Søren Kierkegaard, Marcus Aurelius

Gisteravond in bed las ik verder in de dagboeken van Søren Kierkegaard, waar ik tot dan toe slechts een beginnetje in wist te maken. Tegelijkertijd, terwijl ik iets interessant lees, houd ik daarnaast vaak als klankbord mijn eigen dagboek bij. Goed, daar gingen we.
 
Ik, omdat ik het zo fijn vond te lezen in het dagboek van een zo slimme man en het heel zinvol van mezelf vond om voor het eerst in lange tijd een avond alleen thuis door te brengen om te studeren:
 
– Andere mensen zijn ook maar een gering onderdeel van het leven: daarnaast leren, inzichten vergaren, kennis opdoen – dat kan een ander toch niet van je overnemen. Ja, ze kunnen de dingen inzichtelijker maken door je zichzelf te tonen, maar mogelijk liegen ze (i.e. geen cartesiaans solipsisme maar alledaags menselijk wantrouwen: zij bestaan ook, maar hebben niet het juiste met je voor).
 
Søren antwoordde al op de eerstvolgende bladzijde: Wat zou het mij baten als ik een zogenaamde objectieve waarheid zou ontdekken; als ik mij door alle filosofische systemen heen werkte en er, desgevraagd, kritieken over kon schrijven; dat ik in elk systeem de inconsequenties aan zou kunnen wijzen; (…) – wat zou het mij baten als ik de betekenis van het christendom uiteen zou kunnen zetten, de talloze geïsoleerde fenomenen zou kunnen verklaren, als die voor mijzelf en voor mijn leven niet van diepere betekenis zouden zijn?
 
Nou, weer een klein beetje grond onder mijn voeten weggemaaid. Ik had niet per se de ambitie om ooit de betekenis van het christendom uiteen te zetten, maar ik dacht toch: misschien kan ik mijn hart met kennis vullen; niet alleen mijn hoofd. Kennis is een hele stevige substantie, een soort cement. Dat leek mij veilig. Ik kan niet goed uitleggen waarom ik het lezen van andermans dagboeken altijd zo geweldig vind – misschien omdat het het ultieme bewijs is van het feit dat andere mensen ook denken (nogmaals, ik bedoel hier niet solipsistisch te zijn, maar je eigen gevoelens en gedachten voelen vaak zoveel prangender dat het gemakkelijk is om aan die van anderen voorbij te gaan) – waarmee ik mijn gedachten overigens helemaal niet op een lijn wil plaatsen met die van Kierkegaard.
 
Zijn dagboeken doen me qua stijl en wijsheid een beetje denken aan de Meditaties van Marcus Aurelius, een klein boekje dat ik ooit op mijn 15e las en dat destijds veel invloed op mij had. Een stukje:
 
20. Anything in any way beautiful derives its beauty from itself, and asks nothing beyond itself. Praise is no part of it, for nothing is made worse or better by praise. This applies even to the more mundane forms of beauty: natural objects, for example, or works of art. What need has true beauty of anything further? Surely none; any more than law, or truth, or kindness, or modesty. Is any of these embellished by praise, or spoiled by censure? Does the emerald lose its beauty for lack of admiration? Does gold, ivory, or purple? A lyre or a dagger, a rosebud or a sapling?
 
Dit dwing ik mijzelf sindsdien in mijn hoofd op te zeggen als ik weer eens om complimentjes aan het vissen ben (iets wat ik vaak en graag doe). Het is ook iets wat helpt tijdens het schrijven – het laat je je tekst door enkel je eigen ogen bekijken, schudt de meelezers van je rug. In die zin is het misschien een mooie aanvulling op Gilles’ stukje hieronder. En toen las ik vervolgens ook nog dit bij Kierkegaard – Gilles, this one’s for you: 
 
9 oktober 1836
Literaire geleerdheid lijkt vaak op een ondoordringbaar oerwoud, waar men op enkele plaatsen een plek vindt waar men kan rusten of een familie tegenkomt die beweert de weg te kennen in het dichtstbijzijnde district, maar die hun inlichtingen meer overgeleverd hebben gekregen dan dat zij zelf die weg gegaan zijn. In dit literaire oerwoud woont ook een troep wilde dieren (recensenten), die men met allerlei lawaaiige instrumenten op een afstand moet houden, bij voorbeeld door een pact te sluiten met andere recensenten. Het allerbeste zou misschien zijn met de recensenten te kunnen doen als met ratten: ze zo africhten dat ze elkaar bijten.
 
