De documentaire The Only Son van Simonka de Jong die recentelijk op televisie uitgezonden werd is een klassieke tragedie. Een tragedie is een verhaal waarbij de kijker twee tegengestelde belangen ziet uitgespeeld, die beide begrijpelijk zijn. Het gevecht tussen goed en kwaad is een moraliteit, het gevecht tussen goed en goed is een tragedie.
De in Nederland woonachtige Tibetaan Pema bezoekt samen met zijn drie zussen hun ouders. Pema woont thans bij zijn zus in Nederland, hij komt uit een weeshuis in Nepal, waar zijn beide andere zussen nu nog verblijven. Zijn ouders wonen zo ver weg op de grens van Nepal en Tibet, dat je vanuit Kathmandu twee vliegtuigjes moet pakken, en dan 10 dagen te voet gaan… Dit is nog eens wat men kan verstaan onder: afgelegen.
Pema is een intelligente en ongeduldige adolescent die Tibetaans met zijn ouders spreekt, Nepalees met zijn zussen en Engels met zijn Nederlandse zusje. De ouders van de kinderen willen dat Pema – de enige zoon – trouwt en in het dorp komt wonen om hen te helpen. Pema wil trouwen noch in een dorp wonen en biedt zijn ouders aan in Kathmandu te komen wonen dan kan hij voor hen zorgen. Vader en moeder wensen het land niet te verlaten dat zij van hun ouders erfden en begrijpen niet waarom hun zoon zo ongehoorzaam is. In een aanpalend dorp woont de enige dochter die het echtpaar zelf hield, maar zij mag van haar schoonouders niet voor haar eigen ouders zorgen, clanconcurrentie – de harde regels van het platteland. Het oude conflict tussen stad en platteland is op een intense en erg aangrijpende wijze vormgegeven in deze documentaire.
De Tsjech Tomáš Sedláček , econoom en macro-economisch strateeg (adviseur van onder anderen Vaclav Havel), schreef een bijzonder boek over economie: De economie van goed en kwaad (uitgeverij Scriptum – in godsnaam zoek een paar betere vertalers). Ongebruikelijk in zijn vakgebied, tracht Sedláček een normatieve laag in de economie te ontdekken, dus economie niet slechts als een verzameling wiskundige modellen die beschrijven wat er gebeurt, maar als de vraag waarom we eigenlijk doen wat we doen, wat daar de achtergrond van is. En daarin gaat Sedláček diep: hij spit het Gilgamesj-epos uit op vroege economische tendensen en vindt een heel belangrijke: de dichotomie van stad en land: ‘In het Gilgamesj-epos klinkt voortdurend een impliciete boodschap door: beschaving en vooruitgang doen zich voor in de stad, die de ‘ware’ natuurlijke verblijfplaats is voor de mens.’ ‘In het Gilgamesj-epos houdt de verandering in de externe omgeving (een overgang van de natuur naar de stad) nauw verband met een innerlijke verandering: de wilde wordt een beschaafd persoon. De ommuurde stad verandert de wereld: ‘er ontstaat perspectief op een levensonderhoud voor diegenen die geen land hebben, voor jongere zonen, verschoppelingen, speculanten en avonturiers.’
De kracht van Simonka de Jong is dat ze in haar documentaire beide waarheden intact laat, de kijker begrijpt de ouders en begrijpt de zoon; begrijpt dus de stad en ook het platteland. Een oud, zeer oud drama: het oudste literaire drama, en het eerste: een kleine 5.000 jaar oud, en Pema zit er middenin.
Herfst. Tijd voor een nieuw nummer van het legendarische Tirade.
Preciezer: aanstaande vrijdag, 11 oktober 2013, verschijnt Tirade 450. Ter gelegenheid van dit 450ste nummer – het 450ste nummer dat sinds de oprichting van Tirade van de drukker komt – zijn vijfenveertig auteurs uitgenodigd een tirade te componeren van exact 450 woorden. Het resultaat is een tijdschrift van meer dan honderd pagina’s vol tirades in de meest uiteenlopende genres en registers: Tirade 450 bevat woedende teksten, wanhopige teksten, ironische teksten, cerebrale teksten, harde teksten, poëtische teksten, ongrijpbare teksten. En wat al die teksten, als gezegd, gemeen hebben: ze tellen exact 450 woorden.
