Mevrouw Windisch

Vannacht droomde ik dat ik een hoofdtransplantatie onderging. Ik kreeg een telefoontje en het moest meteen. Er was een donor gevonden, geen tijd te verspillen. Of ik zo snel mogelijk naar het ziekenhuis kon komen. In de operatiekamer stond een team artsen klaar, met een bak met een hoofd, en daaromheen een kring toeschouwers. Waarschijnlijk vanwege het belang voor de wetenschap, dacht ik eerst. Maar toen ik beter keek zag ik dat de kring mensen geen mensen waren maar koppen. Aan de muur hingen de overbodig geraakte hoofden van andere patiënten. Zwetend werd ik wakker, en ik moest denken aan de kopjes kruidenthee van mevrouw Windisch.

Een paar maanden terug viel ik met skiën en werd wakker in een CT-scan. Ik had geluk, vond de dokter, want van zo’n klap (al droeg ik een helm) kun je je nek of schedel wel breken, of een hersenbloeding krijgen. Maar ik had alleen een hersenschudding.

Het bleek nog lastig om daar blij om te zijn. In het berghotel in de dagen daarna kroop de tijd voorbij want de wereld bleek met een hersenschudding plotseling fel en lawaaiig. In mijn boeken dansten de letters over de bladzijden en mijn laptop bleek een te fel knipperend licht. Het schelle geluid van mijn bezorgde vrienden aan de telefoon was meer dan ik kon verdragen. Voor mijn ogen schoof de wereld soms uit elkaar in tweeën. Ik sliep veel die lange dagen of tuurde verveeld voor me uit.

Een krom oud vrouwtje verscheen aan mijn deur. Ze stelde zich voor als Frau Windisch, woonde beneden en had gehoord dat ik een verletzung had. Heel vervelend, zei ze, als de Kopf het niet doet.

Als ik nu terugdenk aan hoeveel moeite het kostte haar rustige bergduits te verstaan, duizelt het me weer. De wereld in slow motion, mijn Duits, toch niet bijzonder slecht, zat diep weggestopt tussen mijn gekneusde hersenen. Ik zei dat het inderdaad vervelend was. Kopfschmerzen, die had ik. Zimmliche kopfschmerzen.

Ik had geluk, zei het mevrouwtje. Want ze was een hexe.

En ik vroeg me af of dat hetzelfde betekende als in het Nederlands.

Ze had een kräutertuintje in de zomer, verduidelijkte ze.

En daarna stond elke paar uur een dampende kop thee voor mijn deur, lichtgeel van kleur, met drijvende bergkruiden. Met een briefje erbij dat het melisse was of juist Eisenkraut.

Ik dwaalde wat door het hotel, hoorde iemand schuifelen onderaan een trap waar bij stond: privat. Ze schrok toen ik haar naam zei en haar dankte voor de thee.

Ze had me niet verwacht, zei ze verontschuldigend. Of ik het misschien leuk vond om haar dieren te zien? En ik volgde haar naar beneden.

Daar stond ik opeens met mijn hoofd vol watten in een hal vol hoofden, koppen eigenlijk. Haast eindeloos veel dode koppen staarden me aan met hun knikkers als ogen, vanaf hun sierlijke handgesneden planken aan de muur. Zwijntjes, berggeiten, herten, en gemzen met verschillende maten geweien. Daaraan kun je zien hoe oud ze zijn, zei mevrouw Windisch. En of het een mannetje is of een vrouwtje.

Haar zoon was jäger, zei Frau Windisch. En hij schiet altijd in een keer raak. We eten ze op en de kop gaat aan de muur. Van het leer maken we hosen en niets wordt verspild.

Of ik de viltafel wilde zien in de schuur.

Ik bedankte haar vriendelijk terwijl ik me afvroeg of die misselijke duizeligheid van de hersenschudding kwam of dat ik nooit die kruidenthee had moeten drinken. Wie neemt er iets aan van iemand die zichzelf heks noemt? Ze pakken je altijd op je zwakste moment.