 
Marcus Aurelius, Meditations, Penguin Books, 2004, p. 33
Søren Kierkegaard, Dagboeken, Privédomein 174, De Arbeiderspers, 1991, p. 27-37
 
In de Oorshop

Een veilige ruimte

imagesWe waren klaar met vergaderen. Martijn* en Simone* stonden te praten op het stoepje van de uitgeverij toen Otis de Hond en ik naar buiten kwamen. 

Simone vertelde hoe zwaar het was geweest om – ook al zat ze maanden in haar uppie in Brooklyn – te werken aan haar eerste boek. Het moeilijkst was gebleken (en dit zijn mijn eigen woorden) een ‘veilige ruimte’ in stand houden. Een ‘atelier in je hoofd,’ waar je kritiekloos kunt werken, mag spelen in de wetenschap dat je ongezien en vrij bent. Bedenken hoe een tekst op de lezer gaat overkomen is een heel ander proces en hoort later aan de beurt te komen.

Ik moest denken aan de absolute vrijheid waarin ik mijn eerste boek schreef. Met elke dag dat ik eraan werkte werd Hier sneeuwt het nooit mooier, tot ik op de presentatie in vol vertrouwen zei: ‘Kom maar op met die recensies, ik weet niet wat ik hier nog aan zou kunnen verbeteren.’

Tot dat moment had ik nog nooit een literaire recensie gelezen. Dom? Misschien, maar het gaf me wel de ruimte die ik nodig had. Mijn werk was niet bijgestuurd door wat voor besef van andere smaken of heersende meningen dan ook. Twee jaar lang was ik vrij geweest. Volkomen veilig en vrij. 

Een tweede boek is – zegt iedereen – het moeilijkst te schrijven. Dat merkte ik vooral in de begintijd van het werk aan Het laatste kind. Het atelier in mijn hoofd werd steeds binnengedrongen door vreselijke stemmetjes. ‘Toch niet weer over dood en verlies?’ zeiden ze, en: ‘Komen al je lijntjes lekker bij elkaar?’ ‘Wel erg traag en boemelend Van Oorschotproza, dat jij daar aan het typen bent…**’

Ik ken Simone goed genoeg om te weten dat ik haar niet zielig mag vinden, maar opeens had ik vreselijk met haar te doen. Het is één ding om te moeten vechten tegen de stemmen van recensenten in je hoofd, maar wat als je zelf recensent bent? Als je honderden boeken hebt gelezen en besproken? Ik probeerde het me voor te stellen en haakte heel snel af.  

Voor iedereen die een lelijke recensie heeft gekregen en toch een volgend boek aan het schrijven is: het kan nog veel en veel erger.  

 

* Martijn Knol en Simone van Saarloos (boekrecensent voor de Volkskrant), mederedacteurs van Tirade

** Een kleine lezing uit de kritiek op Hier sneeuwt het nooit. 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Kroos en apps

 

Kroos te Waterland

Hardlopend in Waterland zag ik wat ik al een poosje niet meer gezien had: een sloot dichtgelopen met kroos. Ik maakte er een foto van en zette die foto als achtergrond op mijn mobiele telefoon omdat me het opeens een goede waarschuwing toescheen voor obsessief mediagebruik.

Het verschijnsel dat kroos de overhand neemt op een sloot is een gevolg van hypertrofie. Doordat boeren veel mest uitrijden op hun land, spoelt de mest de sloot in, een zeer voedzame bron voor bepaalde waterplanten als kroos, die de overhand gaan nemen. Doordat kroos het gehele wateroppervlak inneemt, komt er geen licht meer op de bodem van de sloot, diepere planten sterven af, het bijbehorend ecosysteem verdwijnt, kleine waterdiertjes, grotere waterdiertjes, afijn, de ‘schoolplaatsloot’ zoals deze hieronder: het bestaat niet meer.

Een van de meest angstaanjagende berichten van de laatste tijd vond ik dat er zoiets bestaat als de ‘inbox-gestuurde ambtenaar’. Veel mensen handelen en denken eigenlijk alleen nog maar op basis van de impuls van een mailtje, whatsappje, bericht. Men wacht op impulsen. Psychologisch is  de mail een microverslaving naar sensatie. Je opent je mail met een verwachting, er kan namelijk goed nieuws of slecht nieuws zijn dat je een kort moment van euforie levert, een liefdesbrief, een boze mail, iets dat je opwekt.  

