Paard

Ik heb een vreselijke hekel aan paarden. Als ik nog moet uitleggen waarom, ken je die beesten niet van heel dichtbij. 

Stel je een dier voor met de paniekerigheid van een konijn en het gewicht van een gnoe. Plaats jezelf in een stal van drie bij twee meter, samen met zo’n wezen. Nu ben je acht jaar oud. 

Het leven heeft de eigenaardigheid oude thema’s herverpakt aan ons op te dringen. 

Het eerste woord dat Nadim verstaanbaar uitspreken kon was ‘paard’. Een tijdlang hield ik vol dat hij eigenlijk ‘papa’ wilde zeggen, maar ons zoontje zei het tegen paarden, muildieren, pony’s en ezels. Nooit tegen mij. Het leek onlogisch dat hij in al die beesten een vaderfiguur zag. 

In een huisje in Zeeuws-Vlaanderen, waar we samen een weekje mannenvakantie hielden, vond mijn jongen een gewatteerde mustang met een poppenharen staart en borstelige manen. Het ding moest overal mee naartoe. Ik bood ter vervanging teddyberen, Barbies, giraffen, actiefiguren en brandweerauto’s aan, maar ‘paard’ ging mee naar bed, in bad en op het potje. 

Paard verloor – soort van per ongeluk – een poot aan de achterklep van onze auto, maar Nadim leek er niets van te merken. Op de lange weg naar huis keek ik in de spiegel naar mijn manneke, diep in slaap met zijn armen om dat kutbeest en zijn losse pootje heen. 

Laat ’s avonds kwamen we aan in Amsterdam. Ik tilde Nadim uit zijn stoel, waarbij paard en poot op de stoeptegels vielen. Morgenochtend zou ik mijn jongen vertellen dat paard terug naar de wei gerend was, om heerlijk met zijn vriendjes te dartelen. Dat het zo echt beter was, voor paard. Ik legde Nadim in bed en kuste zijn broeierige bolletje; deed het licht uit. 

Toen ik Otis de hond wilde uitlaten lag het beest er nog steeds. Straatlantaarnlicht deed zijn polyester vachtje glimmen, en de markerstrepen die Nadim met zoveel liefde op zijn flanken had aangebracht kleurden zachtpastellig op. Als vanzelf hurkte ik.

‘Paard,’ zei ik, en zuchtte. ‘Verdomme.’

Ik tilde het beestje op en woog het op mijn handen. Ook met de losse poot erbij was het verrassend licht. En zo liep ik als laatdertiger met een plastic pony over straat, terugdenkend aan Diamond, het beest waarmee mijn hekel ooit begonnen was. Nog voelde ik de pijn in mijn tenen, maar erger nog het stekend, gruwelijk verraad van dat enorme dier dat me zo mooi en lieflijk had geleken. Wit, was het geweest, net als het paard van Sinterklaas. 

Otis hurkte om te kakken, en terwijl ik een boterhamzakje over mijn vrije hand afrolde, bedacht ik dat Diamond het waarschijnlijk niet expres gedaan had. Hij was ook maar een konijn geweest. Misschien was het tijd om de pijn en boosheid te laten gaan, om ruimte te maken voor nieuwe dingen. 

Thuis, aan de keukentafel, lijmde ik poot terug aan paard. Ik zette een knijper op de wond zodat hij recht zou helen, en stond op om naar bed te gaan.

‘Diamond,’ zei ik tegen de nu donkere keuken, ‘laten we het nog één keer proberen.’

 

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Volstrekt anders

Il trionfo della morte, muurschildering, ca. 1448, Palazzo Abatellis, Palermo

Ik schrok in de trein wakker met de tekst: ‘Leven; een cursus sterven voor beginners.’ Links van me zaten twee mooie zeer oude  donkere dametjes van fijn craquelé over koken te praten. Niet slecht, die tekst, om mee wakker te worden. Al haalt ‘ ie het niet bij de tekst waarmee mijn zus eens wakkerschrok: ‘Geld is geen adel en geen wijsheid maar dichtgegroeide grijsheid.’ Veertien jaar was ze. Ik doe er nog steeds mijn best voor om de ware inhoud van die prachtige zin te achterhalen. (Net als de voor mij onbegrijpeljke zin die kunstenaar Joseph Kosuth in het Amsterdamse binnengasthuis heeft aangebracht waarover volgende keer meer.)

