Nieuw

Aan het begin van de avond zaten ze nog als vreemden op een bankje aan weerszijden van de wagon. Nu liggen ze hand in hand naast elkaar op de grond en staren naar het plafond. Hoog boven hen knalt nog wat verloren vuurwerk, maar de gretigheid is eraf. Mensen slepen zichzelf naar huis om het nieuwe jaar met een kater te beginnen en schoonmaakploegen staan klaar om het geheugen van de stad te wissen. Als de deuren van de metro opengaan en zij bij zonsopgang weer boven het oppervlak verschijnen, zal het lijken of er niets is gebeurd.

‘Ik ben gek op nieuwe ontmoetingen’, had ze tegen het meisje gezegd, toen duidelijk werd dat ze hier samen opgesloten zaten. Lachend verbrandden ze de peperdure kaarten van de feestjes waarnaar ze op weg waren en staken met het vuur een joint aan. Als vissen bliezen ze rookcirkels, op de beslagen ramen tekenden ze piemels en ze dansten op Prince en Beyoncé in hun veel te koude jurken. Toen de blowlucht was vervlogen en ze rug tegen rug de minuten naar middernacht zaten af te tellen, viste het andere meisje een Twix en een pil uit haar tas. Langzaam verbogen de ijzeren stangen tot draaiende staafmixers en onder kleurbommen van pastel zwierden ze walsend door de wagon. Ze zoenden elkaar een gelukkig nieuwjaar en proostten met denkbeeldige glazen op de illusie van nieuwe kansen voor ze in elkaars armen in slaap vielen.

De roes is uitgewerkt en de sluizen naar de realiteit worden langzaam opengedraaid. Via haar tenen en vingertoppen begint de zwaarte aan haar ledematen te trekken, haar netvlies brandt achter haar oogleden, de kou van de grond nestelt zich in haar botten. Een klik galmt door de ruimte, de deuren zoeven open. Ze springt op en verlaat de wagon. ‘Waarom hou je zo van nieuwe ontmoetingen?’ roept het meisje haar na. Halverwege de trap naar de wereld draait ze zich om. ‘Daarna val ik alleen maar tegen.’

roxane-van-iperenRoxane van Iperen is jurist en schrijver. Afgelopen jaar was ze gastcorrespondent Brazilië voor De Correspondent en verscheen haar debuutroman Schuim der Aarde (Lebowski). http://depleitschrijver.blogspot.nl

In de Oorshop

Zoef…

Is er een woord voor de gelijkertijd eenzame en machtige ervaring van rijden door de nacht? De zeldzame momenten dat je geheel wakker bent, en het bijna overal donker is. Malthus komt je voor het geestesoog, steeds vaker. Wat was er ook weer zo verfoeilijk aan het 18e/19e-eeuwse idee dat de mens zich gewoon te snel voortplant, woekert. Het afgrijselijk veelzeggende woord ‘anthropoceen’: de periode van de mensen waarin wij leven: overal mensen, steeds meer mensen. En als je van dieren en natuur houdt voel je je langzaam weggedrukt in de marge, zoals ook de dieren dat moeten voelen.

Intussen de blik over een donkere dashboard op de lege weg. ‘Bijna iedereen vindt zichzelf een goed chauffeur. Ik niet. Ik ben ongeschikt en afwezig en mijn reflexen zijn langzaam. Zelfs onder de beste omstandigheden heb ik bij elke rit het gevoel me met iets waaghalzerigs in te laten. Daarom is het ook niet verbazingwekkend dat me op de smalle Serpentinestraat paniek overvalt.’ Zo vertaal ik Daniel Kehlmann’s fragment uit Du hättest gehen sollen maar even.

Ik deel die angst niet, heb overigens ook niet het gevoel dat ik een bovengemiddelde chauffeur ben. Het is vooral de eenzaamheid die trekt. Het zoeven langs land en bos, de intense behoefte aan iets anders dan mensen. ‘Without apology for the abrupt change of field and atmospere – after what I have put in the preceeding fifty or sixty pages – temporary episodes, thank heaven! – I restore my book to the bracing and buoyant  equilibrium of concrete outdoor Nature, the only permanant reliance for sanity of book or human life.’

Ik druk na deze geheimgehouden grootheid het gaspedaal nog eens dieper in, in de mensloze nacht en zoef

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Klein maken

In mijn vroege puberteit deed ik een observatie die me bij zou blijven en die het schopte tot een van de cruciale realisaties van de hoofdpersoon van mijn nieuwe roman Het jasje van Luis Martín. 

