Pillenpraat

prozac

De laatste paar weken heb ik me een beetje verdiept in het anti-depressiva debat van de afgelopen jaren. Steeds meer mensen zouden anti-depressiva slikken voor steeds minder erge geestelijke kwalen. Het belangrijkste argument tegen het ‘medicaliseren’ van onze geestelijke gezondheidszorg is dat het niet nodig is: veel van de patiënten die nu met een doosje Xeroxat de deur uit worden gestuurd zouden evenveel baat hebben bij goede psychotherapie, een strengere opvoeding, of het simpelweg doorlopen van een natuurlijk rouwproces. Het benaderen van gemoeds- en gedragsproblematiek als voortkomend uit biologische misstanden in het lichaam zou te eenzijdig zijn: veel geestesziekten zouden een socio-historische achtergrond hebben en dus ook tegen die achtergrond moeten worden opgelost. Het vreemde is dan ook dat in vrijwel geen van de artikelen die over dit onderwerp te vinden zijn iets staat over wat het eigenlijk betekent om anti-depressiva te nemen. Er wordt veel met nummers gestrooid (ruim 10% van de Amerikaanse bevolking slikt anti-depressiva, het aantal volgens de DSM erkende psychische stoornissen is sinds de jaren ’50 haast verdrievoudigd en komt nu uit rond de 300 – ‘substoornissen’ niet meegeteld), maar het is lastig om uit te maken wat nou precies het effect is van de toenemende inname van anti-depressiva. Helpt het eigenlijk? En zo ja, op welke manier?

Ik citeer een artikel uit 2008:
“The wave of medicalization has begun to penetrate significant portions of ordinary life. For example, those who were previously thought of as shy, quiet or introverted are part of a new American epidemic, now thirty-three million strong, who suffer from “social anxiety disorder”. And the experience of background nervousness that I – and twelve million other Americans- experience as we drive to work, lecture, and travel to professional meetings, can now be diagnosed as “generalized anxiety disorder” (GAD), to the delight of the pharmaceutical companies making drugs like Prozac, Paxil, and Xanax.” (Aho., K., in: Medicalizing Mental Health: a Phenomenological Alternative)

Als ik dit citaat lees wil ik enerzijds zeggen: als je lijdt aan een gegeneraliseerde angststoornis, dan heb je niet slechts te maken met een licht nerveus gevoel. Geloof me, je gaat niet naar je werk. Tegelijkertijd heeft de auteur hierdoor misschien wel een punt: als het werkelijk zo is dat ‘verlegen’ mensen medicijnen krijgen om een beetje extraverter te worden, dan is er wel degelijk een probleem.
Maar zou het niet ook gewoon zo kunnen zijn dat steeds meer mensen lijden aan een psychische stoornis? Niemand kijkt raar op van het feit dat steeds meer mensen een diëtist bezoeken: onze criteria van ’te dik’ zijn niet veranderd, er zijn simpelweg steeds meer mensen die aan de criteria voldoen. Dat er steeds meer mensen gediagnosticeerd worden met een psychische stoornis lijkt mij an sich dan ook geen probleem (afgezien natuurlijk van het feit dat het problematisch is voor de mensen op wie dit betrekking heeft) – ookal wordt dit gegeven in dit geval mede veroorzaakt door het feit dat de criteria voor ‘psychische stoornis’ aan verschuiving onderhevig zijn. De vraag moet volgens mij dan ook niet zijn, lijdt je aan stoornis X, maar hoe lijdt je? Het is natuurlijk onmogelijk en ook onzinnig om het lijden van mensen met elkaar te vergelijken, maar je kan iemands lijden wel afzetten tegen zijn of haar eigen standaarden – wat voor de een ondraaglijk is, is voor de ander peanuts. Hoe een patiënt zijn of haar lijden ervaart is bovendien belangrijk om te bepalen of het wel of geen zin heeft om met anti-depressiva (door) te behandelen. Als 10% van de Amerikaanse bevolking anti-depressiva slikt, maar van die 10% heeft maar 30% daar baat bij, dan is er inderdaad sprake van een onzinnige trend die alleen de levenskwaliteit van farmaceutische bazen verhoogt. Maar wat als de levenskwaliteit van diezelfde 10% van de Amerikaanse bevolking verhoogd is? Een antwoord op die vraag heb ik niet kunnen vinden; zo’n antwoord vind je immers alleen door het de betreffende mensen te vragen, maar nummers kunnen geen antwoord geven.