Het Tirade-tiradenummer bevat bijdragen van: Joop Goudsblom, P.F. Thomése, Franca Treur, A.H.J. Dautzenberg, Gilles van der Loo, Tomas Lieske, Marita Mathijsen, Frits Abrahams, Detlev van Heest, Henk Broekhuis, Merijn de Boer, Binnert de Beaufort, Roos van Rijswijk, Walter van den Berg, Maria Barnas, Marko van der Wal, Kees ’t Hart, Adriaan van Raab van Canstein, Noor Kuijpers, Joris Brussel, Minke Douwesz, Harm Hendrik ten Napel, Rosan Hollak, Paul Beers, Lieke Marsman, Thomas Heerma van Voss, Sasja Janssen, Vincent Merckx, Jannah Loontjes, Bindervoet & Henkes, Sanneke van Hassel, Albert Meijer, Ester Naomi Perquin, Arjen van Lith, Jamal Ouariachi, Simone van Saarloos, Sjoerd van der Linden, Carel Peeters, Marte Kaan, Maarten van der Graaff, Menno Hartman, Bernke Klein Zandvoort, Jan Postma, Daniël Rovers, Geerten Meijsing, Martijn Knol.
Heb je een abonnement op Tirade? Dan krijg je het nummer na verschijning vanzelf thuisgestuurd – dat is au fond ook een beetje het idee van een abonnement. Losse nummers van Tirade 450 zijn vanaf aanstaande vrijdag te koop in de boekwinkel en kunnen vanaf (aanstaande) woensdag al worden besteld via deze site.
Tirade – 447, 48, 49… 450 – and counting.
Tirade wordt uitgegeven door het zelfstandige Uitgeverij van Oorschot.
We zijn nog zes, zevenhonderd kilometer verwijderd van de grens. En we zijn de hele dag al onderweg. Pam* zit achter het stuur. Af en toe, als ze in de verte een andere personenauto ziet, trapt ze het gas dieper in, blijft dan een tijdje naast die andere auto rijden tot ze ‘gaat ie!’ zegt, haar stuur een ruk naar rechts geeft en we zo’n andere bak via de vluchtstrook de berm in rijden.
‘Slecht voor de lak, maar de beste manier om je kop erbij te houden,’ zegt ze. ‘Ik denk dat het iets met je adrenalinepeil doet, denk je ook niet?’
‘Ongetwijfeld. Maar was dit niet de automobiel die je van je zus hebt geleend?’
‘Zeker. Je dacht toch niet dat ik dit met mijn eigen auto deed?’
We lachen.
Ik kan niet ontkennen dat ik soms geneigd ben wat morele vraagtekens te plaatsen bij dit specifieke onderdeel van Pamela’s rijgedrag. Maar sommige mensen vergeef je alles – of bijna alles. Bovendien houdt het stuntwerk Pam inderdaad scherp en draagt zo dus bij aan mijn persoonlijke verkeersveiligheid. Eerlijk gezegd vind ik het ook best grappig om te zien op wat voor manieren auto’s allemaal van de weg kunnen raken. De één slaat een paar keer over de kop, een ander komt meteen tot stilstand in het hoge gras en een derde wordt eerst gelanceerd op een heuvel of talud en landt dan na een fotogeniek suizen vol in de glazen pui van een wegrestaurant of tankstation of crasht dwars door het dak van een verlichte tuinbouwkas tussen werkbanken vol jonge tomatenplanten.
Op de achterbank liggen cadeautjes voor Pamela’s kinderen. Ernaast een kartonnen doos met Snickers. Pam is gek op die dingen. Af en toe reik ik tussen onze stoelen door naar achteren om een Snickers te pakken die ik dan uit z’n wikkel haal en in Pam’s mond stop.
Het is herfst, maar alleen in theorie. Het landschap is uren geleden al opgelost in het donker. Omdat we geen Schnittke, Berg, Mozart en Haydn meer kunnen horen, omdat al mijn typetjes en impersonaties liggen te slapen in hun stapelbedjes en omdat ik geen zin heb om voor de zoveelste keer op te scheppen over de nieuwe goocheltruc die ik aan het opzetten ben, spelen we het spel: ‘eet een Snickers, doe een wens’. Na mijn zesde Snickers, ik heb tot nog toe vooral wensen moeten uitspreken op het gebied van de goochelarij, zegt Pam: ’Oké… Snickers weggewerkt?’
