Pegasus

Vrijdag poëziedag. Hieronder zes regels uit Peter Verstegens nieuwe Venus & Adonis vertaling. Het paard van Adonis is verliefd, of hoe noem je dat bij dieren, op een merrie. Hij breekt los voor haar, waarna Shakespeare dicht/Verstegen vertaalt:

Soms draaft hij weg en blijft van ver staan staren,

Soms schrikt hij van een warrelend veertje, maar

Hij tart de wind zijn vaart te evenaren,

Hij galoppeert, hij vliegt, je weet niet waar;

De wind zingt door zijn manen en zijn staart.

Die donzen vleugels geven aan dit paard.

 

Even later verdwijnen merrie en hengst, zo snel als een vlucht kraaien, naar een bosrand.

William Shakespeare, Venus en Adonis (1593), Van Oorschot (2014).

Voor heel veel hedendaagse liefdespoëzie: zie Tirade 454.

 

In de Oorshop

The La Superba Chronicles

Ik had nog nooit iets van Ilja Pfeijffer gelezen voordat we in het laatste nummer van Tirade een gedicht van hem opnamen.

Hoewel Tirade 454 barstensvol juweeltjes zit, zal Pfeijffers Zestiende idylle me het meest bijblijven. Het zette me ertoe aan La Superba te kopen, en dat terwijl ik de kinderachtige neiging heb nooit iets te willen lezen wat de rest van Nederland ook mee op vakantie neemt. 

Het lijkt me niet nodig het boek hier te bespreken. Laat ik zeggen dat ik ervan genoten heb, en zowel sterke identificatie met, als afkeer van de hoofdpersoon heb gevoeld. La Superba doet wat een boek  – of eigenlijk alle tekst – volgens mij moet doen: de lezer meeslepen. Het maakt niet uit of de wereld waar ik heengesleurd word een mooie of lelijke is, of ik me erin thuisvoel of hem afstotelijk vind, als ik er maar volledig in verdwijnen kan. 

Ik stel een nieuwe schaal voor waarop fictie gemeten kan worden. Laten we het de vijfde smaak in de literatuur noemen, vergelijkbaar met wat in culinair Japan Umami heet. Ervan uitgaande dat boeken op een aantal schalen (stijl, verhaal, personage, originaliteit, beelden, etc.) beoordeeld kunnen worden, wil ik dat de ‘dwingendheid’ – Lumami? Ik sta open voor suggesties – van fictie de plek in dat rijtje krijgt die hij verdient.

images-2

Maar is die dwingendheid niet gewoon het gevolg van een goede score op een aantal van de al bestaande schalen?  

Dat denk ik niet. De boeken van Anne Rice scoren namelijk heel hoog op mijn Lumami-schaal, terwijl niemand zal roepen dat ze zo vreselijk literair zijn. Haar werk is op elk vliegveld te koop en een heel probaat middel tegen vliegangst, kan ik uit ervaring melden. Als je met woorden voor elkaar krijgt dat ik bij het opstijgen onder zware turbulentie nauwelijks aan een gruwelijke dood denk, is je tekst behoorlijk dwingend. 

Ik hoop dat juist de kloof tussen de oeuvres van Pfeijffer en Rice duidelijk maakt hoe groot het bestaansrecht van de Lumamischaal is. 

Wat u?

 

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Het Brazilië van Darius Milhaud

Darius Milhaud

Louis van Gaal heeft laten weten wie waarschijnlijk meevoetballen in Brazilië. Ik behoor tot de minderheid van mensen die in deze zin alleen blijft hangen aan het woord ‘Brazilië’. Daar ben ik niet trots op, maar ik heb het gewoon niet geleerd. Voetballen wel, dat deed ik als kind graag, maar als andere vaders naar Studio Sport keken, las mijn vader de krant. Ik heb het niet geleerd te houden van kijken naar voetbal. Maar Brazilië! Recentelijk leerde ik twee componisten kennen die zich tot dat land verhouden. De bekendere Heitor Villa-Lobos die en fascinerende link maakt tussen echt Europese en echt Latijns-Amerikaanse muziek in zijn  Bachianas Brasileiras, op Bach geïnspireerde composities die een gevoel van Bach geven, maar gelatiniseerd, geëmotioneerd zou je kunnen zeggen. Dit is de bekendste. (Met Kiri Te Kanawa)