Een ander argument tegen het nemen van anti-depressiva is dat het het ervaren van echte gevoelens onmogelijk zou maken.

Uit hetzelfde artikel:
“Because contemporary psychiatry regards emotional suffering as a biological condition to be managed with medical technology, these important moods are suppressed and the abyssal nature of our own existence is covered over and forgotten with Prozac-like medications. Gadamer reminds us of this predicament when he asks:

“Is there not a terrifying challenge involved in the fact that through psychiatric drugs doctors are able not only to eliminate and deaden various organic disturbances, but also to take away from a person their own deepest distress and confusion?” (Gadamer, The Enigma of Health, p. 72)”

Wat ik wil zeggen is het volgt: de woorden ’their own’ zijn hier niet op z’n plaats. Wat mij opvalt is dat veel mensen die ik over dit onderwerp sprak aangaven dat ze intuïtief het idee hadden dat anti-depressiva ervoor zouden zorgen dat je ‘niet langer jezelf’ bent; je persoonlijkheid zou er onder te lijden kunnen hebben. Maar in hoeverre is iemand die de straat niet meer op durft zichzelf? Heeft de persoonlijkheid van een actief, levenslustig persoon niet ook te lijden onder een depressie die hem of haar de hele dag in bed houdt? Een misconceptie over het nemen van anti-depressiva is misschien dat het al je zorgen weg zou nemen. Dat vinden we zwak, want het leven is niet zorgeloos, en daar moet je maar gewoon mee leren omgaan. Maar anti-depressiva zorgen er, mits ze juist werken, alleen maar voor dat je je zorgen weer proportioneel kunt ervaren. Een voorbeeld:

“I now marvel at my ability to move in and out of ordinary feelings like sadness and disappointment and worry. I continue to be stunned by the purity of these feelings, by the beauty of their rightful proportions to actual life events.” (Lesley Dormen, 2001)

Wat mij stoort is dat dit hele debat het gebruik van anti-depressiva de taboesfeer in terug duwt. We slikken ons met z’n allen suf, maar we praten er liever niet over, want we zijn tegelijkertijd van mening dat het onterecht is om je geestelijk lijden te verlichten met behulp van medicijnen. Dat maakt mij boos. Ik vind dat je nogal makkelijk aan de ernst van ‘deepest distress and confusion’ voorbij gaat als je vraagtekens stelt bij het wegnemen van deze gevoelens. Pardon – het gaat hier om gevoelens van de allerergste soort – neem ze alsjeblieft weg! Easy way out of niet. Daar komt bij, zijn de meeste vormen van praat-therapie niet ook gericht op het verlichten van geestelijk lijden? Een psycholoog ziet zijn patiënt toch het liefst glimlachend de deur verlaten.