3276617634_d8d1b1fe7c
‘In sloot en plas’ van de befaamde schoolplaatillustrator M.A. Koekkoek.

De veelheid van korte media-impulsen, de stront in deze vergelijking,  maken het veel mensen onmogelijk een langere concentratie op te brengen: het licht schijnt niet meer door de sloot heen naar diepere lagen om een evenwichtig geestelijk ecosysteem tot ontwikkeling te brengen. We leven in een kroosoppervlak van een halve centimeter diepte, en daaronder sterft van alles dat meer tijd, concentratie en verlichting nodig  heeft langzaam af. De hegemonie van de oppervlakte. De foto als achtergrond op mijn telefoon heeft tot doel de kroosvorming van appjes tegen te gaan. Als ik de foto zie besluit ik dat ik dat apparaat weg moet leggen.

Dit heb ik bij mijzelfve overdacht, domweg gelukkig… in Waterland.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

‘Wanhoop is er altijd, dat is het punt niet.’

‘Mariëlle? Kom! Er staat weer een nieuw stukje op de Tirade-blog.’

‘O, echt? Waar gaat ’t over?’

‘Ik heb ’t nog niet echt gelezen, maar… maar-wacht-es-even… wel godverdomme… volgens mij GAAT ’T OVER ONS!’

‘Dat meen je niet! Welke smiecht heeft dat gedaan? Staat er ook dat ik nu HELEMAAL NAAKT achter je sta? Hoe kunnen ze dat nou – ’

‘Weet ik veel, VERDOMME!, ik zit het alleen maar te lezen! Doe nou niet meteen zo – ’

‘Laat me d’r es bij… schuif es op. Hè!’

‘Au!’

‘Ach, paniekschopper… hier… alleen ’t begin gaat over ons… kijk, nadat ik bij jou op schoot ben gaan zitten begint hij met:

Compleet lege feestzaal

Dromen dat de CPNB je heeft gevraagd naar een zaaltje te komen om de viering van Gerrit Kouwenaars honderdste verjaardag ‘op te luisteren’. Met een handvol reggaemuzikanten/een rapformatie op een geïmproviseerd podium staan en op de wijs van Ross & Iba’s Wassenaar, Wassenaar steeds weer deze regels zingen:

 

Kouwenaar, Kouwenaar, Kouwenaar

men vindt ’t mooi, men vindt ’t waar

Kouwenaar, Kouwenaar, Kouwenaar

al honderd jaar betekenaar –

 

Dit refrein eindeloos herhalen.

Net zolang doorgaan tot iedereen meezingt. Net zolang doorgaan tot iedereen helemaal melig is, net zo lang doorgaan tot iedereen de slappe lach krijgt, net zo lang doorgaan tot de eersten zich beginnen te ergeren (‘Nu weten we het wel’ ‘Nu gaan ze te lang door’ ‘Je moet ook weten wanneer je moet stoppen’), net zo lang doorgaan tot je het verzamelde establishment het bloed onder de nagels vandaan hebt getreiterd, net zolang doorgaan tot de eersten vertrekken (ze naroepen: ‘Dag blanke, welgestelde, hoogopgeleide, zelfingenomen, geprivilegieerde papkindjes – veel succes daarbuiten in de echte wereld!’), net zo lang doorgaan tot iedereen weg is. Totaal/compleet lege feestzaal.

‘Wat is ’t nou ‘totaal’ of ‘compleet’?’

‘Ja, sorry… die details worden meestal net voor de show nog snel even geregeld door m’n side kick, maar die heeft ’n weekje vrij omdat ie vorige week een extra dienst heeft gedraaid.’

‘Hahaha, schitterend!’

‘Ja, volgende week weer.’

‘’t Was maar een grapje/gebbetje/geintje.’

‘Als een side kick vroeger, pakweg voor de millenniumwisseling, begon te zeiken dat ie een beetje moe gewerkt was, dan trapte je ’m een paar keer onder z’n hol en je hield 20% van z’n bruto maandloon in en dan was het afgelopen met die overgedomesticeerde fratsen, maar nu willen ze na een dagje overwerken meteen ‘compenseren’… en als je ’t lef hebt om te weigeren, halen ze de Stichting Betere Behandeling Sidekicks erbij… vind je ’t gek dat de economie een vrije val maakt?’

‘Los dat lekker in je eigen tijd op, Tyn. The show must go on, jongen.’

