De enige Jood in Bad Freienwalde

Toen er begin jaren negentig een biografische documentaire over schrijver/psychiater Hans Keilson werd gemaakt, vonden de filmers het een goed idee om alle scènes in zijn geboorteplaats ’s winters te draaien. Zo ontstond er iets kils en ijzigs, net alsof het daar in het kuurstadje Bad Freienwalde an der Oder, zestig kilometer ten oosten van Berlijn, nooit lente of zomer werd.

Ik ben intussen drie keer in Freienwalde geweest, de eerste keer was in 2015, samen met weduwe Marita Keilson, om gedichten voor te lezen in de Hans Keilson Stadt- und Kreisbibliothek. Het was eind mei, mooi weer, en het publiek was zo vriendelijk als je je maar kon wensen. Er werd geluisterd met een aandacht die in Duitsland soms dieper, intenser lijkt dan in Nederland.

De bibliotheek was gevestigd in een goed onderhouden pand in een mooie straat. Bijna heel Freienwalde zag er zo uit: opgeknapt, gerepareerd. De rijke villa’s die kuurgasten hier in de wilhelminische tijd lieten bouwen, stonden weer te pronken alsof er nooit communistische verwaarlozing had bestaan.

Het bezoek aan het stadje was ook bedoeld om een eerste blik te werpen op het geboortehuis van Hans Keilson, een statig, geel pand uit het begin van de twintigste eeuw. Het gezin huurde er een appartement op de eerste verdieping en direct daaronder was de textielzaak van vader Max, van start gegaan in maart 1904. In de plaatselijke krant heb ik de advertentie gevonden waarmee hij die opening aankondigde. Je kreeg een cadeautje als je langskwam – wat het was, heb ik niet kunnen achterhalen.

Het huis is een hoekpand. Als je op het balkon staat, heb je zicht op de markt, op de Nikolaikerk en op het raadhuis. Centraler kun je in Freienwalde niet wonen. Moeder Else vond het wel handig dat ze vanuit haar woning een oogje in het zeil kon houden als de kleine Hans en zijn zusje Hilde op de markt aan het spelen waren.

Op het balkon van de Keilsons zat je eersterangs wanneer je iets wilde meekrijgen van de grote geschiedenis. Daar beneden verdrong zich in november 1918 een mensenmassa toen het bericht was gekomen dat de keizer afstand had gedaan van de troon. Wat dat betekende, legde Max uit aan zijn zoontje, toen bijna acht jaar oud. Ruim twintig jaar later was dit nog een keer de beste plaats die je kon krijgen in het politieke theater. Hans Keilson studeerde inmiddels medicijnen in Berlijn, maar in het weekend kwam hij meestal met de trein naar huis, zijn ouders verwenden hem dan met lekker eten. Die zondag 13 oktober 1929, een paar weken voor de wereldwijde economische crisis zou uitbreken, sprak Joseph Goebbels op de markt van Freienwalde, omgeven door honderden SA-mannen die met vrachtwagens uit Berlijn waren aangevoerd. Hans zag Goebbels en hoorde zijn klaagverhaal over de zware herstelbetalingen die Duitsland waren opgelegd bij de Vrede van Versailles. Na afloop van de speech – Goebbels tekende in zijn dagboek aan dat hij hees was geworden van die toespraak in de open lucht – braken er relletjes uit tussen nazi’s en communisten, waarover ik las in de lokale krant van destijds. Het geeft een wonderlijk soort opwinding om kraakheldere, feitelijke berichten tegen te komen over zo’n dag: na de toespraak werd er met flessen gegooid en sneuvelde er in de Königstraße een ruit. Simpele, illustrerende feiten die ik graag een plaats geef in mijn boek.

Die 13de oktober 1929 beschouw ik als de ideale dag voor een biograaf. Hans Keilson was gewoon thuis en observeerde tevens een ‘bijeenkomst van het kwaad’. Op vijftig meter bij hem vandaan stond een belangrijke opponent, een van de mannen die ervoor zou zorgen dat hij jaren later als Jood moest vluchten uit Duitsland en dat zijn ouders werden omgebracht in Auschwitz. Ik kon erover lezen bij Keilson zelf, in het dagboek van Goebbels en in de krant. Meer bronnen voor dit beladen, symbolische moment kon ik me niet wensen.

In de ‘ijzige opnames’ uit de documentaire is ook de plek te zien waar eens de Freienwalder synagoge stond. In de Kristallnacht staken lokale SA-mannen het gebouw in brand. Het werd herbouwd als woonhuis en werkplaats, er trok een handwerksman in, en later ging het alsnog tegen de vlakte. Er verrees een rij garages, die inmiddels heeft plaatsgemaakt voor een herdenkingsplek. In de biografische film zijn de garages er nog. In een sfeer van winterse somberheid wordt daar vlakbij een gesprekje gevoerd met Hans Keilson, die een inwoner vraagt of er nog Joden zijn in Bad Freienwalde. Nee, die zijn er niet meer. ‘Dan ben ik op het ogenblik de enige,’ zegt hij en kijkt met een glimlach in de camera.

 

JosJos Versteegen (1956) schreef zeven dichtbundels, waarin hij zich vooral liet inspireren door zijn familie en zijn jeugd in Limburg. Voor zijn debuutbundel werd hij genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Zijn meest recente bundel is Woon ik hier, met herinneringen van oude mensen. In 2016 publiceerde hij zijn vertaling van de Duitse gedichten die Hans Keilson in 1944 in de onderduik schreef voor een geliefde: Sonnetten voor Hanna. Jos Versteegen werkt sinds begin 2017 aan de biografie van Hans Keilson.

"Foto van Jos Versteegen"
Jos Versteegen

Jos Versteegen (1956) schreef zeven dichtbundels, waarin hij zich vooral liet inspireren door zijn familie en zijn jeugd in Limburg. Voor zijn debuutbundel werd hij genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Zijn meest recente bundel is Woon ik hier, met herinneringen van oude mensen. In 2016 publiceerde hij zijn vertaling van de Duitse gedichten die Hans Keilson in 1944 in de onderduik schreef voor een geliefde: Sonnetten voor Hanna. Jos Versteegen werkt sinds begin 2017 aan de biografie van Hans Keilson.

In de Oorshop

Ons ver

Op het moment dat ik deze alinea schrijf zit ik met een vriendin in de trein naar Susteren. Dat is het enige plaatsje in het smalste stukje Nederland: de aanhechting van de Zuid-Limburgse appendix, met naast elkaar binnen een paar kilometer het Julianakanaal, A2, rijksweg, Maas, en spoorlijn – een krachtig geweven touw van infrastructuur dat het minst overtuigende stukje Nederland al eeuwenlang overtuigend aan de rest van het land vastknoopt.

Op zich is dat an sich al leuk – alleen komen we daar niet voor, maar voor het westelijkste puntje van Duitsland. De Duitsers hebben daar opvallend veel werk van gemaakt, ontdekte ik een tijdje terug op Google Maps. Het westelijkste puntje van de Bondsrepubliek ligt middenin een kleine beek, waar een verrassend lange, moderne loopbrug heen is gebouwd, achter de heg van iemands erf langs.

Aan het einde – na een grote hoeveelheid informatieborden en een tijdlijn van de grensovergang vlakbij – staat, op een klein platform, een grote rode paal precies op het westelijkste punt. Van de grens zelf is een bankje gemaakt: je zitvlak in Nederland, je voeten in Duitsland.

Dat ongetwijfeld kostbare project verbaasde me. Ik kende de Duitsers niet als een volk dat hun grenzen tot toeristische attracties verheft. Bij het Drielandenpunt barst het aan de Nederlandse zijde van commerciële activiteiten zoals doolhoven en brasserieën, België bouwde een uitzichttoren, maar aan de Duitse kant gebeurt helemaal niks.

Goed, dat is misschien geen goede vergelijking: Duitsland zwemt in drielandenpunten – en heeft natuurlijk maar één westelijk punt. De muur van leeg bos aan de Duitse kant van de Vaalserberg staart de Nederlandse toeristen hautain aan: geniet lekker van jullie hoogste punt en enige drielandenpunt, wij als Duitsland draaien hier onze hand niet voor om.

Maar toch: ik herinner me niet in Nederland of België ooit een spoor te hebben gevonden van enig monument voor de uiteindes van het land. Misschien, dacht ik, dat een schuldbewust land dat haar grenzen de afgelopen eeuw nog al eens is overgestoken nu graag wil benadrukken dat het dondersgoed weet waar het begint en ophoudt. Of dat een land dat lange tijd verdeeld is geweest er plezier uit put om haar volledigheid te vieren. Het westelijkste punt laat je gedachten onwillekeurig afdrijven naar het nogal onvoorspelbare oostelijkste punt.* (Overigens is daar, aan de Poolse grens, volgens mij ook een vrij uitgebreid complexje gebouwd).

Na afloop van het bezoek voelde ik vooral dat laatste. Ironisch genoeg is het juist de markering hier aan de rand die je meer dan ooit bewust laat waarnemen in het grotere geheel Duitsland te zijn. In feite ligt het westelijkste puntje totaal niet afgelegen: vlakbij een van de dichtstbevolkte gebieden van Nederland, bij snelwegen en spoorlijnen (Achterhoek-burgemeesters zeggen dit ook graag over Duitsland, weet ik uit ervaring). Maar het hoort er niet bij. Je bent deel van iets groots, ademt het monument. Berlijn is ver – maar wel óns ver.

Is dat niet uiteindelijk het plezier van grenzen over gaan? Je hebt wel eens mensen die zeggen dat er na een grensovergang niks verandert, dat Europa één is, dat grenzen overgaan niet meer spannend is, niet meer is wat het ooit was, etcetera, etcetera.

Daar zie ik niks in: het kan wellicht makkelijk gaan en uiterlijk hetzelfde blijven – de wereld draait aan de andere kant al na vijf meter volstrekt anders. Je bent net over de grens bij Susteren niet meer in een zuidoosthoek maar in een westpunt. Tussen mensen die zich in een westhoek vóélen, voor wie hun eigen land altijd in het oosten is, wat een paar stappen terug al niet meer geldt.

Je ziet er de gele intercity’s van Amsterdam naar Maastricht vier keer per uur achteloos langsrijden, maar je weet dat je die wereld al achter je hebt gelaten, dat de reizigers en machinisten aan boord met hun eigen binnenlandse reis bezig zijn, misschien al maandenlang niet in Duitsland zijn geweest. Dat je die overgang vandaag de dag zo makkelijk kan ervaren is júíst fijn vervreemdend.

Overigens ‘beklagen’ vrienden van mij zich soms dat ik geen dag tot een goed einde kan brengen zonder het gehad te hebben over een of ander record: het westelijkste punt, de hoogste toren, de grootste stad zonder station, het langste stuk dat je in Nederland in de trein kan zitten zonder te stoppen (volgens mij Zwolle-Assen, bijna driekwartier). Maar tussen de uiteindes zit het hele leven, zou Pieter Waterdrinker (hopelijk) zeggen.

*Ook het westelijkste punt kent een semi-roerige geschiedenis. Na WOII werd een klein gebied in de omgeving van het punt, inclusief een paar dorpjes, door Nederland geannexeerd, wat de levensader met Zuid-Limburg enigszins verbreedde. In 1963 werd het echter weer teruggekocht door West-Duitsland.

—-

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994) is freelance journalist. Momenteel is hij correspondent Noord-Nederland bij NRC Media en volgt o.a. de ontwikkelingen rond de gasproductie in de provincie Groningen.

"Foto van Milo van Bokkum"
Milo van Bokkum

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Geluk voor Whitman, Gissing en Meijsing

‘Ik weet niet waardoor of hoe, maar volgens mij vooral dankzij dit soort luchten (af en toe geloof ik dat ik zulke luchten natuurlijk al mijn hele leven lang heb gezien, maar ze eigenlijk nooit eerder écht heb gezien) heb ik deze herfst een aantal uren van wonderbaarlijk innerlijk welbevinden beleefd – ik mag wel zeggen uren van volmaakt geluk. Naar ik gelezen heb, heeft Byron vlak voor zijn dood tegen een vriend gezegd dat hij in zijn hele bestaan slechts drie uren van geluk had beleefd. En dan is er de oude Duitse legende over de klok van de koning, met dezelfde strekking. Toen ik daar zo zat, bij het bos, en de prachtige zonsondergang door de bomen, dacht ik aan Byron en het verhaal van de klok, en ik kwam tot het besef dat ik een geluksuur beleefde. (Al maak ik nooit notities van mijn beste ogenblikken: als die zich voordoen, kan ik me niet veroorloven de betovering te doorbreken door aantekeningen te formuleren. Ik geef me maar over aan de stemming en laat haar voortzweven en me meevoeren in haar serene extase.)

Wat is eigenlijk geluk? Is dit een uur van geluk, of wat erop lijkt? – zo ongrijpbaar – een ademtocht, meer niet, een vluchtig accent? Ik weet het niet zeker – dus laat ik mezelf het voordeel van de twijfel gunnen.’

Aan het woord is Walt Whitman, de Amerikaanse dichter van Leaves of Grass. De vertaling van dit fragment uit zijn dagboek Specimen Days is van René Kurpershoek. Het gehele boek in zijn vertaling verschijnt komend voorjaar bij Van Oorschot.

Het is een heel bijzondere verzameling aantekeningen. Eerst ben je als lezer getuige van de Amerikaanse Burgeroorlog, Whitman werkt als verpleger met de gewonden en brengt die mensen en die historie heel dichtbij. Saillant is ook de licht erotische ondertoon in zijn beschrijvingen van al die mooi soldaten. Later leeft hij na een ziekbed op zichzelf in de natuur. Het is idyllisch. Ik moest denken aan George Gissing’s De intieme geschriften van Henry Ryecroft, een fantastisch verzonnen dagboek van Gissing, waarin zijn alter ego een soort leven leidt als Whitman, in de natuur, met alle rust om te schrijven, onbezorgd schrijversgeluk dat Gissing nooit beschoren was. Maar dromen kon hij. Zowel Gissing als Whitman lukt het heel overtuigend over geluk te schrijven, iets wat toch niet heel makkelijk is, in elk geval niet op een manier die ook nog interessant is. Bij Whitman verveel ik me geen moment, hij is een echt mens die je door de regels heen aankijkt. Een vriend die al anderhalve eeuw dood is.

Geluk dat we Gissingvertaler Geerten Meijsing ook van harte gunnen. Of dat al wat lukt valt mogelijk te lezen in zijn correspondentie met zijn zus Doeschka die komende donderdag gepresenteerd wordt onder de titel Liefdevolle rivaliteit. Een briefwisseling waarnaar ik zeker uitzie, maar waarvan ik niet verwacht dat hun beider geluk er de boventoon in zal voeren.

——-
 IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.

 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Berichten uit Brandenburg (4) Hooi

raam (002)Het gebouw aan de overkant ziet eruit als een villa in een badplaats aan de Belgische kust. Het heeft geen hoeken maar gaat golvend de bocht om. Aan de linkerkant bezit het een uitbouw, eveneens met ronde hoeken. In de uitbouw heeft zich een edelsmid gevestigd. ’s Zomers zet hij zijn deuren open en hoor je hem kloppen en slaan op het aambeeld, heel licht, alsof er een klokje luidt, alsof hij geen goud of zilver maar een muziekstuk bewerkt.

Maar genoeg uit het raam gekeken. In de kamer waar ik mijn verf bewaarde, opende ik de bus met het etiket ‘hooi’ en roerde met het schilderhoutje net zo lang totdat de vaalwitte verf zich had gemengd met het oker en dat ene druppeltje sepia. Het werd een mooie gladde massa, al mijn verf nam ik uit Nederland mee, ik piekerde er niet over om mijn verf in het stadje te kopen, die was lang zo pasteus en hechtend niet, die bevatte niet de juiste viscositeit. Ik zou het de inwoners niet vertellen want daarmee maak je je niet populair, en het is ook maar toeval dat ik in een land woon waar de laatste zeventig jaar vrijwel nergens gebrek aan is geweest, zoals het ook maar toeval is dat de inwoners van het stadje veertig jaar hebben moeten leven onder een planeconomie waarbinnen naar hartenlust werd geruild, maar wat er niet is, kun je ook niet ruilen, dus op een gegeven moment hield dat op. Niettemin koesteren de inwoners van het stadje, nee de bewoners van alle neue Bundesländer, hun vroegere merken alsof het schatten zijn, en dat heeft niks met kwaliteit te maken maar alles met een heimwee naar een wereld die niet zozeer van de kaart is geveegd, als wel overgenomen door een andere wereld. Het is een achterwaarts verlangen, zoals hun grootouders naar Bismarck verlangden en hun overgrootouders naar het keurvorstendom.