Dit stukje is echter allerminst een pleidooi voor het rücksichtslos tot je nemen van allerlei medicijnen. Wat ik bedoel te zeggen is dat het volgens mij niet erg is dat we antidepressiva nemen, maar dat het wel heel belangrijk is om zorgvuldig met dit gegeven om te gaan. Wie besluit om anti-depressiva te gaan slikken wordt op artificiële wijze binnen de twee tot vier weken die het duurt voor zo’n middel om te gaan werken teruggeworpen naar hoe ze zich voelden voor de stoornis – terwijl zo’n stoornis zich soms over de tijdspanne van jaren opbouwt. Zoiets kan, of het middel uiteindelijk nou werkt of niet, heftige emotionele gevolgen hebben en moet onder begeleiding gebeuren van een deskundige. Gelukkig maken veel mensen al gebruik van de combinatie ‘pillen & praten’ (een gegeven dat in de statistieken over de pillen overigens niet terug te vinden is). Je zou mijns inziens met behulp van een meer fenomenologische (op ervaring gebaseerde) benadering van psychische problemen niet zozeer een alternatief voor maar wel een aanvulling op het nemen van anti-depressiva kunnen vormen. Een psychische stoornis is betekenisvol – het betekent iets als zo’n ziekte je hele leven overneemt, net zoals het iets betekent als een dagelijkse pil je leven vervolgens weer in goede banen probeert te leiden. In die zin is het dus helemaal niet waar dat het nemen van anti-depressiva een benadering zou zijn die zich enkel richt op het biologische aspect van psychische problemen. Door de werking van stoffen in de hersenen te beïnvloeden doe je niet enkel dat: de fysiologische opmaak van de hersenen veranderen, maar je zorgt ervoor dat jij als persoon de wereld op totaal nieuwe (hernieuwde) wijze gaat ervaren – met alle op de context betrekking hebbende gevolgen van dien. Het kan je ervaring van tijd, de mensen om je heen, de manier waarop je jezelf ziet totaal veranderen. Nu ben ik geen psychiater, ik kan wat ik hier schrijf enkel onderbouwen met behulp van wat ik over dit onderwerp las en zo nu en dan met eerste-persoons bevindingen, maar juist het feit dat een anti-depressivum zo’n effectief middel is maakt dat het noodzakelijk is om over het gebruik er van te praten. Nu lijkt het soms alsof je door het nemen van anti-depressiva voor de buitenwereld je recht op praten over je problemen verliest – je koos immers voor de biomedische uitweg. Uiteindelijk verschilt het per persoon en per probleem welke behandeling het beste werkt (sommige mensen zweren nog altijd bij psychoanalyse – zie het huidige nummer van De Gids), maar om het gebruik van anti-depressiva als modeverschijnsel; ‘hip’, of onderdrukking van het abnormale af te doen vind ik over het algemeen te kort door de bocht. Het is onmogelijk om in zulke algemene termen te spreken over iets wat zulke grote gevolgen heeft voor een individu. Tenslotte, anti-depressiva slik je per definitie niet voor de lol.

 

In de Oorshop

Boekenporno voor beginners

Mijn vijfentwintig komende weken.

Ik stond voor een antiquariaat in de etalage te staren toen er een boek omviel. Het boek dat daardoor zichtbaar werd heette The Anatomy of restlessness.

                ‘Oh geweldig! Hoe verzin je het, je bent ook een wonderblogger hè! Zo’n eerste zin, mooi hoor!’

                ‘Nou dat valt nogal tegen hoor, ik verzon het niet eens  en waar kom jij eigenlijk  opeens vandaan? Ik heb toch geen dialoog in mijn blogs’

                ‘Oh stom natuurlijk, ik ben de ‘lachband’ van Martijn, maar jij bent  Martijn niet. Verdomd, het is woensdag’

                ‘Wegwezen dan.’

                ‘En jij bent ook niet half zo grappig als Martijn…’

                […]

Voor  het antiquariaat bedacht ik toen dat de anatomie van mijn eigen rusteloosheid mijn boekencarroussel is, waar – na uitbreiding met nachtkast en een aantal ongerede stapels  – mijn rusteloze leesverwachting opgetast staat. Door die op een rij te leggen heb ik een anatomie van wat ik denk dat er in mijn leven nog mist en wat mij dus rusteloos maakt. Ik word rusteloos van boeken die op me te wachten liggen omdat het lezen van een huidig boek nooit snel genoeg gaat. Ik vreet mij een weg naar mijn leestoekomst toe. Maar ik kan mijn rusteloosheid dus wel goed beschrijven, want ze ziet er nu uit zoals hiernaast zichtbaar is. Dit is mijn vermoedelijke toekomst voor een half jaar, kan ik inmiddels uitrekenen. Give and take wat mijn boekenbegerigheid nog aanwerft en wat mijn wil tot schenken de stapel decimeert.

Boekenrusteloosheid wordt bij mij slechts gestild door de tactiele ervaringen die het boek te bieden heeft.  Ik word slechts dan níet door boekenrusteloosheid geregeerd als ik een boek in handen heb. En dan graas ik eerst de context van het boek af, samen te vatten als: alles wat de ePub niet biedt, ik heb het geprobeerd: het gewicht van het boek, de geur, de merktekenen van een verleden eigenaar, de afbeeldingskwaliteit van voorplat en achterplat, kartonsoort, de colofon- en verantwoordingsteksten, de namen van beeldverzorgers, fotografen, de aard van het bindwerk, linnen, prijzen en plaatscodes van antiquaren, flapteksten, jaartallen in Romeinse cijfers, copyright vermeldingen, lettertype, bladspiegel, wijze van openvallen, geluid van de onder spanning gezette rug etc.

