Joseph Mitchell cursus in 4 stukjes: week 2: kroegenloper

Maandagavond was er in de Rode Hoed onder curatorschap van Trouw-columnist Bert Keizer een avond gewijd aan Simon Carmiggelt. Bert Keizer sprak met Clairy Polak en Henk Van Gelder (biograaf) en mede-columnisten Frits Abrahams en Renske de Greef over de columns van de grootmeester, de ‘kronkels’. Wat maakt ze nou zou goed, deze stadsanekdotes van de bijna-alcoholist Carmiggelt? (of zoals Keizer meldde: ‘haal dat “bijna” maar weg’.

Carmiggelt wist waar de lach zat, hij had een geweldig pen voor ongebruikelijke beelden, niet overdadig maar goed gemikt een paar per column. En een groot empathisch vermogen voor wat naar Carmiggelts smaak geen ‘ kleine mensen’ mochten heten. Mensen namelijk die even groot zijn als jij en ik.

 

Neem nou ajb even de tijd om deze kronkel te luisteren en te bekijken:

Ik vond het alsnog een revelatie: zijn dictie, de bedachtzame acteertrucs, de liefde voor zijn tekst. Wonderschoon! Goede beelden: jongens die aan de tapkast staan ‘uit te wasemen’, ‘always willing to bend an ellbow’ en ‘ dat woord moedertje liet hij op als een witte duif in de sigaren mist en keek het na’. Halverwege schoot mij een velletje van de Arbeiderspers scheurkalender van eerder dit jaar in. Het was een stukje uit Hans van Straten De omgevallen boekenkast. Privé-domein 133. En ik zag helder waar Carmiggelt en Mitchell elkaar raakten.

’17 februari 1962
De kennis van het antiquarische apparaat heeft het voordeel dat je het ook kunt bespelen. Op 17 februari 1962, een zaterdag, stond er in Het Parool een stukje van Carmiggelt over een pocket, die voor 49 cent te koop lag bij De Boekenwurm in de Kalverstraat, een gerenommeerde ramsjzaak. Die pocket heette McSorleys Wonderful Saloon en was geschreven door Joseph Mitchell. Een bundel zeer knappe reportages over kroegen en persoonlijkheden aan de zelfkant van het Newyorkse leven.
Toen ik ‘s maandags in het middaguur met Heinz ging kijken, viste ik natuurlijk mijlenver achter het net. De krant was nog niet koud uit geweest of er had zich een stormloop op De Boekenwurm ontwikkeld. Binnen het uur was de voorraad van vijftig exemplaren uitverkocht – op één na, die tegen de stelling was geplakt met het bijschrift: ‘Dit is de laatste, die hou ik zelf. De Boekenwurm’.
Maar ik was niet voor één gat gevangen. Als De Boekenwurm niets meer had, kon ik het altijd nog elders proberen. De volgende middag ging ik op pad en ik stroopte systematisch alle in aanmerking komende antiquariaten in de binnenstad af. Het liep al tegen zessen toen ik de tiende en laatste binnenstapte, het dubbele pand van mevrouw Jansen aan de Spuistraat, maar daar vond ik tussen de rommel dan ook twee exemplaren, zij het van een andere (Canadese) uitgave. Eén heb ik weggegeven, het andere prijkt nog in mijn boekenkast. Het stukje van Carmiggelt heb ik erin geplakt.’

Mitchell is een herontdekte klassieker, blijkt nu, Carmiggelt was een groot fan. Hoe kan dat ook anders?

Mitchells McSorley’s wonderbaarlijke saloon verschijnt over twee weken, in een vertaling van Dirk-Jan Arensman, 1 deel bij van Oorschot, 1 deel bij Lebowski.

 

*Lees ook het eerste stukje in deze reeks van vier.

————–

schermafbeelding-2016-09-22-om-09-18-52Menno Hartman was redacteur van Tirade,  is uitgever bij Van Oorschot. Hij blogt elke donderdag voor Tirade.