Bij de eerste gymles op het Gymnasium dwong juf Michels onze klas tot een potje trefbal, en werd een levensbepalend onderscheid tussen twee soorten persoon zichtbaar: degene die met alles inzet op het vangen en terugwerpen van de bal, en degene die zich klein maakt in de hoop dat de bal ergens mid-flight zal ophouden te bestaan. Je ziet deze mechanismen op volwassen leeftijd het duidelijkst in drukke supermarkten waar botsingen tussen karretjes onvermijdelijk zijn.

Mijn vrouw staat altijd aan. Het is een fundamentele eigenschap van haar die ik bewonder en waardeer. In trefbaltermen zou ze de werper nog voor hij de bal in beweging heeft gezet recht aankijken en vragen of hij zeker weet dat hij op haar wil mikken.

Nu ik erover nadenk lijk ik al mijn vrienden op deze trek te hebben geselecteerd. Een van mijn verjaardagen of boekpresentaties klinkt voor een passant waarschijnlijk als een meeuwenkolonie in een heel klein hok.

De vraag rijst tot welke groep ikzelf behoor. Tot beide, geloof ik.

Tijdens een familie-uitje op Terschelling afgelopen weekend vroeg mijn zwager welke rol ik op me zou nemen als het oorlog werd: collaborateur, oprichter van een ondergrondse drukkerij of partizaan. Mijn antwoord was er zo snel dat het vanuit mijn diepste binnenste moet zijn gekomen: ‘Onderduiker.’

Tegelijkertijd kan ook ik heel erg aan staan. Wie me alleen uit mijn horecajaren kent heeft me nooit anders gezien dan met het sociale gas vol open. Ik was gelukkig in die tijd, het waren gedachteloze jaren waarin ik me zeker wist van mijn plek en verbondenheid met de wereld om me heen.

Maar het schrijven. Mijn verhalen. Het is de onderduiker die dat doet: de kleine donkere man met de grote ogen die de bal daadwerkelijk kan laten verdwijnen voordat die hem raakt.

 

__________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Hendrickjes onderjurk


Op een rommelmarkt kocht ik een lakstempel, zo’n ding waarmee je als je vanuit je aangemeerde VOC-schip brieven schrijft, de enveloppen kunt verzegelen. Ik kocht ‘m eigenlijk vooral omdat ik leed aan koopdrang – ik moet érgens mijn innerlijke leegte mee opvullen – maar eenmaal in mijn bezit deed die stempel + bijbehorende lakstaaf (maak me gek met je…) toch iets met me.

Zo overviel me haarscherp de herinnering aan een zeer specifiek gevoel waar in het Nederlands voor zover ik weet geen woord voor is (ik vestig mijn hoop op de Duitsers of de Japanners in dezen), namelijk de o-god-ik-moet-al-drie-maanden-mijn-(pen)vriend-terugschrijven-sensatie; een zweterige mengeling van schaamte, zelfhaat, paniek, zelfmedelijden en actiebereidheid, maar nooit in de buurt van briefpapier, adresboek en pen, zodat deze Postschmerz (ik doe het zelf wel even) je voortaan met steeds regelmatiger intervallen overvalt. Schrijf je eindelijk je brief, vergeet je twee weken postzegels te kopen, tussendoor heb je je verre vriend al lang gebeld, of gezien, of de vriendschap is officieel verwaterd verklaard en dat komt verdomme allemaal door jou, enzovoorts, enzovoorts. Nogal een retro-emotie, wat mij betreft, toen e-mail in zwang kwam ben ik vrijwel onmiddellijk gestopt met het schrijven van brieven omdat ik gewoon te beroerd bleek om het op papier te kunnen.

Desalniettemin werd bovenstaande herinnering direct gevolgd door de behoefte aan, jawel, het schrijven van een brief. Maar aan wie? En vooral: met welke inhoud?

(Vanmiddag met ’t rijtuig van Joncker naar Den Haag gegaan. Miesje heeft bij Saartje haar kous gescheurd aan de lollepot, dus ik zal Hendrickje vragen die te stoppen. In de hoop dat deze brief je tijdig bereikt verblijf ik, Rosalinde van Ryswyck.)

 Het feit dat een brief er langer over doet dan ik om aan te komen bij mijn goede vrienden hield me tegen, en bovendien is het schrijven van brieven net zoiets als het bijhouden van een dagboek, de ervaring leert, het lukt niet. Dat ik het wel voor elkaar krijg teksten voor algemener publiek te schrijven kan verklaard worden door bijvoorbeeld een ziekelijke drang naar erkenning, of door het feit dat in een brief naar één persoon wellicht dieper ingegaan zou moeten worden op individuele emoties en het persoonlijk leven; dingen die al lang weer veranderd zijn als zo’n vel papier de ontvanger heeft bereikt, of die überhaupt te gênant zijn om te delen, behalve met hulp van een goede maaltijd en wijn.

