Van Westerbork naar Palestina?

‘Max en Else Keilson – ja, hier zijn ze.’ De man van het Rode Kruis in Amsterdam heeft de twee namen gevonden in de cartotheek van de Joodse Raad. Er staat iets bij: ‘16. 11 Auschwitz’. Hun deportatiedatum. De man lijkt wel blij, schrijft Hans Keilson later, dat hij mij zulke goede service kan verlenen.

Het is zomer 1945. Door de inlichtingen die hij heeft gekregen, weet Hans Keilson vrijwel zeker dat zijn ouders dood zijn, maar tegen beter weten in blijft hij denken dat vader nog in leven zou kunnen zijn. Moeder leed aan een darmziekte en was broodmager toen ze naar Westerbork moest. Voor haar is er zeker geen hoop meer. Keilson zegt het niet, maar zelf denk ik soms: misschien is ze onderweg naar Auschwitz overleden.

In het stadje Bad Freienwalde hadden de ouders een textielwinkel, die voor de Eerste Wereldoorlog goed liep. Maar Max moest naar het front in Noord-Frankrijk en in de verkoop kwam de klad. De naoorlogse mega-inflatie en later de economische wereldcrisis deden de zaak uiteindelijk de das om. Het echtpaar verhuisde naar Berlijn en probeerde daar de touwtjes aan elkaar te knopen. Ze hadden een huurder, voor wie Else ook de was deed. Vader knapte huishoudelijke karweitjes op bij vrienden, zoals ramen lappen en kleedjes uitkloppen. Vernederend voor een man die ooit eigen baas was. Moeder klaagt dat ze al vier jaar geen nieuwe hoed heeft kunnen kopen, vader lijkt niet eens ontevreden. Lange tijd draagt hij hetzelfde nette pak, al ziet hij na een tijdje wel in dat zijn rode das z’n beste tijd gehad heeft. Af en toe eten ze bij de Jüdische Reformgemeinde, in een zaal met honderdvijftig mensen. De maaltijden zijn daar goed en goedkoop. Hoe eenvoudiger en kleiner het leven van Max en Else wordt, hoe meer ik met ze te doen heb.

Wanneer tijdens de Kristallnacht in november 1938 in heel Duitsland synagoges in vlammen opgaan en Joodse winkels worden vernield, is de schok enorm – zeker ook bij Hans, die inmiddels twee jaar in Nederland zit. Hij weet gedaan te krijgen dat zijn ouders toestemming krijgen om naar Nederland te komen. ‘Wir sind wieder Menschen,’ verzucht vader in een brief aan zijn dochter in Palestina als ze eenmaal in Holland zijn. Zijn vrouw en hij zijn niet alleen opgelucht dat ze niet meer hoeven te leven in een sfeer van fel antisemitisme, ze genieten ook van simpele dingen als boter, eieren, fruit en goede koffie.

Als de oorlog uitbreekt en in de loop van de tijd de maatregelen tegen de Joden strenger worden, besluiten de ouders niet onder te duiken. Door de ziekte van moeder gaat dat niet en vader wil haar niet in de steek laten. In 1943 worden ze opgepakt en naar Westerbork gebracht, waarschijnlijk per auto: het transport van Naarden naar Drenthe gebeurt ‘netjes’.

Er komen enkele korte brieven en kaarten uit Westerbork. Het is aandoenlijk dat Max rode tulpen naar zijn vrouw in het kampziekenhuis komt brengen op haar verjaardag. En het is verschrikkelijk om te lezen hoezeer ze zich allebei vergissen. Het feit dat hun dochter in Palestina woont geeft ze het recht, denken ze, om naar dat land te reizen: ze staan op de nominatie voor een zogeheten Palestina-certificaat. Max Keilson vraagt het voor de zekerheid allemaal nog eens na bij de Joodse Raad, die kantoor houdt in Westerbork. Alles is in orde.

Op een dag wordt de Palestina-lijst plotseling ongeldig verklaard, waarschijnlijk omdat een van de deportatietreinen anders niet vol komt. Op dinsdag 16 november 1943 om half zeven in de ochtend moeten Max en Else vertrekken. Het is koud: die nacht heeft het een halve graad gevroren. Tot in de zomer van 1945 hoort Hans Keilson niets meer over zijn ouders.