‘As you speak.’
‘Doorgeslikt? Of heb je nog een chocoladeklont in je mond?’
‘Doorgeslikt. Kijk maar.’
Ik draai mijn gezicht naar haar toe en doe mijn mond open.
‘Gadverdamme!’ ze lacht. ‘Je bent soms net een klein kind.’
‘…’
‘Je mag een wens doen in de categorie cinema.’
‘Eindelijk! Kom maar op…’
‘Welke nog-niet-bestaande film zou je op korte termijn in de bios willen zien?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Gewoon… hoe ziet je ideale film eruit? Waar gaat ie over? Wie mag ’m regisseren?’
‘Oké, fijne vragen… Regie: Wes Anderson. Daar beginnen we mee.’
Hortend associeer ik mijn droomfilm bij elkaar. De film moet om te beginnen zijn gesitueerd in een Grand Hotel – zie Aphinar (2007) – en moet zorgvuldig en slim zijn gestileerd… bij voorkeur met gebruikmaking van analoge decors en rekwisieten. Ik zou het leuk vinden als er schrijvers of kunstenaars in voorkwamen, als personages bedoel ik… de verteltoon moet licht blijven, het camerawerk zwierig en doordacht… Ik zou het verder interessant vinden als ie aan het begin van de twintigste eeuw speelt… gedurende het interbellum… in de hoogtijdagen van het Modernisme… Artistieke vernieuwing!, politieke hoogspanning!… Dreigende conflicten, intelligent kosmopolitisme… En als ik dan toch mijn verlanglijstje aan het afwerken ben: ik zou het ook wel erg waarderen als de schilderkunst een rol in de film zou spelen… Het liefst schilderkunst uit de Renaissance.
‘Oké,’ zegt Pam zonder haar blik van de snelweg te halen, ‘ik geloof dat ik wel zo’n beetje weet wat je bedoelt.’
Ze sluit haar ogen, houdt dat een zwalkende kilometer vol en net als we met een vaart van 180 kilometer per uur op de pijlers van een viaduct afstevenen, slaat ze volkomen uitgeput haar ogen op en zegt: ‘volgens mij is ’t gelukt.’
En verdomd… een paar dagen later leert het internet me dat Wes Anderson een film opneemt die The Grand Budapest Hotel of Grand Hotel Budapest gaat heten en die in 2014 al in roulatie zal gaan. Dit is wat de IMDB over TGBH meldt:
‘The Grand Budapest Hotel tells of a legendary concierge at a famous European hotel between the wars and his friendship with a young employee who becomes his trusted protégé. The story involves the theft and recovery of a priceless Renaissance painting, the battle for an enormous family fortune and the slow and then sudden upheavals that transformed Europe during the first half of the 20th century.’
Het wachten is op de trailer.
Er valt al veel aardigs over het oeuvre van Wes Anderson te zeggen. Wat mij zo aanspreekt in zijn films is de combinatie van esthetiek en compassie die je ook vindt in de teksten van, bijvoorbeeld, Salinger, Nabokov, F. Scott Fitzgerald en David Foster Wallace.
Kenmerkend voor zijn werk is niet alleen het samengaan van schoonheid, warmte en humor, maar ook de vanzelfsprekende aanwezigheid van hoge cultuur (klassieke muziek, schilderkunst, theater, literatuur, mode, toptennis). Opvallend is trouwens Andersons gebruik van de kleur geel/goud – het maakt hem tot de kopersectie van de internationale cinema. Hij heeft verstand van geluk en verlangen.
Andersons dialogen – meestal tussen de leden van een al dan niet samengesteld disfunctioneel gezin of dito familie – zijn letterlijk onvergetelijk. Één voorbeeld uit The Darjeeling Limited. Drie broers reizen door India naar hun moeder toe. Onderweg proberen ze ‘spirituele ervaringen’ op te doen. Tijdens een poging tot meditatie/gebed wijst de oudste broer naar de broekband van de middelste en vraagt: ‘Is that my belt?’ Waarop zijn broer opkijkt en antwoordt: ‘Can I borrow it?’
