Zwemmen in de sneeuw

‘Een virus ofzo, weet ik veel… In ieder geval: ik blééf maar schijten… Ik zal je de details besparen, maar laten we het erop houden dat je met de opbrengst van een halve dag alle muren van alle woningen van een hele Vinexwijk bruin had kunnen schilderen – moet je wel die strontlucht kunnen harden en ’r geen bezwaar tegen hebben dat ’r draadjes halverteerde voedselresten aan de muren blijven kleven… Maar zoals gezegd: ik bespaar je de details.’

‘Gelukkig, anders had ’t best een vies verhaal kunnen worden!’

‘Maar dat is dus wat armoede met je doet… ik kon me geen goed voedsel veroorloven, ik ging niet naar de kapper… Als ik in die tijd een lekke band had, kon ik ’t me niet eens veroorloven om ’m naar de fietsenmaker te brengen.’

‘Nou, de meeste mensen plakken hun band gewoon zelf hoor.’

‘Ja, maar misschien is ’t je weleens opgevallen dat de meeste mensen hun handen gewoon aan hun armen hebben zitten, terwijl bij mij m’n linkerhand op m’n voorhoofd zit en m’n rechthand pal boven m’n stuitje en dat – ’

‘O, God, dat had ik nog helemaal niet gezien… Jezus, wat gênant. Sorry, echt, ik – ’

‘Ja, sorry, sorry… aan dat soort achterafgezeik heb ik dus niks… als je een volgende keer nou eerst even de moeite neemt om je gesprekspartner fatsoenlijk anatomisch te inventariseren voordat je met je wijsneuzige commentaar op de proppen komt, dan zou dat een heleboel onnodige krenkingen voorkomen.’

‘Het was voor mij een – ’

‘Ja, dat zal best… maar nu is ’t te laat hè? Nu heb je ’t er al uitgeflapt… in één klap de sfeer verpest… Jij voelt je schuldig, ik voel me schuldig omdat ik de oorzaak ben van jouw schuldgevoel en de lezer voelt zich zo opgelaten als een darmpatiënt met een bruine bonenverslaving vanwege de ongemakkelijke – ’

‘Jongens, godverdomme… ik heb jullie gevraagd om een vrolijke curtain raiser, niet om… Wat stinkt ’t hier trouwens… jullie zijn toch geen rare sigaretjes aan ’t roken?’

‘We gaan al…’

‘Goed zo, opgesodemieterd… Tyn? De zwijnen zitten klaar, jongen… rol ze de zaal maar in, die parels van je…’

 

Gewassen in ijswater

In twintig minuten fietst Laura van kantoor naar Groenekan. Ze volgt de bocht om het Fort, rijdt een smal zandpad op en parkeert haar sportfiets in de rekken achter de kleedruimtes. Even later groet ze de badmeester en loopt in bikini richting houten steiger.

Milan is er nog niet.

Laura neemt het donkere water in zich op. Voelt met één voet. Het water is zo koud als een winterbui. Ze gaat op de middelste trede van de badtrap staan en laat zich traag in het water zakken. Ze is de enige zwemmer. Aan de overkant: riet, gras, eikenbomen.

Tevreden begint ze haar banen te trekken. Not elegant, not especially fast, but consistent and determined. Bij iedere beweging voelt ze het vlees tegen haar botten duwen. Haar ouders, allebei huisarts, hebben haar het zwemmen ooit opgelegd nadat ze was geopereerd aan een hernia. Ze zat toen nog op de middelbare school.

Zon en wolken wisselen elkaar af.

Buiten het zwembadterrein staat een reusachtige populier. De boom laat wit pluis los dat over de Fortgracht zweeft, op het water neerdaalt. Het is net of ze in een sneeuwstorm zwemt. De vlokken blijven op het water liggen. IJsschotsen. Een sneeuwdek. De lage bewolking dotten diepgevroren watten. Laura’s vingers, handen en armen tintelen van de kou. Het populierenpluis sneeuwt op haar haar en op haar gezicht.