Waarom ik met de zin ‘Leven; een cursus sterven voor beginners’ wakkerschrok, was omdat ik nadacht over de beste sterfscnes in de literatuur. Onmiddellijk schoot mij Zeno te binnen, uit Het hermetisch zwart van Marguerite Yourcenar, die sterft bijzonder indrukwekkend. Een levenseinde in De tijgekat van Tomasi di Lampedusa vond ik merkwaardig mooi, in Dino Buzatti De woestijn van de tartaren eveneens. Iemand meer suggesties?

Denken over een  goed levenseinde en wat daarna moet gebeuren  is niet zoetsappig, dus hoeft niet, hoe mooi ook te leiden tot ‘iets liefs’, als in J.H. Leopolds gedicht:

O, als ik dood zal, dood zal zijn

kom dan en fluister, fluister iets liefs,

mijn bleke ogen zal ik opslaan

en ik zal niet verwonderd zijn.

 

En ik zal niet verwonderd zijn;

in deze liefde zal de dood

alleen een slapen, slapen gerust

een wachten op u, een wachten zijn.

 

Maar denken over je eigen dood moet wel regelmatig gebeuren, lijkt me. Ik was zo teleurgesteld in zomergast Johan Simons, van wie ik mooie dingen zag, maar die dan nauwelijks over zijn dood blijkt te kunnen nadenken, zo akelig vindt hij dat. Waarom stelt me dat teleur? Omdat goede kunst zonder doodsbesef iets vlaks krijgt. Hoe zou het zijn, de dood? Luigi Pirandello laat een lokaal politicus rustigaan op zijn sterfbed precies bedenken wat er allemaal gaat gebeuren, stap voor stap. In ‘De illustere overledene’ uit de bundel De kruik, van de weergaloos prachtige uitgeverij Coppens & Frenks (vert. Marije de Jager) zit Constanzo Ramberti zijn dood af te wachten. Berichten in de krant voorziet hij, wagens met paarden ervoor, locale bestuurders die uit dankbaarheid komen afreizen, bloemenhulde, verdriet, een straat die naar hem genoemd wordt.

Veel van dit alles zal precies zo plaatsvinden, het mooie van de tekst van Pirandello is de zekerheid van de stervende dat dit gaat plaatsvinden en het feit dat de hoofdfiguur  geen blaaskaak is, maar dat hij hier toch wel min of meer recht op heeft. En dan zit net als in het leven zelf, in deze tekst de angel  in de staart: een treinbeambte koppelt de verkeerde wagon aan, zodat het lichaam van een  jonge onbeduidende seminarist al deze eerbewijzen gaat ontvangen, en de illustere dode zelf met de foute trein naar het noorden reist: ‘Hij kwam ’s nachts op het staion van Valdana aan. Daar wachtten alleen de burgemeester en vier vertrouwde doodgravers op hem, en heel stilletjes, als dieven die een lading smokkelwaar aan het oog van de douaniers onttrekken, brachten ze hem over ternauwernood met een lantaarntje verlichte landweggetjes naar het kerkhof, waar ze hem met een diepe zucht van opluchting begroeven.’

Het doet denken aan het verhaal van de twee vrome monikken die een leven lang fantaseerden over hoe het zou zijn in het hiernamaals. Na verscheiden van de ene, smeekte deze de mogelijkheid af de ander in een droom te melden hoe het er is. Twee woorden kreeg de achterblijver: ’totaliter aliter.’ Volstekt anders. Toen werd hij wakker.

 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

I feel your pain

Zo, dit is alweer mijn allerlaatste stukje voor het Tirade-blog.

Dankzij mijn literair agent, Paul Zeeprest, maak ik op 1 september aanstaande namelijk een lucratieve transfer naar tijdschrift halfjaarboek De Revisor.

Hoewel Tirade natuurlijk een veel beter, ouder, ambitieuzer, actiever, agressiever en prestigieuzer tijdschrift is dan halfjaarboek De Revisor en ik het erg naar mijn zin heb bij Tirade, is de belangrijkste reden waarom ik tóch tot de overstap heb besloten dat het tijdschrift halfjaarboek, zoals die term al afdoend uitdrukt, maar twee keer per jaar verschijnt – en de facto als ‘tijdschrift’ dus gewoon is opgeheven – waardoor ik meer tijd overhoud om er op uit te trekken met mijn gezin en verder te werken aan de serie literaire thrillers die mijn naam zo stevig gevestigd heeft in ons bescheiden maar substantiële taalgebied.

Bovendien hoop ik, heteroseksuele metroman, met mijn toetreding tot de nu, zoals bekend, volledig uit homoseksuele mannen bestaande Revisor-redactie te kunnen bijdragen aan iets meer redactionele diversiteit in het literaire landschap in het algemeen en bij tijdschrift halfjaarboek De Revisor in het bijzonder. Op termijn ambieer ik de redactie van tijdschrift halfjaarboek De Revisor, hoe utopisch dat nu ook mag lijken, zelfs te kunnen inspireren tot het aantrekken van vrouwelijke redacteurs.

Er zijn, uiteraard, ook inhoudelijke redenen voor mijn overstap.

Zo opent het zomernummer van tijdschrift halfjaarboek De Revisor met een schaatsverhaal.

Met een schaatsverhaal. Het zomernummer.

Geef vijf onbetwiste genieën ZES MAANDEN de tijd om een tijdschrift halfjaarboek samen te stellen en ze komen godverdomme met een zomernummer dat opent met een schaatsverhaal! Honger maakt rauwe bonen zoet, zoals het voorplat (foei: stockfoto!) al suggereert, maar je kunt overdrijven.

‘Zomernummer, zomernummer… Bij de zomer denk ik aan… ijs!’

‘Aan IJS!? Ach, waarom ook eigenlijk niet… volgens mij had Rob Koumans nog een schaatsverhaal liggen, ik zal eens informeren.’

Misschien toch maar niet meer in cafés vergaderen, redactie?

Het eerste exemplaar van het zomernummer van tijdschrift halfjaarboek De Revisor werd overhandigd aan Sinterklaas. Warme chocolademelk met slagroom. Pepernoten. Midden in de zomer. God, wat hebben we gelachen!

Ik wil maar zeggen: dat het hoog tijd is om iemand van mijn kaliber aan de redactie van tijdschrift halfjaarboek De Revisor toe te voegen lijkt me evident.

Nee, hoor… ik zit te dollen.

Natuurlijk ga ik niet naar De Revisor! Ik ben niet gek! Hahaha!

‘O, gelukkig! Jezus! Ik schrok me rot!’

‘Jouw probleem, meid.’

‘Ik moest bijna huilen, klootzak!’

Bijna? Volgens mij sta je gewoon te janken… Hier heb je een zakdoekje… kom maar even lekker tot jezelf, dan ga ik gauw beginnen, want we hebben weer een bomvolle, action packed aflevering vandaag.’

‘Je zakdoek is helemaal stug.’

‘Komt door de nieuwe Opzij.’

‘Ik vind het – ’

‘Ssst!’

 

I know a dentist who needs an assistant’ – Blue Jasmine (2013)

bjFilm: Blue Jasmine (2013).

Regie: Woody Allen.

Verhaal: rijk-getrouwde vrouw verliest alles. Zelfs haar verstand. Ze trekt bij haar lower class zusje in en vindt een baantje als secretaresse in een tandartspraktijk.