Dat is zo goed! Eerst lenen, dan pas toestemming vragen – onder vrienden, familieleden en huisgenoten is het eerder een bewijs van verbondenheid dan een blijk van disrespect. De combinatie van verheven en alledaags maakt de scène bovendien zo grappig. Het fragment zit ook in deze trailer (op 0.26 al).
Zoals vaker het geval is bij supertalenten, doet Anderson niet moeilijk over zijn vak. Bij wijze van toegift zijn college film maken in twee minuten:
‘My life is about telling stories.’ – toegift
‘Making movies, how do you do it? First: think up a good story. Two: how do you tell it?’
‘Then you mix it all together and that is more or less it.’
Volgende week: ‘En korte verhalen lezen? Mag dat wel? Of krijg je daar ook kanker van?’
‘Hé! Ho! Wacht! Is het echt allemaal zo gegaan met die autorit en die film en zo?’
‘Heb jij mij hier ooit op een waarheidje betrapt?’
‘…’
‘En doet het ertoe? Wat is überhaupt de status van ‘ik’ op de site van een literair tijdschrift? ‘Ik’ is de naam van een personage. Ik ben net zo fictief als jij.’
‘Ten eerste vind ik dat een ontzettend flauw, corny antwoord en ten tweede word ik opeens een beetje draaierig.’
‘Misschien moet je wat eten? Hier, d’r zijn nog een paar Snickers.’
‘…’
Ja, mensen: literatuur is als de nevel die verdwijnt bij zonsopgang.
‘Mooi gesproken, Lao Tse. En bullshit is de stof waaruit wijsheid wordt gewonnen. Vergeet de pay-off niet.’
Tirade – content managers pur sang.
Vrolijke noot
* Pam, Pamela, is een van mijn meest eigenzinnige collega’s. Om het haar uit haar gezicht te houden draagt ze – zowel tijdens goochelshows als achter het stuur – altijd zo’n ouderwetse badstof zweetband. Steek er een veer bij en ze is een Mohikaan, één van de laatsten. We rijden wat af samen, Pam en ik, heel Europa door, van het ene goochelgebeuren naar het andere. En dat terwijl Pam eigenlijk helemaal geen echte goochelaar is, wat zij doet is eerder: toveren. Ik vind haar leuk.
Ze zeggen dat het podium erotiserend werkt. Dat geldt waarschijnlijk alleen voor rocksterren, want als er iets is wat de mens gelijkvormig maakt (en dus de-erotiseert, want voor het erotieke is de suggestie van exotisch nodig, zelfs als het exotische in herkenning zit – in combinatie met het verbodene, wordt het familiaire exotisch), zijn het wel een macbook als spiekbrief en een powerpointsheet in de rug.
Zo stond de grote Nicholas Nassim Taleb (auteur van onder meer De zwarte zwaan) erbij, in het Tuschinski theater afgelopen vrijdag in Amsterdam. De lezing die hij op uitnodiging van Nexus hield, was ongeacht fantastisch. Daar deden mac noch powerpoint aan af.
Naderhand liet hij zich door Nieuwsuur rondvaren, zodat hij ‘s avonds zes minuten op televisie was. Terwijl hij vertelde, zocht de regie de gracht af voor een zwarte zwaan. Dat zou een mooi, toevallig beeld opleveren.
Het toeval speelt een belangrijke rol in de theorie van Taleb, die hij in Antifragiel. Dingen die baat hebben bij wandorde uiteenzet. Zo simpel mogelijk opgesomd: al het organische bestaat uit willekeurige gebeurtenis. Dat maakt het leven fragiel. Maar die kwetsbaarheid is niet altijd negatief (vandaar: antifragiel, niet als tegengestelde van fragiel, maar ter viering van het vruchtbaar fragiele), want het organische ontwikkelt zich volgens een s-curve en willekeurige gebeurtenissen zijn soms destructief, dan weer productief en stimulerend. Het onvoorspelbare is dus niet per se gevaarlijk. We zijn echter geneigd te denken van wel, omdat de economie geen natuurlijk s-curve kent en vooruitgang in een duidelijk rechte lijn zodoende vanzelfsprekend lijkt. Economische groei kent geen natuurlijk plafond en mist de noodzakelijke spontaniteit van ‘trial-and-error’ waarmee organismen doorgaans overleven, falen en verbeteren. Of zoals Taleb het verwoordde: ‘Ik kan mijn lichaamsgewicht niet verdubbelen in één dag, maar mijn vermogen wel.’