Met Hemelvaart heeft ze gewerkt. Vandaag is gewoon een werkdag. En in het weekeinde zal ze ook wel werken. Ze is gespecialiseerd in merkenrecht. Op familiefeesten noemen haar linkse neven en nichten haar een huurling. Dat is ze ook. Maar wel een huurling die zich in haar vrije tijd laat leiden door Kants categorische imperatief.

Zon, wolken. Zon, wolken.

Steeds als ze in oostelijke richting zwemt, kijkt Laura of ze Milans Audi tussen de weilanden ziet naderen. Als hij er na het douchen nog niet is, dan gaat ze terug naar kantoor, voor de borrel.

Bij de keerbalk rust ze. Een reiger probeert in een eikenboom neer te strijken. Ballet op stelten. Vorig jaar scheerden hier soms ijsvogels over het water. Haar spieren willen maar niet warm worden. Het lijkt eerder of haar lijf almaar kouder en harder wordt. Ze denkt aan de tekst die altijd op de zakjes veldsla van de supermarkt staat. Gewassen in ijswater.

Ze zwemt verder. Haar kaken zijn zo stijf dat ze bij kramp niet eens om hulp zou kunnen roepen. Ze kijkt naar de wal. De badmeester (wit haar, witte outfit) steekt zijn hand op. Het lukt haar terug te zwaaien. Als ze echt niet meer kan zal hij haar redden.

 —-

Tirade – kweekvijver.

SoundtrackKyteman, Sorry.

Volgende week: Yahya Hassan, Marguerite Duras. En meer.

Noot

Not elegant, not especially fast, but consistent and determined,’ is een citaat uit Zadie Smith’s zwem- ,badminton-, en immigratienovelle The Embassy of Cambodia (2013;p.60).

 

 

 

Foto boven: juli 2011. De duiktoren is tegenwoordig donkergroen.

In de Oorshop

Hoe het ook had kunnen zijn 1

Om half twee ’s nachts bast de muziek van de buurman nog altijd door onze vloer naar boven. Strijkers, piano. I. herkent iets klassieks, ik denk alleen maar: rot op met je piano’s. Zo nu en dan stopt de muziek en gebruiken wij de luttele seconden die de buurman nodig heeft om een nieuw stuk te kiezen om in slaap te vallen, snel te vallen, spartelend neer te komen bij nieuw geluid. We trekken kleren aan. Geen ondergoed, blote voeten in schoenen.

Gonzend van wanhoop, woede en halfslaap staan we voor zijn deur die open gaat, precies dezelfde deur als wij maar dan met een ander nummer, in een galerij die net zo ruikt als de onze. Achter de buurman in zijn deuropening ligt zijn huis, stil nu, even wit als bij ons. Hoe lang zou het duren voor de geur van nieuwbouw uit de muren is? De woningen zijn klinisch en er kunnen geen schilderijen, verfmuren of gezellige kringloopmeubels tegenop, als een gebotoxte kop steekt de flat uit een zielloos trottoir omhoog. Trots, dat wel, en sterk en waterdicht.

‘Ik wil me verontschuldigen,’ zegt de buurman gedecideerder dan hij eruit ziet in zijn vaalwitte shirt en z’n ouwe broek, ‘maar ik doe het niet. Kom binnen. Bier, koffie, thee, sinas.’

We zitten op zijn bank (een bank ouder dan het huis, je moet je eigen geschiedenis meenemen, die van hem stinkt en is scheefgezakt, er heeft een hond op gelegen die we nergens zien) als hij vertelt dat hij onlangs heeft besloten precies te doen waar hij zin in heeft. Hij buigt naar voren, zijn zware buik valt tussen zijn benen en raakt de zitting van zijn leunstoel: we moeten niet denken dat hij achterlijk is, maar we moeten er even doorheen met z’n allen.

Hij pakt de sinas ook al vroegen we er niet om, we krijgen een plastic bekertje omdat hij geen tijd meer heeft om de afwas te doen.

‘Ik laat mijn scooter lopen op de pont. Ik dring voor. Ik eet alleen nog maar biefstuk. Ik zeg tegen vrouwen die ik mooi vind dat ik ze mooi vind. Ik ga elke dag naar de bioscoop. Als iemand me niet zint krijgt ‘ie een klap voor z’n kanis.’ (de buurman gaat rechtop zitten en kijkt naar I., die naar een glazen kast vol familiefoto’s staart – vrouwen met kapsels, mannen met dezelfde buik als de buurman).