‘Wanhoop is er altijd, dat is het punt niet.’ – Gerhard Richter, Painting

ghFilm/docu: Gerhard Richter, Painting (2011), nu pas in NL roulatie. Regie: Corinna Belz.

‘Ik had eigenlijk iets heel anders in gedachten,’ zegt de oude Richter als hij, een tikje beteuterd, naar twee zwarte doeken staat te kijken. ‘iets met veel kleur erin.’ Richter kan alles – schildertechnisch gesproken – maar uiteindelijk is zijn oeuvre hem, tot op zekere hoogte, ook maar overkomen. De grootste kunstenaars zijn instrumenten in de handen van krachten die nog groter zijn dan zijzelf.

De camera rijdt, verspreid over GRP, een keer of vier, vijf langs witte wanden met een wilde selectie uit Richters oeuvre. Dankzij deze docu begrijp je dat Richters stilistische variëteit – van fotorealisme en fijnschilderen tot wilde abstractie en pop art en alles daar tussenin – weinig te maken heeft met relativisme of opportunisme, maar voortkomt uit Richters drang om zijn beeld van ‘de werkelijkheid’ steeds opnieuw te verversen. Of liever: hij honoreert en celebreert – gedreven door scepsis ten aanzien van kapitale Waarheden – diversiteit, de gelaagdheid en rijkdom van ‘de werkelijkheid’.

De documentaire toont openingen van exposities in Europa en de VS, work in progress, innemende gesprekken met de mensen om Richter heen, archiefmateriaal, impressies van verfmengende schilderassistenten, babbels met museumdirecteuren, galeriehouders en administratieve krachten. Een autorit door het lelijke Keulen.

Maar de documentaire wordt gedragen door de opnamen die zijn gemaakt in het atelier van Richter .

De schilder vindt het verschrikkelijk om gefilmd te worden terwijl hij aan het werk is. ‘Het is net zo erg als in het ziekenhuis liggen.’ Zijn beeldende intuïtie raakt verstoord door de aanwezigheid van de documentairemaakster, hij verstart. Als ze hem vraagt of die aanwezigheid van andere mensen, van de camera, hem wanhopig maakt antwoordt Richter: ‘wanhoop is er altijd, dat is het punt niet.’ Het probleem blijkt: schaamte. Hij vindt het ongemakkelijk om kunst te maken in de aanwezigheid van anderen, omdat schilderen voor hem au fond een daad van agressie is. ‘Een schilderij duldt ook eigenlijk geen ander schilderij naast zich.’ Wie schept vernietigt.

Op de praktische kant van het in situ filmen is, blijkens de credits op de aftiteling, iets gevonden: de tweede camera-unit werd bemand door… Gerhard Richter. Dat is, gok ik, de reden waarom we Richter in de openingssequentie in zijn atelier zien klungelen met een camerastatief: de film is half portret, half zelfportret.

De momenten waarop Richter zijn doeken bewerkt met wat de distributeur een ‘trekplank’ noemt zullen net zo iconisch worden als de filmregistraties van een schilderende Pollock, Appel, Picasso. Het is prachtig om te zien hoe Richter worstelt om de verf in een vorm te dwingen die voor hem ‘waar’ is. Inspiratie is woede.

Ik begrijp overigens niet dat een documentaire over een groot analoog kunstenaar met een digitale camera is geschoten: uiteindelijk zit je anderhalf uur naar bewegende ministeck te kijken. Die low budget look valt moeilijk te rijmen met de status & marktwaarde van Richters werk.

Eindoordeel: mooi project, interessant product. Drie met blauwe verf besmeerde maar toch maar niet over het klaarhangende doek heengesleurde trekplanken (3/5). Niet te missen voor wie ook maar de flauwste belangstelling voor beeldende kunst heeft.

‘Wanneer komt je sidekick weer terug?’

‘Volgende week. Hoezo?’

‘…’

 Verveel je je?’

‘Nee, nou… Het is meer… Eerlijk gezegd: zoiets als dat grafschrift van vorige week… zulke tekstjes vind ik eigenlijk het allerleukst.’

‘Dan doen we speciaal voor jou nog een paar grafschriftjes… ik zou zeggen: Muze… kom d’r maar in!’

Grafschrift op een mede-weggebruiker

Hier rust Marianne van der Sloot

ze ging te snel, ze reed door rood.

 

Grafschrift op een middenstander

Hier rust uw keurslager, Peter van Hes,

noodlottig uitgegleden op zijn mes.