Hier hoort nog een interessante uitweiding bij over het belang van uitgesmeerde impact en trauma in kleine tikjes in plaats van verzameld gewicht in één keer, maar daarover een andere keer. Taleb maakte in elk geval aannemelijk hoe een kleine muis robuuster is dan een grote olifant.
Ik zat bovenin, op het balkon en dacht aan een recent interview van Wim Brands met de Amerikaanse schrijfster Lionel Shriver. Voor haar nieuwste roman, Big Brother, liet ze zich inspireren door de dodelijke obesitas van haar eigen broer. Kwetsbaar groot en extreem ongezond, al spreekt Shriver even fel over het andere uiterste: het lichaam als tempel. Mensen hebben een obsessie met uiterlijk, doen alles voor perfect slank of opgepompte spieren, maar vergeten de geest.
Volgens mij maakt het niet zo gek veel uit of mensen nou hun lichaam of hun geest als tempel beschouwen, het is de hedendaagse maakbaarheid die een illusie van controle biedt en ons blind maakt voor de fragiliteit, de organische spontaniteit van het bestaan.
Deze week mocht ik op de foto met drie godenzonen: geblokt, kaal en glanzend. Ze hadden het over welke voeding goed was voor een droge (doorzichtige) huid, streken hun haren glad of juist wild, bliezen hun spieren op voor de spiegel.
Later die dag zat ik aan een sterfbed. Blauwe plekken, slappe huid over weggevroten spieren. Fragiel, hangend aan het allerlaagste puntje van de s-curve, zonder hoop op ooit nog omhoog.
Ik dacht aan de godenzonen, die waarschijnlijk in de sportschool waren na een portie magere kwark en kip. Hoezeer Taleb het bereiken van een mechanische, zogenaamd onkwetsbare extreme ook bestrijdt: ik begreep die pompende jongens beter dan het hoopje dood op gestreken lakens. En daarbij: heeft niet ieder mens recht op een tempel?
Aan het bed gezeten zag ik weinig schoonheid in de organische tekening van het leven: gerimpeld vel dat zich op geen enkele manier meer laat kneden. Die aanblik van rommelig en reliëfrijk, appelleert volgens Taleb aan de menselijke natuur: avontuurlijk en onvoorspelbaar. Daarom kan moderne kunst hem niet bekoren. Hij vindt het gladde strakke van moderne kunst zelfs een beetje gevaarlijk.
Toch zou je kunnen betogen dat Rothko’s ‘Black on Grey’ of Newmans ‘Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue’ juist een uitdaging in eenvoud en verstilling bieden. De gladstrakke oppervlakken waarmee we ons dagelijks omringen, zijn immers vol geluid en beweging. Stilstaand zwart vereist een andere blik.
Met eenzelfde fascinatie keek ik naar de strakgespannen huiden van de modellen op de shoot: als een welkome anomalie. Onbekend (exotisch) maakt bemind.
Lionel Shriver waarschuwt natuurlijk terecht dat deze gladde perfectie de norm wordt. Wie anders is, faalt niet alleen als model, maar als mens überhaupt. Toch is mislukking volgens Taleb juist een groot goed. Zonder de durf om te falen is er ook geen kans op slagen. Trial-and-error houdt de s-curve golvende. ‘We should be extremely favorable to those who fail. It’s not an individual experience, it’s for collective benefit.’
Ook hier gaf hij een simpel voorbeeld (alweer over eten). Als we altijd en alleen volgens vaststaand recept zouden koken, ontstaan er nooit nieuwe gerechten en smaken. We zouden bovendien aan ingrediënten gebonden zijn en hulpeloos blijken bij verandering van bijvoorbeeld klimaat of locatie.