(Post Scriptum: Ik heb zeer wonderlijk over Hendrickjes onderjurk gedroomd en voel sindsdien het bloedt naar mijn wangen stijgen wanneer zij me passedert, wellicht dat een aderlating me goed zou doen, wat denk jij, liefste?)

 Dus, dacht ik, we – ik werd er helemaal meervoud van – doen het helemaal anders! Voortaan schrijf ik de Tiradeblogs niet meer hier, maar op papier, en verdomd, ik heb gelijk een slogan. En dan stuur ik iedereen die mij een postzegel toezendt (u moet iets overhebben voor mijn bewijsdrang) handgeschreven blogs en wie klaagt over mijn handschrift is af. Voor de mensen die deze blogs niet om door te komen vinden zou ik ook best een serie brieven over de olifant van mijn bovenburen kunnen opstellen, waar men dan zelf eventuele psychoanalytische conclusies uit zou mogen trekken.

Totaal in mijn nopjes met dit schier onuitvoerbare (Postschmerz!) plan pakte ik aan de keukentafel gezeten de lakstempel uit. Lekker zwaar is –ie, met een zinnenprikkelende vorm en twee glanzende, kaarsrechte lakstaven erbij. Verliefd draaide ik het goudkleurige stempelvlak omhoog, waar ik een gestileerd dier verwachtte, of een jugendstillerige bloem, of het portret van een dame uit vervlogen tijden, iets dat heus aan mijn persoon of naam te verbinden zou zijn.

Maar het was een letter. De ‘M’. Van ‘Mooi niet’, denk ik zo.

(of van Mirade, maar zie de uitgeverij zo ver te krijgen…)

roos-van-rijswijk-foto-irwan-droog-kleinRoos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

 

 

 

"Foto van Roos van Rijswijk"
Roos van Rijswijk

Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Hallo wereld

Hij ziet het beste als hij zijn lenzen uit doet. Als de scherpte eraf is, maakt het overduidelijke plaats voor het mogelijke. De kerstverlichting gespannen boven winkelstraten opeens gigantische springtouwen, het grauwe trottoir het strand van een vulkaaneiland, de scherpe lijnen in zijn moeders gezicht zacht en aaibaar. ‘Hallo wereld!’ riep hij vroeger als hij hier stond, ‘Hallo auto’s, hallo mensen!’ Dan beeldde hij zich in dat in iedere auto die onder hem door schoot iemand zat die hallo terugriep. Tientallen, honderden keren groette hij snel achter elkaar, als een lopende-band-begroeter, en wanneer zijn vader hem wegtrok was hij altijd bang dat er toch nog één automobilist hallo zei. Die viel dan onbegroet van de band – daar voelde hij zich nog dagen schuldig over.

Hij is onderweg naar het familiediner. Allemaal mensen die met de jaren enkel scherper zijn geworden, hun contouren uit steen gehouwen – als water zoeken anderen zich een weg om hen heen. Niet bij hem. Bij hem gaan ze door hem heen. Kijken naar een punt achter zijn hoofd, schampen zijn schouder in het voorbijgaan. Je moet piketpalen slaan, zegt zijn vader altijd, je stempel drukken op de wereld. Maar het is andersom. De wereld stanst zich steeds dieper in jou. De littekens op je lijf talrijker, het teer in je longen onuitwisbaar, gewoontes onverbiddelijk; iedere nieuwe dag een beetje meer gekleurd door de voorgaande.

Ze zitten nu ongeveer aan het voorgerecht, evalueren het afgelopen jaar, bespreken hun plannen voor het komende. Zijn vader en broer zitten de hele avond met de armen over elkaar, zijn moeder spint garen tussen keuken en eetkamer en na vier wijn begint oma over de oorlog. Hetzelfde als vorige keer, maar met nieuwe kleren. Opeens weet hij het: hij blijft hier staan. Hij groet de auto’s die voorbij rijden en wacht wat de avond brengt. Met zijn lenzen uit is alles mogelijk.

roxane-van-iperenRoxane van Iperen is jurist en schrijver. Afgelopen jaar was ze gastcorrespondent Brazilië voor De Correspondent en verscheen haar debuutroman Schuim der Aarde (Lebowski). http://depleitschrijver.blogspot.nl

Verhuizen

img_2816Gisterenochtend wachtte ik bij het Westerdok op een pont naar de NDSM-werf.

