Zoef…

Is er een woord voor de gelijkertijd eenzame en machtige ervaring van rijden door de nacht? De zeldzame momenten dat je geheel wakker bent, en het bijna overal donker is. Malthus komt je voor het geestesoog, steeds vaker. Wat was er ook weer zo verfoeilijk aan het 18e/19e-eeuwse idee dat de mens zich gewoon te snel voortplant, woekert. Het afgrijselijk veelzeggende woord ‘anthropoceen’: de periode van de mensen waarin wij leven: overal mensen, steeds meer mensen. En als je van dieren en natuur houdt voel je je langzaam weggedrukt in de marge, zoals ook de dieren dat moeten voelen.

Intussen de blik over een donkere dashboard op de lege weg. ‘Bijna iedereen vindt zichzelf een goed chauffeur. Ik niet. Ik ben ongeschikt en afwezig en mijn reflexen zijn langzaam. Zelfs onder de beste omstandigheden heb ik bij elke rit het gevoel me met iets waaghalzerigs in te laten. Daarom is het ook niet verbazingwekkend dat me op de smalle Serpentinestraat paniek overvalt.’ Zo vertaal ik Daniel Kehlmann’s fragment uit Du hättest gehen sollen maar even.

Ik deel die angst niet, heb overigens ook niet het gevoel dat ik een bovengemiddelde chauffeur ben. Het is vooral de eenzaamheid die trekt. Het zoeven langs land en bos, de intense behoefte aan iets anders dan mensen. ‘Without apology for the abrupt change of field and atmospere – after what I have put in the preceeding fifty or sixty pages – temporary episodes, thank heaven! – I restore my book to the bracing and buoyant  equilibrium of concrete outdoor Nature, the only permanant reliance for sanity of book or human life.’

Ik druk na deze geheimgehouden grootheid het gaspedaal nog eens dieper in, in de mensloze nacht en zoef

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Klein maken

In mijn vroege puberteit deed ik een observatie die me bij zou blijven en die het schopte tot een van de cruciale realisaties van de hoofdpersoon van mijn nieuwe roman Het jasje van Luis Martín. 

Bij de eerste gymles op het Gymnasium dwong juf Michels onze klas tot een potje trefbal, en werd een levensbepalend onderscheid tussen twee soorten persoon zichtbaar: degene die met alles inzet op het vangen en terugwerpen van de bal, en degene die zich klein maakt in de hoop dat de bal ergens mid-flight zal ophouden te bestaan. Je ziet deze mechanismen op volwassen leeftijd het duidelijkst in drukke supermarkten waar botsingen tussen karretjes onvermijdelijk zijn.

Mijn vrouw staat altijd aan. Het is een fundamentele eigenschap van haar die ik bewonder en waardeer. In trefbaltermen zou ze de werper nog voor hij de bal in beweging heeft gezet recht aankijken en vragen of hij zeker weet dat hij op haar wil mikken.

Nu ik erover nadenk lijk ik al mijn vrienden op deze trek te hebben geselecteerd. Een van mijn verjaardagen of boekpresentaties klinkt voor een passant waarschijnlijk als een meeuwenkolonie in een heel klein hok.

De vraag rijst tot welke groep ikzelf behoor. Tot beide, geloof ik.

Tijdens een familie-uitje op Terschelling afgelopen weekend vroeg mijn zwager welke rol ik op me zou nemen als het oorlog werd: collaborateur, oprichter van een ondergrondse drukkerij of partizaan. Mijn antwoord was er zo snel dat het vanuit mijn diepste binnenste moet zijn gekomen: ‘Onderduiker.’

Tegelijkertijd kan ook ik heel erg aan staan. Wie me alleen uit mijn horecajaren kent heeft me nooit anders gezien dan met het sociale gas vol open. Ik was gelukkig in die tijd, het waren gedachteloze jaren waarin ik me zeker wist van mijn plek en verbondenheid met de wereld om me heen.

Maar het schrijven. Mijn verhalen. Het is de onderduiker die dat doet: de kleine donkere man met de grote ogen die de bal daadwerkelijk kan laten verdwijnen voordat die hem raakt.

 

__________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Hendrickjes onderjurk


Op een rommelmarkt kocht ik een lakstempel, zo’n ding waarmee je als je vanuit je aangemeerde VOC-schip brieven schrijft, de enveloppen kunt verzegelen. Ik kocht ‘m eigenlijk vooral omdat ik leed aan koopdrang – ik moet érgens mijn innerlijke leegte mee opvullen – maar eenmaal in mijn bezit deed die stempel + bijbehorende lakstaaf (maak me gek met je…) toch iets met me.