Ik wilde terug naar mijn kamer maar mevrouw Windisch greep mijn arm. Ze wees me op sierlijke vogels, hun kleurige staarten vier omhoog gestoken, hun klauwen stevig aan een sokkel genageld.

Dit is een Auerhahn, zei ze en wees op een zwartgroene pauw. Zijn kop keek scheef omhoog, alsof hij een jager aan hoorde komen. De Auerhahn was bijna uitgestorven zei mevrouw Windisch, maar haar zoon had er toch eentje voor haar weten te vinden.

En ik piepte of het een toilette gab en gaf over op een wc vol gedroogde bloemen en kleine schedels met geweien. Daarna schoot ik naar boven, mijn bed in en heb haar of haar kruidentheetjes niet meer gezien.

In de Oorshop

‘MIJN INTELLECTUELE VRIENDEN ZIJ ZIJN WATJES’*

‘Ja! Ho! Stop! Als je d’r langs wilt, moet je eerst vijf brokjes betalen! Nee hoor, grapje, hahaha! Loop maar gewoon om me heen… Maar wat ik me afvroeg… doet Tirade ook verzoekstukken? Ja? Fijn. Ik vind die maandagstukjes de laatste tijd namelijk een beetje… soft… een beetje… hoe zal ik ’t zeggen?… een beetje POEZELIG… moehahaha! Maar serieus: mag ’t vandaag een beetje ongepolijst?… een beetje ruw? Een beetje streetwise? De wereld is groter dan bibliotheken, musea en concertzalen hè? Dat vind jij ook? Goed zo. Zet ’m op, knul!’

In Marguerite Duras’ De minnaar kijkt een volwassen Française terug op de relatie die zij als vijftienjarig schoolmeisje had met een ruim tien jaar oudere Chinese man, in Vietnam. Het meisje stamt uit een kil, hard gezin, ‘Een gezin van steen’. De vader van het meisje is overleden. Haar Franse moeder en Franse broers discrimineren haar Chinese minnaar.

Over de gezamenlijke diners in Chinese restaurants in Saigon vertelt de protagoniste:

‘Die avonden verlopen alle op dezelfde wijze. Mijn broers schrokken en richten nimmer het woord tot hem. Ze kijken ook niet naar hem. (…) De twee eerste keren waagt hij het erop, hij probeert het verhaal te vertellen van zijn belevenissen in Parijs, maar tevergeefs. Het is alsof hij niet had gepraat, alsof niemand iets had gehoord. Zijn poging verzandt in de stilte. (…) Mijn broers zullen nooit het woord tot hem richten. Het is alsof hij onzichtbaar voor ze was, alsof hij niet dicht genoeg was om door hen te worden opgemerkt, gezien, gehoord. Dat omdat ik hem om mijn vinger wind, omdat ervan wordt uitgegaan dat ik niet van hem houd,  dat ik met hem omga om het geld, dat ik niet van hem kan houden, dat dat onmogelijk is, dat hij alles van me zou kunnen verdragen zonder dat zijn liefde ooit uitgeput raakte. Dat omdat hij een Chinees is, omdat hij geen blanke is.’*

De lijdzaamheid waarmee de Chinese minnaar het zwijgen van zijn disgenoten ondergaat, maakt de vernedering nog pijnlijker.

Wat een verademing, daarentegen, is de manier waarop de verteller van Yahya Hassans gedicht Verhuizing reageert als hij zich verneukt voelt:

IK VERNIELDE DE HELE HUT MET EEN GROTE KOEKENPAN

EERST ALLE RAMEN

DAARNA KAMERPLANTEN POTTEN BORDEN GLAZEN

IK TRAPTE DE DEUREN IN EN GOOIDE DE KAST OM

TROK DE LADEN ERUIT EN BRAK DE KASTDEUREN AF

DE GROEPSLEIDERS HIELD IK OP AFSTAND

MET MIJN ZAKMES

Hahaha, zo doe je dat!

Het debuut van Hassan (1995), Deense zoon van Palestijnse vluchtelingen, leest als een autobiografie in vrije verzen. Aan het binnenwerk/de opmaak te zien is het boek bedoeld als poëzie, maar de gedichten lezen net zo weerstandloos als een bundel goedgeschreven, kort proza.