Tegenwoordig kijk ik – decennia na dat alle andere vrouwen dat deden – Sex & the City. Ik word onder meer gefascineerd door hoe deze dames voortdurend over seks praten, seks hebben, seksachtige dingen meemaken die ook wel eens onsmakelijk of ongemakkelijk zijn, op een wijze die doet voelen  hoe,  zeker elders in Amerika, maar thans ook in Europa nu veel meer door taboe afgedekt wordt. Het is plezierig te zien hoe bijna seventies deze openheid nu alweer voelt. Sex & the City is al bijna het ‘antiquariaat van de hedendaagse seksbeleving’. Er zit een vanzelfsprekendheid in dit monothema die toenemend sympathiek is. Het toont seks als een risicovolle onderneming waarbij van alles mis kan gaan.

 

                ‘En nu kom je dus toe aan de gewaagde sprong van seks naar antiquariaat? Nou dat wil ik je wel zien doen hoor, hahaha, het idee zeg, die stoffig antiquariaatstypes hebben toch meestal al in geen aeonen goede seks gehad?’

                ‘Ik dacht dat ik jou al weggestuurd had? Als Martijn zo’n sprong kan maken, waarom ik dan niet.’

                ‘Quod licet Jovi, non licet bovi.’

                ‘De lachband bedient zich ineens van Latijn?’

                ‘Nou, haha, ik doe er alles aan om je voor al te grote blunders te behoeden haha.’

                ‘Maar het is toch een mogelijke vergelijking, dingen die echt zijn, en dingen die niet echt zijn.’

                ‘Oh hemel, dit moet je echt aan anderen overlaten hoor, Sex & the City betitelen als iets dat echt is toont al heel fraai je onvermogen.’

 

Welnu. Het risico van een mislukte aankoop wordt kleiner bij een eBoek, het is goedkoper, je doet er makkelijker afstand van, maar het is veel minder een ervaring want er zijn fysieke aspecten aan boeken die het genot van te lezen completeren. Een echt boek is  lichaam en geest. Seks met risico’s en vuiligheid. Een eBoek is kiezen voor porno . The Matrix: there is no spoon. Plato: we zien het vuur niet, maar de schaduw. Een veilige,  niet lichamelijke wereld die de ervaring vergeestelijkt.

 

                ‘Hahaha, geweldig zeg, ga jij even mooi op je bek, fantastisch schaam je je niet een beetje?’

                ‘Nee hoor, bloggen is soms ook bloeden hoor, de anatomie van rusteloosheid, je zwakke plekken blootleggen.’

‘Ergens de vinger op zien te leggen en die vinger dan tussen de deur krijgen zeker.’

                ‘Ja, zoiets.’

 

Tirade – een brug te ver.

 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

‘Hier in huis wordt níks kapot gemaakt. Begrijp je dat?’

 

Grafschrift op een Twitteraar

Hier rust, hashtag, Frederik-Jacob Dietz

bij leven goed voor tachtigduizend tweets.

 

‘Hahaha… hilarisch! Godverdomme! Hoe kom je d’r op?!’

‘Dat gaat helemaal vanzelf, Jos… de één kan goed hielenlikken, wegkijken, bevelen opvolgen of de versteende ontlasting uit de anus van doorgelegen bejaarden peuteren en de ander is niet alleen knap, grappig, sexy, belezen en charmant, maar schudt ook driemaal daags de meest wonderbaarlijke teksten uit zijn mouw… Dat is de gave van het woord, hè? Het is voor mijzelf ook altijd weer een klein wonder wat er op mijn scherm verschijnt.’

‘Hahaha! Master! Ik zei vanmorgen nog tegen m’n vrouw: door die gozer val ik zo vaak van m’n stoel van ’t lachen… ik denk dat ik maar een veiligheidsgordel op de leuning ga laten zetten!’

‘Serieus?’

‘Nee, nee…. Het was een grapje.’

‘O?’

‘…’

‘Jos heeft ook gevoel voor humor? En nu wil Jos de maandagochtendshow hier bij Tirade wel van me overnemen, mmm? Tirade op Maandag… hosted and typed by Jos… Dus daar ben je op uit! Daarom zit je altijd zo te slijmen!’

‘Helemaal niet!’

‘Nou, ga je gang hoor! Leef je uit, