Er als een berg tegenop zien… of promised corn and wine

‘Waar ga je heen?’
‘Naar de Drachenfels.’
‘De wat?’
‘De Drachenfels, kom op man, bekendste berg van Duitsland, een van de zeven van het zevengebergte.’
‘Hoe hoog is die hele berg dan wel?’
‘321 meter’
‘Whooa hahahoha dat is geen berg man, dat is een keutel!, ik ken honden die hoger schijten…’
‘Wacht maar tot je er op je knieën op naar boven moet, of met een complete bibliotheek op je rug. Want lezen en een rothekel hebben aan ereaders betekent: sjouwen en niet zeuren.’
‘Wanneer ga je?
‘Vrijdag, tot en met zondag, drie dagen lopen met J. en een rugzak, een paar boeken en een tent..’
‘Dus dat is voldoende aanleiding om een compleet blog aan te besteden, maak je verder nooit iets mee, dan? Get a life!
‘Nee, en sterker nog, ik ga er twee blogs aan besteden, 1 ervoor, en 1 erna. Verwachting en realiteit weet je wel.’
‘Hemel. Nou,  it better be good. Let’s get it over with, trouwens, waarom dan uitgerekend naar de Drachenfels?’

Ja waarom naar de Drachenfels. Omdat het een literair bergje is. Boeken mee dus.

1.) De Drachenfels figureert in Lord Byron, Childe Harold’s Pilgrimage:

The castled crag of Drachenfels
Frowns o’er the wide and winding Rhine.
Whose breast of waters broadly swells
Between the banks which bear the vine,
And hills all rich with blossomed trees,
And fields which promise corn and wine,
And scattered cities crowning these,
Whose far white walls along them shine,
Have strewed a scene, which I should see
With double joy wert thou with me!

2) In Heines sonnet  Die Nacht auf dem Drachenfels (tweede kwatrijn)

Wir tranken Deutschlands Wohl aus Rheinweinkrügen,
Wir sahn den Burggeist auf dem Turme lauern,
Viel dunkle Ritterschatten uns umschauern,
Viel Nebelfraun bei uns vorüberfliegen.

3) En Jacob Geel die in 1835 zijn Gesprek op den Drachenfels schreef, een soort traktaatje over de Romantiek dat elke student Nederlands niet las omdat het beresaai moet zijn.:

‘Wij waren op een terras gekomen, dat een weinig lager was, dan de kruin van den berg, en van waar alles zigtbaar was, wat ten noorden van den Drachenfels ligt. – Ach, Charinus, riep ik, waarom brengen wij nevelen en schemeringen in de kunst, zoo lang de wezenlijkheid zulke heldere beelden oplevert?’

Pfff, een tractaatje dat, evenals de berg

4.) mogelijk een bijrolletje speelt in een boek van een schrijver bij uitgeverij Van Oorschot.  Dus eigenlijk ga ik aan het werk.

Op basis van de bovengaande literatuur en algemene kennis van Duitsland  mag ik verwachten: wijn, Reinheitsgebotbier, uitzichten, lange gesprekken,  Nebelfraun, een toren, bloemen, planten, keurige Duitsers.  Nederlandse toeristen, een kalende vent van vijfenzestig die niet voldoende inschat dat iedereen op wikipedia kijkt en die mij in een bocht van de weg bij een afgraving gaat vertellen dat het een dood vulkaantje betreft en dat het gesteente trachiet heet en dat de Keulse dom ervan gebouwd is, waarna ik vanbinnen vermoeid van buiten opgetogen en bewonderend ‘oh ja? zeg en mijn weg vervolg.

Volgende week hoe het echt was. En of Jacob Geel echt het saaiste boekje ever heeft geschreven.      