JosJos Versteegen (1956) schreef zeven dichtbundels, waarin hij zich vooral liet inspireren door zijn familie en zijn jeugd in Limburg. Voor zijn debuutbundel werd hij genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Zijn meest recente bundel is Woon ik hier, met herinneringen van oude mensen. In 2016 publiceerde hij zijn vertaling van de Duitse gedichten die Hans Keilson in 1944 in de onderduik schreef voor een geliefde: Sonnetten voor Hanna. Jos Versteegen werkt sinds begin 2017 aan de biografie van Hans Keilson.

In de Oorshop

Mondriaan in Flevoland

Er is maar één provincie waarvan ik lang heb gedacht dat het handig is om je er per auto te verplaatsen. In Nederland volstaat meestal de fiets – met hulp van de trein – als ideaal exploratiemiddel, maar in Flevoland gelden andere regels. Als alle normale verhoudingen tussen afstand, vegetatie en bebouwing verwrongen worden, vraagt dat wellicht ook om ander vervoer.

In 2012 besloot ik impulsief naar een kennis te fietsen in Biddinghuizen. Dat eindigde in een vrij dramatische Odyssee. Uitgedroogd en verbrand stond ik met mijn stadsfiets op het exacte midden van de Flevopolder, op de kruising van de Vogelweg en de Reigerweg, met nog een flink aantal kilometers te gaan.

De bijna uitgestorven Vogelweg bleek dertig kilometer lang geen bewoonde wereld te doorkruisen. Voor en achter me lag een groene woestijn van bijna Amerikaanse allure, het enige gebied in Nederland waar je in je auto veilig de cruise control kan aanzetten.

(Overigens biedt de trein ook iets van een alternatief om de vijandigheid te lijf te gaan: op de Hanzespoorlijn zie je het – zoals zo vaak in Nederland – meteen. Komend vanuit Overijssel, door de tunnel, zijn alle boompjes, coulissen en huizen meteen verdwenen. De beweging van het windmolenleger slaat in eerste instantie valselijk over op de rest van het landschap: even denk je dat er van alles gebeurt.)

Mijn favoriete Zomergasten-moment stamt van twee jaar terug, toen ik ademloos naar de tv keek terwijl landschapsarchitect Adriaan Geuze uitlegde hoe de Flevopolder in feite een abstract Mondriaanschilderij is. Het midden is bijna geometrisch perfect ‘vrijgemaakt’, de randen zijn opgevuld met plaatsen als Almere en Zeewolde.

Dat maakt het binnenland handig voor de landbouw. Maar het creëert als bijeffect een bijna cynisch, gedisciplineerd, zwijgend, tuchtig landschap, waar alle menselijkheid uit verdwenen is, als een Bordewijk-klaslokaal. Als Dostojevski schrijft dat Sint-Petersburg de meest opzettelijke stad ter wereld is, dan is de Flevopolder het meest opzettelijke landschap.

Of is dat de verkeerde blik? Is het nog wel een landschap als niets aan het toeval is overgelaten, als het helemaal niet ‘bedoeld’ is als landschap? In het kleine boekje Recht door Zee van Maarten Metz – een van mijn helden – doet de relatief onbekende auteur verslag van een aantal nachtelijke voettochten over rechte paden naar het middenin Flevoland gelegen landschapskunstwerk Observatorium van Robert Morris. Het is een knettergekke onderneming waarbij Metz bij vlagen al lopende bijna in slaap valt. Een enkele keer denkt hij luchtspiegelingen waar te nemen.

Metz neemt Flevoland van begin af aan eigenlijk niet serieus. Hij ziet de provincie – en de onbewuste echo naar Mondriaan mag duidelijk zijn – als één groot abstract landschapskunstwerk, een uitnodiging aan de kijker om met het gebied te interacteren en om er jezelf te onderzoeken. Dat maakt het geheel dragelijker: mooi of lelijk wordt het niet, wel een stuk spannender.