Recenter vond ik een ander voorbeeld van creolisering, vermenging van muziekstijlen, bij Darius Milhaud, dat is een bijzondere figuur!  Milhaud reisde veel en bezocht in 1917/18 Brazilië en schreef later de  Saudades do Brasil (1920), Op. 67, een compositie van twaalf dansen voor piano die een tango of sambaritme hebben en geïnspireerd zijn op en genoemd naar evenzoveel buurten van Rio de Janeiro. Deze opname van 1928 in een bewerking voor viool en piano is mooi en krakerig. (Francis Koene op viool.)

Die Darius Milhaud, van Joodse komaf, emigreerde in 1940 naar Amerika en gaf les, ook aan grootheden in een ander genre als Dave Brubeck, die zijn zoon later Darius noemde en Burt Bacharach. Milhaud vertelde Bacharach eens, ‘Don’t be afraid of writing something people can remember and whistle. Don’t ever feel discomfited by a melody.´

Ik luister nu chronologisch naar alles wat ik van Milhaud kan vinden, hij is een componist bij wie ik me zeer goed voel, een mix van begrip en onbegrip die noodzakelijk is voor het echt luisteren naar muziek. Dan over Brazilië. Ik wil er zo graag heen… Om te zien of er iets te herkennen is van wat deze zes  favoriete boeken tonen: Autran Dourado Opera der doden, August Willemsen Braziliaanse brieven (een van de meeslependste brievenboeken ooit), Dalton Trevisan, geweldige korte verhalen)  João Guimarães Rosa, Diepe Wildernis, de wegen – een echt meesterwerk en Joaquim Maria Machado de Assis De postume herinneringen van Brás Cubas, of de gedichten van Carlos Drummond D’Andrade.

Maar niet deze zomer.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

‘Ik had helemaal schijtgenoeg van het toneelstukje’ – tepelstickers

‘Mijn vriend Ilja Leonardo is dichter,’ zei Monia.

‘Wat dicht hij dan zoal?’ vroeg de vrouw des huizes.

‘Gedichten,’ zei Monia.

Het hoofdgerecht was konijn op Ligurische wijze, met aardappels en olijven. Er werd een exclusieve rode wijn bij geserveerd. En ik had helemaal schijtgenoeg van het toneelstukje. Tegen alle regels van de etiquette in pakte ik de fles van tafel om mijzelf bij te schenken. Dat betekende dat ik nooit meer zou worden uitgenodigd, maar des te beter. Het had echter een averechts effect. Ze vonden dat onbeschofte gedrag leuk van mij. Ik was waarschijnlijk de eerste in vijf eeuwen die het had aangedurfd om in hun huis de ijzeren wetten der wellevendheid te schenden. Ik was een dichter, nietwaar? Dat had ik met deze bruuske daad maar mooi bewezen. Lachend zetten ze zes flessen op tafel. Monia leek daarover nog meer verheugd dan ik.

Ilja Leonard Pfeijffer, La superba (2013; p.185/186).

Morgenavond wordt in het Amstel Hotel (Amsterdam) een literatuurprijs van een grote boekhandelsketen uitgereikt. Ilja Leonard Pfeijffer is één van de genomineerden. Hoewel prijzen me onverschillig laten, kan ik niet ontkennen dat ik het jammer vind dat zich onder de genomineerden slechts één auteur van een zelfstandige uitgeverij bevindt, namelijk Tom Lanoye (Gelukkige slaven).

God, literaire prijzen… ze verschaffen uitgeverijen een autoriteitsargument waarmee verstandelijk beperkte lezers wellicht kunnen worden overgehaald een boek alsnog te kopen. Daarmee hebben prijzen een sociaal-culturele en, vooral, een economische functie. Prima. Maar vanuit het soevereine gezichtspunt van de Literatuur, vanuit het gezichtspunt van de Kunstenaar horen prijzen, instituten en vooral jury’s tot het terrein van de kitsch… Poshlost dient te worden bestreden, geprovoceerd, bespot en weggehoond… Vergadersukkels! Representatieve pakdragers! Castraten! Hahaha… boehoe!

