Maarten van der Graaff – Let’s get unconscious

Ik loop naar de trein en rechts van me verschijnt een man in fluorescerende overall die een groot ijzeren ding draagt. Hij draagt het met veel zorg. Het ijzeren ding ziet er uit als een pijp, maar heeft een brede rand, waardoor het een grote ijzeren hoed lijkt. Ik kan me niet voorstellen waar het ding voor is. De man nadert een opening tussen twee hekken, die een beetje slap uit hun betonnen verankeringen hangen. De opening is net niet groot genoeg. Hij moet zijn rechterschouder tegen het hek drukken om erdoor te kunnen. Mijn hand beweegt: ik wil het hek opzij duwen. Ik schrik van deze beweging, trek mijn hand terug en loop door richting trein. Mag ik hem wel helpen? Is het geen belediging om een paar seconden lang werk te doen dat je niet eens begrijpt en dat je nooit zal hoeven doen? Ik weet niet wat ik precies heb gezien, wat er voor werk om mij heen wordt verricht. Het is fysiek inspannend, verder kom ik niet.

Lieke zegt dat ze meer popcultuur op de Tiradeblog wil. ‘Ze zullen me ook eens voor de serieuze essayistiek vragen,’ typ ik in de het venster van de facebookchat en beloof iets met een oude Madonnavideo te doen.

Wat hebben Madonna, de man met de ijzeren hoed en ik gemeen? Niemand kan een betere euroknaller kopen dan de anderen. De euroknaller maakt ons gelijk. Ik jat dit van Andy Warhol (in The philosophy of Andy Warhol gebruikt hij het kopen van een hotdog in Central Park als voorbeeld).

In dat boek verzucht Warhol – of eigenlijk zijn ghostwriter– dat de president zoveel publiciteitspotentieel heeft dat nooit wordt benut. Hij vindt dat de president eens een lijst zou moeten maken met allerlei taken waarvoor mensen zich schamen, om vervolgens juist deze dingen op televisie te doen. We zien de president de openbare toiletten van ‘the Capitol’ schoonmaken en uitroepen: ‘Why not? Somebody’s got to do it!’
Dit zou de mensen die dit mooie werk gewoonlijk doen een hart onder de riem steken.
Ik wil een video met Madonna maken waarin ze langzaam, met haar armen om een ijzeren hoed geslagen, tussen twee hekken doorloopt. 

‘The city had converted and elevated length of abandoned railway spur into an aerial greenway and the agent and I were walking south along it in the unseasonable warmth after an outrageously expensive celebratory meal in Chelsea that included baby octopuses the chef literally massaged to death.’

Deze sinistere culinaire uitspatting is het begin van 10:04 van Ben Lerner. Wat een goede openingszin en hoe David Foster Wallace-achtig is dat ‘literally massaged to death’. 10:04 bevat hele banale meta-fictie, die me verblufte (terwijl ik toch pas I love Dick van Chris Kraus las, een fantastisch boek dat ook bol staat van dit soort platte, onbeholpen metafictie). Ga Chris Kraus lezen. Maar eerst: banale metafictie in 10:04, een opsomming:

1. Je leest over een auteur die worstelt met een manuscript over literaire fraude en uiteindelijk besluit het boek te schrijven dat je nu leest.

2. In de New Yorker verscheen een verhaal van Ben Lerner. De auteur die de hoofdpersoon van Lerners boek is publiceerde dit verhaal in de New Yorker. Dit verhaal leverde beide auteurs ‘a strong six figure’ deal op voor een tweede boek.

3. De lezer wordt met enige regelmaat aangesproken als ‘jij’ of zelfs als ‘lezer’.

4. De beschrijvingen van de strubbelingen van de schrijver met zijn roman vormen een essay over Walt Whitman, catastrofe en gemeenschap. Ben Lerner is een meester van het plotselinge essay (begint en eindigt in media res en doemt opeens op).

5. In de roman wordt expliciet naar collectiviteit gezocht.

6. De roman eindigt met dichtregels van Whitman, maar zoals men dichtregels citeert in proza. Met een / dus.

Die dichtregels luiden: ‘I know it’s hard to understand / I am with you, and I know how it is.’
Op de Brooklyn Bridge staan en plotseling menigten kunnen bevatten. Iemand moet het doen.