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Mevrouw Windisch

Vannacht droomde ik dat ik een hoofdtransplantatie onderging. Ik kreeg een telefoontje en het moest meteen. Er was een donor gevonden, geen tijd te verspillen. Of ik zo snel mogelijk naar het ziekenhuis kon komen. In de operatiekamer stond een team artsen klaar, met een bak met een hoofd, en daaromheen een kring toeschouwers. Waarschijnlijk vanwege het belang voor de wetenschap, dacht ik eerst. Maar toen ik beter keek zag ik dat de kring mensen geen mensen waren maar koppen. Aan de muur hingen de overbodig geraakte hoofden van andere patiënten. Zwetend werd ik wakker, en ik moest denken aan de kopjes kruidenthee van mevrouw Windisch.

Een paar maanden terug viel ik met skiën en werd wakker in een CT-scan. Ik had geluk, vond de dokter, want van zo’n klap (al droeg ik een helm) kun je je nek of schedel wel breken, of een hersenbloeding krijgen. Maar ik had alleen een hersenschudding.

Het bleek nog lastig om daar blij om te zijn. In het berghotel in de dagen daarna kroop de tijd voorbij want de wereld bleek met een hersenschudding plotseling fel en lawaaiig. In mijn boeken dansten de letters over de bladzijden en mijn laptop bleek een te fel knipperend licht. Het schelle geluid van mijn bezorgde vrienden aan de telefoon was meer dan ik kon verdragen. Voor mijn ogen schoof de wereld soms uit elkaar in tweeën. Ik sliep veel die lange dagen of tuurde verveeld voor me uit.

Een krom oud vrouwtje verscheen aan mijn deur. Ze stelde zich voor als Frau Windisch, woonde beneden en had gehoord dat ik een verletzung had. Heel vervelend, zei ze, als de Kopf het niet doet.

Als ik nu terugdenk aan hoeveel moeite het kostte haar rustige bergduits te verstaan, duizelt het me weer. De wereld in slow motion, mijn Duits, toch niet bijzonder slecht, zat diep weggestopt tussen mijn gekneusde hersenen. Ik zei dat het inderdaad vervelend was. Kopfschmerzen, die had ik. Zimmliche kopfschmerzen.

Ik had geluk, zei het mevrouwtje. Want ze was een hexe.

En ik vroeg me af of dat hetzelfde betekende als in het Nederlands.

Ze had een kräutertuintje in de zomer, verduidelijkte ze.

En daarna stond elke paar uur een dampende kop thee voor mijn deur, lichtgeel van kleur, met drijvende bergkruiden. Met een briefje erbij dat het melisse was of juist Eisenkraut.

Ik dwaalde wat door het hotel, hoorde iemand schuifelen onderaan een trap waar bij stond: privat. Ze schrok toen ik haar naam zei en haar dankte voor de thee.

Ze had me niet verwacht, zei ze verontschuldigend. Of ik het misschien leuk vond om haar dieren te zien? En ik volgde haar naar beneden.

Daar stond ik opeens met mijn hoofd vol watten in een hal vol hoofden, koppen eigenlijk. Haast eindeloos veel dode koppen staarden me aan met hun knikkers als ogen, vanaf hun sierlijke handgesneden planken aan de muur. Zwijntjes, berggeiten, herten, en gemzen met verschillende maten geweien. Daaraan kun je zien hoe oud ze zijn, zei mevrouw Windisch. En of het een mannetje is of een vrouwtje.

Haar zoon was jäger, zei Frau Windisch. En hij schiet altijd in een keer raak. We eten ze op en de kop gaat aan de muur. Van het leer maken we hosen en niets wordt verspild.

Of ik de viltafel wilde zien in de schuur.

Ik bedankte haar vriendelijk terwijl ik me afvroeg of die misselijke duizeligheid van de hersenschudding kwam of dat ik nooit die kruidenthee had moeten drinken. Wie neemt er iets aan van iemand die zichzelf heks noemt? Ze pakken je altijd op je zwakste moment.

Ik wilde terug naar mijn kamer maar mevrouw Windisch greep mijn arm. Ze wees me op sierlijke vogels, hun kleurige staarten vier omhoog gestoken, hun klauwen stevig aan een sokkel genageld.

Dit is een Auerhahn, zei ze en wees op een zwartgroene pauw. Zijn kop keek scheef omhoog, alsof hij een jager aan hoorde komen. De Auerhahn was bijna uitgestorven zei mevrouw Windisch, maar haar zoon had er toch eentje voor haar weten te vinden.