‘Ik kom uit Lebanon, dus ik maak graag humous. Met trial-and-error probeer ik mijn humous te verbeteren, een beetje meer van dit, een snufje minder dat,’ zei Taleb. ‘En ach, wanneer het dan toch mislukt, geef ik het gewoon aan mijn nietsvermoedende buren.’ Gelach in de zaal.
Theoretisch is falen natuurlijk hartstikke noodzakelijk, maar uiteindelijk geef je mislukking toch liever aan anderen weg.
Recycling – 25/45/70: het was een leuke en lange avond gisteravond, de boekpresentatie van 25/45/70, de trilogie van Jamal Ouariachi, David Pefko en Daan Heerma van Voss. Vandaar dat het me niet gaat lukken om vandaag een geheel nieuw stuk te schrijven en ik hieronder de tekst zal plaatsen die ik gisteravond uitsprak naar aanleiding van mijn medewerking aan het project.
Maar niet voordat ik nog even het volgende muziekstuk van Simeon ten Holt (jeweetwel, die van het canto) dat ik gisterochtend ontdekte met jullie heb gedeeld: http://www.youtube.com/watch?v=mjJUArTi2BY – Ik vind het zo mooi en kan niet goed uitleggen waarom, maar eens in de zoveel tijd kom je een stuk tegen waardoor je naar buiten wil, de herfst in in dit geval (deed ik), en de lucht is fris in plaats van koud, en je hebt overal zin in.
========
Toen David mij zo’n driekwart jaar geleden vertelde dat hij mee zou werken aan een erotische trilogie, een trilogie die bovendien in de markt gezet zou worden als literaire erotische trilogie, was ik nogal pissig toen ik vervolgens vernam dat de boeken door drie mannelijke schrijvers geschreven zou worden. Ja hoor, op het moment dat seks met literatuur verenigd wordt, worden de mannen van stal gehaald. Ik citeer uit het bijbehorende persbericht: “De mannen laten zien dat een literaire stijl, subtiele humor en een eigenzinnige compositie een erotisch verhaal niet in de weg staan.” Vervolgens werd duidelijk dat de trilogie een vrouwelijk hoofdpersonage zou hebben. Op zich een interessant uitgangspunt: zouden Jamal, David en Daan fantasierijk genoeg zijn om zich in de vrouwelijke psyche in te leven? Al gauw bekroop mij de angst dat het hier zou gaan om drie heteroseksuele mannen die drie boeken lang een vrouwelijk hoofdpersonage op zouden voeren dat ze seks zouden laten hebben met andere (weliswaar fictieve) heteroseksuele, mannen. Dit leek mij zo vreselijk saai dat ik David er toe heb verplicht mij een lesbische scene te laten schrijven.
Wat literatuur tot literatuur maakt is volgens mij in eerste instantie niet literaire stijl, subtiele humor of een eigenzinnige compositie – dat zijn secundaire kenmerken die het literaire gehalte van een werk enkel kunnen versterken – maar het feit dat ze je kijk op de wereld verandert. Met ‘wereld’ bedoel ik dan zowel de wereld om ons heen als onze eigen binnenwereld (literatuur is niet per se maatschappijkritisch wat mij betreft). In het geval van het schrijven van een literaire erotische trilogie, verdient deze dan ook alleen het stempel ‘literair’ wanneer de trilogie zich weet te onttrekken aan de seksuele stereotypen waarmee we dag in dag uit toch al doodgegooid worden. Ofwel doordat ze ons op kanten van seks wijst die niet binnen onze eigen ervaringswereld liggen, ofwel doordat ze onze eigen ervaring van seks weet te verdiepen door deze dusdanig te omschrijven dat we op een nieuwe manier gaan kijken naar wat we al die tijd al deden.