 

Grafschrift op een glazenwasser

Hier rust Jaap van der Akker, dacht halver-

wege dat ie er al was, de stakker.

 

Grafschrift op een frontsoldaat

Hier rust korporaal Henk Jamin,

hield de granaat, maar wierp de pin.

 

Grafschrift op een fotomodel

Hier rust, na 83 maanden lijnen,

het gezicht van Spa: Annechien van Wijnen.

 

Grafschrift op een stuntman

Hier rust Gerard van der Vlis,

heel gek… er ging iets mis.

 

Grafschrift op een autocoureur

Hier rust World Champion Fabian Brinks,

hij moest naar rechts. Maar ging naar links.

 

Grafschrift op een schoonmaker

Hier rust, opgeruimd staat netjes, Adriaan Mat.

Te laat gezien, zijn eigen bord: pas op – glad.

 

‘Hahaha, schitterend! Vooral die van – ’

‘Het is al goed.’

Na-gedachte – imperfectie

Johan Simons zei een paar weken geleden, in Zomergasten, dat hij aan imperfectie de voorkeur geeft boven perfectie, omdat achter imperfectie ‘een grotere humaniteit’ schuilt. Een terloopse opmerking van Richter bij een foto van een beschadigd vrouwentorso nuanceert, wat mij betreft, die zachte, sympathieke gedachte van Simons: imperfecte schoonheid, zegt Richter, verenigt het schone met het niet-schone waardoor het niet-schone onze sensatie van het schone verhevigt. In die visie hebben we dus geen moreel, maar een esthetisch belang bij het niet–schone. Zoals die andere Zomergast, Daan Roosegaarde, zou zeggen: ‘Ik vind het een interessante.’

Tirade – lees gevarieerd en matig.

Soundtrack bij deze post: die andere Richter (mét sidekick).

Toegift – klapstoelkoorts

Mijn goede vriend Daniël Rovers heeft zich weer eens in de nesten gewerkt… een paar maanden geleden heeft ie één of ander polemisch stuk gepubliceerd op De Reactor en nu vinden een paar intellectuelen dat ie verbannen moet worden naar Afrika of China. De zaak dient aanstaande vrijdag in Rechtbank Perdu (Amsterdam).

Martijn gaat.

Volgende week: M’n vrouw is geïnterviewd door de Libelle, hahahaha! Over mij! Kop: ‘Martijn heeft mij geleerd de schoonheid van het leven te zien’. De lead: ‘Naomi Zomerfruit (21) is getrouwd met schrijver, goochelaar en acteur Martijn Knol (34). Hoe is het nu echt om met zo’n wildeman en glamourboy te leven? Never a dull moment? Of vooral vermoeiend? ‘Mensen die Martijn alleen van de bestsellerlijsten en de televisie kennen, weten vaak niet dat hij ook een heel kwetsbare en onzekere kant heeft. Dat vind ik weleens jammer. Want achter al die grappen en dat ruziezoeken schuilt gewoon een lieve, onschuldige jongen. Martijn is eigenlijk zijn hele leven een pluizige, speelse puppy gebleven. En dat ontroert mij ontzettend.’

Uitzicht

 

Het in vierkanten verdeelde raam geeft het Friese veld een bril om door te staren.
Ik kijk terug, over de rand van mijn laptop. Hoe mooi de lucht hier ook open strekt tot de huisjes in het dorp tweehonderd meter verderop, klein en rechthoekig als het escapeknopje op mijn mac, ik mis mijn New Yorkse uitzicht: een brandtrap en een naakte overbuurvrouw met een voorliefde voor Japanse cartoons. Of Chinese. Ik noch mijn verrekijker ziet het verschil. 

De leugen is alweer getikt voor ik weet wat überhaupt waar is. Is er werkelijk sprake van missen? Niet echt. Na de afvallucht in een broeierig Brooklyn, is het gemakkelijk om de geur van nat hout in dit slecht geïsoleerde huis lief te hebben. Het wijdse veld is groen met geschoren strepen, bereden door een boer en zijn traktor. Het is anders dan de bleke billen van mijn buurvrouw, maar het is niet slecht. Het heeft bovendien zo weinig met wat was te maken, dat het nu en het zopas geen enkele vergelijking verdienen.