En ik piepte of het een toilette gab en gaf over op een wc vol gedroogde bloemen en kleine schedels met geweien. Daarna schoot ik naar boven, mijn bed in en heb haar of haar kruidentheetjes niet meer gezien.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

‘MIJN INTELLECTUELE VRIENDEN ZIJ ZIJN WATJES’*

‘Ja! Ho! Stop! Als je d’r langs wilt, moet je eerst vijf brokjes betalen! Nee hoor, grapje, hahaha! Loop maar gewoon om me heen… Maar wat ik me afvroeg… doet Tirade ook verzoekstukken? Ja? Fijn. Ik vind die maandagstukjes de laatste tijd namelijk een beetje… soft… een beetje… hoe zal ik ’t zeggen?… een beetje POEZELIG… moehahaha! Maar serieus: mag ’t vandaag een beetje ongepolijst?… een beetje ruw? Een beetje streetwise? De wereld is groter dan bibliotheken, musea en concertzalen hè? Dat vind jij ook? Goed zo. Zet ’m op, knul!’

In Marguerite Duras’ De minnaar kijkt een volwassen Française terug op de relatie die zij als vijftienjarig schoolmeisje had met een ruim tien jaar oudere Chinese man, in Vietnam. Het meisje stamt uit een kil, hard gezin, ‘Een gezin van steen’. De vader van het meisje is overleden. Haar Franse moeder en Franse broers discrimineren haar Chinese minnaar.

Over de gezamenlijke diners in Chinese restaurants in Saigon vertelt de protagoniste:

‘Die avonden verlopen alle op dezelfde wijze. Mijn broers schrokken en richten nimmer het woord tot hem. Ze kijken ook niet naar hem. (…) De twee eerste keren waagt hij het erop, hij probeert het verhaal te vertellen van zijn belevenissen in Parijs, maar tevergeefs. Het is alsof hij niet had gepraat, alsof niemand iets had gehoord. Zijn poging verzandt in de stilte. (…) Mijn broers zullen nooit het woord tot hem richten. Het is alsof hij onzichtbaar voor ze was, alsof hij niet dicht genoeg was om door hen te worden opgemerkt, gezien, gehoord. Dat omdat ik hem om mijn vinger wind, omdat ervan wordt uitgegaan dat ik niet van hem houd,  dat ik met hem omga om het geld, dat ik niet van hem kan houden, dat dat onmogelijk is, dat hij alles van me zou kunnen verdragen zonder dat zijn liefde ooit uitgeput raakte. Dat omdat hij een Chinees is, omdat hij geen blanke is.’*

De lijdzaamheid waarmee de Chinese minnaar het zwijgen van zijn disgenoten ondergaat, maakt de vernedering nog pijnlijker.

Wat een verademing, daarentegen, is de manier waarop de verteller van Yahya Hassans gedicht Verhuizing reageert als hij zich verneukt voelt:

IK VERNIELDE DE HELE HUT MET EEN GROTE KOEKENPAN

EERST ALLE RAMEN

DAARNA KAMERPLANTEN POTTEN BORDEN GLAZEN

IK TRAPTE DE DEUREN IN EN GOOIDE DE KAST OM

TROK DE LADEN ERUIT EN BRAK DE KASTDEUREN AF

DE GROEPSLEIDERS HIELD IK OP AFSTAND

MET MIJN ZAKMES

Hahaha, zo doe je dat!

Het debuut van Hassan (1995), Deense zoon van Palestijnse vluchtelingen, leest als een autobiografie in vrije verzen. Aan het binnenwerk/de opmaak te zien is het boek bedoeld als poëzie, maar de gedichten lezen net zo weerstandloos als een bundel goedgeschreven, kort proza.

Hassans boek verhaalt over een criminele jeugd in een Deense prachtwijk en op internaten en is doorregen met moslimkritiek en herinneringen aan Libanon. De gedichten zijn rauw, kwaad en hilarisch – dankzij alle achtervolgingen, inbraken en vechtpartijen kunnen ze concurreren met actiefilms, televisiejournaals en de misdaadpagina’s uit Panorama en De Telegraaf.