Afijn… we zullen zien of er morgen een auteur opstaat – letterlijk – die het lef heeft De Grote Boekhandelsketenprijs 2014 te weigeren… Flikker toch op met je wisselgeld… vijftigduizend euro… dat verdient een hartchirurg per maand… Net als juryvoorzitter, presentator en muziekliefhebber Paul Witteman trouwens… Ik geloof ook dat –

‘Hé, schrijver… vertel es een verhaal!’

Tepelstickers

Met twee of drie anderen rent Sarah over het grauwe perron naar de enige coupé met openstaande deuren… Ze probeert oogcontact te maken met de conducteur, maar die is veel te druk met zijn fluitje. Het is vol op het balkon… gelukkig maken de anderen ruimte voor haar… De prullenbakken lopen over… Komt doordat de schoonmakers nog steeds staken, lekker. Het fluitsignaal.

Als de trein zich in beweging zet, kan Sarah ontspannen. Het zweet staat op haar rug en op haar voorhoofd. Daglicht! Het IJ, kantoren, het Muziekgebouw, huizen.

Overal staan, zitten, hangen andere reizigers. Sarah haalt haar telefoon tevoorschijn. Geen dringende berichten. De band van haar grote werktas drukt op haar schouder, maar ze heeft geen zin om haar tas op de smerige vloer te zetten. Ze zoekt in het grote bergvak van haar tas naar de filmrecensie die ze op kantoor heeft uitgeprint. Ton past vanavond op de kinderen, zodat zij met Rosanne naar een film over het leven van Yves Saint Laurent kan. Rosanne heeft de film uitgezocht. Op vrijdag gaan ze vaak winkelen samen. En lunchen.

Op Amsterdam-Amstel stapt een jonge jongen in met een vrolijk gezicht. Krullen, donkerblauw pak. Hij blijkt een bekende van twee meisjes die achter elkaar op de trap naar de eerste klas zitten. Jongen en meisjes kennen elkaar van hun studie. De jongen werkt nu bij een communicatiebureau waar hij het enorm naar zijn zin heeft. ‘En jullie dan?’ De meisjes vertellen dat ze stage lopen bij een bedrijf dat feestkleding ontwerpt. ‘Oké,’ zegt de jongen.

‘Ja, maar iedereen zit beneden in mooie werkruimtes, alleen wij zitten weggestopt in een soort glazen hok met een dak van golfplaat.’

‘Als twee huisdieren,’ zegt het tweede meisje. Ze heeft een Brabants accent.

De twee vertellen wat het bedrijf allemaal ontwerpt en produceert: clownspakken, laarzen, pruiken, glitterjurken, boerenkiels, verpleegsters-uniforms, piccolojasjes, cowboypakken.

‘Ontwerpen jullie dat ook allemaal?’ vraagt de jongen. Hij lijkt onder de indruk.

‘Mmm… nou… Wij doen meer de kleine dingen,’ zegt de Brabantse.

‘Ja’ zegt haar vriendin. ‘Op het moment ontwerpen we tepelstickers.’

Sarah kijkt op van haar uitdraai en ziet hoe tien, twaalf mannenhoofden zich in de richting van de meisjes hebben gedraaid. Het is niet moeilijk om te raden tegen welke visioenen al die gistende kantoorkoppen nu vechten… Stond ze hier met Rosanne dan hadden ze, net als vroeger, meteen de slappe lach gekregen. De rest van de reis kijkt Sarah tussen de schouders van twee andere forsensen door naar het langsflitsende groen. Het balkon stinkt naar zweet en testosteron.

Op Utrecht Centraal gaan de pneumatische deuren steunend open; het geluid van stoom dat via een ventiel aan een ketel ontsnapt. Sarah stapt als één van de eersten het perron op – een veulen dat vanuit een donkere stal de wei in loopt.

Tirade – licht, lucht, ruimte.

Soundtrack: Kedeng, kedeng – Guus Meeuwis.

Volgende week: Yves Saint Laurent – en meer.