‘Daar moeten we even doorheen met z’n allen,’ herhaalt hij zichzelf.

Hij wil dat we vragen waarom, dat zie ik, want hij heeft zijn antwoord al achter in zijn keel liggen, zijn mond blijft een beetje open staan. Hij ruikt ongezond. Op zijn eettafel, oud en gebarsten en vol met boeken die ik herken, liggen tasjes en dozen van de apotheek.

Waarom, vraag ik.

We wachten. We slapen met doppen in onze oren. Hij doet niet meer open als we aanbellen. Zijn muziekkeuze verandert niet, we kunnen het verloop van zijn verval er niet uit opmaken. De stervende zak, noem ik hem, en twijfel aan zijn sterfelijkheid. Op een dag is zijn deur een andere kleur dan die van ons, de verf ruikt scherp en is slordig aangebracht. Op een nacht gaat zijn muziek niet meer uit. We blijven wakker en zien de zon opkomen en de buurman doet niet open en de politie moet zijn deur intrappen, feloranje splinters op de gangen, in de lift, in de hal waar iedereen plichtsgetrouw z’n voeten veegt aan rubberen krullen. We zijn er doorheen, denk ik. Van buiten zie ik onze flat. Hij heeft een rimpel op z’n smoel.

 

______________________________________________________________________

 images

Roos van Rijswijk schreef columns, sfeerverslagen en interviews voor Advalvas, toneel voor Theatergroep Thomas en proza voor o.a. Tijdschrift Ei, De Revisor, Slang en Tirade. Ze studeerde Nederlands en literatuurwetenschap aan de VU. Op dit moment werkt zij aan een roman. 

 

                 

 

"Foto van Roos van Rijswijk"
Roos van Rijswijk

Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Zee #2

Het is nog maar een week geleden dat ik hier de zee beledigde. Alsof de zee iets recht te zetten had, lokte ze me twee dagen later naar zich toe.

Het was minder erg dan ik dacht. Mijn gezelschap was lief en droeg een leuke bikini, dat hielp, maar het strand mocht er ook zijn. Misschien omdat we in Bergen aan zee waren (flauw). Misschien zou ik bij wijze van middenweg kunnen zeggen dat het mooiste aan de zee de duinen zijn. Het is leuk om overal waar je komt partij te kiezen, dan ben je meer verbonden met wat je ziet. In Zeeland heb je ook een plaatsje aan zee dat Bergen heet. Daar gingen wij in 2000 naartoe en daar was ik zeer gelukkig. Er was bijna elke dag sprake van midgetgolf. Het was een jaar met veel babykrabbetjes, niet zoals dit jaar, dat een jaar met veel kwallen belooft te worden.

Hier is een foto van een lelijke kwal:

Sinds ik in een duinpan begonnen ben in Een handvol sneeuw, het nieuwste boek van Jenny Erpenbeck, heb ik steeds flarden van dit liedje in mijn hoofd, dat er in voorkomt: 

Een man maakt van een oude lap een jas.

Als de jas versleten is, maakt hij van de jas een vest.
Als het vest versleten is, maakt hij van het vest een dasje.
Als het dasje versleten is, maakt hij van het dasje een pet.

Als de pet versleten is, maakt hij van de pet een knoop.

Van de knoop maakt de man niks niemendal.

Maar van niks niemendal maakt hij dit liedje.

Niks niemendal, dat is niet veel. Ter contrast is hier een foto van een mooie kwal: 

zeewesp3

Deze kwal, de kubuskwal, is de kwal die zichzelf het gevaarlijkste zeedier ter wereld mag noemen. Gevaarlijker dan de mensenhaai, gevaarlijker dan de orka, gevaarlijker dan de zeeslang. Zijn tentakels kunnen meer dan drie meter lang worden en als je een beetje pech hebt ben je na aanraking met het dier binnen een paar minuten dood. Ik dacht eigenlijk dat het Portugees Oorlogsschip de gevaarlijkste kwal van al was, maar volgens wikipedia is het niet eens een echte kwal, maar ‘een complexe kolonie van vier typen poliepen’. Maar in werkelijkheid is het gevaarlijkste zeedier ter wereld natuurlijk de mens.  