Toen ik eerder deze zomer voor een tweede keer, zes jaar later, bij mijn kennis in Biddinghuizen langsging, pakte ik dan ook weer de fiets. Wéér eindigde ik zwetend langs een autoweg, met te weinig water op zak. De bomen boden niet genoeg beschutting, mijn huid vocht tegen verbranding. Maar ook was er voor het eerst die ongewone sensatie: de zeldzaamheid van bewegen ín abstractie, het op pad zijn in symmetrie.

—-

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994) is freelance journalist. Momenteel is hij correspondent Noord-Nederland bij NRC Media en volgt o.a. de ontwikkelingen rond de gasproductie in de provincie Groningen.

"Foto van Milo van Bokkum"
Milo van Bokkum

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Tempo doeloe, mijn hoela

In een wat wonderlijk, licht naïef stuk van Kester Freriks in de NRC over dat we het verleden van Nederlands-Indië niet moeten vernietigen door alleen met schuldgevoel naar die periode te kijken, stelt hij onder meer: ‘Wat vaak vergeten wordt is hoe belangrijk de Nederlandse koloniale tijd in Oost-Indië óók was voor de mensen die destijds inlanders heetten of inheemsen, de koloniale bevolking.’ Het stuk is geschreven ter promotie van zijn boekje Tempo Doeloe, een omhelzing waarin volgens de begeleidende teksten ‘heimwee geen verboden woord is’.

Het lijkt wel alsof Freriks nog voordat die goed aangevangen is de gehele discussie bij voorbaat wegpoetst. ‘Hoe belangrijk de Nederlandse koloniale tijd in Oost-Indië óók was voor de mensen die destijds inlanders heetten of inheemsen, de koloniale bevolking.’ Het naïeve in Freriks stukje schuilt hierin dat hij beweert dat het ‘intussen verboden is om te zeggen dat een leven doorgebracht in de archipel een gelukkige tijd was, misschien de gelukkigste die men min of meer heeft gekend.’

Maar voor wie dan, Kester, daar gaat het toch om?

Ik breng ze toch nog maar even in herinnering die ‘inheemsen’ en dan in een tekst uit het bij deze uitgeverij verschenen Volledige werk van Multatuli, deel 9, blz 202, een schrijven van de Resident aan de bewoners van de residentie Menado, op Celebes nu beter bekend als Sulawesi:

‘Ontvangt ze dus gelijk een gehoorzaam kind die ontvangt, wetende, dat ze komen van een vader, die dat kind liefheeft! Tot nog toe waart gij verpligt de rijst, die gij voortbragt, te leveren aan het Gouvernement, en gij ontvingt daarvoor betaling.

Die betaling was laag gesteld, en het Gouvernement verkocht die rijst met winst.

Dat was billijk, want de groote kosten, die nodig waren om uw land zoodanig te besturen, dat gij daarin met vrouwen en kinderen aangenaam leven kondet, moeten natuurlijk enigermate vergoed worden. ‘

En dit is dan nog een citaat van een ambtenaar waarvan wij later terecht zijn gaan vinden dat hij in wezen aan de goede kant stond. Maar hier staat dus: wij hebben u uitgebuit om het geld te hebben u te kunnen knechten. En u leeft daar zo aangenaam van. Ja, de ‘Nederlandse koloniale tijd in Oost-Indië was óók voor de mensen die destijds inlanders heetten of inheemsen, de koloniale bevolking, zeer belangrijk.’

In een uitstekende repliek in dezelfde krant schrijven historici ‘We moeten een nieuwe balans vinden tussen geschiedschrijving, collectief geheugen en persoonlijke herinnering: Vergangenheitsbewältigung noemen de Duitsers dat. Het is jammer dat het grootste deel van Freriks’ stuk in schril contrast staat met deze genuanceerde en humane laatste overpeinzing.’

Kester is alweer begonnen met heimwee, voordat er überhaupt een aantal humane overwegingen de revue passeerden. Ik denk dat dat prematuur is en we ons eerst nog even moeten gaan schamen.