Metafysische haaien

Het bierviltje met het citaat van Arnon Grunberg lag al in de doos met oud papier. Uit een Voetnoot van eind april: ‘Misschien is vrijwel alles fictie, maar op de fictionalisering van de wereld heeft de literatuur vooralsnog geen overtuigend antwoord geformuleerd.’ Dat is onjuist. Literatuur – Don Quichot, Madame Bovary, het Amerikaanse postmodernisme – heeft sinds het ontstaan van de roman fictionalisering als onderwerp gehad.

Het is de journalistiek die koortsachtig op zoek is naar een antwoord. Mark Danner maakt in The New York Review of Books een reeks over de twee grootste fictieschrijvers van de eenentwintigste eeuw: Donald ‘Unknown Unknowns’ Rumsfeld en Dick ‘The Dark Side’ Cheney. Beiden kunnen buigen op ruime ervaring bij de overheid en het bedrijfsleven.

Cheney is de man die vijf dagen na 11 september 2001 stelde dat Amerika voortaan in het strikte geheim, zonder overleg, zijn vijanden moest bevechten: ‘We also have to work, though, sort of the dark side, if you will.’ Hij zou datzelfde jaar de één-procent-doctrine formuleren: als er één procent kans is dat een Pakistaan Al-Qaeda aan een kernbom helpt, moest de VS dat in zijn reactie als zekerheid beschouwen.

Hij was een grote aanjager van het spionageprogramma Stellar Wind, dat in een latere versie Prism heette en pas vorig jaar door de klokkenluider Edward Snowden werd onthuld. Cheney stond aan de basis van het grootschalig inzetten van drones om terrorismeverdachten in het buitenland te liquideren – een beleid dat door Obama versterkt is voortgezet.

Cheney is een bikkelharde dogmaticus, Rumsfeld een hyperintelligente dogmatische opportunist. Rumsfeld bezit de vaardigheid zijn nietsontziende machtswil te verbergen achter een masker van goedmoedige, boerse onverstoorbaarheid. Een groot stilist ook, die beschikt over een arsenaal aan zelfverzonnen spreekwoorden: ‘People were chasing the wrong rabbit’ – hij bedoelde de terreurbestrijding voor 11 september – en sofistische schema’s: zijn befaamde ‘unknown unknowns, waarmee hij de volstrekte onvoorzienbaarheid van de aanslagen op 11 september bedoelde.

Danner laat zien dat Rumsfeld steeds de eigen stal kundig leegschraapt. Er waren wel degelijk aanwijzingen voor een op handen zijnde aanslag – er werden verdachte studenten bij een vliegschool gemeld; dezelfde studenten die twee vliegtuigen in het World Trade Center zouden laten crashen.

Berucht is de schriftelijke aanvulling die Rumsfeld op 2 december 2002 gaf op een Memorandum waarin zijn toestemming werd gevraagd voor een aantal gespecificeerde ondervragingstechnieken: het verwijderen van kleren, gevangenen een kap opdoen bij transport, ze blootstellen aan persoonlijke fobieën, zoals angst voor honden, ondervragers die zich voordoen als sadistische buitenlanders, blootstelling van verdachten aan pijnlijke omstandigheden, zoals verplicht staan met een maximum van vier uur. Rumsfeld leest de lijst door en voegt er de volgende regel aan toe: ‘I stand for 8-10 hours a day. Why is standing limited to 4 hours a day?’ Het had een uitspraak van Rodney P. Tine in Infinite Jest kunnen zijn.

Danner bespreekt een documentaire waarin Rumsfeld geconfronteerd wordt met deze ene zin. Hij stelt zonder verpinken vast dat hij nu eenmaal indertijd meerdere uren per dag staand achter zijn bureau werkte en dat hij toch niet schuldig kan zijn aan het misbruik dat van zijn woorden werd gemaakt?

Hier ligt de essentie van het kwaad, daar waar het demonisch wordt: liegen en er op het zelfde moment echt in gaan geloven omdat jij het bent die het zegt. Een fictie scheppen en die willen behouden ten koste van elk bewijs van het tegendeel. Rumsfeld wil waar hebben dat er in Irak geen opstand is uitgebroken, dat de troepen snel naar huis kunnen, dat er maar één man met een vaas uit een museum is komen lopen en dat van plundering geen sprake is.