 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Gesloten

img_2383Elke maandagavond eten mijn zoon en ik saoto bij Warung Marlon in de Pijp. Nadim is een man van gewoonte gebleken, en pogingen om hem een keertje mee te krijgen naar Kam Kee voor cheung fan of zelfs maar wan tan soep, stuiten altijd op afwijzing. Hij lijkt op die momenten niet alleen mijn voorstel, maar ook de persoon erachter af te wijzen.

Hoe kun je, lijkt hij te willen zeggen, en schudt hij zijn grote blonde hoofd. Die mensen rekenen op ons.

Toen ik op mijn negentiende in de Pijp kwam wonen had de buurt geen goede naam, maar ik was meteen verliefd op de Cuyp, op Humphrey Tjins toko, toko Ramee, Lelydorp, Albina, Cambodja City, Warung Marlon, Warung Mini, Kam Kee, Slagerij Zagora en de tientallen kleine Turkse en Marokkaanse winkeltjes die je er kon vinden. Ik noem hier een paar van de bekendste, maar om die tientallen naamloze winkeltjes gaat het me nu. In de laatste jaren sloten ze een voor een.

Deze maandag bleek de ruit van de buurtwinkel op de Van der Helst ook witgekalkt. Hun stoep stond altijd vol pruimen, granaatappels, bloedsinaasappels, aardbeien, alles liefdevol uitgestald. Een groentenman, was het, maar ook een Halalslager en een melkboer. Hun assortiment was atypisch, mediterraan. De sumac stond er naast de sesampasta die weer naast de bloemkool stond, en je kon er durumgries kopen voor een euro per kilo. Voor iemand wiens dagelijks geluk voor een groot deel afhangt van wat hij die avond mag koken zijn dit soort sluitingen een groot verlies.

Geen idee wat de familie die altijd zo’n werk van de etalage maakte nu gaat doen. De zoon des huizes was duidelijk nog niet klaar met het werkende deel van zijn leven. Meest waarschijnlijk is dat hun huurcontract was afgelopen, en nieuwe contracten hebben nieuwe prijzen. Misschien was de fundering niet goed meer. Een casco winkelruimte met nieuwe fundering in de Van der Helst moet toch minstens 4000 euro per maand opbrengen. Dat krijg je niet bij elkaar met reine claudes, Doyenneperen en ongeroosterde cashews.

Maar dit soort zaakjes is erfgoed, mensen. Dit was de kruidenier. Ons werd door immigranten een tweede kans gegund met een fijne eigengereide buurtwinkel, nadat we ons geld zo lang naar de Appie hadden gedragen dat alle Hollandse buurtwinkels waren uitgestorven.

Ik kan wel janken.

___________________________________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verschijnt zijn nieuwe roman Het jasje van Luis Martín.

 

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

De eerste keer – wespen en vrienden

De eerste keer dat ik een vriendschap niet wilde sluiten, bewust nadacht over manieren waarop ik kon voorkomen dat dit zou gebeuren zonder dat er mensen moreel beschadigd zouden worden, was ik een jaar of elf. Er zouden nog veel ongemakkelijke sociale verbintenissen volgen, maar dit was de allereerste, in ieder geval de eerste waarbij ik de onwillige partij was.

We stonden allebei te kijken naar hoe andere kinderen van een erg hoog klimrek vol buizen en beton gleden. Ik was hard op mijn stuitje terecht gekomen en moest bijkomen, het meisje naast me, zeker een kop groter, durfde niet.

‘Ze willen ‘m weghalen,’ zei ik over het klimrek, dat de vorm had van een enorme slak.

In de binnenkant van die slak zat een prachtig gangenstelsel waar kinderen als peuter in konden verdwijnen om pas veertien jaar later weer zonlicht te zien, en waar het hevig naar pis stonk. De enige handreiking naar bezorgde ouders en kinderschedels was het feit dat de slak op een bedje van zand stond, waar op onverwachte plekken betonblokken uit omhoog staken. Het was een geweldig ding, ik weet niet of het er nog staat.