Zo overviel me haarscherp de herinnering aan een zeer specifiek gevoel waar in het Nederlands voor zover ik weet geen woord voor is (ik vestig mijn hoop op de Duitsers of de Japanners in dezen), namelijk de o-god-ik-moet-al-drie-maanden-mijn-(pen)vriend-terugschrijven-sensatie; een zweterige mengeling van schaamte, zelfhaat, paniek, zelfmedelijden en actiebereidheid, maar nooit in de buurt van briefpapier, adresboek en pen, zodat deze Postschmerz (ik doe het zelf wel even) je voortaan met steeds regelmatiger intervallen overvalt. Schrijf je eindelijk je brief, vergeet je twee weken postzegels te kopen, tussendoor heb je je verre vriend al lang gebeld, of gezien, of de vriendschap is officieel verwaterd verklaard en dat komt verdomme allemaal door jou, enzovoorts, enzovoorts. Nogal een retro-emotie, wat mij betreft, toen e-mail in zwang kwam ben ik vrijwel onmiddellijk gestopt met het schrijven van brieven omdat ik gewoon te beroerd bleek om het op papier te kunnen.

Desalniettemin werd bovenstaande herinnering direct gevolgd door de behoefte aan, jawel, het schrijven van een brief. Maar aan wie? En vooral: met welke inhoud?

(Vanmiddag met ’t rijtuig van Joncker naar Den Haag gegaan. Miesje heeft bij Saartje haar kous gescheurd aan de lollepot, dus ik zal Hendrickje vragen die te stoppen. In de hoop dat deze brief je tijdig bereikt verblijf ik, Rosalinde van Ryswyck.)

 Het feit dat een brief er langer over doet dan ik om aan te komen bij mijn goede vrienden hield me tegen, en bovendien is het schrijven van brieven net zoiets als het bijhouden van een dagboek, de ervaring leert, het lukt niet. Dat ik het wel voor elkaar krijg teksten voor algemener publiek te schrijven kan verklaard worden door bijvoorbeeld een ziekelijke drang naar erkenning, of door het feit dat in een brief naar één persoon wellicht dieper ingegaan zou moeten worden op individuele emoties en het persoonlijk leven; dingen die al lang weer veranderd zijn als zo’n vel papier de ontvanger heeft bereikt, of die überhaupt te gênant zijn om te delen, behalve met hulp van een goede maaltijd en wijn.

(Post Scriptum: Ik heb zeer wonderlijk over Hendrickjes onderjurk gedroomd en voel sindsdien het bloedt naar mijn wangen stijgen wanneer zij me passedert, wellicht dat een aderlating me goed zou doen, wat denk jij, liefste?)

 Dus, dacht ik, we – ik werd er helemaal meervoud van – doen het helemaal anders! Voortaan schrijf ik de Tiradeblogs niet meer hier, maar op papier, en verdomd, ik heb gelijk een slogan. En dan stuur ik iedereen die mij een postzegel toezendt (u moet iets overhebben voor mijn bewijsdrang) handgeschreven blogs en wie klaagt over mijn handschrift is af. Voor de mensen die deze blogs niet om door te komen vinden zou ik ook best een serie brieven over de olifant van mijn bovenburen kunnen opstellen, waar men dan zelf eventuele psychoanalytische conclusies uit zou mogen trekken.

Totaal in mijn nopjes met dit schier onuitvoerbare (Postschmerz!) plan pakte ik aan de keukentafel gezeten de lakstempel uit. Lekker zwaar is –ie, met een zinnenprikkelende vorm en twee glanzende, kaarsrechte lakstaven erbij. Verliefd draaide ik het goudkleurige stempelvlak omhoog, waar ik een gestileerd dier verwachtte, of een jugendstillerige bloem, of het portret van een dame uit vervlogen tijden, iets dat heus aan mijn persoon of naam te verbinden zou zijn.

Maar het was een letter. De ‘M’. Van ‘Mooi niet’, denk ik zo.

(of van Mirade, maar zie de uitgeverij zo ver te krijgen…)

roos-van-rijswijk-foto-irwan-droog-kleinRoos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

 

 

 

"Foto van Roos van Rijswijk"
Roos van Rijswijk

Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Hallo wereld

Hij ziet het beste als hij zijn lenzen uit doet. Als de scherpte eraf is, maakt het overduidelijke plaats voor het mogelijke. De kerstverlichting gespannen boven winkelstraten opeens gigantische springtouwen, het grauwe trottoir het strand van een vulkaaneiland, de scherpe lijnen in zijn moeders gezicht zacht en aaibaar. ‘Hallo wereld!’ riep hij vroeger als hij hier stond, ‘Hallo auto’s, hallo mensen!’ Dan beeldde hij zich in dat in iedere auto die onder hem door schoot iemand zat die hallo terugriep. Tientallen, honderden keren groette hij snel achter elkaar, als een lopende-band-begroeter, en wanneer zijn vader hem wegtrok was hij altijd bang dat er toch nog één automobilist hallo zei. Die viel dan onbegroet van de band – daar voelde hij zich nog dagen schuldig over.