Of dat met deze trilogie gelukt is – ik weet het niet. Van mij had het op dat eerste gebied wel wat gedurfder gemogen. Het probleem met seks is alleen dat er over schrijven per definitie ‘gedurfd’ aanvoelt, waardoor je op dat vlak vervolgens al gauw achterover gaat leunen. Toen ik mijn scene schreef dacht ik in ieder geval meermaals: oh mijn god, ik schrijf over seks, dit is zo taboedoorbrekend van mij. Maar is met seks strooien om aan te geven dat je zo lekker tegendraads/stoer/zelfbewust/‘stout’ bent, niet juist een bevestiging van het feit dat je krampachtig met seks omgaat? Dit was althans de worsteling die naar aanleiding van mijn medewerking aan de trilogie in mij plaatsvond, en die nog steeds voortduurt. De enige manier om niet krampachtig met seks om te gaan is dan misschien door toe te geven dat je dat wel doet. Ik vind seks in ieder geval een vreselijk moeilijk onderwerp: het maakt je zo kwetsbaar, (letterlijk) naakt en wanneer het goede seks betreft word je er al helemaal sprakeloos van: juist in de armen van je geliefde kun je je de grootste sukkel voelen. De sterke kant van 25/45/70 vind ik dan ook niet dat de boeken geil of opwindend zijn, maar juist dat ze dat soms niet durven zijn. Seks is niet altijd spannend – en dat maak het juist spannend.
In dat licht vind ik het dan ook gek dat ik van de week een foto op facebook voorbij zag komen waarop de jongens een publiek interview gaven met zonnebrillen op het hoofd. Misschien dat het een manier is om te compenseren dat het ze gelukt is om een geloofwaardig boek te schrijven vanuit een vrouwelijk personage, en dat ze nu het idee hebben dat het tijd is voor eerherstel en mannelijk machtsvertoon, maar ik vind dat ze zichzelf en hun boeken daarmee tekort doen. Net zoals de benaming ‘buffels’ hen tekort doet. Het leuke aan Jamal, David en Daan is juist dat ze ook schaapjes zijn, die bereid zijn om toe te geven dat mannen niet altijd geile sexmachines zijn, die dat trouwens ook helemaal niet altijd willen zijn, en die een interessant en divers boek hebben geschreven waarin mannelijke en vrouwelijke seksualiteit op verschillende manieren in elkaar overvloeien. Het leukste, tot slot, aan mijn medewerking aan dit project vond ik dan ook het op vakantie met David samen aan onze stukken werken, waarna we ’s avonds op het dakterras onze laatste bevindingen doorspraken, terwijl we als twee giechelende pubermeisjes met rode oortjes aan onze glazen appelcider nipten.
Mijn nieuwe boek moest een bundel worden, waarvan de verhalen zich in dezelfde stad afspeelden.
Palladina ligt ergens rond de vijfde breedtegraad aan de westkust van Zuid-Amerika. Een voormalig havenstadje, rustend in de armen van een kleine baai waaruit de handel en dus ook een groot deel van het leven zijn vertrokken.
Ik maakte me zorgen of ik het geduld zou kunnen opbrengen om een jaar lang elke ochtend terug te keren in dezelfde omgeving. Of ik 200 bladzijden bij elkaar zou kunnen pennen, uitgaande van een aantal vaste punten. Het tegendeel bleek waar: nu Het laatste kind af is, mis ik Palladina elke dag. Het bleek zo’n krachtige plek dat de bundel een roman werd, mijn stad de hoofdpersoon.
Op nare koude dagen kon ik heimwee hebben naar het blauwe water van de baai, de rode pannendaken en het winkeltje van Maureen aan de kade. Ze zou me een zakje pinda’s geven en zeggen dat alles goed komt. Ze zou me plagen tot ik huilde van het lachen.
Nu is mijn boek naar de drukker, de sleutel van de stad is ingeleverd. En ik, ik moet op zoek gaan naar een nieuw verhaal.
Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet... Lees verder
De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De... Lees verder
Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was... Lees verder
Greet Kuipers (1962) is psychiater. Onder het pseudoniem Minke Douwesz publiceerde zij bij uitgeverij Van Oorschot twee romans, Strikt en Weg. Voor de laatste ontving zij de Opzij Literatuurprijs 2009 en de Anna Bijns Prijs 2012.
Machiel Jansen blogt voor Tirade incidenteel over zaken die ‘Big Data’ raken. Hij leidt het Scalable Data Analytics-team bij SURFsara Amsterdam. Machiel is gepromoveerd op Knowledge Engineering en heeft in 2007 bij verschillende bedrijven en universiteiten aan SURFsara gewerkt.
Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.