——-
 IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade. Heeft een heel gelukkige tijd gehad in Sulawesi, maar moet toch veel nadenken over ons koloniale verleden.

 

 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Over het beleven van de dood

De dood beleeft men niet, schreef Ludwig Wittgenstein eens en ik heb jarenlang deze zin met instemming meegedragen. Maar de laatste tijd is mijn sympathie voor dit citaat gesleten en voel ik me geroepen er in opstand tegen te komen. Deze maand is het twintig jaar geleden dat ik L. verloor. De dood kondigde zich in haar aan. Het was onwerkelijk en angstaanjagend om te zien. Als wij uit stenen zouden bestaan dan was het L. die bij elke steen van haar eigen lichaam kon vertellen waarom hij daar niet hoorde. Ze begon zichzelf af te breken. Uiteindelijk verhing ze zich in haar kamer. Het was een zorgvuldig geplande en met diepe wanhoop beargumenteerde laatste daad.
Ik wist maanden voordat dat ze zou stoppen met leven dat ze het niet zou redden. Je kon de dood door haar leven zien groeien. Je zag het in haar lijden, je hoorde het in haar woorden, je zag hoe ze uit elkaar viel en daar te weinig tegenover kon stellen.
En deze dagen zie ik de dood ook komen voor de moeder van J, mijn vrouw. Hier komt de
dood verkleed als ziekte: kanker. Je ziet een leven langzaam bezwijken, verzwakken, vergaan. En hoewel de gehele gedaante van de dood in een zieke nog achter leven schuil gaat, beleef je de dood wel degelijk. Als toeschouwer, maar ook als stervende.
Dat men de dood niet beleeft is een bewering die ik nog steeds begrijp. Als de dood het einde van alle ervaring, van al het beleven is, dan kun je de dood zelf niet ervaren, niet beleven. De aanname is hier wel dat de dood een einde is. Wie gelooft dat de dood slechts een overgang is naar een ander ‘leven’ kan bezwaar maken tegen deze bewering.
Waar ik bezwaar tegen maak is dat Wittgenstein met een liniaal de dood gelokaliseerd heeft alsof het een punt in ruimte en tijd is: het punt van de overgang van leven naar dood. Maar de dood is vaak veel meer dan dit ene kleine moment. Het idee dat de dood keurig te begrenzen en af te bakenen zou zijn, is onzinnig. De dood heeft vage randen. Er is geen scherpe grens tussen dood en leven. Zelfs de aankondiging van het sterven behoort tot dood. Het vreemde is dat Wittgenstein een paar jaar later ook begreep dat het onzinnig is om begrippen zo nauwkeurig te willen afkaderen of te begrenzen door exacte definities. Zijn latere werk gaat over weinig anders dan juist dit. In plaats van te geloven in waterdichte definities begon hij over ‘familiegelijkenissen’ en vage grenzen van begrippen. Alleen over de dood had hij het niet meer.
Misschien dat ik de laatste maanden familiegelijkenissen zie tussen de toestand van mijn schoonmoeder en hoe L. twintig jaar geleden zich de dodelijke vernieling in dacht. Die vergelijking is vergezocht want de situatie van een oude vrouw die kanker heeft laat zich nauwelijks vergelijken met een vrouw van dertig die zelfmoord pleegde. En toch meen ik overeenkomsten te zien. Het leven trekt zich terug, de krachten nemen af en de zekerheid dat dit onomkeerbaar en niet lang vol te houden is groeit met de dag. Dat beleven is de dood.

"Foto van Machiel Jansen"
Machiel Jansen

Machiel Jansen blogt voor Tirade incidenteel over zaken die ‘Big Data’ raken. Hij leidt het Scalable Data Analytics-team bij SURFsara Amsterdam. Machiel is gepromoveerd op Knowledge Engineering en heeft in 2007 bij verschillende bedrijven en universiteiten aan SURFsara gewerkt.

Het gewicht

IMG_8165Toen onze dochter net geboren was mocht ik haar aankleden. Ik tilde haar uit de armen van de verloskundige en Ada was licht genoeg om weg te vliegen, maar ook toen al: dat gewicht.

Hier was de aanzet tot iets, een leven, de wens om beet te pakken, in te nemen, te tasten en te streven naar staan.

Rivieren zijn niet meer dan de wens zich in de armen van de zee te storten, en zo is een kind dat wordt geboren het ontwaken van een wens, een drang, een onuitgeschreven hunkering.

Dit jaar bouwde ik een pergola op het dak, ik zaagde balken en liep splinters op. Eerst maakte ik de staanders, toen de dragers en aan een daarvan twee ogen, twee touwen en een plank.

Ik zette Ada op haar schommel en ze lachte zoals ze lachte toen ze haar eerste perzik at: haar ogen dicht haar wangen bol haar hoofdje in haar nek.

‘Hoger!’ riep ze, nog voordat ik iets had gedaan.

Ik trok de schommel naar achter en voelde de spanning in haar armen door de touwen heen. Ada’s armen zijn kort en bonkig, staan bol van de wens die Ada is.

Bij elke duw voelde ik het rekken in me; bij elke terugkeer het geluk, de tijdelijkheid ervan, een korte gewichtsloosheid en dan weer: kwijt.

‘Hoger!’ riep ze, en ik duwde haar nog harder van me af, omdat dit de afspraak is. We geven armen en benen aan een drang en dat kan er alleen maar toe leiden dat die drang bij ons vandaan loopt, haar reis begint die uitmondt in de zee.

_____________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Een doos met verkruimelend papier

Hans Keilson had zich in 1928 in Berlijn laten inschrijven als student medicijnen. Naast zijn studie volgde hij een opleiding tot sportleraar en speelde hij in een jazzbandje. Viool en trompet waren zijn instrumenten. Hij moet zich hebben vermaakt. ‘Hauptsache, die Kapelle amüsiert sich’ – onder dat motto speelde het groepje op feesten in heel Berlijn.

Soms denk ik: Keilson heeft de gouden jaren van Weimar-Berlijn nog meegemaakt en die tijd werd in zijn latere leven een ideaal, een droom uit het verleden om naar terug te verlangen. Het is een theorie waar ik voorlopig aan vasthoud, maar die ik nog nergens bevestigd heb gekregen, niet in interviews en niet in artikelen.

In 1933, toen Hitler al aan de macht was, studeerde hij nog. Ik vroeg me af hoe moeilijk of makkelijk hij het als Joodse student had. Dreigde hij niet van de universiteit te worden weggestuurd? Om informatie te krijgen raadpleegde ik afgelopen zomer het archief van de Humboldt-universiteit. Het hoofdgebouw is centraal gelegen aan Unter den Linden, maar voor het archief moet je op een andere plek zijn. Per taxi hebben weduwe Marita Keilson en ik ons ernaar toe laten brengen. We reden zo lang in oostelijke richting door Berlijn dat we dachten: er is een vergissing in het spel, we zijn al bijna de stad uit. Maar zie, op een soort bedrijventerrein stond een modern gebouw waar het universiteitsarchief was gevestigd.

In een doos met verkruimelend papier zoals je dat als onderzoeker stiekem mooi en een beetje romantisch vindt, deden we een ontdekking: een vragenformulier dat Hans Keilson in 1933 als Joodse student moest invullen. Hij diende informatie te geven over zijn ouders en grootouders: hoe heetten ze, wat voor werk deden ze, welke godsdienst hingen ze aan? Bij ieder familielid luidde zijn antwoord op de laatste vraag, als een refrein: Jude. Hij moest melden of hij lid was, of was geweest, van politieke partijen of studentenverenigingen als de Demokratische Studentengruppe, de Sozialistische Studentenschaft en nog een paar verenigingen die de nazi’s onwelgevallig waren. En hoe zat het met lidmaatschap van marxistische of antifascistische groeperingen? De vragen waren een poging om zijn politieke zondigheid in beeld te krijgen en zijn uitsluiting als student mogelijk te maken. Bij Keilson werkte het niet. Hij was bij geen enkele organisatie betrokken, ook niet in het verleden. Zijn afzijdigheid kan een les zijn geweest van zijn vader, die een textielzaak had en geen klanten wilde verliezen: hij sloot zich niet aan bij wat voor politieke groep of partij dan ook en discussieerde buitenshuis niet over de actualiteit.