Of is al die ingenieuze banaliteit een vorm van cynisme en wil Lerner ontsnappen aan zijn eigen vragen? Dat wordt hier bediscussieerd.

Nog enkele mededelingen:

– Hier staan plaatjes van mensen die tatoeages hebben van Whitmanregels.
Laten we onze lichamen bekrassen en met elkaar praten.

– Iedereen moet Chris Kraus lezen. De hoofdfiguren van Lerner lijken op die van Kraus, maar zijn ook onuitstaanbare kerels. Leg Catt Dunlop – kunstcritica en vastgoedhandelaar – uit Summer of hate daar eens naast.

– Dit is de videoclip van ‘Bedtime story’ van Madonna. Het is 1994 en ze zingt: ‘today is the last day I’m using words’. Ik kijk naar de clip, denk aan Micha Klein en laat de video aan Laurie zien. Ze ontdekt dat er een ijzeren hoed in voorkomt. 

In de Oorshop

De astronaut

Ik kuste eens een astronaut. Ik kwam hem tegen op een Braziliaans feest in het Bimhuis, maar Braziliaan was hij niet.
‘Als je onze aarde eenmaal vanuit de ruimte hebt gezien´, zei hij ´dan weet je dat we allemaal wereldburgers zijn.’ Earth dwellers, ik geloof dat hij het zo zei.

(Luistersuggestie)

Mijn mondhoek krulde zich als vanzelf omhoog toen ik hem zag. Hij stond voor het podium, waarop een bossanovaband speelde, en hij onderdrukte een soepele dansbeweging in zijn heupen. Op zijn getuite lippen leunde een zware snor. De zilveren accenten in zijn glanzende witte pak accentueerden zijn brede schouders.

Er stond een Amerikaans vlaggetje op zijn bovenarm.
‘Dus je bent geen kosmonaut?’, vroeg ik, en ik probeerde die roofdierenblik te onderdrukken, waar mannen als hij ongetwijfeld de hele dag mee lastiggevallen worden.
‘Dat hangt ervan af wie me inhuurt’, zei hij, tot mijn genoegen. Want een man zonder principes is een man naar mijn hart.
Van onder zijn opengeritste kraag kroop donker borsthaar vandaan, zag ik, toen ik zijn hand pakte en hem in een pirouette mijn kant op trok. Op de bossanovaversie van fly me to the moon zwierde ik hem over de dansvloer, terwijl de losgekoppelde zuurstofslangen van zijn pak om ons heen zwaaiden.
‘Voor iemand die de hemel bereist, lijk je vrij down to earth’, fluisterde ik in zijn oor.
‘Je moet kalm blijven in hectische situaties’, beaamde hij.

En het is inderdaad niet niks, opstijgen met zo’n raket, maakte ik op uit zijn omschrijving van zijn werk, toen we geleund tegen de bar een caipirinha dronken. Hij tuitte zijn besnorde lippen op een prettig soort bimbomanier, als hij uit het rietje dronk.
‘Als je snel in paniek raakt, ben je niet de juiste man voor deze baan’, zei hij. ‘Kijk, een shuttle is een ander verhaal. Dat is een soort bus, die rustig heen en weer rijdt. Langzaam, relaxed. Maar een raket, dat is schudden. En hij is ook kapot na één keer gebruik. Het is een hoop verspilling’, besloot hij.
‘Een hoop geld naar de maan?’, vroeg ik.
Maar daar wilde hij geen uitspraak over doen.

‘Wil je je helm voor me opzetten?’, vroeg ik. Die is hij toen uit de garderobe gaan halen. En al leverde dat vervolgens wat afstandelijkheid tussen ons op, vanachter het polymere glas schitterden zijn donkere ogen alleen maar mysterieuzer, terwijl we nu een samba dansten. En het maakte me hongeriger naar mijn prooi, dus ik stelde hem voor naar mijn huis te verplaatsen.