Het meisje ging zitten en liet het zand tussen haar vingers door glijden, ze filterde er kleine witte schelpjes uit die ze met onhandige handen op een rij legde.

‘Jammer,’ zei ze.

Ik legde er blauwige schelpjes bij. Het meisje ademde door haar mond.

Waarschijnlijk zat ik bij dat klimrek omdat de jongens uit de buurt liever niet meer wilden dat er een heel raar meisje meevoetbalde, en de meisjes die ik kende met vakantie waren of al lang over de klimrekfase heen gegroeid, zoiets. Ik zei tegen mijn enige object van hoop dat ik haar nog nooit gezien had bij De Slak.

‘Ja nee,’ zei ze, ‘ik mag nooit alleen, kijk daar is me vader.’

Ze wees naar een vader.

‘Wat stom, wie mag er nou niet alleen buitenspelen.’

‘Zit je op Gein?’ vroeg ze.

Dat was de school en ook daar hadden we elkaar ook nog nooit gezien. Ons verkennende gesprek werd onderbroken door een wesp die op haar kleverige wangen afkwam. Het meisje huilde en terwijl haar vader aan kwam lopen, snikte ze dat ze altijd zo bang was dat ze de wesp in zou slikken. Dat hij haar dan in haar hart zou steken.

schermafbeelding-2016-09-19-om-11-38-57Haar vader hielp haar overeind en ik zag dat hij haar op zou tillen als ze niet zo verschrikkelijk lang was geweest. Er klopte iets niet. Als ik een paar jaar jonger was geweest had ik het gewoon kunnen maken om weg te rennen, dat doet kinderen nu eenmaal, wegrennen, zomaar met dingen gooien, zonder aankondiging over hun schooltafeltje kotsen, iets uit een winkel meepakken zonder te betalen om te kijken of het kan. Maar ik kon niet meer wegrennen, dat zag ik ook wel in, hoewel het even door me heen ging dat mensen me over het algemeen aanzagen voor een zevenjarig jongetje.

‘Een wesp kan niet bij je hart,’ legde ik zwakjes uit.

‘Wat goed van jou,’ zei haar vader op een toon die verried dat hij inderdaad dacht dat ik een zevenjarig jongetje was, ‘hij komt eerst in je slokdarm, hè? Zitten jullie bij elkaar in de klas?’

Nader onderzoek wees uit dat het reusachtige meisje, nu haar tranen drogend en spelend met de knoopjes van haar vaders overhemd, zes jaar was.

‘Nou hee,’ zei haar vader opgeruimd, ‘wat fijn dat jullie vrienden zijn geworden hier. Kom je morgen ook weer, om één uur?’

Ik zei ja leuk of prima of oké of ik denk het wel en rende alsnog weg, misschien was dit de eerste keer dat ik een vriendschap niet wilde en de laatste keer dat ik uit een sociale situatie ontsnapte door gewoon de benen te nemen en niet achterom te kijken.

Uit voorzorg meed ik De Slak een paar weken.

Het is een heel specifiek gevoel van ongemakkelijkheid, dat zich in alle jaren erna en ook nu nog op precies dezelfde wijze openbaart. Een innerlijke ‘God, nee’, een flakkerend schuldgevoel, het razendsnel maken van kleine overwegingen – toen ik het meisje en haar vader aankeek in het korte moment voor ik de sprint maakte, dacht ik: waarom ook niet, wat is vijf jaar nou, wat gek dat alle vrienden altijd precies even oud moeten zijn.

Een tijd geleden gebeurde het me weer, in de metro (altijd in de metro), ik raakte aan de praat met een aardige vrouw, die na afloop voorstelde nummers uit te wisselen en een keer een borrel te doen, maar er ging een alarmbel af in mijn achterhoofd die iets te maken had met het fluwelen gewaad dat ze droeg (waarom ook niet, wat is een fluwelen gewaad nou, waarom moeten alle vrienden altijd precies dezelfde kleren dragen) en ik zei heel volwassen dat dit me geen goed idee leek.