Hassans boek verhaalt over een criminele jeugd in een Deense prachtwijk en op internaten en is doorregen met moslimkritiek en herinneringen aan Libanon. De gedichten zijn rauw, kwaad en hilarisch – dankzij alle achtervolgingen, inbraken en vechtpartijen kunnen ze concurreren met actiefilms, televisiejournaals en de misdaadpagina’s uit Panorama en De Telegraaf.

Criminelen en kunstenaars stellen hun eigen wetten:

 

BESTE MAATJES

 

VANDAAG ZAL IK

DE GORDIJNEN NIET OPENDOEN

IK ZAL ONTBIJTEN EN DOUCHEN

EEN KOP KOFFIE DRINKEN EN GENOEGEN NEMEN MET EEN SIGARET

IK ZAL EEN GEDICHT SCHRIJVEN EN DE KRANT LEZEN

EN NA LANG AARZELEN

EEN BOEK UIT MIJN VERZAMELING KIEZEN

MAAR ÉÉN TELEFOONTJE VAN EEN NEEF

EN IK SNEL DE DEUR AL UIT

MET HANDSCHOENEN IN MIJN ZAK EN GEREEDSCHAP IN MIJN TAS

 

Leve het welzijnswerk en de goede bedoelingen. Maar van agressie gaat soms ook iets geruststellends uit. De criminelen van vandaag zijn de ondernemers en wetenschappers van de toekomst.

Tiradestreetwise.

Soundtrack:  Head cornerstone, Bob Marley.

Volgende week:  ‘Wat een raar geluid…’

Noten

*Marguerite Duras, De minnaar (1985 [1984]), vertaald door Marianne Kaas.

*Yahya Hassan, Gedichten (2014 [2013]), vertaald door Lammie Post-Oostenbrink.

 *De titel van dit stukje is een citaat uit Yahya Hassans gedicht MEGADICHT (Gedichten, p.160).

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Hoe het ook had kunnen zijn 2

Elke keer als ik naar buiten moet gaat het regenen, bij ver fietsen harder dan bij een klein stukje lopen. Onderweg naar de pont regent het zo hard dat het haast onmogelijk is om nog iets te zien en na twee minuten fietsen ben ik zo doorweekt (mijn haar mijn trui mijn sokken zelfs mijn onderbroek) dat het niks meer uitmaakt – het had net zo goed droog kunnen zijn. Met mijn ogen halfgesloten ga ik langzaam voort, hoor ik hoe het op de bladeren regent, hoe het water in sloten kletst. Het is groen, in Amsterdam Noord, en dat is lekker. De geur van bos. Wanneer het nog harder gaat regenen, zo hard dat het zeer doet, schuil ik onder een brug. Tegenover me staat een vrouw die zo op mijn oma lijkt dat ik haast met mijn armen wijd op haar af ren maar ik bedenk me; oma is dood, al jaren. Ik ruik geen bos meer maar de mossige geur van natte kelder die in haar huis hing en een parfum dat niet meer gemaakt wordt, ik wil dat die vrouw iets zegt om te horen of ze hetzelfde klinkt.

Op de pont draagt iedereen een regenpak behalve ik. De meeste mensen bezitten het vermogen bij iedere wisseling van weersomstandigheid opeens passende kledij te dragen; die zie je nooit met vijfentwintig graden een jas dragen en die kunnen regenlaarzen uit hun broekspijpen schudden als ze een plasje zien. Op het dek (het is droog want ik sta overdekt) staat een heimelijke zeeman – van het slag dat je alleen op de pont vindt – met geknepen ogen over het IJ uit te staren, hij rookt een sjekkie. Sprekend een oude leraar van me. Zo sprekend dat ik zwaai en halverwege de zwaai besluit op mijn hoofd te krabben zodat de zeeman het niet ziet, ik weet al wat er aan de hand is, het is een iedereen-lijkt-op-iemand-dag. Naast me niest een goede vriendin die waarschijnlijk mijn goede vriendin niet is. Gezondheid, zeg ik voor de zekerheid en ze kijkt om zich heen om te zien waar die wens vandaan kwam. Ik kijk naar mijn natte gympen.

Bijna ligt mijn vriend onder mijn fiets, hij vloekt in het Frans, ik schamp een neef die zijn baard heeft afgeschoren, een vriend uit Haarlem staat met een hond aan de lijn in de stromende regen te wachten bij een stoplicht. Ik stop bij een zebra om mijn ex te laten oversteken, ze loopt hand in hand met een man en kijkt daar erg gelukkig bij.

Op het Leidseplein dat glimt van water lopen studiegenoten, vrienden, vergeten kennissen, mijn vader met zijn haar tegen zijn voorhoofd geplakt en uiteraard, net als ik, zonder regenjas.

‘Hee,’ roep ik.

‘Verrek,’ antwoordt hij en hij heeft een tongval die ik niet van ‘m ken, de ‘r’ zit achter in zijn keel, ‘Els!’

Ik zeg dat ik Els niet ben en mijn vader die mijn vader niet is haalt zijn schouders op, dan niet, hij sjokt verder door de regen. Met de fiets aan de hand doe ik hetzelfde, de andere kant op.

 

______________________________________________________________________

 images

Roos van Rijswijk schreef columns, sfeerverslagen en interviews voor Advalvas, toneel voor Theatergroep Thomas en proza voor o.a. Tijdschrift Ei, De Revisor, Slang en Tirade. Ze studeerde Nederlands en literatuurwetenschap aan de VU. Op dit moment werkt zij aan een roman. 

 

                 

 

"Foto van Roos van Rijswijk"
Roos van Rijswijk

Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Gastblog: Waarom het verhaal niet mag stoppen

Gnothi seauton, stond er geschreven boven de ingang tot Apollo’s tempel in het oude Griekenland. Ken uzelf. Zodat de pelgrim die na een lange voetreis aankwam bij het orakel een moment bij zichzelf te rade moest gaan: wie ben ik dan? Wat maakt mij uniek? Wat onderscheidt mij van de anderen? En iedere keer dat Apollo’s Pythia uit de bedwelmende aarddampen in hexameter haar antwoorden zong leek het haast alsof de letters dieper in de stenen van de tempel werden gekrast: gnothi seauton.

Lang, lang geleden was er eens een dier, of een mens – we weten het niet precies – en dat dier vertelde verhalen, maar hoorde zelf niet wat het zei. Het had geen zelfbewustzijn en vertelde daarom verhalen aan andere dieren die ook geen zelfbewustzijn hadden. Net zo stelde het vragen. En als het wat vroeg, dan kreeg het van een ander dier antwoord. Deze dieren, die onze verre voorouders zijn, vertelden en vroegen maar wat raak en niemand wist waarom. Ze stelden zich die vraag ook niet. Tot op een dag het dier waar wij het over hebben afgezonderd raakte en er niemand was om te antwoorden toen het een vraag stelde. Wat het vroeg weten we niet, maar wel weten we dat toen het zijn vraag stelde er een diepe stilte viel. En in die stilte hoorde het dier zijn eigen vraag weergalmen. Ten einde raad gaf het dier zichzelf antwoord. Het had de vraag immers ook gehoord, en zo werd het zelfbewustzijn geboren. Tenminste dat zegt de Amerikaanse filosoof Daniel Dennett.

Daarin is te herkennen wat Sartre zei: L’existence précède l’essence. Je kan jezelf niet ontdekken, je moet jezelf uitvinden! Maar anders dan Sartre dacht, doen we dat niet alleen door te handelen maar vooral door te praten, te schrijven, te denken. Kortom we vertellen verhalen over onszelf en scheppen zo ons eigen wezen.

Vreemd genoeg steken we die verhalen vaak in een pels. We vertellen over dieren waar we het eigenlijk over mensen hebben. Dat is een merkwaardig gegeven, zeker als je nagaat dat we net hebben beweerd dat het verhaal ons juist boven het dierlijke uit heeft getild. Waarom vertellen we dan over onszelf in de vorm van dieren?