Criminelen en kunstenaars stellen hun eigen wetten:

 

BESTE MAATJES

 

VANDAAG ZAL IK

DE GORDIJNEN NIET OPENDOEN

IK ZAL ONTBIJTEN EN DOUCHEN

EEN KOP KOFFIE DRINKEN EN GENOEGEN NEMEN MET EEN SIGARET

IK ZAL EEN GEDICHT SCHRIJVEN EN DE KRANT LEZEN

EN NA LANG AARZELEN

EEN BOEK UIT MIJN VERZAMELING KIEZEN

MAAR ÉÉN TELEFOONTJE VAN EEN NEEF

EN IK SNEL DE DEUR AL UIT

MET HANDSCHOENEN IN MIJN ZAK EN GEREEDSCHAP IN MIJN TAS

 

Leve het welzijnswerk en de goede bedoelingen. Maar van agressie gaat soms ook iets geruststellends uit. De criminelen van vandaag zijn de ondernemers en wetenschappers van de toekomst.

Tiradestreetwise.

Soundtrack:  Head cornerstone, Bob Marley.

Volgende week:  ‘Wat een raar geluid…’

Noten

*Marguerite Duras, De minnaar (1985 [1984]), vertaald door Marianne Kaas.

*Yahya Hassan, Gedichten (2014 [2013]), vertaald door Lammie Post-Oostenbrink.

 *De titel van dit stukje is een citaat uit Yahya Hassans gedicht MEGADICHT (Gedichten, p.160).

Hoe het ook had kunnen zijn 2

Elke keer als ik naar buiten moet gaat het regenen, bij ver fietsen harder dan bij een klein stukje lopen. Onderweg naar de pont regent het zo hard dat het haast onmogelijk is om nog iets te zien en na twee minuten fietsen ben ik zo doorweekt (mijn haar mijn trui mijn sokken zelfs mijn onderbroek) dat het niks meer uitmaakt – het had net zo goed droog kunnen zijn. Met mijn ogen halfgesloten ga ik langzaam voort, hoor ik hoe het op de bladeren regent, hoe het water in sloten kletst. Het is groen, in Amsterdam Noord, en dat is lekker. De geur van bos. Wanneer het nog harder gaat regenen, zo hard dat het zeer doet, schuil ik onder een brug. Tegenover me staat een vrouw die zo op mijn oma lijkt dat ik haast met mijn armen wijd op haar af ren maar ik bedenk me; oma is dood, al jaren. Ik ruik geen bos meer maar de mossige geur van natte kelder die in haar huis hing en een parfum dat niet meer gemaakt wordt, ik wil dat die vrouw iets zegt om te horen of ze hetzelfde klinkt.

Op de pont draagt iedereen een regenpak behalve ik. De meeste mensen bezitten het vermogen bij iedere wisseling van weersomstandigheid opeens passende kledij te dragen; die zie je nooit met vijfentwintig graden een jas dragen en die kunnen regenlaarzen uit hun broekspijpen schudden als ze een plasje zien. Op het dek (het is droog want ik sta overdekt) staat een heimelijke zeeman – van het slag dat je alleen op de pont vindt – met geknepen ogen over het IJ uit te staren, hij rookt een sjekkie. Sprekend een oude leraar van me. Zo sprekend dat ik zwaai en halverwege de zwaai besluit op mijn hoofd te krabben zodat de zeeman het niet ziet, ik weet al wat er aan de hand is, het is een iedereen-lijkt-op-iemand-dag. Naast me niest een goede vriendin die waarschijnlijk mijn goede vriendin niet is. Gezondheid, zeg ik voor de zekerheid en ze kijkt om zich heen om te zien waar die wens vandaan kwam. Ik kijk naar mijn natte gympen.