Een kubuskwal maakt van een mens een lijk.
Voordat hij van de mens een lijk maakt, maakt hij van zijn tanden een ivoren beeldje.
Als de mens eenmaal dood is, maakt hij van zijn huid een schildpaddentas.
Als de tas versleten is, gooit hij hem weg.
Als het ivoren beeldje versleten is, rukt hij een ander de tanden uit.
Van de ander zijn tanden maakt hij een medicijn dat niks niemendal geneest.

Voor niks niemendal koopt hij vervolgens een broodje haring bij een kraam en zingt dit liedje.

The Snow Queen

Michael Cunninghams nieuwe boek The Snow Queen is uit. Sinds een week heb ik het op mijn e-reader. Ja, mijn e-reader. Heeft allemaal te maken met een lang verblijf in een ver buitenland waar ze geen echte boekwinkels hebben.

Wat mij betreft was Cunningham altijd de Prince van de literatuur. Dat kan ik ook nog uitleggen. 

Waar veel kunstenaars dezelfde truc steeds beter, of steeds hetzelfde doen, viel een nieuwe plaat van Prince aanvankelijk altijd tegen. De nummers leken in niets – of in ieder geval heel weinig – op het materiaal waarvan je inmiddels zo was gaan houden. In zijn nieuwe werk moest je je altijd eerst verdiepen, en tegen de tijd dat je heel Sign of the Times dan uit je hoofd kende was het onvoorstelbaar geworden dat de kleine man uit Minneapolis ooit met iets beters had kunnen komen.  

Met de eerste bladzijden van The Snow Queen had ik om een andere reden niet veel. Een homoseksuele veertiger ‘on the rebound’, deelt een appartement met zijn cokeverslaafde broer en diens zieke vriendin (kanker van een progressief soort). Het deed me qua sfeer en personages nogal denken aan Cunninghams laatste roman By Nightfall, terwijl het verschil tussen zijn boeken dus meestal zo knap is (voor By Nightfall schreef hij bijvoorbeeld het bizargeconstrueerde Specimen Days).

Als een van de hoofdpersonen op zijn vaste rondje door het park overdonderd wordt door een mysterieus licht aan de hemel, verandert echter alles. Op een of andere manier heeft deze bijna religieuze ervaring – die hij met niemand deelt – als effect dat de tot dan toe wat losjes uitgezette lijnen in een kristalhelder perspectief worden getrokken. 

Mijn meeste leeswerk doe ik in bed. Met The Snow Queen bleek dat onmogelijk. Cunninghams nieuwe roman is zó rijk dat je er met je volle aandacht bij moet zijn om alle parels op te pikken. Nog nooit heb ik zo lang over een boek gedaan dat ik – na de eerste bladzijden – zo prachtig vond. 

Hieronder de passage waarin hoofdpersoon Barrett even stilstaat naast het slapende lichaam van zijn op dat moment nog terminaal zieke schoonzus Beth: 

“Barrett bends low, puts his face so close to Beth’s that he can feel her breath on his chin. She’s alive. She’s alive right now. Her eyelids twitch over a dream. He imagines her dreams as pale and buoyant, bright even in extremis; no lurking invisible terrors, no shriek of annihilation, no innocent-seeming heads turning to reveal black holes instead of eyes, or teeth like razors.”

Een korte zin in heel gewone taal, maar zo vreselijk precies gekozen:  She is alive right now. 

Op dit moment leeft ze, maar ook: Nu leeft ze nog. En ook: Dit is het moment waarop ik me realiseer dat ze er precies nu, op dit ogenblik, nog is. Waarop ik ten volste besef dat er zo verschrikkelijk weinig afstand zit tussen het nu, en een straks waarin ze niet meer voorkomt.

Barrett wenst haar lichte, heldere dromen. Hij visualiseert de monsters die in haar slaap zouden kunnen voorkomen en verdrijft ze. Dat is ongelooflijk mooi verbeelde liefde. 

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Politiek drinken, een pleidooi

De jongste reclame van Bacardi rum is anderhalve eeuw geschiedschrijving in ongeveer een minuut. Een zeer knappe Latijns-Amerikaanse man loopt langs een lange straat bergopwaarts, langs zijn tocht is de geschiedenis gesitueerd. Hij loopt door feesten, troebelen, vuren die respectievelijke historische gebeurtenissen verbeelden: Cubaanse onafhankelijkheidsoorlog, de drooglegging in de Twenties in Amerika, de revolutie van Fidel Castro, de breuk met het regime, vertrek naar Amerikaanse vasteland. Bacardi-rum is politiek. Ik gruwel van dit soort geschiedschrijving, maar misschien is er ook niet zoveel op aan te merken als je de feiten nazoekt. Bacardi is nog steeds een familiebedrijf, en ze hebben veel meegemaakt.

Die prohibition blijft mij fascineren. Zelf heb ik voor drooglegging de juiste genen niet. In Zweden loop je op een warme dag om 16.00 uur naar de supermarkt om een biertje te kopen om tot de conclusie te komen dat het bier dat verkocht mag worden maar 3,5 % alcohol bevat. Dat is te weinig. Dan maar naar de Systembolaget, de Zweedse uitdroogoplossing.

live.touchguide.se_Systembolaget is een hedendaagse voortzetting  van de Amerikaanse drooglegging met psychologische middelen. Niet alleen blijft de winkel dicht als je om 16 uur aankomt – de winkeltijden vallen samen met de periode waarin gemiddelde mensen nog geen behoefte aan alcohol hebben. Daarnaast zijn de winkels waarin je dan drank moet kopen stuitend. Niet een hoekje met rode wijn, nee, een wand met 250 soorten rode wijn in alle prijscategorieën behalve betaalbaar.

Ik vermoed eveneens dat de medewerkers van deze drankcrematoria waar alle gezelligheid als door ‘dementors’ uitgezogen is, niet eigenlijke verkopers zijn, maar verkoopontmoedigers. Nu kom ik op het heikele gebied van wat je precies van een gebruiker kunt aannemen. Ik voel woede ontstaan als mijn regering mij dingen oplegt die mij niet bevallen. En een beter begrip voor de ontwikkeling van de georganiseerde misdaad. En ook: behoeft zelf misdaden te plegen.

Het liefst natuurlijk door in het Amerika van de jaren ‘20 met repeteergeweren in T-fords door fabrieksterreinen rond Chigago te scheuren. Of op Cuba in een zeepgroene oldtimer langs een plantage te razen, maar desnoods door in Zweden gezellig een halve dag laveloos met een goedbetaalde werkloze aan eigen stooksel te hangen. Ik zag nergens ooit meer tevreden huisstokers dan in midden Zweden. Goed spul!

Twee zijden heeft deze kroonkurk dus: je zou verkoop van wat in chemische termen gewoon  C2H5OH heet niet moeten romantiseren door er een heldhaftige familiesaga van te maken a la Bacardi en zo alle politiek aanwenden ten faveure van een drankje. Maar evenmin zou een overheid zich zo nadrukkelijk tussen zijn onderdanen en en hun gezondheidskeuzes dienen te plaatsen.  Disclaimer: Deze mening is persoonlijk, en als drinker geformuleerd. Als statisticus neem ik onmiddellijk afstand van dit alles: Lang leve de regulatie!

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Florence

De acacia in de achtertuin hangt vol witte bloemtrossen, de zoete geur drijft in golfjes het atelier in. In de hazelaar schreeuwt een ekster – alsof een kind met een ouderwetse, houten ratel speelt. ‘Merry month of may, sunny skies of blue,’ zingt Liesbet met Frank Sinatra terwijl ze naar de figuur op haar tekenpapier kijkt. Nu werkt ze verdorie alweer aan een naaktportret van Aaron! Waar ’t hart vol van is, stroomt de pen van over, dat blijkt maar weer eens…

’t Is allemaal zo snel gegaan… ’t duizelt haar soms… Nog geen drie jaar geleden won Aaron de Oscar voor beste documentaire. Zijn remigratie naar Nederland, de aanbiedingen voor documentaires en speelfilms. Hoe ze elkaar steeds tegenkwamen, opzochten, hun gevoelens niet langer konden onderdrukken… Vorig jaar hun zwangerschap en nu dit gigantische huis aan de Maliebaan. ‘D’r hebben vroeger NSB-ers ingezeten,’ had Aaron door de telefoon gezegd, ‘dus ’t lijkt me echt iets voor ons.’