Gunstig om te vermelden op het formulier: vader was in ’14-’18 onder de wapenen geweest. Nauwkeurig, zich ongetwijfeld bewust van het belang van de informatie, schreef Hans Keilson dat zijn vader had gediend in het 7. Armee Korps en drager was van het Ehrenkreuz II. Klasse. Doordat de nazi’s in deze tijd tenminste nog enige achting konden opbrengen voor oorlogsveteranen en hun zoons, viel de beslissing over Hans gunstig uit: ‘Gegen ein Weiterstudieren bestehen keine Bedenken, da der Vater als Frontkämpfer anzusehen ist.’

Het zag er voor de Joodse student dus nog niet eens zo slecht uit. Hij deed zijn examens en haalde alles. Toch kwam er een kink in de kabel. Hij mocht zich pas arts noemen als hij zijn praktijkjaar (‘co-schappen’) had gedaan en dat was alleen mogelijk bij het Jüdisches Krankenhaus. Daar was het te druk: alle net afgestudeerde Joodse aspirant-artsen probeerden in dat ene ziekenhuis een plek te krijgen. Bovendien blokkeerden naziregelingen steeds meer de mogelijkheid voor Joden om zich als arts te vestigen. De deur naar een toekomst als medicus ging dicht.

Terugblikkend schreef Hans Keilson in zijn Dagboek 1944 dat een leven als huisarts hem nooit aantrekkelijk had geleken. Hij zou de praktijk van zijn oom Hermann in Hamburg overnemen, dat was de afspraak. Daar zou hij dan vanaf zijn 25ste als ziekenfondsarts levend begraven zijn geweest. In zijn hart wilde hij graag dat ‘iets’ het zou verhinderen. Dat ‘iets’ was gekomen: Adolf Hitler. Zo was die man toch nog ergens goed voor geweest. Met een zeker plezier heb ik de dagboekaantekening begin dit jaar voorgelezen op een Keilson-avond in een literair café in Hamburg.

JosJos Versteegen (1956) schreef zeven dichtbundels, waarin hij zich vooral liet inspireren door zijn familie en zijn jeugd in Limburg. Voor zijn debuutbundel werd hij genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Zijn meest recente bundel is Woon ik hier, met herinneringen van oude mensen. In 2016 publiceerde hij zijn vertaling van de Duitse gedichten die Hans Keilson in 1944 in de onderduik schreef voor een geliefde: Sonnetten voor Hanna. Jos Versteegen werkt sinds begin 2017 aan de biografie van Hans Keilson.

 

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Twan Vet"
    Twan Vet

    Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

    Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

    De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

    Foto: Roderique Arisiaman

  • "Foto van Gregor Verwijmeren"
    Gregor Verwijmeren

    Gregor Verwijmeren studeerde Taal- en Cultuurstudies aan de Universiteit Utrecht en gitaar aan het conservatorium in dezelfde stad. Hij publiceerde fictie in onder meer De Gids en Flash: The International Short-Short Story Magazine. De vorm van geluid, zijn debuutroman, werd uitgegeven door Van Oorschot, en is wereldwijd de eerste roman over tinnitus (en muziek en geluiden) die door een mainstreamuitgeverij is uitgegeven. Gregor werkt momenteel aan zijn tweede roman, waarvoor hij een beurs ontving van het Nederlands Letterenfonds. In april 2021 zal hij Nederland vertegenwoordigen bij het European First Novel Festival in Boedapest (uitgesteld vanwege Covid). Hij is vader van drie kinderen en kookt en tennist graag in zijn vrije tijd.

  • "Foto van Alexander Baneman"
    Alexander Baneman

    Alexander Baneman (Amsterdam, 1986) publiceerde in o.m. Tirade, De Revisor en De Parelduiker. In november verschijnt zijn debuutroman De schim van Raamswolde bij Van Oorschot.