzijdigheid kan een les zijn geweest van zijn vader, die een textielzaak had en geen klanten wilde verliezen: hij sloot zich niet aan bij wat voor politieke groep of partij dan ook en discussieerde buitenshuis niet over de actualiteit.

Gunstig om te vermelden op het formulier: vader was in ’14-’18 onder de wapenen geweest. Nauwkeurig, zich ongetwijfeld bewust van het belang van de informatie, schreef Hans Keilson dat zijn vader had gediend in het 7. Armee Korps en drager was van het Ehrenkreuz II. Klasse. Doordat de nazi’s in deze tijd tenminste nog enige achting konden opbrengen voor oorlogsveteranen en hun zoons, viel de beslissing over Hans gunstig uit: ‘Gegen ein Weiterstudieren bestehen keine Bedenken, da der Vater als Frontkämpfer anzusehen ist.’

Het zag er voor de Joodse student dus nog niet eens zo slecht uit. Hij deed zijn examens en haalde alles. Toch kwam er een kink in de kabel. Hij mocht zich pas arts noemen als hij zijn praktijkjaar (‘co-schappen’) had gedaan en dat was alleen mogelijk bij het Jüdisches Krankenhaus. Daar was het te druk: alle net afgestudeerde Joodse aspirant-artsen probeerden in dat ene ziekenhuis een plek te krijgen. Bovendien blokkeerden naziregelingen steeds meer de mogelijkheid voor Joden om zich als arts te vestigen. De deur naar een toekomst als medicus ging dicht.

Terugblikkend schreef Hans Keilson in zijn Dagboek 1944 dat een leven als huisarts hem nooit aantrekkelijk had geleken. Hij zou de praktijk van zijn oom Hermann in Hamburg overnemen, dat was de afspraak. Daar zou hij dan vanaf zijn 25ste als ziekenfondsarts levend begraven zijn geweest. In zijn hart wilde hij graag dat ‘iets’ het zou verhinderen. Dat ‘iets’ was gekomen: Adolf Hitler. Zo was die man toch nog ergens goed voor geweest. Met een zeker plezier heb ik de dagboekaantekening begin dit jaar voorgelezen op een Keilson-avond in een literair café in Hamburg.

JosJos Versteegen (1956) schreef zeven dichtbundels, waarin hij zich vooral liet inspireren door zijn familie en zijn jeugd in Limburg. Voor zijn debuutbundel werd hij genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Zijn meest recente bundel is Woon ik hier, met herinneringen van oude mensen. In 2016 publiceerde hij zijn vertaling van de Duitse gedichten die Hans Keilson in 1944 in de onderduik schreef voor een geliefde: Sonnetten voor Hanna. Jos Versteegen werkt sinds begin 2017 aan de biografie van Hans Keilson.

 

Het beschuitdebacle

Afgelopen week schreef tv-recensent Arjen Fortuin in NRC over de ‘geheime talkshow’ Na het Nieuws. Het programma staat schijnbaar op zo’n vreemde tijd geprogrammeerd dat het makkelijk gemist is. Fortuin besloot, na enig ethisch gedelibereer, het geheim toch te delen: het programma was te goed om onopgemerkt te blijven.

Ik kan me heugen in het feit dat mijn reikwijdte hier op dit blog nog altijd wat beperkter is dan die van Fortuin in NRC. Als ik hier begin over het dorpje Jisp, dan kan ik er direct achteraan glimlachen dat het dorp ook niet snel overspoeld zal worden door bezoekers. Die morele kwestie is comfortabel snel afgehandeld.

Het kan wat flauw lijken om de aandacht te vestigen op een fraai Noord-Hollands dorpje onder de rook van de hoofdstad – daar zijn er toch genoeg van, zou je denken, en wie in Amsterdam woont kent ze waarschijnlijk vaak ook wel. Maar in een verder weinig exotische streek (waar de stad zich bijna altijd op een of andere wijze aan je opdringt) is dit mijn favoriete exotische eiland.

Ikzelf eindigde er vorige maand per ongeluk nadat mijn moeder naar het naastgelegen Wormer verhuisde en ik – in een poging mijn gematigde antipathie voor de eentonigheid van het Noord-Hollandse landschap te overwinnen – de omgeving besloot uit te kammen. Jisp (houten huisjes, één straat, fraaie kerk, hobbelende buurtbus) ligt aan het uiteinde van de woeste gebouwenzee van de regio Amsterdam, de strook die zich uitstrekt van Abcoude in Utrecht tot Wormerveer in het noordwesten. Die je in drie kwartier met de sprinter doorkruist, elke twee minuten stoppend – de ruggengraat van de regio.

Aan de top ligt Jisp, daar direct achter, aan de noordkant van het dorp, stopt de Randstad en begint de streek van Gerbrand Bakker. (Ik zie in de titel Boven is het Stil altijd ‘Boven Amsterdam is het stil’ – maar uitlezen moet ik het nog steeds.) De identiteit in het landschap keert terug. Na Jisp wordt weer bij de grond gehoord, in plaats van er alleen op gewoond.

Jisp ontspringt op alle mogelijke manieren de dans van de regio, die er volledig omheen plaatsvindt, als een weiland in het midden van een snelwegknooppunt. Het Britse verkeersbureau runde een decennium terug een inmiddels klassieke reclamevideo waarbij je moet tellen hoe vaak een team basketballers de bal overspeelt. Die taak sleept maagdelijke kijkers zo mee dat ze totaal missen dat er een moonwalkende beer door het beeld loopt. Boodschap: in het verkeer mis je snel iets waar je niet op let. Dat is Jisp. (Maar wie de berenvideo al kent, ziet alleen de beer.)