Voorspelling: in 2050 kijken we terug op Blue Jasmine als de laatste echt geslaagde Woody Allen.

Lachen: gold digger Jasmine zoekt en vindt een nieuw glamourvriendje. Bij hun eerste kus houden ze allebei hun zonnebril op. Een fraaie tussenstop op weg naar de eindhalte van de film: een compleet afgeschminkte, aandoenlijke, doorgedraaide Jasmine, gespeeld, overigens, door Cate Blanchett.

Jasmine heet eigenlijk Jeanette. In een flashback horen we haar ex-man opmerken: ‘I fell in love with the name Jasmine.’ Hun huwelijk rust op een fundament van leugens.

Mijn favoriete sequentie: Jasmine’s zus Ginger en haar working class geliefde hangen voor de televisie als ze beginnen te stoeien om het laatste stuk pizza. Een kort, geloofwaardig moment van liefdesgeluk.

‘Sommige mensen komen op sex en geweld af, andere op boodschappen. Een handige kunstenaar houdt daar rekening mee. Shakespeare deed een hoop geweld in zijn stukken (exeunt, bearing corpses, staat er aan het eind van ieder bedrijf). Tsjechov leefde in een land en een tijd waarin men geweld ongepast vond en boodschappen zeer belangrijk, en die deed dus boodschappen in zijn stukken (wij moeten werken! roepen de dames en heren aan het eind van ieder bedrijf uit, en: over honderd jaar zullen de mensen uiterst gelukkig zijn!),’ aldus Karel van het Reve in Uren met Henk Broekhuis (1978;p.61).

Wat wil Allen met Blue Jasmine?

Ontroeren, intelligent entertainen. Uiteraard.

Maar het belangrijkste is, denk ik: uitdrukking geven aan zijn compassie.

De tragikomedie doet nergens echt pijn, maar over de anderhalf uur dat ie duurt, hangt een prettig floers van humaniteit.

Wat Woody Allen zegt met zijn vrouwenportret Blue Jasmine, ik copy-paste een uitspraak van Bill Clinton die Wouter Bos gisteren, in Zomergasten, ook een paar keer memoreerde:

‘I feel your pain.’

En die ‘boodschap’, die van Allen bedoel ik, is niet alleen gericht aan kijkers die, als Jasmine en haar ex, door de crisis zijn getroffen, maar vooral aan alle – al dan niet ouder wordende – vrouwen (m/v) die door hun man (m/v) zijn of worden bedrogen – en aan iedereen in het publiek die, net als Allen, compassie met die vrouwen voelt.

Eindoordeel: geen alibi is geldig om deze Allen te missen. Drie van de muur gerukte en door een appartement geflikkerde wandtelefoons (3/5).

Tabu, Blancanieves, Blue Jasmine – 2013 is nu al een geslaagd filmjaar.

En dan moet Van Warmerdams Borgman nog in première gaan.

Tirade – subtiele teksten voor gevoelige mensen.

 

Alias Henk – een toegift

De ervaring leert/de praktijk heeft uitgewezen dat: ligt een Tirade eenmaal in de boekwinkel, dan wordt ie binnen een paar dagen verkocht (de Tirade bedoel ik, niet de winkel). Dus:

‘Boekhandel Het Strontvinkje met Karen Pelsink, goedemorgen, waarmee kan ik u van dienst zijn?’

‘Goedemorgen u spreekt met Henk Pröpper. Ik wilde eens informeren… het jongste nummer van Tirade, hebben jullie dat op voorraad?’

Tirade hebben wij altijd op voorraad, mijnheer Prupper.’

‘Fijn, ik wil er graag tien.’

‘Tien?’

‘We gaan het lezen met mijn leesclub.’

‘Wat een leuk idee! Tirade is weer helemaal hip en hot geloof ik hè? Maar tien… dan moet ik er acht bijbestellen mijnheer.’

‘Heel graag.’

‘Zal ik u dan even bellen als ze binnen zijn? Ik denk dat dat morgenmiddag wordt.’