Ja, dacht ik toen ik klaar was met roeren, de tijd haalt ons in, ik moet opschieten met die kamers, bovendien (dat krijg je wanneer je over de vijftig schiet) als ik nog iets op wil bouwen, moet ik dat nu doen. En ik trok mijn geruite verfblouse aan die onder de spetters zat, en een oude spijkerbroek, en afgetrapte schoenen. Het was ochtend, de zon scheen, een oude vrouw bestelde een koffie in het brughuisje aan de oever, ik zette mijn verfrol recht op de muur, de verf knisperde en kraakte nog een beetje, ik haalde uit, en nog eens, en nog eens, de verf met de naam ‘hooi’ smeerde prachtig uit, en omdat ik steeds benieuwder werd naar het resultaat werkte ik hard door, sloeg zelfs mijn koffiepauze over, totdat ik een hele wand had gedaan en een stap naar achteren deed. De zon scheen op het hooi, de schaduw van de bomen wuifde eroverheen en ook de wind waaide door het bovenraam zacht en rakelings langs de verf, als om haar te troosten, als om haar te drogen, en ik dacht: de hooikamer wordt mijn favoriete kamer.

Nicole Montagne studeerde Vrije Grafiek aan de kunstacademie in Utrecht en Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Zij debuteerde in 2005 met de essay- en verhalenbundel De neef van Delvaux. Onlangs verscheen bij Wereldbibliotheek haar nieuwste essay- en verhalenbundel: De verzuimcoördinator.

"Foto van Nicole Montagne"
Nicole Montagne

Nicole Montagne studeerde Vrije Grafiek aan de kunstacademie in Utrecht en Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Zij debuteerde in 2005 met de essay- en verhalenbundel De neef van Delvaux. Onlangs verscheen bij Wereldbibliotheek haar nieuwste essay- en verhalenbundel: De verzuimcoördinator.

Helemaal het einde

Ik heb nog nooit een deadline gemist. Als ze me niet wórden opgelegd, leg ik ze mezelf op en haal ze op de bladzijde, op de letter.

Vorige maand benaderde iemand me voor een verhaal. Ik vroeg wanneer het stuk af moest zijn en stelde mijn eigen deadline drie dagen voor die datum. In een paar dagen schreef ik een kortverhaal dat – al zeg ik het zelf – goed was.

Het kwam in me op dat het de moeite waard zou kunnen zijn om meer deadlines op me te nemen.

Bij mijn eerste bundel voelde ik dat de verhalen stuk voor stuk een zeggingskracht hadden, een noodzaak. De tijd waarin ik werkte was een zware: allerhande shit in mijn directe omgeving en een slecht slapend kind; ik tikte in de halfuurtjes die me door de dagen en nachten heen geschonken werden.

Misschien is de kernachtigheid van die verhalen, hun noodzaak, ook een gevolg geweest van het schrijven onder die druk.

Natuurlijk is de inhoud van de teksten gevoed door de periode waarin ik ze schreef, maar ik geloof dat de stuwing erachter door een krapte in de tijd gegeven is. Een mooi experiment, denk ik, om te kijken of zoiets ook werkt als ik de druk zelf aanbreng.

Zouden we nog kunst maken als we eeuwig leefden? Is het ook in de grote lijn een einde dat stuwt?

Rennen nu het kan, lopen nu het kan, schrijven tot het niet meer gaat.

Je hoort nog van me.