Ze zit met een glimlach naar haar glanzende, bloedrode nagels te kijken als Aaron op de deurpost klopt. Brede grijns, halve Bagel in een hand. ‘Ga je mee, lieve schat?’

‘Even omkleden.’

Als ze even later in olijfgroene jurk en steenrode espadrilles het huis uit stapt, staat Aaron (spijkerbroek, donkerblauw T-shirt, leren laarzen) achter de kinderwagen op haar te wachten.

‘Wie d’r ’t eerste is!’

Hij begint met de kinderwagen over het fijne grind onder de lindebomen te rennen. Hij gaat zo hard dat ze hem niet kan bijhouden. Aaron schatert. Hij heeft de kap van de kinderwagen naar beneden gedaan en steeds als hij over een hobbel rijdt, ziet ze hoe Florence meters de lucht in vliegt – waarna Aaron haar dankzij een snelle manoeuvre met de kinderwagen weer opvangt. Het lijkt wel of hij pannenkoeken staat te bakken.

En hij gaat zo hard! Alsof hij boven het grindpad zwééft… verderlicht lijkt hij… bijna doorzichtig. De vertrouwde steek in haar hart – het is net alsof hij daar onder het lentegroen haar leven uitrent… die eeuwige angst om hem weer te verliezen. Ze versnelt haar pas, roept zijn naam, roept de naam van haar dochter.

Aan het einde van de Maliebaan wacht Aaron op haar. Hij trekt Liesbet lachend tegen zich aan, kust haar op haar kruin. Samen lopen ze richting Veeartsenijstraat. Er staat een klein theater leeg. Het leek Liesbet ideaal voor postproductie en screenings van Aarons filmproductiebedrijf. Naast de voordeur van het pand groeien stokrozen en paardenbloemen. Aaron heeft de sleutel meegekregen van de gemeente. Samen tillen ze de kinderwagen de drie stenen treden op, naar binnen.

Ze lopen over de  koele spikkeltjesvloer – terrazzo, granito – verkennen de twee grootste ruimtes. Volgens de website van de gemeente werd in de ene zaal vergaderd, gelezen en gediscussieerd en in de andere gerepeteerd en gespeeld. Witte tegels op de muren, daglicht dat schoon door een dakraam valt, sierbanden van roodwit geblokte tegeltjes. Ooit deed het pand dienst als Snijzaal voor studenten Diergeneeskunde. Zware, stalen roosters op de goten die vroeger bloed afvoerden.

Aaron kijkt in kasten en uit ramen, komt dan terug bij de kinderwagen. Hij schudt het hoofd.  ‘Nee, dit is zo’n geweldige plek om theater te maken… dat moeten we niet verpesten met montage shit en servers en projectoren… Laat de gemeente het maar weer aan een toneelgezelschap geven.’

Hoewel Liesbet het met hem eens is, voelt ze zich meteen thuis hier. Aaron leunt tegen een muur van de speelzaal en kijkt door de hoge ramen naar buiten, naar de blauwe lucht.

‘Weet je wat David vanmorgen vertelde?,’ zegt hij dan. ‘Dat er toen ik in de VS zat allemaal rare verhalen over mij de ronde deden hier… ik zou aan de drugs zijn of aan de drank en de helft van m’n tijd doorbrengen in gestichten of afkickklinieken… m’n productiebedrijf zou over de kop zijn en weet ik veel in welke problemen ik allemaal nog meer zat… Goede tijden, slechte tijden, maar dan echt… Heb ik nooit geweten… Waar zouden dat soort lulverhalen vandaan komen?’

‘Ach, mensen kletsen altijd, toch?,’ zegt Liesbet terwijl ze de wagen met Florence wiegt. ‘Zodra je iets bereikt proberen andere mensen je kapot te maken. Uit jaloezie… uit verveling. Of gewoon uit slechtheid.’