‘Heel vriendelijk van u.’

‘En naar welk nummer mag ik dan bellen?’

‘020 – 305 98 10.’

‘Maar dat is een Amsterdams nummer?’

‘Dat is ’t nummer van m’n kantoor, bitch. Je denkt toch niet dat je m’n mobiele nummer krijgt? Wat heb ik godverdomme nou voor imbeciel aan de lijn? Luister heel goed wat ik nu ga zeggen: zodra jij die Tirade’s binnen hebt, laat je alles uit je poten vallen en dan bel je als de sodemieter mijn kantoor en dan belt mijn kantoor mij, ja?’

‘…’

‘Begrijp je wat ik net zei? Of moeten we ons hele gesprek GODVERDOMME NOG EEN KEER DUNNETJES OVERDOEN IN HET SPAANS?’

‘Nee, nee, het is helemaal duidelijk zo, mijnheer Prupper, dankuwel. En neemt u mij alstublieft niet kwalijk dat ik zo langzaam van begrip was.’

‘Het is al goed.’

‘Tien keer het zomernummer van Tirade voor de heer Prupper, het staat genoteerd.’

(…)

‘Boekhandel Zilvervis, met Redbad Vuurkracht spreekt u.’

‘Eveneens een hele goede morgen. Henk Pröpper hier. Ik wilde eens informeren… het jongste nummer van tijdschrift Tirade, heeft u dat op voorraad?’

Et cetera, et cetera.

We begrijpen zelf ook niet hoe het kan, maar deze week komt DE ZESDE DRUK van Tirade 449 alweer van de drukker!

Dus… trek vlug die belachelijke, grote, witte gymschoenen van je aan en ren als de bliksem naar de boekhandel om jouw Tirade 449 exemplaar te bemachtigen.

Want ook voor de zesde druk geldt: op = op.

Volgende week: Een kruiwagen vol spaghetti.

Over werken

IMG_3433Een tijdje terug nam ik een periode vrij van de horeca om mijn volle aandacht op het schrijven te richten. Omdat ik had uitgerekend dat mijn reserves me minstens twaalf maanden drijvend zouden houden, hield ik al het werk af dat niet met tekst te maken had. 

Ergens halverwege dat jaar werd mijn eerste verhaal gepubliceerd in Tirade, en niet lang daarna mocht ik met het begin van wat Hier sneeuwt het nooit zou worden langskomen bij Van Oorschot.

De dingen leken op hun plek te vallen. Mijn boek zou worden uitgegeven – in de winkels komen te liggen – en alles zou veranderen. 

Nu is het twee jaar later. Ik heb nog nooit zoveel in de horeca gewerkt als deze zomer. Mijn ochtenden gebruikte ik voor het afronden van mijn tweede boek, het redacteurschap van Tirade en het officemanagen van het bedrijfje dat Birre en ik samen hebben overgenomen. Tijd die niet naar werk (of korte, droomloze slaap) ging, was bestemd voor onze zoon Nadim. 

De laatste weken hebben meerdere mensen me verteld dat ik er zo goed uitzie. Dat ik ontspannen lijk; vrolijker dan normaal. Het waren niet mijn vrienden, voor de vriendschap was weinig tijd deze zomer. Het waren gasten van de nieuwe zaak waar ik kook, en op wiens onpartijdige mening ik wel moet vertrouwen. 

Zou het waar zijn? Heb ik drie banen – en bijna nul vrije tijd – nodig om gelukkig te worden? 

Is het volle schrijverschap de dood voor mijn humeur? 

Moet ik ophouden met verlangen naar de dag waarop ik nog maar één ding tegelijk hoef te doen?

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Waar wij vandaan komen

Vannacht werd ik wakker met deze tekst:

Mijn Verlosser hangt aan ’t kruis,
hangt ten spot van snode smaders.
Zoon des Vaders,
waar is toch uw almacht thans,
waar uw goddelijke glans?