Animal Farm van Orwell gaat bijvoorbeeld niet over een boerderij met pratende dieren. Die dieren staan symbool voor mensen, voor de maatschappij. All animals are equal, but some animals are more equal than others. Zoiets zou een varken niet zeggen, dus weet je dat het varken hier een mens is.

De vos en de kraai, een fabel die we kennen van De La Fontaine, maar die veel eerder al door Aesopus werd verteld, is daar ook een sprekend voorbeeld van. De vos weet doormiddel van sluwe vleierij het stuk kaas te ontfutselen. Dat gaat ook over mensen.

Neem nu echter Kafka’s Die Verwandlung, dat gaat over een mens die juist een dier wordt, in tegenstelling tot het dier dat mens werd. Dat is de antithese van onze ontstaansgeschiedenis. Een schaduwbeeld ervan. De transformatie gaat echter niet van mens naar aap, maar naar een stuk ongedierte, zeg een kever. Gregor, een heel gewone man, wordt nadat hij op een dag wakker wordt als kever, door zijn familie opgesloten in zijn kamer. Hij is gedoemd zijn dagen verstopt voor de buitenwereld te slijten, luisterend naar zijn eigen interne monoloog. Wat hij zichzelf vertelt, is het laatste bewijs dat het hier in werkelijkheid om een mens gaat en niet om een gewone kever. Gregor praat tegen zichzelf, hij narreert zijn eigen bestaan, bevraagt het en geeft zelf antwoord. Wie ben ik? Ik ben een mens. Wie ben ik? vraagt hij zich steeds weer af, maar langzaam wordt hij steeds meer een dier en geeft hij geen antwoord meer. Wie ben ik?

Ludwig Wittgenstein is er beroemd om dat hij heeft beweerd dat je niet over een privétaal kunt beschikken. Je kan niet louter met jezelf praten. Taal is immers een spel dat je samen speelt. Niet in je eentje. Als je wil blijven praten, moet je, aldus Wittgenstein, tegen anderen praten, omdat betekenis in het gebruik van de taal ligt en niet in je hoofd zit. Gregors interne monoloog, afgesneden van communicatie met anderen is dus per definitie tanende. En als we Dennett moeten geloven kan je zonder taligheid juist weer niet zelfbewust zijn. Verlies je je verhaal, dan verander je terug in een dier.

Wittgenstein beweerde dan ook dat privétaal zoiets is als wanneer iedereen een kever in een eigen doosje heeft, maar weigert het doosje te openen om de kever te laten zien. Kevers in doosjes zijn betekenisloos, omdat je ze niet met elkaar kan delen. Voor hetzelfde geld zit er helemaal geen kever in! lijkt hij te zeggen. Niemand zou het weten.

Gregor werd ook in zo’n doosje gestopt. Maar zijn doos was een kamer en in zijn kamer werd hij een dier omdat niemand meer luisterde naar wat hij wilde vertellen, tot tenslotte hijzelf ook niet meer luisterde.

Een ander dier dat veel tegen zichzelf praat, is Winnie-de-Poeh. Op een dag als hij bij Iejoor langs gaat vindt hij deze in een abominabele toestand. Iejoor is zijn staart kwijt. Poeh, goede vriend die hij is, belooft de staart terug te zullen vinden. Zijn zoektocht voert hem naar de meest wijze persoon die hij kent, Uil. Die laatste functioneert als orakel, vergelijkbaar met dat andere orakel in Delphi. Poeh treuzelt begrijpelijkerwijs een moment aan de deur als hij ziet dat er twee borden met grote letters bij de ingang hangen: Op het ene staat bellen als een antwoord nodig is en op het andere staat kloppen als een antwoord niet nodig is. Poeh, die lang heeft moeten lopen om de wijze raad van Uil in te winnen, klopt en belt tegelijk, want hij is een dier, maar ook een beetje een mens die een antwoord nodig heeft.