‘Maar het was gezellig, doei.’

Als een valse poes die voor de vorm haar staart tussen de benen hangt verliet ik het metrostel, en vroeg ik me zoals elke keer in deze zeldzame situaties af of het ooit een wesp gelukt was, bijvoorbeeld in een operatiekamer, recht een mensenhart te raken.

—-

roos-van-rijswijk-foto-irwan-droog-kleinRoos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

 

"Foto van Roos van Rijswijk"
Roos van Rijswijk

Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Berliner Licht

Het is avond, een uur of acht, en ik loop naar de supermarkt. We wonen aan een kanaal en het is er ’s avonds, zoals vrijwel overal in Berlijn, erbarmelijk verlicht. Duistere gedaantes moet je maar gewoon zonder vrezen dichterbij laten komen, het is vast gewoon een dame die haar hond uitlaat, en anders kom je er toch pas achter als het al te laat is. Fietsers hebben hier zowel de straat als de stoep tot hun beschikking, en lijken telepathisch begaafd om steeds de optie te kiezen die mij als voetganger op dat moment het slechtste uitkomt.

Maar deze avond valt het mee met de fietsers, en goddank ook met de warmte. Ik vind het altijd een beetje vies om een avond als zwoel te omschrijven, niet vanwege het plakkerige gevoel of de seksuele spanning die de formulering oproept, maar gewoon omdat het zo’n vreselijke dooddoener is. Laten we deze avond dus in godsnaam maar ‘aangenaam warm’ noemen. Het was aangenaam warm en ik wandelde in het donker langs het kanaal richting de hoek van de straat. Het kanaal was niet zichtbaar, ik zag de brug, daarboven de bomen langs het kanaal, daarboven een tijdje niks en dan de maan, die ik gedurende mijn verblijf hier langzaam aan heb zien zwellen naar wat nu een felle, kogelronde volle maan is geworden.

Op de kruising sla ik linksaf de winkelstraat in. Ook hier domineert de straatverlichting niet, en misschien wel daarom is het een kakofonie van verschillende soorten licht: een statige pavane van feestelijke peertjes boven de luifel van een café, de zachtoranje gloed van het kunstboompje met overmaatse sinaasappels in een etalage dat ’s avonds ineens een lamp blijkt te zijn, het heldere, bijna witte licht van de spots op het hippe baksteengebouw aan de overkant. Ik loop langs een nu donkere platenzaak, een blinkende juwelenwinkel en de keihard verlichte wasserette met op de eerste verdieping het wasserettecafé (Kaffee und Snacks!).

Tussen de juwelenwinkel en de wasserette is een doorgang, er is geen stoep, de doorgang is net als Berlijn en het gebied tussen Amsterdam Centraal en de ponten naar Noord een soort shared space, planologentaal voor zoek het maar uit. De doorgang leidt naar een parkeerterrein dat aan alle kanten door hoge, blinde muren omringd wordt. Ik vermoed dat de imposante, wel tien meter hoge blinde muur aan de linkerzijde wel eens onderdeel va ons gebouw zou kunnen zijn. Op deze parkeerplaats, die als een eiland in het huizenblok ligt, staat het Amerikaans aandoende pand van de supermarkt, naast de trap die naar een blijkbaar hoger gelegen klimhal leidt.

Ik nader de supermarkt. Voor de deur in het halfduister staat een grote zwarte hond. Ik probeer hem eerst te ontwijken, en hou hem argwanend in de gaten. Dat is niet nodig. Het is een lieve hond.

 


Daan Doesborgh (1988) is schrijver en redacteur van Tirade. De maand september brengt hij door in Berlijn. Op Tirade.nu blogt hij elke zondag over wat hem op is gevallen.