Rumsfeld is geen leugenaar maar iemand die zelf de waarheid wil bepalen – hij verkondigt die net zolang totdat hij zwart op wit op een tegenspraak kan worden betrapt. Dan gaat hij overstag alsof hij nooit iets anders heeft gezegd.

A man using language to obscure the world from himself as well as from others’ – zo is over hem gezegd. Anders gesteld: zijn uitspraken hoeven niet te voldoen aan de werkelijkheid zolang de werkelijkheid voldoet aan zijn uitspraken. Hij was een eind op weg, maar liep stuk in Irak.

De conservatie spindoctor Karl Rove heeft naar verluidt beweerd dat wie een wereldrijk runt niet langer met de realiteit rekening hoeft te houden: ‘We’re an empire now, and when we act, we create our own reality… We’re history’s actors… and you, all of you, will be left to just study what we do.’       

Heeft Rove geen gelijk gekregen – is dat niet wat we doen, bestuderen hoe een groep neoconservatieven met politieke steun van de Nederlandse regering in Irak de werkelijkheid naar haar hand probeerde te zetten – dat wat ‘de kennis van nu’ is gaan heten?

Als voetnoot bij de verdere studie van fictie dit citaat uit Roberto Bolaño’s vorig jaar vertaalde Nazi-literatuur in de Amerika’s: ‘Ik leef tussen piranha’s, schreef hij, maar don Rubem Fonseca leeft in een aquarium met metafysische haaien.’

Waarom je altijd met een dichter moet trouwen*

Tirade 454 voorplat Rosa VitalieDe afgelopen weken was het op de redactie van Tirade alsof we er allemaal een stuk of vijfentwintig minnaars en minnaressen op nahielden – althans, dat is hoe het voelt als je honderd dichters vraagt om een gedicht over de liefde te schrijven en vervolgens met hen correspondeert over de voortgang van de gedichten/het nummer in wording/hoe vreselijk al dan niet geweldig de liefde toch is. Zeventig van hen namen de opdracht aan, waardoor we nu met trots deze Tirade-poëziespecial uit kunnen brengen. Het nummer wordt gepresenteerd tijdens de openingsavond van het Amsterdam Poëziefestival dat van 9 tot en met 11 mei plaatsvindt in De Nieuwe Liefde te Amsterdam.

Dichters en liefde, kun je je afvragen – is dat niet een al te uitgekauwde combinatie? Valt er nog wel iets nieuws over de liefde te schrijven? Zelf denk ik van wel – voor het lezen en schrijven van poëzie is een bepaalde gevoeligheid nodig die ook nodig is in de liefde, en aangezien veel dichters een hele hoop van die gevoeligheid hebben, hebben ze vaak ook een hele hoop liefde. Of tenminste gedoe in de liefde. Voeg dat gedoe samen met wat die gevoeligheid ook in gang zet, namelijk het dichten, en dichters zullen tot in het oneindige nieuwe gedichten over de liefde blijven schrijven.

Tot zover mijn cirkelredenering. Wat vinden dichters eigenlijk van de liefde? Zijn ze werkelijk zo romantisch en gekweld als men je vaak wil doen geloven? Ik heb eens geteld:

Iets minder dan de helft van de ingestuurde gedichten zou je op een of andere manier als ‘ongelukkige liefdesgedichten’ op kunnen vatten (hierbij moet ik eerlijkheidshalve opmerken dat er bij mijn tellen mogelijk sprake is geweest van projectie). Twintig gedichten waren uitgesproken tevreden over de liefde in het algemeen en/of over een specifieke geliefde. En dan was er nog een negentiental gedichten waarvan het mij niet meteen duidelijk was of ze de liefde in positieve of negatieve zin bezongen/die zo’n waardeoordeel niet in zich droegen. Eigenlijk helemaal niet zo’n slechte score, vind ik. Al helemaal niet als je je bedenkt dat dichters die gelukkig zijn in de liefde soms wel droevige liefdesgedichten schrijven, terwijl het omgekeerde slechts zelden het geval is. Maar goed, uiteindelijk gaat het natuurlijk helemaal niet om de vraag of liefde wel of niet leuk is, dat verschilt van persoon tot persoon en van tijd tot tijd – interessanter is het om te kijken hoe dichters precies omgaan met de liefde in hun gedichten.