Ik heb geen achterop op mijn fiets. Dat is al vaker een probleem gebleken, maar deze keer in het bijzonder want het leek haast een eeuwigheid te duren, dat hij in zijn maanwagen achter me aan hobbelde over de Piet Heinkade. Ik ben een geduldig type, te geduldig vind ik soms, maar op een gegeven moment werd het zelfs mij te gortig, en ben ik toch maar doorgefietst naar huis.

Dat neem ik mezelf nog altijd kwalijk.

‘Waar was je nou opeens?’, sms’te hij even later. Verstuurd via de Hubble-telescoop, stond daaronder. Hij moest helemaal terug naar de andere kant van de stad, sms’te hij, en daarmee heb ik mijn kans op een kijkje door zijn telescoop verkeken.

Ik lees nog wel eens in de krant dat hij weer veilig is geland in Baikanoer. Dan denk ik aan zijn zwarte snor en overvalt me een galactisch soort weemoed die ik voorheen nooit had gekend.

 

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

‘Luister naar het zachte grommen van mijn talent’ – Tepper herlezen

Nanne Tepper werd op 17 januari 1962 geboren in Hoogezand. Op zaterdag 10 november 2012 maakte hij een einde aan zijn leven.

Tot zover de human interest.

In 1995 debuteerde Nanne Tepper met De eeuwige jachtvelden (roman). Daarna publiceerde hij nog twee kleine romans – De avonturen van Hillebillie Veen (1997, handelseditie 2002) en De vaders van de gedachte (1998) – en een bundel prozaschetsen en columns: De lijfbard van Knut de Verschrikkelijke, atonale schertsen (2008). Op de website van de NRC kun je de literatuurkritieken teruglezen die hij voor de boekenbijlage van die krant schreef.

Het oeuvre van Tepper is klein, maar hoogwaardig. Hafid Bouazza en Nanne Tepper – dat waren dé literaire beloften van de jaren negentig.

Jaarlijks herleest romancier en essayist Daniël Rovers De eeuwige jachtvelden. Dit jaar doet hij, voor Tirade, bovendien verslag van zijn bevindingen. We publiceren Daniëls gastblog over De eeuwige jachtvelden op maandag 10 november 2014 – exact twee jaar na het overlijden van Nanne Tepper.

Tepper dejDaniël Rovers schreef overigens al eerder over Teppers debuut. Een citaat uit Wat wil je dat ik zeg? Wat wil je dat ik wil horen?, een essay uit Rovers Bunzing, over land, literatuur & rijtjeshuizen (Vantilt, 2005; p. 174):

‘Met name Nabokovs wonderwerk Ada vormt een herkenbare inspiratiebron van De eeuwige jachtvelden. En net als Nabokov vecht Tepper een voortdurend stilistisch gevecht uit op zijn pagina’s. Maar waar Nabokov een strijd levert tegen de banaliteit van de stijlloze zin, daar vecht Tepper tegen een veel verraderlijker vijand: de sentimentaliteit van een gemediatiseerde wereld. En omdat Tepper minder stijlvast is dan Nabokov, dreigt hij het gevecht voortdurend te verliezen. Dát maakt zijn boek zo aangrijpend.’

 

Mocht je het ook interessant vinden Teppers debuut te (her)lezen, dan kun je – zoals gezegd – op maandag 10 november je bevindingen vergelijken met die van Daniël Rovers.

De titel van deze blog is een citaat uit: De eeuwige jachtvelden (1995;p224).

Portret Nanne Tepper: Harry Cock (VN); voorplat De eeuwige jachtvelden: KB.

Girl, you’re gonna carry that Weight

emma-sulkowicz-carries-mattressEmma Sulkowicz draagt het matras waarop zij verkracht is met zich mee, net zolang tot de dader veroordeeld is. Ze werd op de eerste dag in haar eerste jaar door een studiegenoot aan Columbia University verkracht. En sindsdien doet ze moeite hem van de campus verdreven te krijgen, maar dat lukt niet. “Even seeing people who look remotely like my rapist scares me. Last semester I was working in the dark room in the photography department. Though my rapist wasn’t in my class, he asked permission from his teacher to come and work in the dark room during my class time. I started crying and hyperventilating. As long as he’s on campus with me, he can continue to harass me.’