Kleine Joseph Mitchell cursus in 4 stukjes: week 1. Antropoloog

Aan de rafelranden van mijn stad, Amsterdam, liep ik door een arboretum, een museum voor bomen waar in dit geval toevallig ook veel mensen begraven liggen. De Nieuwe Ooster. Ik noteerde gezien te hebben onder meer: De Japanse Zelkova, de Tranenden, Finse Meelbes, Roomappel-Pawpaw, de Doornloze valse Christusdoorn, de Prieeliep, de Amerikaanse vogelkers, de Krimlinde, Servische spar, zakdoekjesboom, Schijncipres, Mongoolse Linde en o, nog zoveel meer. Ik deed die fascinatie op langs Hadrian’s Wall en kom er niet meer vanaf.

Om kennis te vergaren is zo’n bomenmuseum voor mij wel een aardige oplossing. Ik praat niet zo graag en bomen hoef je alleen maar te bewonderen. Als er een bordje bijstaat hoef je zelfs niemand te vragen: wat voor boom is dit?

Als Joseph Mitchell door de stad liep waren mensen zijn doelwit, vreemde vogels vooral, hij wilde mensen leren begrijpen en leren kennen. Over een maand verschijnt het levenswerk van Joseph Mitchell bij twee uitgevers, bij Lebowski en bij Van Oorschot. We hebben zijn oeuvre opgedeeld omdat we vonden dat we er samen meer aandacht voor konden vragen, en omdat we gewoon allebei een Mitchellboek wilden maken. Die hard fans. Nu heb je dus de eigenaardige en leuke gegevenheid dat Van Oorschot u van harte aanraadt vooral een Lebowski boek te kopen, en vice versa. Je koopt ze trouwens het beste alletwee. Ze lijken op een tafel liggend totaal niet op elkaar, maar in de boekenkast zijn het tweelingen.

Mitchell’s reportages van de jaren ’30 en ’40, zijn evenzovele zoektochten naar de levenswijzen van een deel van zijn stadsgenoten: drinkers bijvoorbeeld, en kroegtijgers in de verhalen die rond café’s spelen, maar ook de wereld van doven en slechthorenden, de groepen Mohawk-indianen die in de bouw komen werken. Mitchell praat niet een keer een halfuurtje met iemand, maar ik denk voor de meeste verhalen zeker een keer of dertig, twee uur lang, hij praat met de mensen zelf, de mensen die met ze te maken hebben, de mensen die last van ze hebben etc. Mitchell is een stadsantropoloog met een romancierblik.

img_3802
De levende gezellig weerspiegeld tussen de vergledenen… en onderaan de Mercedes.

Aan het begin van de Nieuwe Ooster staat een paar heel grote graven die ik veronderstel zigeurgraven te zijn, of graven van leden van de Sinti of Romabevolking, zoals je nu zegt.

Sinds ik Mitchell gelezen heb weet ik waarom er op dit graf een Mercedes staat. Ik las nooit kleurrijker portretten dan die van Mitchell over de Gypsykings in New York  schreef. Oordeelloos, informatief, uitputtend, veelomvattend,  intrigerend, hilarisch, nadenkend.

‘De Machwaya zijn grote-autozigeuners. Ze rijden in Cadillacs, Packards en Lincolns. De andere zigeuners hebben een gezegde dat als een Machwaya zou moeten kiezen tussen een gloednieuw Ford en een oud barrel van een Cadillac waarvan je al moeite hebt hem aan
de praat te krijgen, hij voor de Cadillac zou kiezen.’ (uit: McSorley’s wonderbaarlijke saloon, vertaling Dirk-Jan Arensman)

Naar Mitchell 2

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Consolidatie

img_2361Gisterenavond at ik met mijn oude vriend Jasper. We zien elkaar zo’n drie keer per jaar en maken daarvoor afspraken die we steevast verzetten voordat ze uiteindelijk doorgaan. De traditie is dat ik zijn verjaardag vergeet en hem de dag erna bel en doe alsof het zijn verjaardag is. Jasper kan het nooit laten me te verbeteren.