Bijna ligt mijn vriend onder mijn fiets, hij vloekt in het Frans, ik schamp een neef die zijn baard heeft afgeschoren, een vriend uit Haarlem staat met een hond aan de lijn in de stromende regen te wachten bij een stoplicht. Ik stop bij een zebra om mijn ex te laten oversteken, ze loopt hand in hand met een man en kijkt daar erg gelukkig bij.

Op het Leidseplein dat glimt van water lopen studiegenoten, vrienden, vergeten kennissen, mijn vader met zijn haar tegen zijn voorhoofd geplakt en uiteraard, net als ik, zonder regenjas.

‘Hee,’ roep ik.

‘Verrek,’ antwoordt hij en hij heeft een tongval die ik niet van ‘m ken, de ‘r’ zit achter in zijn keel, ‘Els!’

Ik zeg dat ik Els niet ben en mijn vader die mijn vader niet is haalt zijn schouders op, dan niet, hij sjokt verder door de regen. Met de fiets aan de hand doe ik hetzelfde, de andere kant op.

 

______________________________________________________________________

 images

Roos van Rijswijk schreef columns, sfeerverslagen en interviews voor Advalvas, toneel voor Theatergroep Thomas en proza voor o.a. Tijdschrift Ei, De Revisor, Slang en Tirade. Ze studeerde Nederlands en literatuurwetenschap aan de VU. Op dit moment werkt zij aan een roman. 

 

                 

 

"Foto van Roos van Rijswijk"
Roos van Rijswijk

Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Gastblog: Waarom het verhaal niet mag stoppen

Gnothi seauton, stond er geschreven boven de ingang tot Apollo’s tempel in het oude Griekenland. Ken uzelf. Zodat de pelgrim die na een lange voetreis aankwam bij het orakel een moment bij zichzelf te rade moest gaan: wie ben ik dan? Wat maakt mij uniek? Wat onderscheidt mij van de anderen? En iedere keer dat Apollo’s Pythia uit de bedwelmende aarddampen in hexameter haar antwoorden zong leek het haast alsof de letters dieper in de stenen van de tempel werden gekrast: gnothi seauton.

Lang, lang geleden was er eens een dier, of een mens – we weten het niet precies – en dat dier vertelde verhalen, maar hoorde zelf niet wat het zei. Het had geen zelfbewustzijn en vertelde daarom verhalen aan andere dieren die ook geen zelfbewustzijn hadden. Net zo stelde het vragen. En als het wat vroeg, dan kreeg het van een ander dier antwoord. Deze dieren, die onze verre voorouders zijn, vertelden en vroegen maar wat raak en niemand wist waarom. Ze stelden zich die vraag ook niet. Tot op een dag het dier waar wij het over hebben afgezonderd raakte en er niemand was om te antwoorden toen het een vraag stelde. Wat het vroeg weten we niet, maar wel weten we dat toen het zijn vraag stelde er een diepe stilte viel. En in die stilte hoorde het dier zijn eigen vraag weergalmen. Ten einde raad gaf het dier zichzelf antwoord. Het had de vraag immers ook gehoord, en zo werd het zelfbewustzijn geboren. Tenminste dat zegt de Amerikaanse filosoof Daniel Dennett.

Daarin is te herkennen wat Sartre zei: L’existence précède l’essence. Je kan jezelf niet ontdekken, je moet jezelf uitvinden! Maar anders dan Sartre dacht, doen we dat niet alleen door te handelen maar vooral door te praten, te schrijven, te denken. Kortom we vertellen verhalen over onszelf en scheppen zo ons eigen wezen.

Vreemd genoeg steken we die verhalen vaak in een pels. We vertellen over dieren waar we het eigenlijk over mensen hebben. Dat is een merkwaardig gegeven, zeker als je nagaat dat we net hebben beweerd dat het verhaal ons juist boven het dierlijke uit heeft getild. Waarom vertellen we dan over onszelf in de vorm van dieren?

Animal Farm van Orwell gaat bijvoorbeeld niet over een boerderij met pratende dieren. Die dieren staan symbool voor mensen, voor de maatschappij. All animals are equal, but some animals are more equal than others. Zoiets zou een varken niet zeggen, dus weet je dat het varken hier een mens is.