De kunststudente heeft er een afstudeerproject van gemaakt. ‘Carry the Weight.’ Ze maakt heel letterlijk duidelijk wat zij met zich meedraagt. Haar matras is haar last. Die personificatie is een bijna shakespeareaanse truc. En dit is in al zijn gruwelijkheid ook een pleidooi voor Shakespeare. Hoe onnozel dat ook mag klinken, een pleidooi voor Shakespeare! Tegen zo’n suggestie hebben we spreekwoorden: ‘Goede wijn behoeft geen krans’ bijvoorbeeld, of ‘trap geen open deuren in’. ‘Is Shakespeare goed?’ ‘Tsja: is water nat?’

Toen ik gisteravond echter de nieuwe vertaling van Peter Verstegen uitlas, de vertaling van ‘The Rape of Lucrece’, zat ik daar toch gewoon zwaar aangeslagen in het halfdonker voor me uit te staren in 2014, om een tekst uit 1594, handelend over een klassieke verkrachting uit 509 voor Christus. Maar in de overweging van de brute verkrachter Tarquinius kon ik argumenten proeven die een hedendaagse verkrachter zou kunnen hanteren. De verkrachter vraagt zich nog even af of het de schande waard is:

‘What win I, if I gain the thing I seek?
A dream, a breath, a froth of fleeting joy.
Who buys a minute’s mirth to wail a week?
Or sells eternity to get a toy?
For one sweet grape who will the vine destroy?
Or what fond beggar, but to touch the crown,
Would with the sceptre straight be strucken down?

Hij zoekt vervolgens manieren om zijn lust zijn rede te laten overwinnen op het moment dat dat nodig is. En in de gedachten van na de vuige daad,  de kuise Lucretia aangedaan, voel je heel goed weergegeven wat ik me voorstel dat een vrouw vandaag zou kunnen voelen.

So she, deep-drenched in a sea of care,
Holds disputation with each thing she views,
And to herself all sorrow doth compare;
No object but her passion’s strength renews;
And as one shifts, another straight ensues:
Sometime her grief is dumb and hath no words;
Sometime ’tis mad and too much talk affords.

Het mooiste stuk is wanneer Lucretia een gezant heeft weggestuurd om haar vader en haar man te laten halen en denkt aan een schilderij, en zoekt naar wie op dat schilderij over de Trojaanse oorlog zich net zo verschrikkelijk zou kunnen voelen als zij. En dan beschrijft ze dat schilderij. Het is werkelijk een meesterlijke vondst van Shakespeare. Niet alleen omdat er wat tijd gedood moet worden tot de bode weerkeert, maar ook omdat het zo mooi de menselijke geest toont in zijn vermoeidheid na groot leed, en zich weer wat begint voor te stellen. Maar ook omdat er in de belegering van Troje, maar ook de geroofde bruid zoveel analogie zit met de wijze waarop zij zelf belegerd is, en hoe haar eer geroofd is. Dat soort overwegingen.

In de toneelwerken van Shakespeare die ik zag valt altijd op hoe zeer zijn taal ruimte aan de denker, lezer, toehoorder laat. Dat moet de kracht van zijn toneelwerk uitmaken en het succes van zijn repertoire mede verklaren. Een toneelstuk waarin elke zin 1 betekenis, 1 perspectief heeft redt het niet. De zinnen van Shakespeare kan je als het ware omkantelen en steeds een ander aspect ervan waarnemen. In de sonnetten die ik daarna las, geldt hetzelfde, maar wordt ook nog het zelfbewustzijn van de tekst een nieuwe laag. De sonnetten gaan gedeeltelijk over de sonnetten. De auteur reikt over de tijd heen naar de lezer. In deze lange dramatische gedichten (eerder gaven we Venus en Adonis uit, een omslag waar veel discussie over was) is het grote psychologisch inzicht een extra kruidend element.

Ja, dit is ingewikkelde rennaissancepoëzie, uiterst cerebraal. Ja deze moeilijk tekst gaat over oude gebeurtenissen. Maar ik denk dat deze tekst ook in psychologisch opzicht heel veel te bieden heeft in een wereld waar een vrouw tien uur door New York loopt (zie filmpje) en 108 seksueel getinte voorstellen krijgt toegesist. En alle 108 mannen zullen  desgevraagd beweren:

Beauty itself doth of itself persuade
The eyes of men without an orator…

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

‘Wil je m’n geschoren kutje zien?’ – een tweeluik

Onze zaterdagblogster Anne-Marieke Samson werd onlangs geïnterviewd door onze collega’s van ‘de’ LINDA. Uit solidariteit ondergingen Gilles en Marko hetzelfde lot. Vandaag is het de beurt (no pun intended) aan Martijn. Lezing is facultatief.

Deel 1

Kun je ons in één zin vertellen waar De val van Jacob Duikelman over gaat?

Die vraag hebben de auteur, Anne-Marieke Samson, en mijn collega Marko van der Wal al afdoend beantwoord.

Wat is ’t mooiste boek wat je ooit hebt gelezen en waarom?

Je mag m’n lul fotograferen en je mag m’n boekhouding checken. Maar deze vraag is te intiem. En die beantwoord ik dus niet.

Hoe ben je begonnen met schrijven?

Ondanks mijn smeekbeden, weigerden mijn ouders me te onttrekken aan de leerplicht. Ergo: ik moest naar de basisschool. En daar is het allemaal begonnen. Lezen, schrijven, kritisch nadenken. Keten.

Waar laat jij je door inspireren?

Schrijfzin heb ik altijd. Dat zal wel betekenen dat ik me door alles laat inspireren. Mijn pen is een allemansvriend. En dat is niet dubbelzinnig bedoeld.

Wie moet jouw boek absoluut lezen?

Moeten? En dan ook nog absoluut? Als je het zo formuleert luidt ’t antwoord: niemand. Fuck autoriteit.

Pauze!

Fijn, fijn. Het is wel slopend zeg, zo’n interview.

Deel 2

Als jij hoofdredacteur van LINDA was, welk thema zou de volgende LINDA dan hebben?

Mijn eerste idee is: vrouwenemancipatie als antwoord op het hitsige, materialistische discours van de glossy’s. Mijn tweede: uitbuiting en kinderarbeid in de mode-industrie. Derde: cosmetica en dierproeven. Vierde: glossy’s, eenzaamheid, jaloezie en het onbehagen in de cultuur. Vijfde: nieuws als entertainment en journalistieke moraal. Maar uiteindelijk zou ik, geloof ik, toch kiezen voor: liefde, zelfacceptatie en plastische chirurgie. Eventueel kunnen we een themanummer maken waarin we artikelen over facelifts ‘doorsnijden’ (woordspeling!) met een aantal artikelen over doe-het-zelven. Met de mensen van marketing kunnen we dan advertenties werven bij GAMMA en bij de BURDA… ik zie stuntaanbiedingen met stanleymessen en naaigaren!

Welke reactie op je boeken is je het meest bijgebleven?

Een uitnodiging van een psychiatrische kliniek – ik mocht ‘kosteloos en geheel vrijblijvend’ kennis komen maken. Dat vond ik zo genereus! Jammer genoeg leed ik in die tijd aan pleinvrees waardoor ik een beetje aan huis gebonden was.

Het thema van LINDA-meiden is beauty. Wanneer voel jij je op je mooist? En wanneer op je lelijkst?

Het mooist voel ik me altijd een maand of drie na een cosmetische ingreep. Als alle korsten zijn weggewassen, de blauwe plekken egaal zijn opgelost in mijn huid en ik weer kan lachen zonder dat ik ’t gevoel heb dat m’n pruik van voren naar achteren beweegt.

Het lelijkst: de ochtend na een operatie… als het verband dan van mijn hoofd wordt gewikkeld en ik in de spiegel ’t gezicht zie van iemand die zich net een kwartier op zijn bakkes heeft laten stompen door Mike Tyson. Maar je kent het spreekwoord, hè? Wie mooi wil zijn…

Wat is je favoriete film?