‘Mmm.’ Aaron bukt zich om een stoffig voorwerp van de vloer te rapen. Het is een wegwerpstanleymes. Hij schuift het korte mesje naar buiten, naar binnen, naar buiten, naar binnen.

‘Zullen we gaan?,’ zegt Liesbet, ‘Florence moet een – ’

‘Weet je nog dat ik een paar jaar geleden zo kapot was omdat ik die Spaanse danseres zwanger had gemaakt en zij zonder te overleggen abortus had laten plegen?’

‘Ja, dat weet ik nog,’ zegt Liesbet zacht.

‘Nou, behalve aan Ana heb ik dat alleen aan jou verteld, maar nu blijkt half filmend Nederland ervan op de hoogte. Hoe kan dat nou?’

‘Misschien heeft dat meisje ook Nederlandse kennissen?’

‘Shit… geen moment bij stilgestaan.’ Aaron legt het stanleymesje op het raamkozijn, werpt een blik op de kinderwagen, klapt blij in z’n handen en zegt: ‘Wat kan mij ’t ook schelen… kom op, we gaan weer wat doen. Het is bijna – ’ Z’n telefoon gaat. Aaron kijkt op de display. ‘Het is je moeder. Zal ik vragen of ze vanavond bij ons komt eten? Kun je haar meteen je nieuwe tekeningen laten zien.’

Tiradesempre avanti.

Soundtrack: I’ve got the world on a string – Frank Sinatra.

Volgende week: Zwemmen in de openlucht. Anarchistische waanzin. En meer.

Nazit

‘Florence? Wat een gekke naam.’

‘Daar zal ze wel verwekt zijn. Dus wees maar blij dat dat niet in Pisa is gebeurd.’

‘Hahaha! Of in Hendrik-Ido-Ambacht.’

‘Wel zwak dat ’t hele sprookje is gebaseerd op het winnen van een Oscar… schrijven met het toverstafje.’

‘Toverstafje in je broek.’

‘Hahaha!’

 

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Willemijn Kranendonk"
    Willemijn Kranendonk

    Willemijn Kranendonk (1994) is schrijver en dichter, voor zowel kinderen als volwassenen. Haar werk verscheen o.a. in Tirade, DW B, Liegend Konijn en op Lilith Magazine, Revisor, De Internet Gids, Hard//Hoofd en De Optimist. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman die dit jaar nog uit zal komen bij Uitgeverij Van Oorschot en volgt ze de master Jeugdliteratuur aan de Universiteit van Tilburg. Mei 2022 verschijnt haar eerste kinderboek bij Uitgeverij Billy Bones.

  • "Foto van Julien Ignacio"
    Julien Ignacio

    De Nederlands-Arubaanse schrijver Julien Ignacio (1969) studeerde af als literatuurwetenschapper. Hij publiceerde theaterteksten, blogs en korte verhalen. In 2008 ontving hij de El Hizjraliteratuurprijs voor zijn toneelstuk Hotel Atlantis. Hij was redacteur van literair tijdschrift Tirade en is bestuurslid van de Werkgroep Caraïbische Letteren. In 2018 verscheen zijn debuutroman Kus (nominatie Bronzen Uil). Met collega-schrijvers Michiel van Kempen en Raoul de Jong stelde hij Dat wij zongen samen, een bloemlezing Caraïbische literatuur die in 2022 uitkwam bij uitgeverij Das Mag. In september 2023 verscheen zijn tweede roman Goudjakhals, een kralenketting van historische en futuristische migrantenverhalen, die zich afspelen in onder meer Amsterdam en Aruba, Beiroet en Lesbos.

  • "Foto van Mira Aluç"
    Mira Aluç

    Mira Aluç (1993) schrijft korte verhalen en beschouwingen. Haar werk is sinds 2015 onder andere verschenen op Mister Motley, in Streven, De Revisor en De Gids en werd meermaals gepubliceerd op DIG (De Internet Gids) en in Tirade. In 2020 werd haar verhaal Backspace opgenomen in Rebel, Rebel, de bundel van Uitgeverij Prometheus ter gelegenheid van de Boekenweek. Ook maakte zij de podcast Balkon voor Sprekende Letteren.