Alleen met overdreven wilskracht is in de bruine vegen op het omgewroete veld een roestige, zigzaggende brandtrap te bekennen. Maar zo’n krampachtig zoeken naar een poëtische, hermetische overeenkomst is een belediging voor de werkelijk vrije, spontane associatie (van het soort dat je overvalt en verrast in eenheid. Van het soort dat een seconde vertrouwen schept, dat alles precies zo is als het zijn moet).

De krampachtig bedachte link tussen het Friese veld en Brooklyn is slechts een gevolg van mijn geheugen, dat altijd achterloopt op de werkelijkheid. Overal ter wereld kan een thuis zijn, elk verschil is gemakkelijk te verkroppen, we passen ons probleemloos aan. Als de tijd tussen het ene leven en het andere maar aanzienlijk en wijds genoeg is om de herinneringen van het lichaam uit te wissen. Zodat je de kraan niet per ongeluk op heet zet. Zodat je niet naar het lichtknopje tast waar de wand glad is. Zodat je bij je nieuwe geliefde niet dat lelletje of kuiltje zoekt dat bij het vorige lichaam hoorde.

Vergissingen kun je eigenlijk alleen voorkomen door nooit te wisselen – zodat koud altijd koud is en links zit. Maar het is 2013. Monogamie is een grap en de wereld rondvliegen is gemakkelijker dan wennen aan weten wat je allemaal mist.

Toen ik begin juni wegging wilde ik vloeibaarheid. De tijd moest niet meer uit vakjes bestaan, maar moest worden uitgesmeerd, als de druipende klokken van Dalí. Ik citeerde Baudelaire, betoogde hoe je de tijd moet verdringen (met drank, poëzie of deugdzaamheid), ‘je geen gefolterde slaven van de tijd moet worden’. Maar ik vergat hoe verfrissend een jagende secondewijzer is, die je almaar op de billen tikt of van voor tegen je neus aan slaat. Ik vergat het, tot ik eind augustus in het MIT museum in Boston een kunstwerk zag:

▶ MIT Museum – Kinetic Sculpture

De zelfoliënde machine stopt nooit met soepel bestaan. De tijd is overwonnen, de eeuwigheid gegarandeerd, maar wat heb je? Herhaling. Je smeert je met jezelf. Er roest niets en alles gaat altijd door, wat het leven tot behoud reduceert.

Terug uit New York, terug in Amsterdam, op naar Friesland: de laatste dagen stap ik af en toe aan de verkeerde kant uit bed. Zolang de muur mijn wekker is, ben ik op de juiste plek. Want de muur is de ontwrichtende bril waardoor ik kijken wil. Er moet iets stokken, dat is gezond.

De tijd is er niet om overwonnen te worden, maar om de voortdurende verandering zichtbaar te maken.

Ik ga zo de regen in, stamp zonder laarzen in een plas en zie hoe het gat in de weg opnieuw wordt gevuld met water van boven. Het water, dat steeds bruiner wordt, zwarter, gemengd met de modder die loskomt, zal ik niet vergelijken met wat voorheen was. Het nieuwe is altijd troebel. En vroeger was het niet beter.

 

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Plonia Westendorp"
    Plonia Westendorp

    Plonia Westendorp (1998) is verpleegkundige en student Nederlandse Taal en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam.

  • "Foto van Michaël Van Remoortere"
    Michaël Van Remoortere

    Michaël Van Remoortere (1991) is schrijver. Hij publiceert essays, verhalen en gedichten in een aanzienlijk aantal tijdschriften. Daarnaast maakt hij ook theaterperformances en installaties. Momenteel werkt hij aan de gedichtenbundel mythomaniën en de roman Autodafe.

  • "Foto van Gigi Müjde"
    Gigi Müjde

    Gigi Müjde studeert in augustus 2025 af van de schrijfopleiding met een gemoderniseerde bewerking van het Middelnederlandse toneelstuk Mariken van Nieumeghen, namelijk: Meryem van Mokum. Door de lens van een oud Nederlands stuk, reflecteert die op de hedendaagse Nederlandse samenleving. In diens schrijven, speelt Gigi met taal, gebaar en referenties – om de lezer een eigen(aardige) wereld in te lokken vol verwarring en plezier. Die schrijft ook graag in samenwerking, vooral met Robin Alberts volgens hun eigen versie van de flarf-techniek, waarin er een tekst heen en weer wordt verstuurd en om en om wordt herschreven tot het onherkenbaar vol zit met liefde voor taal. Gigi schrijft alleen vanuit liefde, anders telt het niet.