De vos en de kraai, een fabel die we kennen van De La Fontaine, maar die veel eerder al door Aesopus werd verteld, is daar ook een sprekend voorbeeld van. De vos weet doormiddel van sluwe vleierij het stuk kaas te ontfutselen. Dat gaat ook over mensen.

Neem nu echter Kafka’s Die Verwandlung, dat gaat over een mens die juist een dier wordt, in tegenstelling tot het dier dat mens werd. Dat is de antithese van onze ontstaansgeschiedenis. Een schaduwbeeld ervan. De transformatie gaat echter niet van mens naar aap, maar naar een stuk ongedierte, zeg een kever. Gregor, een heel gewone man, wordt nadat hij op een dag wakker wordt als kever, door zijn familie opgesloten in zijn kamer. Hij is gedoemd zijn dagen verstopt voor de buitenwereld te slijten, luisterend naar zijn eigen interne monoloog. Wat hij zichzelf vertelt, is het laatste bewijs dat het hier in werkelijkheid om een mens gaat en niet om een gewone kever. Gregor praat tegen zichzelf, hij narreert zijn eigen bestaan, bevraagt het en geeft zelf antwoord. Wie ben ik? Ik ben een mens. Wie ben ik? vraagt hij zich steeds weer af, maar langzaam wordt hij steeds meer een dier en geeft hij geen antwoord meer. Wie ben ik?

Ludwig Wittgenstein is er beroemd om dat hij heeft beweerd dat je niet over een privétaal kunt beschikken. Je kan niet louter met jezelf praten. Taal is immers een spel dat je samen speelt. Niet in je eentje. Als je wil blijven praten, moet je, aldus Wittgenstein, tegen anderen praten, omdat betekenis in het gebruik van de taal ligt en niet in je hoofd zit. Gregors interne monoloog, afgesneden van communicatie met anderen is dus per definitie tanende. En als we Dennett moeten geloven kan je zonder taligheid juist weer niet zelfbewust zijn. Verlies je je verhaal, dan verander je terug in een dier.

Wittgenstein beweerde dan ook dat privétaal zoiets is als wanneer iedereen een kever in een eigen doosje heeft, maar weigert het doosje te openen om de kever te laten zien. Kevers in doosjes zijn betekenisloos, omdat je ze niet met elkaar kan delen. Voor hetzelfde geld zit er helemaal geen kever in! lijkt hij te zeggen. Niemand zou het weten.

Gregor werd ook in zo’n doosje gestopt. Maar zijn doos was een kamer en in zijn kamer werd hij een dier omdat niemand meer luisterde naar wat hij wilde vertellen, tot tenslotte hijzelf ook niet meer luisterde.

Een ander dier dat veel tegen zichzelf praat, is Winnie-de-Poeh. Op een dag als hij bij Iejoor langs gaat vindt hij deze in een abominabele toestand. Iejoor is zijn staart kwijt. Poeh, goede vriend die hij is, belooft de staart terug te zullen vinden. Zijn zoektocht voert hem naar de meest wijze persoon die hij kent, Uil. Die laatste functioneert als orakel, vergelijkbaar met dat andere orakel in Delphi. Poeh treuzelt begrijpelijkerwijs een moment aan de deur als hij ziet dat er twee borden met grote letters bij de ingang hangen: Op het ene staat bellen als een antwoord nodig is en op het andere staat kloppen als een antwoord niet nodig is. Poeh, die lang heeft moeten lopen om de wijze raad van Uil in te winnen, klopt en belt tegelijk, want hij is een dier, maar ook een beetje een mens die een antwoord nodig heeft.

 

—–

Mathijs Gomperts (1988) studeerde cum laude af in de wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn scriptie had als zwaartepunt literaire fictie in relatie tot de filosofie. Hij doceerde aan het voortgezet onderwijs en werkte enkele jaren als programmamaker bij literair podium Perdu. Tijdens zijn studententijd was hij werkzaam als hoofdredacteur voor filosofieblad Cimedart en later vervulde hij diezelfde functie voor Post Perdu. Tegenwoordig werkt hij bij uitgeverij Van Oorschot.