‘Nee, dat was gister,’ zegt hij dan in zijn immer opgewekte toon. ‘Maar leuk dat je belt.’

Aangezien ik vorige week jarig was nam hij me mee naar Kaagman en Kortekaas. Mocht je er nog niet geweest zijn: doen. Zowel qua keuken als bediening iets bijzonders. Een liefdevolle zaak. Jasper vond het er meteen leuk, en zoals ik hem ken zal hij er binnen twee weken alweer zitten.

Omdat het takkewarm was aten we buiten in de steeg, op een bankje met twee brede leuningen die eigenlijk voor aperitieven zijn bedoeld. Telkens als we een nieuwe gang kregen moesten we ons van elkaar vandaan draaien om te eten voordat we verder konden praten. Het was dan even stil, maar meer omdat het eten zo goed was dan omdat we niets tegen elkaar te zeggen hadden.

Het is een bijzonder iets om een oude vriend drie keer per jaar te zien. We kennen elkaars kinderen niet echt en spreken elkaars partners nooit. Wat Jasper weet over mijn leven is wat ik hem vertel. We zijn ongelooflijk comfortabel met elkaar en tegelijkertijd nauwelijks op de hoogte.

Ergens rond het eerste hoofdgerecht (kalfsmergpijp met rauwe langoustine, godbetert) vertelde ik mijn vriend dat ik de laatste tijd wat keuzes heb gemaakt; dat ik bezig ben met hoe ik de rest van mijn leven wil doorbrengen, en minder zoek naar grootsheid en meeslependheid. Dit klinkt misschien ouwelijk voor iemand van 43 jaar, maar Jasper en ik zijn tegenwoordig ouder dan zijn broer Martijn en mijn vriend Gijs ooit zijn geworden.

Jasper schoof zijn lege bord van zich af, stak een sigaret op en hoorde me aan. Na al die jaren rookt hij nog even onwennig als toen we er samen mee begonnen. Het is – wat mij betreft – een van zijn charmes geworden.

‘Dat lijkt me een heel goed plan,’ zei hij toen ik was uitgepraat, en door de vertrouwde opgeruimdheid in zijn stem leek het opeens mogelijk dat ik hem over vier maanden zal vertellen dat mijn keuzes goed zijn uitgepakt.

________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verschijnt zijn nieuwe roman Het jasje van Luis Martín.

 

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Marian van der Pluijm"
    Marian van der Pluijm

    Marian van der Pluijm (1997) is historica. Momenteel woont ze in Boedapest, waar ze Hongaarse Taal en Cultuur studeert. Voor VPRO-radioprogramma OVT maakte zij een documentaire over de Hongaarse dichter Miklós Radnóti. Zondag 7 november werd de documentaire uitgezonden op NPO Radio 1.

  • "Foto van Jos Versteegen"
    Jos Versteegen

    Jos Versteegen (1956) schreef zeven dichtbundels, waarin hij zich vooral liet inspireren door zijn familie en zijn jeugd in Limburg. Voor zijn debuutbundel werd hij genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Zijn meest recente bundel is Woon ik hier, met herinneringen van oude mensen. In 2016 publiceerde hij zijn vertaling van de Duitse gedichten die Hans Keilson in 1944 in de onderduik schreef voor een geliefde: Sonnetten voor Hanna. Jos Versteegen werkt sinds begin 2017 aan de biografie van Hans Keilson.

  • "Foto van Willemijn Kranendonk"
    Willemijn Kranendonk

    Willemijn Kranendonk (1994) is schrijver en dichter, voor zowel kinderen als volwassenen. Haar werk verscheen o.a. in Tirade, DW B, Liegend Konijn en op Lilith Magazine, Revisor, De Internet Gids, Hard//Hoofd en De Optimist. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman die dit jaar nog uit zal komen bij Uitgeverij Van Oorschot en volgt ze de master Jeugdliteratuur aan de Universiteit van Tilburg. Mei 2022 verschijnt haar eerste kinderboek bij Uitgeverij Billy Bones.