 

—–

Mathijs Gomperts (1988) studeerde cum laude af in de wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn scriptie had als zwaartepunt literaire fictie in relatie tot de filosofie. Hij doceerde aan het voortgezet onderwijs en werkte enkele jaren als programmamaker bij literair podium Perdu. Tijdens zijn studententijd was hij werkzaam als hoofdredacteur voor filosofieblad Cimedart en later vervulde hij diezelfde functie voor Post Perdu. Tegenwoordig werkt hij bij uitgeverij Van Oorschot.

Heden en verleden in 399 woorden

In The Sea van John Banville omspant de schrijver het karkas van de tijd met een meanderend verhaal over kunsthistoricus Max Morden. Hij heeft –als wij allen –  een heden, een recenter en een dieper gelegen verleden. ‘The past beats inside me like a second heart.’

Aan de volgende zin bleef ik hangen:

‘Even from inside  the car we could hear the palms on the lawn in front dreamily clacking their dry fronds, a sound that on purple summer nights long ago had seemed to promise all of Araby. Now under the bronzen sunlight of the October afternoon — the shadows were lengthening already — everything had a quaintly faded look, as if it were all a series of pictures from old postcards. Myler’s pub-post-office-grocery had swelled into a gaudy superstore with a paved parking area in front.’

Dat zou je misschien zo kunnen vertalen:

‘Zelfs vanuit de auto konden we de palmen op het grasveld voor, dromerig hun droge bladeren tegen elkaar horen tikken, een geluid dat op lang vergleden purperen zomeravonden heel Arabië leek te beloven. Nu onder het bronzen zonlicht van de oktobernamiddag – de schaduwen lengden al – had alles een antiek vervaagd patina, als op een serie foto’s op oude ansichtkaarten. Myler’s café-postkantoor-kruidenier was opgezwollen tot een opzichtige supermarkt met een bestrate parkeerplaats aan de voorkant.’

Wat doet de schrijver hier?  Een binnenwereld (de auto) van waaruit  de hoofdpersoon kijkt naar de buitenwereld: een kuststrook waar hij veel verleden heeft liggen. Hij herinnert zich dat hij daar de palmen altijd al hoorde tikken, zoals ook nu. Hiermee hecht de schrijver heden en verleden aan elkaar. En hij gaat verder, dat geluid deed hem toen dromen van Arabië. (de keuze van het woord is al ‘hipstamatic’) In welke droom hij dan nu in de auto ook weer even verwijlt. Vervolgens gaat hij weer terug naar het heden, ‘nu onder…’ dat hij onmiddellijk vintage inkleurt, laag oktoberlicht en een directe verwijzing: het lijkt als op oude foto’s.  Wederom verbindt hij nu en toen aan elkaar in één zin. En dan weer terug naar de alledaagse gezwollenheid van een supermarkt. Een knap stuk werk.

220px-Thomas_Robert_Malthus
Thomas Robert Malthus 1766-1834 had een moeilijk te overschatten inzicht dat vreemd genoeg taboe is

Nu wilde ik naadloos overstappen op Malthus, en dat alles groter is geworden en verandert omdat er zoveel mensen zijn en dat Malthus dat al zag. Een moeilijk te overschatten inzicht dat vreemd genoeg een aspect van taboe heeft. Maar de woorden zijn op.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

AM over erotisch schrijven

Vorige week volgde ik de workshop Erotisch Schrijven bij Jamal Ouariachi en de Vlaamse seksuologe Kaat Bollen. In een roodverlichte zaal leerden Jamal en Kaat ons wat erotiek is en hoe zij wordt omschreven. Er komen veel problemen kijken bij het schrijven van seksscènes, zo blijkt. Volgens Jamal bestaat er een extra groot risico op schending van show, don’t tell. Zinnen als ‘god wat is dit lekker’ zou je misschien tijdens seks kunnen denken, maar zijn in geschreven vorm weinig overtuigend. Kaat raadde ons aan seks te schrijven vanuit de beleving; dat is wel zo plezant, zowel voor u als uw lezer. Jamal adviseerde om onze favoriete seksscènes voor de geest te halen.