*Beeld: R. Garage

_____________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was jarenlang redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Nescio nu

Getogen in Amsterdam-Oost kwam ik veel te laat aan bij Nescio. Al m’n hele leven fiets ik langs de flatjes bij het Oosterpark bekleed met citaten uit Uitvreter, Titaantjes, Dichtertje, maar nooit had ik de klik gemaakt om eens te kijken waar dat eigenlijk vandaan komt. Óók niet nadat ik een paar jaar geleden van mijn oma een prachtige eerste druk erfde. Misschien dat de titels van toch niet erg inspirerend klonken; ik weet het niet.

Achteraf gezien pakte dat goed uit. Het lezen van de verhaaltjes afgelopen week was één grote herinnering aan het feit dat er nog van alles te ontdekken valt. Dat schrijvers die je jarenlang min of meer uit een soort onbewuste, ongegronde desinteresse afschrijft, bij het lezen toch briljant kunnen zijn. Dat stemt hoopvol voor de rest van het leven.

Los van het verhaal (en de heerlijke toon) putte ik groot plezier uit Nescio’s tussen-de-regels-door-obsessie met de grote hoeveelheid verplaatsingen in zulke kleine verhaaltjes. In De Uitvreter (40 pagina’s) kan het bijna niet anders of hij breekt een record: ik telde Amsterdam, Numansdorp, Rotterdam, Veere, ‘Friesland’, Charleroi, Brussel, Marchienne-au-Pont, Parijs, Wijk bij Duurstede, Zierikzee, Etten-Leur, Middelburg, Zaltbommel én Nijmegen.

Je krijgt het gevoel dat Nescio dan wel leuk zijn verhaal vertelt, maar ondertussen in zijn achterhoofd (of misschien bewuster dan dat) constant bezig is met de locatie van alle zaken, om die plekken vervolgens in een paar zinnetjes te vangen. Het boek staat rotsvast in verbinding met het land – dat Nescio terug-eerde door op de talloze locaties uit zijn verhalen monumentjes op te richten of straten en bruggen te vernoemen.

Waar kan ik mijn karakters nu weer eens heensturen? Friesland! En weg is Japi, met de sneltrein. Gewoon, zegt-i, “omdat ik er zin in heb”.

Ik verdenk de uitgever van Nescio’s Engelse vertaling er al langer van een titel te hebben gezocht die expats in de hoofdstad, op zoek naar wat integrerende literatuur, zou moeten trekken: Amsterdam Stories. Dat lijkt me geen goede keuze, maar Netherlands/Dutch Stories bekt ook niet echt lekker.

Je zou willen dat Nescio zijn creatieve kijk op het land, wellicht met een gastbijdrage van A.F.Th. van der Heijden, in een essaybundel of zo had uitgewerkt. Een boek vol met omschrijvingen van de liggingen van steden, van de loop van rivieren. Waarin Rotterdam ge-na-de-loos wordt afgebroken – zoals Nescio op het einde nog even snel doet.

En waarin Nijmegen, zo duidelijk een muze van de schrijver, langzaam steeds verder “on-Hollandsch, zwak romantisch, huizen boven huizen, boomen boven boomen” (Nescio) uit de Waal oprijst, de stroom die eigenlijk te breed is voor de stad (Van der Heijden).

In Dichtertje weten Dora en Ee pas definitief welke verboden gevoelens ze voor elkaar hebben als ze samen in Lent van het stadspanorama hebben genoten, “met vele roode daken en ergens een kerk, groot, als een teken voor God om z’n stad te herkennen” – hoe kan het ook anders, denk je al lezende.

 

—-

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994) is freelance journalist. Momenteel is hij correspondent Noord-Nederland bij NRC Media en volgt o.a. de ontwikkelingen rond de gasproductie in de provincie Groningen.

"Foto van Milo van Bokkum"
Milo van Bokkum

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Anja Sicking"
    Anja Sicking

    Anja Sicking schrijft romans en essays. In haar laatste boek, De visionair, onderzoekt ze via de verbeelding
    hoe de toekomst eruit zou kunnen zien.

  • "Foto van Sybren Sybesma"
    Sybren Sybesma

    Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

  • "Foto van Lodewijk Verduin"
    Lodewijk Verduin

    Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.