Eén van mijn eigen lievelingsgedichten waarin liefde en dichten allebei aan bod komen is het gedicht Why You Should Never Marry a Poet van Heather Bell.

Ik vertaalde het ooit voor Tirade 447:

 

Waarom je nooit met een dichter moet trouwen

Denk na – de manier waarop credit cards, bougainvillea,
vakanties, woordenboeken, de weg op weg naar het werk allemaal
nooit genoeg zullen zijn. De dichter wenst
met haar diepste botten
en schrijft dat ze wenst
dat ze je had vermoord
in de supermarkt. Ze vraagt zich af
waarom ze ooit van je hield in vers.
Ze publiceert boek na boek. Iedere zin
zet uiteen hoe lelijk en monsterlijk je haar is ’s ochtends. En hoe
je je, meelijwekkend, als mos,
aan haar vastklampt.
Maar toch trouw je met haar
en ze ziet eruit als een waas van sneeuw
in het wit. Je verwacht dat ze een gedicht over je
voor zal lezen, die dag, waarop iedereen luistert: haar keel

 is tenslotte een meeldraad
of een lucifer.

Maar ze is stil, zegt enkel JA IK WIL
en een paar Bijbelverzen.

De dichter heeft lief met het meest gewelddadige hart
denkbaar. Wat je niet hebt geweten –
ze heeft je al deze jaren
de waarheid willen vertellen,
maar is zwijgzaam geworden als een oude geliefde
van tachtig. Er is geen manier om te zeggen

hoe iemand houdt van de pijn van je gebroken lippen,
de zware buik van je tong, de jaren dat ze zich
onbemind wist,
maar beminde. Denk na –

De dichter vreest het kennen en vinden van je mond door een ander.
Ze is bang voor je –
realiseert zich dat je beter
liefgehad had kunnen worden of heviger
of met echte woorden.

 

In dit gedicht is een dichter aan het woord die stelt dat de woorden van een dichter niet genoeg zijn wanneer het liefde betreft. Dichters draaien dingen om, zetten de werkelijkheid naar hun hand, maar dit kunnen ze slechts doen voor zolang het gedicht duurt. Ik heb me lang afgevraagd hoe ik me verhield tot de boodschap die dit gedicht brengt. Hoe vaker ik het lees, hoe meer ik geneigd ben om het gedicht juist als een aanbeveling om met een dichter te trouwen te zien. Want die ontoereikendheid van de taal, die realisatie dat zeggen dat je liefhebt niet hetzelfde is als liefhebben, kan Heather Bell alleen beschrijven bij gratie van het feit dat ze dicht. Niemand weet immers zo goed hoe woorden de plank mis kunnen slaan als degene die al zijn woorden zorgvuldig wikt en weegt, en zelfs soms dan nog tot de conclusie moet komen dat hetgeen hij schrijft niet het juiste is. Wie trouwen te burgerlijk vindt, kan trouwens ook gewoon een keer met een dichter naar bed.

In ieder geval, hier zijn vijfenzeventig gedichten over de liefde, in alle gedaanten die zij aan kan nemen, door bijna evenzoveel dichters, in alle gedaanten die zij aan kunnen nemen. De redactie wil iedereen die aan deze Tirade heeft bijgedragen nog eens hartelijk bedanken voor hun liefdevolle medewerking. Het is een prachtig nummer geworden.