De tijd dat seks (in boeken) nog spectaculair was, is natuurlijk lang en breed voorbij. Van Deyssels eerste masturbatiescène uit de Nederlandse literatuur werd gecensureerd maar is in latere drukken weer toegevoegd. Je leest er gemakkelijk overheen want wat ís hij kort en weinig expliciet (ze greep naar haar geslachtsdeel). Ook de daarop volgende fase van promiscue strapatsen (bijvoorbeeld Jan Cremer’s ik), heeft generaties vermaakt maar is intussen wat ouderwets. Tegenwoordig maakt seks een vanzelfsprekend maar meestal niet-centraal deel uit van literatuur. Seks hoort erbij, kan liefdevol zijn of leeg. Kan even opwindend zijn als teleurstellend. Wat een nuance, is dat nou volwassen?

Wat mij uit seksscènes vaak toch het meeste bijblijft zijn de eigenaardigheden. Zo herinner ik me uit De ontdekking van de hemel de happende baarmoedermond in de vagina van de moeder van Ada. Ook herinner ik me uit De man zonder ziekte dat een vrouw haar man ‘slakje’ noemt omdat zijn penis daar toch het meest van weg heeft als die lichtbruin en vochtig tegen zijn been zit geplakt. De meest indrukwekkende omschrijving die ik me kan herinneren van een mannelijk lid komt uit Freedom van Franzen (en is gek genoeg in de Nederlandse vertaling verloren gegaan): ‘He is so big, it’s like being rolled over by a neutron star. It’s like being erazed with a giant erasor.’

Op de workshop Erotisch Schrijven moesten we natuurlijk ook zelf aan de slag: schrijf een seksscène, of uw diepste fantasie. En ik hing aarzelend met mijn pen boven mijn opschrijfboekje. Kom op, AM, sprak ik mezelf toe, schrijf iets over kletsnatte vagina’s en keiharde lullen, toe dan. Om mij heen waren medecursisten driftig aan het pennen. Soms moest Jamal wel vier keer herhalen dat de pennen neer moesten als het weer tijd was om iets uit te leggen. Dan verschenen op een scherm woordwolkjes met synoniemen van vagina en penis. Of we leerden van Kaat over geilheidstadia.

Of we onze scene wilden voorlezen. Alleen als je durft, zei Jamal, waarna niemand natuurlijk nog kon weigeren. De enige man in de groep droeg zijn grootste verlangen voor: in drie minuten klaarkomen, wat helaas nooit kon aangezien hij altijd rekening diende te houden met de verlangens van de vrouw. De enige seniore van de groep las voor hoe ze, na een ingewikkeld manoeuvre van een jongeman, plotseling ondersteboven hing tegen zijn halfgezwollen jongeheer. Het was niet in haar opgekomen dat zij werd geacht daar iets mee te doen en dus bekeek ze zijn geslacht rustig terwijl hij driftig tussen haar benen likte.

Ook ik moest eraan geloven. En ik las gegeneerd de hitsigheden voor die ik had neergepend over een van mijn licht gedeprimeerde exen (ja dat waren er meerderen en ja daar schrijf ik nog eens een boek over). Ik las voor hoe zijn slappe lul mistroostig hing tegen zijn ballen, die van de warmte wat naar beneden waren gezakt. Hij wilde mijn oom Salomon zien, zei hij vaak, en de zaal lachte, al doelde ik natuurlijk op het schilderij van mijn bet-bet-bet-achter-oudoom dat in mijn slaapkamer hangt.

Een andere cursist zei kribbig dat ze waarschijnlijk als enige zo naïef was geweest om te beginnen bij een ontmoeting en niet meteen tot de daad over was gegaan. Kennelijk kun je je ook schamen om niet over seks te schrijven.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Kevin Headley"
    Kevin Headley

    Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

  • "Foto van Greet Kuipers"
    Greet Kuipers

    Greet Kuipers (1962) is psychiater. Onder het pseudoniem Minke Douwesz publiceerde zij bij uitgeverij Van Oorschot twee romans, Strikt en Weg. Voor de laatste ontving zij de Opzij Literatuurprijs 2009 en de Anna Bijns Prijs 2012.

  • "Foto van Menno Hartman"
    Menno Hartman

    Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.