Het was koud als in de winters van mijn jeugd. Alle gevoel trok zich uit mijn handen en tenen terug en mijn ogen traanden onophoudelijk. Toen de pont de steiger raakte kwam de zon op, alsof het één het ander veroorzaakte: een oud en roestig mechanisme dat zich onder het IJ bevond.

Ik liep met de fiets aan de hand naar de boeg en trok mijn telefoon uit mijn zak om nog een keer naar de route te kijken. Het ding leek niet meer te werken; ik drukte op alle knopjes, maar het scherm bleef zwart.

‘Komt door de kou,’ zei een Noorderling op een scooter naast me. Noorderlingen herken je aan hun scooters, hun kleding en zilveren sieraden. Noem het racial profiling, maar probeer mijn gelijk niet te ontkennen.

Vanaf de andere oever fietste ik in een zo recht mogelijke lijn naar het Noorden. Door mijn gebrek aan Google maps moest ik meerdere Noorderlingen de weg vragen, en ik kon telkens optekenen dat ze behulpzaam en vriendelijk waren. Slechts een minuut of drie te laat kwam ik bij het kanaal waar ik een woonark zou bekijken. B en ik zijn aftastend op zoek naar een ander huis, en omdat we allebei nogal romantisch zijn denken we aan wonen op het water.

Doel op deze ochtend was een van de mooiste arken die nu te koop staan te bekijken om er daarna zeker van te zijn dat Noord niets voor ons is. Het wilde niet zo lukken. De ark was schitterend, met twee hele verdiepingen boven de waterspiegel, een droge kelder eronder en een flinke tuin aan wal. Er lag een stalen schuitje naast en er was directe doorvaart naar open water.

Na rond te zijn geleid door de vriendelijke makelaar had ik grote moeite nog redenen te bedenken waarom we het niet zouden doen. Pas op weg terug (slechts 8 minuten fietsen naar de pont, die in slechts 5 minuten naar het Westerdok vaart!) werd ik me bewust van één groot en doorslaggevend nadeel.

Nadim is zo blij op zijn school in Westerpark. Hij heeft er vrienden die juichen als ze hem aan zien komen, en over wie hij uren kan vertellen als ik hem ’s middags ophaal. Omdat ik ook vaak met ze hang zijn ze een beetje mijn vrienden aan het worden. Zelf ben ik als kind een aantal keer verhuisd en ik vond het verschrikkelijk.

Ik dacht nog eens aan de ark en schudde mijn hoofd. Bij thuiskomst mikte ik de kleurige brochure van de makelaar tussen de kranten op tafel en bracht B – die achtergebleven was met onze dochter van drie weken – verslag uit.

Vanochtend was Nadim als eerste wakker. Toen ik met een arm vol kleren voor hem in de keuken kwam zat hij in zijn blote kont de brochure te lezen.

‘Wat is dit, papa?’ zei hij. ‘Van wie is dit huis?’

Ik keek over zijn schouder mee; zuchtte bij het zien van de opkomende zon boven al dat water. Fuck die kutmakelaars en hun gelamineerde dromen.

‘Misschien gaan we verhuizen. Ik ben naar een boot wezen kijken.’

Nadim bladerde wat heen en weer. ‘Ik vind dit wel een prachtig indrukwekkend boothuis. En wat is dat kleine scheepje ernaast?’

Dit soort dingen zegt mijn zoon dus echt. Hij is net vijf.

‘Hoort erbij,’ zei ik. ‘Via het kanaal kun je op open water komen. Vandaar vaar je de wijde wereld in. Het was een mooi huis, maar we doen het niet. Je zou van je school af moeten.’

Hij haalde zijn schouders op. Bladerde weer naar de foto van het uitzicht.

‘Ik wil wél naar een andere school.’

‘En je vrienden dan? Je juf?’

‘Maar het lijkt me zo gezellig als we met zijn allen de wijde wereld in kunnen op dat bootje…’

God help me, dacht ik. Nog een romanticus erbij.

__________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Jan Lodewijckx"
    Jan Lodewijckx

    Jan Lodewijckx (1990) had het wel even gehad op kantoor. Hij kocht een zware fiets en een kleine tent en zegde zijn werk op en zijn appartement.

  • "Foto van Lodewijk Verduin"
    Lodewijk Verduin

    Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

  • "Foto van Greet Kuipers"
    Greet Kuipers

    Greet Kuipers (1962) is psychiater. Onder het pseudoniem Minke Douwesz publiceerde zij bij uitgeverij Van Oorschot twee romans, Strikt en Weg. Voor de laatste ontving zij de Opzij Literatuurprijs 2009 en de Anna Bijns Prijs 2012.