—-

Tirade 454 bevat, behalve het redactioneel van Lieke Marsman hierboven,  Nieuwe Liefdesgedichten en Vertaalde Liefdespoëzie van: Ilja Leonard Pfeijffer, Alfred Schaffer, Eva Gerlach, Piedad Bonnett (vertaald door Luc de Rooy), Charlotte Mutsaers, Frank Keizer, Vicky Francken, Jannah Loontjes, Paulos Silentiarios (vertaald door Marko van der Wal), Leo Vroman, Tomas Lieske, Nikki Dekker, Maria Barnas, Gerbrand Bakker, Annemieke Gerrits, Ruben van Gogh, Nickie Theunissen, Piet Gerbrandy, Astrid Staartjes, Sasja Janssen, Antoine de Kom, Anne Broeksma, Paul McCartney (vertaald door Bindervoet & Henkes), Ingmar Heytze, Sylvie Marie, Lieke Marsman, Maarten van der Graaff, Tjitske Jansen, Anne Provoost, Ellen Deckwitz, Erik Bindervoet, Annelie David, Abdelkader Benali, Marjolijn van Heemstra, Paul-Jean Toulet (vertaald door Harrie Geelen), Maartje Smits, Mauro Pawlowski, Joost Zwagerman, Annemarie Estor, Gilles van der Loo, Bianca Boer, Lhasa de Sela (vertaald door Henkes & Bindervoet), Delphine Lecompte, Daniël Vis, Anna Enquist, Tsead Bruinja, Marije Langelaar, Mark Boog, Hannah van Wieringen, Jane Leusink, Nachoem M. Wijnberg, Lize Spit, Thomas Möhlmann, Milou Voskuilen, Daan Doesborgh, Kira Wuck, Nizar Qabbani (vertaald door Hafid Bouazza), Martijn Knol, Lies Van Gasse, Pieter de Bruijn Kops, Tonnus Oosterhoff, Joost Baars, Yannick Dangre, Hans Dekkers, F. Starik, Hannah van Binsbergen, Erik Lindner, Ester Naomi Perquin, Willem Jan Otten. Prozaïste Maartje Wortel besluit het nummer met een tirade over de Liefde.

Vanavond, tijdens de openingsavond van het Amsterdam Poëzie Festival, in De Nieuwe Liefde, presenteert Tirade Tirade 454. De line up en andere informatie vind je: hier.

* Redactioneel Tirade 454.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Mira Aluç"
    Mira Aluç

    Mira Aluç (1993) schrijft korte verhalen en beschouwingen. Haar werk is sinds 2015 onder andere verschenen op Mister Motley, in Streven, De Revisor en De Gids en werd meermaals gepubliceerd op DIG (De Internet Gids) en in Tirade. In 2020 werd haar verhaal Backspace opgenomen in Rebel, Rebel, de bundel van Uitgeverij Prometheus ter gelegenheid van de Boekenweek. Ook maakte zij de podcast Balkon voor Sprekende Letteren.

  • "Foto van Jasmijn Kenselaar"
    Jasmijn Kenselaar

    Jasmijn Kenselaar studeert in de zomer van 2025 af als toneel- en filmschrijver. Het samenbrengen van mensen en het aanbieden van nieuwe perspectieven kenmerken haar signatuur. Ze schrijft veel voor en over jongeren en plaatst haar verhalen vaak in werelden die een beetje – of heel erg – verschillen van de onze. Haar eindwerk De Ongewilden is een komische, sciencefiction-dramafilm over een zestienjarige wees die zich staande probeert te houden in een wereld die niet voor haar gemaakt is. Haar afstudeerscriptie As if! is een praktijkgericht onderzoek naar hoe schrijftechnieken kunnen worden ingezet om films en series te creeëren met een positieve impact op tieners. Voor afstuderend regisseur Julija Filipović schreef ze daarnaast De Golven – een vrije bewerking van de gelijknamige roman van Virginia Woolf. Haar korte film GENIUS is in juni 2025 te zien tijdens het Rotterdams Open Doek Filmfestival.

  • "Foto van Kees Snoek"
    Kees Snoek

    Kees Snoek (1952) doceerde Nederlandse taal en letterkunde aan universiteiten in Michigan, Indonesië, Nieuw-Zeeland en Frankrijk (Straatsburg en Parijs). Hij publiceerde onder meer de biografie van E. du Perron (2005) en vertaalde poëzie van Sitor Situmorang en Rendra. In augustus verscheen bij Van Oorschot Wissel op de toekomst, zijn keuze uit de brieven van Sjahrir (de eerste premier van Indonesië) aan zijn Hollandse geliefde.