Hij is onderweg naar het familiediner. Allemaal mensen die met de jaren enkel scherper zijn geworden, hun contouren uit steen gehouwen – als water zoeken anderen zich een weg om hen heen. Niet bij hem. Bij hem gaan ze door hem heen. Kijken naar een punt achter zijn hoofd, schampen zijn schouder in het voorbijgaan. Je moet piketpalen slaan, zegt zijn vader altijd, je stempel drukken op de wereld. Maar het is andersom. De wereld stanst zich steeds dieper in jou. De littekens op je lijf talrijker, het teer in je longen onuitwisbaar, gewoontes onverbiddelijk; iedere nieuwe dag een beetje meer gekleurd door de voorgaande.

Ze zitten nu ongeveer aan het voorgerecht, evalueren het afgelopen jaar, bespreken hun plannen voor het komende. Zijn vader en broer zitten de hele avond met de armen over elkaar, zijn moeder spint garen tussen keuken en eetkamer en na vier wijn begint oma over de oorlog. Hetzelfde als vorige keer, maar met nieuwe kleren. Opeens weet hij het: hij blijft hier staan. Hij groet de auto’s die voorbij rijden en wacht wat de avond brengt. Met zijn lenzen uit is alles mogelijk.

roxane-van-iperenRoxane van Iperen is jurist en schrijver. Afgelopen jaar was ze gastcorrespondent Brazilië voor De Correspondent en verscheen haar debuutroman Schuim der Aarde (Lebowski). http://depleitschrijver.blogspot.nl

Verhuizen

img_2816Gisterenochtend wachtte ik bij het Westerdok op een pont naar de NDSM-werf.

Het was koud als in de winters van mijn jeugd. Alle gevoel trok zich uit mijn handen en tenen terug en mijn ogen traanden onophoudelijk. Toen de pont de steiger raakte kwam de zon op, alsof het één het ander veroorzaakte: een oud en roestig mechanisme dat zich onder het IJ bevond.

Ik liep met de fiets aan de hand naar de boeg en trok mijn telefoon uit mijn zak om nog een keer naar de route te kijken. Het ding leek niet meer te werken; ik drukte op alle knopjes, maar het scherm bleef zwart.

‘Komt door de kou,’ zei een Noorderling op een scooter naast me. Noorderlingen herken je aan hun scooters, hun kleding en zilveren sieraden. Noem het racial profiling, maar probeer mijn gelijk niet te ontkennen.

Vanaf de andere oever fietste ik in een zo recht mogelijke lijn naar het Noorden. Door mijn gebrek aan Google maps moest ik meerdere Noorderlingen de weg vragen, en ik kon telkens optekenen dat ze behulpzaam en vriendelijk waren. Slechts een minuut of drie te laat kwam ik bij het kanaal waar ik een woonark zou bekijken. B en ik zijn aftastend op zoek naar een ander huis, en omdat we allebei nogal romantisch zijn denken we aan wonen op het water.

Doel op deze ochtend was een van de mooiste arken die nu te koop staan te bekijken om er daarna zeker van te zijn dat Noord niets voor ons is. Het wilde niet zo lukken. De ark was schitterend, met twee hele verdiepingen boven de waterspiegel, een droge kelder eronder en een flinke tuin aan wal. Er lag een stalen schuitje naast en er was directe doorvaart naar open water.

Na rond te zijn geleid door de vriendelijke makelaar had ik grote moeite nog redenen te bedenken waarom we het niet zouden doen. Pas op weg terug (slechts 8 minuten fietsen naar de pont, die in slechts 5 minuten naar het Westerdok vaart!) werd ik me bewust van één groot en doorslaggevend nadeel.

Nadim is zo blij op zijn school in Westerpark. Hij heeft er vrienden die juichen als ze hem aan zien komen, en over wie hij uren kan vertellen als ik hem ’s middags ophaal. Omdat ik ook vaak met ze hang zijn ze een beetje mijn vrienden aan het worden. Zelf ben ik als kind een aantal keer verhuisd en ik vond het verschrikkelijk.

Ik dacht nog eens aan de ark en schudde mijn hoofd. Bij thuiskomst mikte ik de kleurige brochure van de makelaar tussen de kranten op tafel en bracht B – die achtergebleven was met onze dochter van drie weken – verslag uit.

Vanochtend was Nadim als eerste wakker. Toen ik met een arm vol kleren voor hem in de keuken kwam zat hij in zijn blote kont de brochure te lezen.