Heden en verleden in 399 woorden

In The Sea van John Banville omspant de schrijver het karkas van de tijd met een meanderend verhaal over kunsthistoricus Max Morden. Hij heeft –als wij allen –  een heden, een recenter en een dieper gelegen verleden. ‘The past beats inside me like a second heart.’

Aan de volgende zin bleef ik hangen:

‘Even from inside  the car we could hear the palms on the lawn in front dreamily clacking their dry fronds, a sound that on purple summer nights long ago had seemed to promise all of Araby. Now under the bronzen sunlight of the October afternoon — the shadows were lengthening already — everything had a quaintly faded look, as if it were all a series of pictures from old postcards. Myler’s pub-post-office-grocery had swelled into a gaudy superstore with a paved parking area in front.’

Dat zou je misschien zo kunnen vertalen:

‘Zelfs vanuit de auto konden we de palmen op het grasveld voor, dromerig hun droge bladeren tegen elkaar horen tikken, een geluid dat op lang vergleden purperen zomeravonden heel Arabië leek te beloven. Nu onder het bronzen zonlicht van de oktobernamiddag – de schaduwen lengden al – had alles een antiek vervaagd patina, als op een serie foto’s op oude ansichtkaarten. Myler’s café-postkantoor-kruidenier was opgezwollen tot een opzichtige supermarkt met een bestrate parkeerplaats aan de voorkant.’

Wat doet de schrijver hier?  Een binnenwereld (de auto) van waaruit  de hoofdpersoon kijkt naar de buitenwereld: een kuststrook waar hij veel verleden heeft liggen. Hij herinnert zich dat hij daar de palmen altijd al hoorde tikken, zoals ook nu. Hiermee hecht de schrijver heden en verleden aan elkaar. En hij gaat verder, dat geluid deed hem toen dromen van Arabië. (de keuze van het woord is al ‘hipstamatic’) In welke droom hij dan nu in de auto ook weer even verwijlt. Vervolgens gaat hij weer terug naar het heden, ‘nu onder…’ dat hij onmiddellijk vintage inkleurt, laag oktoberlicht en een directe verwijzing: het lijkt als op oude foto’s.  Wederom verbindt hij nu en toen aan elkaar in één zin. En dan weer terug naar de alledaagse gezwollenheid van een supermarkt. Een knap stuk werk.

220px-Thomas_Robert_Malthus
Thomas Robert Malthus 1766-1834 had een moeilijk te overschatten inzicht dat vreemd genoeg taboe is

Nu wilde ik naadloos overstappen op Malthus, en dat alles groter is geworden en verandert omdat er zoveel mensen zijn en dat Malthus dat al zag. Een moeilijk te overschatten inzicht dat vreemd genoeg een aspect van taboe heeft. Maar de woorden zijn op.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Dünya Calikci"
    Dünya Calikci

    Dünya Calikci (28) is een echte Amsterdammer en schrijver pur sang. Als student aan de opleiding Writing for Performance aan de HKU schrijft ze rauw, eerlijk en realistisch – altijd dicht op de huid. Haar werk draait om echte mensen en hun verhalen, zonder opsmuk of filter. Dünya zoekt de kwetsbaarheid op en vangt het alledaagse in woorden die blijven hangen.

  • "Foto van Thom Wijenberg"
    Thom Wijenberg

    Thom Wijenberg (1996) schrijft poëzie en proza. Hij werkt als redacteur en programmamaker en studeert aan de Schrijversvakschool. Zijn werk verscheen onder andere op Notulen van het Onzichtbare, Tijdschrift Ei en in de Seizoenszine.

    Auteursfoto: Gaby Jongenelen

  • "Foto van Fannah Palmer"
    Fannah Palmer

    Fannah Palmer (1994) studeert momenteel online aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft zelf fictie, poëzie en af en toe een essay. Naast haar ambities in de uitgeverswereld hoopt ze in de nabije toekomst veel eigen werk uit te brengen.