Het dorp is het op alle manieren nét niet – en daarom nét wel. Je moet ook eerst voorbij Purmerend of Wormerveer – dat is niet mis (en niet leuk), voor wie vanuit Amsterdam een stukje gaat fietsen. Alle toeristische streekbussen op weg naar De Rijp, Middenbeemster, de Zaanse Schans, Edam en Volendam komen er niet eens bij in de buurt. De theetuin is er leeg – hier nauwelijks zondagmiddagtrippers. De agressief-industriële Zaanstreek (om de hoek, je ruikt de chocoladefabriek) kreeg hier net geen voet aan de grond.

Eenmaal aangekomen heb je een bijna 360-graden panorama over een enorm gebied ten noorden van Amsterdam – waar je zelf zo heerlijk los van staat, alsof je vanuit een raam met spiegelglas naar buiten kijkt. Je ziet de streek en haar bedrijvigheid voor je ogen gebeuren, de nieuwe, grote poort-achtige flat aan de Houthavens, 12 kilometer verderop, de fabrieken van de Hoogovens in IJmuiden, de galerijflats van de Zaandamse wijk Poelenburg, de molens van de Zaanse Schans, de contouren van Purmerend, de kerktoren van De Rijp.

Aan het voorzichtig richting de vaart leunende oude stadhuis, vol grootstedelijke allure, kan je aflezen dat Jisp in de tijd van de VOC groot werd door het maken van scheepsbeschuit. Amsterdamse beschuitbakkers pikten dat niet, en stelden een verbod in voor Jisper beschuit in hun stad. Exit tientallen bakkerijen; dat was het einde van de welvaart en de groei van het stadje.

De huidige bewoners zullen het oude Amsterdam alleen maar dankbaar zijn voor hun destructieve blokkade die de gestage ontwikkeling deed stokken. De hoofdstedelijke vergetelheidspogingen hebben zo goed uitgepakt dat de Amsterdammers Jisp zelf ook vergeten lijken – de geschiedenis liet het dorpje na het beschuitdebacle gedachteloos links liggen. Volgens de wetten van de ironie zou een herontdekking vanuit de hoofdstad niet lang meer op zich moeten laten wachten – maar gelukkig wijst nog niets daar op.

—-

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994) is freelance journalist. Momenteel is hij correspondent Noord-Nederland bij NRC Media en volgt o.a. de ontwikkelingen rond de gasproductie in de provincie Groningen.

"Foto van Milo van Bokkum"
Milo van Bokkum

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.

Fouten maken

Aan mijn fouten til ik zwaar. Er hoeft weinig te gebeuren of ik lig een nacht wakker.

Functioneel lijkt dat aan de oppervlakte niet; je zou kunnen zeggen dat een slechte nacht een kans op fouten zelfs vergroot. Hoe fijn zou het zijn om een fout te registreren, er mijn conclusies uit te trekken en dan met die bagage, fris, aan een nieuwe dag te beginnen.

Als eerste is er altijd de behoefte de gemaakte fout terug te draaien, te wensen dat ik hem niet had gemaakt. De fout wordt door mij als on-eigen ervaren, iets wat niet bij me hoort en waarvan ik afstand wil doen.

Dit lukt niet omdat ik mijn fout steeds herbeleef, bedenkend op hoeveel manieren hij ook niet had hoeven gebeuren. Aan het einde van de nacht zit ik dan vooral met machteloosheid. Gedane zaken enzovoort.

Stap twee is dat ik in kaart breng hoeveel van de fout mijn schuld was en daar – waar mogelijk publiekelijk – verantwoordelijkheid voor neem. Dit lijkt de ergste angel eruit te halen, en brengt al iets meer rust met zich mee. Hoe ik me daarna óók voel: verkleind, kwetsbaar, vreemd genoeg ook dankbaar.

Wat er misgaat is doorgaans het gevolg van haast. Een ander mens zou besluiten alles langzamer te doen, maar zo werkt het bij mij niet.

‘Shine a light on the darkness and it will go away,’ zei Beth Hart in een interview met mijn vriend Arjan. Kijk naar deze uitvoering van I Leave the Light on en lees dan verder.

Misschien zijn mijn fouten eigener dan ik dacht; bedoelen ze het goed met me en proberen ze me iets te vertellen.

Zoals in alle donkere dromen verdwijnt de dreiging wanneer je hem omhelst. Die boeman in je nachtmerries is een deel van jezelf dat toegang tot je bewustzijn zoekt.

‘Gil,’ lijkt mijn fout te zeggen, ‘hier is een kans om te houden van een persoon die soms dingen verprutst. Een foutloos mens is geen geloofwaardig personage.’

‘Ik hoor er óók bij,’ zegt mijn fout. ‘Let me in.’

Gisteren overleed mijn vriend Rudie. Ik had nog één keer langs moeten gaan. Meer moeten doen. Er leek nog tijd te zijn tot die er, opeens, niet meer was.

_____________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was jarenlang redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Inez van de Ven"
    Inez van de Ven

    Inez van de Ven is een schrijfster van Nederlands-Surinaamse afkomst. Haar focus ligt vooral op geschiedenis en fictie, waarin ze altijd op zoek is naar het sociaal maatschappelijk knelpunt. Naast haar schrijfwerk is ze freelance model en IT consultant.

  • "Foto van Koen Dobbelaer"
    Koen Dobbelaer

    Koen Dobbelaer (2000) is schrijver, scenarist en voormalig kindacteur. Deze zomer studeert hij af van de studie Writing for Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht met het filmscenario Een Film Over Familie, een absurdistisch drama over de drang naar maakbaarheid. Dit najaar verschijnt de door hem geschreven film De Laatste Dag in het Leven van Walterus.

  • "Foto van Milo van Bokkum"
    Milo van Bokkum

    Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.