‘Wat is dit, papa?’ zei hij. ‘Van wie is dit huis?’

Ik keek over zijn schouder mee; zuchtte bij het zien van de opkomende zon boven al dat water. Fuck die kutmakelaars en hun gelamineerde dromen.

‘Misschien gaan we verhuizen. Ik ben naar een boot wezen kijken.’

Nadim bladerde wat heen en weer. ‘Ik vind dit wel een prachtig indrukwekkend boothuis. En wat is dat kleine scheepje ernaast?’

Dit soort dingen zegt mijn zoon dus echt. Hij is net vijf.

‘Hoort erbij,’ zei ik. ‘Via het kanaal kun je op open water komen. Vandaar vaar je de wijde wereld in. Het was een mooi huis, maar we doen het niet. Je zou van je school af moeten.’

Hij haalde zijn schouders op. Bladerde weer naar de foto van het uitzicht.

‘Ik wil wél naar een andere school.’

‘En je vrienden dan? Je juf?’

‘Maar het lijkt me zo gezellig als we met zijn allen de wijde wereld in kunnen op dat bootje…’

God help me, dacht ik. Nog een romanticus erbij.

__________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Ouders

Ik weet niet hoe vaak ik godverdomme zeg. De Bond tegen vloeken is tegen. Vloeken is het misbruiken van de naam van God of van Jezus, staat er op hun website. Je zou het een omgekeerd gebed kunnen noemen. Bij mij valt het wel mee. Ik vloek niet om grootse dingen. Alleen als het vlees aanbrandt of als ik aan vroeger denk, de Noorse broederschap waartoe mijn ouders zich bekeerden en waar mijn vader werd bevorderd tot ‘profeet’ – een roeping die hij een leven lang heeft uitgezeten.

Naast alles wat mijn vader me ooit leerde aan schijn en heiligheid, leerde hij me ook konijnen slachten, geiten melken en met een buks schieten. Ik denk soms aan die man, hoe hij na het melken een geitenuier controleerde. Met duim en wijsvinger stripte hij de spenen voor de laatste melk die ik er met mijn kinderhand niet meer uitkreeg.
Door zijn toedoen werd ik een meisje dat zonder angst het mes zette in een konijnenbuik. En door mijn toedoen – ik schreef een boek over de Noorse broederschap – werd hij een man die in het bijzijn van medegelovigen niet meer met zijn dochter gezien wilde worden.

Ik misbruik de naam van God als ik aan mijn vader denk, het feit dat hij net zomin een profeet was als ik koningin Maxima. Ik spreek een omgekeerd gebed uit omdat religie zonder pardon het mes in ons gezin zette. De Bond tegen vloeken is tegen. Maar ik heb de genen van mijn moeder, een eigenwijze vrouw die in de negentig is geworden.
De laatste jaren bleef ik uit haar buurt, uit hun buurt, de profeet en zijn echtgenote. Misschien ben ik de appel die niet ver van de boom valt, godverdomme, en een gewaarschuwd mens telt voor twee.

afbeeldingEllen Heijmerikx (1963) won met haar roman Blinde wereld de Academica Debutantenprijs 2010, waarover de jury o.a. schreef: ‘Beklemmend en glashelder proza. Alle pathetiek zorgvuldig vermijdend. Dit boek ademt noodzaak.’ Eerder won zij de eerste Duizend Woorden Prijs voor het beste korte verhaal. Wij dansen niet ishaar tweede roman en in 2015 kwam haar derde roman En nooit was iets gelogen uit.

 

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Ida Blom"
    Ida Blom

    Ida Blom schrijft proza en essays. Haar werk verscheen op papieren helden.

  • "Foto van Gregor Verwijmeren"
    Gregor Verwijmeren

    Gregor Verwijmeren studeerde Taal- en Cultuurstudies aan de Universiteit Utrecht en gitaar aan het conservatorium in dezelfde stad. Hij publiceerde fictie in onder meer De Gids en Flash: The International Short-Short Story Magazine. De vorm van geluid, zijn debuutroman, werd uitgegeven door Van Oorschot, en is wereldwijd de eerste roman over tinnitus (en muziek en geluiden) die door een mainstreamuitgeverij is uitgegeven. Gregor werkt momenteel aan zijn tweede roman, waarvoor hij een beurs ontving van het Nederlands Letterenfonds. In april 2021 zal hij Nederland vertegenwoordigen bij het European First Novel Festival in Boedapest (uitgesteld vanwege Covid). Hij is vader van drie kinderen en kookt en tennist graag in zijn vrije tijd.

  • "Foto van Jack de Boer"
    Jack de Boer

    Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

    Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.