Mijn Verlosser hangt aan ’t kruis,
en Hij hangt er mijnentwegen,
mij ten zegen.
Van de vloek maakt Hij mij vrij,
en zijn sterven zaligt mij.

En niet alleen de tekst, de muziek galmde diep binnen in mij, een flink kerkorgel begeleidde me.  Ik staarde in het donker naar de door een zacht windje wapperende gordijnen voor de opengeslagen balkondeuren.  Voor mij geen verlossing.

Dat komt: ik ben  gereformeerd opgevoed en ging tot mijn 18e ter kerke en bad en dankte zesmaal daags, en wij lazen tweemaal daags de bijbel en dat ging van kaft tot kaft, dus ik heb het boek wel enige malen volledig tot mij genomen. Tot zover mijn verder onbelast verleden. Ik kan ermee wakker worden, en dat is niet met schrik, want de kerk en ik hebben elkaar altijd redelijk in elkanders waarde gelaten, ik bleek een andere weg te moeten gaan, en vind veel andere boeken nu minstens zo goed, veel andere muziek zeer veel beter.

Op tv zag ik echter een item over een in omvang toenemende groep Australische bejaarden die langzaamaan weer Nederlands begint te praten en dat dat een probleem vormt. Een oud vrouwtje in Melbourne dat in een verpleeghuis ’s nachts wakker schrikt met ‘Mijn verlosser hangt aan ’t kruis!’, en dat luide begint te zingen wekt bevreemding bij het Australisch personeel. Er is kortom een gierende behoefte aan Nederlandstalige verzorging aldaar. In de eerste helft van de vorige eeuw zijn veel Nederlanders gemigreerd naar onder meer Australië, Canada, Nieuw-Zeeland, Zuid-Afrika. In Nieuw-Zeeland heb ik verschillende winkels gezien waar je stroopwafels en pindakaas kon kopen, hagelslag en bitterballen.

Vorige maand las ik het boek  The Blood of the Lamb van de Amerikaanse schrijver Peter de Vries. Wat een naam voor een Amerikaanse schrijver! En inderdaad, het boek begint zo:

‘My father was not an immigrant in the usual sense of the term, not having emigrated from Holland, so to speak, on purpose. He sailed from Rotterdam intending merely to visit some Dutch relatives and friends who  had settled in America, but on the way over suffered such ghastly seasickness that a return voyage was unthinkable. He lay for a week in steerage while the worst storm in recent Atlantic memory flung him about his bed and even to the floor. Faces tumed green under scarlet sunburns were his sole unsympathetic company; Italians breathed garlic on him, Germans beer and wine. When at last they disembarked, he fell on his knees and kissed the American soil for no other reason than that it was not open water. To face that again was simply out of the question. He canceled his return paasage and sent to the Netherlands for his belongings. Thus was added Ben Wanderhope’s bit to that sturdy Old World stock from which this nation has sprung.’

Het boek is als roman een fascinerend geval, het begint als een verzameling anekdotes  van een immigrantenbestaan, de ouders die nog met het oude geloof leven, rare avonturen met een vuilniswagen, eerste liefdes,  de arme en de rijke ‘New York Dutch’ en het eindigt met een tenhemelschreiend droevige episode waarin de hoofdpersoon zijn dochtertje verliest aan leukemie. (eveneens biografisch voor De Vries) In die episode een van de aangrijpendste sterfscènes uit de wereldliteratuur. (Volgende week op deze plek: een ongelofelijk sterfscène  in een novelle van Pirandello).