De lift, hahaha! Nee hoor, grapje.

Heb je een –

‘Wacht… ik heb een beter antwoord op die vraag over schoonheid… Mijn lievelingskleur is rood, dat zal je vast niet verbazen, en als ik mijn haar in een staart bind, gebruik ik daar tegenwoordig vaak een rood elastiekje voor. Het feit dat ik dat zelf niet kan zien, dat rode elastiekje – extra spiegels en picturale parallelle werelden daargelaten – dát vind ik mooi.’

Wil je m’n geschoren kutje zien? Of moet ik nog zo’n saaie, serieuze vraag stellen?

Eh, doe mij de vraag maar…

Heb je een schrijfritueel?

Nee.

Verdien je je brood met schrijven? Wat doe je nog meer?

‘Nou, de Schone Letteren hebben me Lelijk Geruïneerd, LINDA, dat mag je best weten. Na tien jaar kutten ben ik totaal blut. Ik heb helemaal niks. Geen huis, geen bezit, geen vermogen. Maar ik ben wel gelukkig, haha! Serieus! Maar wat dat ‘brood’ betreft: om in alle rust en comfort aan mijn nieuwe boek te kunnen werken, heb ik op de zwarte markt een paar ton geleend. Dus het is wel heel belangrijk dat mijn boek straks een SuperMegaBestseller wordt, want de Joegoslaven van wie ik die poen heb geleend, die hebben al aangekondigd dat ze, zodra ik straks maar één betalingstermijn mis, meteen met een nijptang langskomen om er één van mijn vingers af te knijpen… Nou tik ik met acht vingers, dus de eerste maanden moet ik toch gewoon – ’

En wat doen ze nadat je de elfde termijn hebt gemist?

Dan zagen ze m’n hoofd eraf.

Echt? Wat bizar! Dankjewel voor dit openhartige gesprek.

Jij bedankt, LINDA.

——

Volgende week: Elders (novelle), Ibrahim Maalouf in Vredenburg (Utrecht), een handvol cinema. En meer.

 

Elektriciteit

Enkele weken geleden werd mijn nieuwste roman, getiteld Misschien wel niet, ten doop gehouden in Antwerpen. Op deze feestelijke avond was ook mijn oude scriptiebegeleider Antoon van den Braembussche aanwezig. Hij had een mapje bij zich dat hij mij overhandigde. Hierin zat een stapel brieven die ik hem als student stuurde. Wij woonden niet in dezelfde stad en ik had in mijn studententijd nogal eens de neiging om op reis te gaan, vandaar dat ik hem op deze wijze op de hoogte hield. Bovendien was dit in een tijd voordat ik gebruik maakte van e-mail.

Het is lastig te omschrijven wat er door me heen ging toen ik het pakketje brieven aannam. Ik was er enerzijds blij mee, maar anderzijds wilde ik er het liefst niets van weten. Waar dat gevoel van weerzin vandaan komt weet ik niet, maar de brieven liggen nu al wekenlang ongelezen op mijn bureau. Ze liggen daar en liggen daar. Ik kan ze niet uitzetten of laten verdwijnen door op een prullenbak-icoontje te klikken. Ik kan ze natuurlijk bij het oud papier gooien, maar die handeling gaat mij net iets te ver.

Waar ik bij het zien van deze brieven steeds aan moet denken is dat die brieven met de hand zijn geschreven, door handen gesorteerd en rondgebracht en weer naar mij teruggebracht. Daar kwam geen enkele bron van elektriciteit bij kijken. Wat een verschil: zonder elektriciteit zijn onze huidige e-mailcorrespondenties helemaal niets, opgelost, foetsie. En zelfs al zou je een brief met de hand schrijven en een postzegel op de envelop plakken, zou een groot deel van het sorteren en herkennen van postcodes zonder elektriciteit vastlopen.