In de licht dementerende hoofden van mogelijk duizenden emigranten leven op tienduizenden kilometers van hier stukjes 40-er en  50-er  jaren voort, gefossiliseerde tijd en taal.  Geïnteresseerd?  klik hier.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Beeldvullers

Tien jaar geleden was ik figurant in een film. De film heette Supertex en was gebaseerd op het boek van Leon de Winter. Ik heb de film nog nooit gezien en ik heb ook nog nooit iemand gesproken die de film wel heeft gezien.
            Ik speelde de rol van een rouwende jood en moest meelopen in een begrafenisstoet. Ik kreeg een keppeltje op mijn hoofd. Mijn blonde haar en blauwe ogen vormden blijkbaar geen bezwaar.
            Wat me vooral fascineerde was de sociale interactie tussen de figuranten. Veel mensen bleken elkaar te kennen, omdat ze met z’n allen de filmsets van heel Nederland afliepen. Al die wandelaars en cafébezoekers die je in films ergens op de achtergrond ziet langskomen – het zijn dus altijd min of meer dezelfde mensen. Ongeveer de helft van hen was werkloos en vulde met dit werk hun uitkering aan. De andere helft droomde ervan om ooit een echte acteur te worden. Daar zaten mensen van in de vijftig tussen, die al decennialang beeldvullers waren.
            Ik kwam erachter dat er weinig dingen zo saai zijn als figureren in een film. Als anoniem onderdeel van een naamloze figurantenstoet heb ik een paar keer op en neer gelopen over een stukje grind van een joodse begraafplaats. De rest van de tijd stonden we met de hele groep te wachten met een bekertje koffie in onze hand. Het was winter en koud en in tegenstelling tot de andere figuranten had ik geen last van een kritiekloze bewondering voor alles wat met film te maken had.
            Mijn collega’s van die dag bleken nogal competitief. Ze pochten tegen elkaar hoeveel seconden ze in totaal in beeld waren geweest. Er was een man bij die nog nooit op televisie was geweest, hoewel hij wel al jaren ‘in het vak’ zat. De eindregisseurs knipten hem er telkens weer uit. Hij was erg lelijk maar ik weet niet zeker of het daaraan lag.
            Net als in andere beroepsgroepen bleek er ook onder figuranten een rangorde te bestaan. Aan het begin van de dag bepaalde iemand van de crew namelijk wie vooraan en wie achteraan mocht lopen. Als je lot was om achteraan te lopen, kon je net zo goed meteen weer naar huis gaan, want dan zou je waarschijnlijk nooit in beeld komen. Mensen feliciteerden of troostten elkaar met hun positie in de stoet.
            Ik weet niet meer hoeveel geld ik na afloop in mijn verkleumde handen kreeg geduwd. Heel veel was het in ieder geval niet. Maar ik had er dan ook niks voor hoeven doen, behalve een paar keer op en neer lopen over een kerkhof.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Jack de Boer"
    Jack de Boer

    Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

    Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

     

  • "Foto van Gigi Müjde"
    Gigi Müjde

    Gigi Müjde studeert in augustus 2025 af van de schrijfopleiding met een gemoderniseerde bewerking van het Middelnederlandse toneelstuk Mariken van Nieumeghen, namelijk: Meryem van Mokum. Door de lens van een oud Nederlands stuk, reflecteert die op de hedendaagse Nederlandse samenleving. In diens schrijven, speelt Gigi met taal, gebaar en referenties – om de lezer een eigen(aardige) wereld in te lokken vol verwarring en plezier. Die schrijft ook graag in samenwerking, vooral met Robin Alberts volgens hun eigen versie van de flarf-techniek, waarin er een tekst heen en weer wordt verstuurd en om en om wordt herschreven tot het onherkenbaar vol zit met liefde voor taal. Gigi schrijft alleen vanuit liefde, anders telt het niet.

  • "Foto van Lia Tilon"
    Lia Tilon

    Lia Tilon (1965) debuteerde in 2002 met de roman Huizen van papier bij Uitgeverij De Arbeiderspers. In 2012 publiceerde Uitgeverij Cossee haar roman Zielhond, in 2017 gevolgd door Archivaris van de wereld. Tilon schrijft romans en korte verhalen. Zij blogt over emigratie en de vraag wat heimwee is. Is heimwee wel verbonden met een plek in je leven, of aan het gevoel dat je had toen je je op die plek bevond? En maakt het wat uit?