Misschien komt het omdat ik als kind van hippie-ouders de eerste jaren van mijn leven zonder elektriciteit heb gewoond, ik weet het niet, maar het is een kleine obsessie van me geworden om te bedenken wat we nog zonder elektriciteit kunnen. Oké, nog heel veel natuurlijk, zoals slapen, op de bank liggen, wandelen of hardlopen, maar de meesten dragen al rennend toch een iPod, hartslagmeter of telefoon- bereikbaar moet je natuurlijk wel zijn. Voor seks heb je geen elektriciteit nodig. Maar als je regelmatig hardloopt en seks hebt, wil je soms wel douchen, het liefst warm, en daar heb je dan weer wel elektriciteit voor nodig.  Eten kun je op zich zonder (voeding koel bewaren of klaarmaken wordt al lastiger). Ademen, zingen én lezen kan zonder. Het lezen van een papieren boek. En als je echt consequent wilt zijn, laat je de lamp uit en steek je een kaars aan. Lezen bij kaarslicht. Klinkt als schrijven met een ganzenveer.

Laatst las ik in de krant over de toegenomen hoeveelheid tablets en laptops op lagere scholen. Nog los van de invloed die het staren naar schermpjes op het cognitieve, motorische en sociale vermogen van kinderen heeft, verbaas ik me erover dat we deze jonge kinderen nu al afhankelijk maken van elektriciteit. Waarom wordt dit argument eigenlijk nooit gebruikt? We worden continu gewaarschuwd: we moeten energie besparen! Alarmbellen rinkelen: er wordt te veel energie verbruikt! Maar ondertussen maken we ons op alle mogelijke manieren afhankelijk van elektriciteit, fysiek en mentaal, en voeden onze kinderen met deze afhankelijkheid op.

De mentale afhankelijkheid is misschien nog wel het grootst; als internet door een stroomstoring een dag plat ligt, raakt de gemiddelde Nederlander in paniek, door tieners wordt dit nog sterker gevoeld.  Als ik langs mijn bureau kijk, zie ik maar liefst tien stopcontacten. Toegegeven, dat is wat veel van het goede. Naast het beeldscherm waar ik deze letters op zie verschijnen, liggen mijn oude brieven.  Waarom wil ik die brieven niet teruglezen? Misschien omdat ik vrees dat het beeld niet klopt dat ik van mijzelf heb? Of omdat ik bang ben dat die brieven herinneringen bij me boven brengen die ik liever zou vergeten? Als het mails waren, had ik ze tenminste in een folder kunnen opslaan om ze daarna weer te vergeten. Maar het lukt me niet deze papieren ongelezen weg te bergen. Waarom niet? Ik weet het niet. Ik zal ze maar eens gaan lezen.

 

_____________________________________________________________________________________

Jannah LoontjensDit is Jannahs laatste blog voor Tirade. De redactie dankt haar van ganser harte voor haar mooie bijdragen deze maand.

 

 

 

 

 

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Twan Vet"
    Twan Vet

    Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

    Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

    De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

    Foto: Roderique Arisiaman

  • "Foto van Anna op de Weegh"
    Anna op de Weegh

    Anna op de Weegh schrijft experimenteel theater over honger, onhoudbare transformatie en de (her)ontdekking van een lichaam. Haar teksten zijn vlezig, tactiel en poëtisch. In de afgelopen vier jaar werkte ze o.a. als dramaturg, liep ze stage bij Theater Utrecht als regieassistent voor de voorstelling Panic Room en zette ze samen met Maggie Thedinga het tweekoppige collectief Disgusted & Horny op.

  • "Foto van Sem van de Graaf"
    Sem van de Graaf

    Sem van de Graaf (2002) schrijft absurde verhalen die uit de bocht vliegen en toch een sterke moraal communiceren. Zijn werk is komisch, vervreemdend en oprecht.Hij studeert af van Writing for Performance aan de HKU met het lange filmscenario ‘Een stoel, de dief en Elske’ en zijn onderzoek ‘Handen’. Verder schrijft hij toneel voor verschillende groepen, waaronder zijn eigen collectief ‘bröd’ waarmee hij met de gelijknamige voorstelling in Zaal 3 stond. Zijn VHS-korte films stonden op het Rotterdams Open Doek en het Gouds Filmfestival, waar hij de prijs won voor Beste Film Jong Talent.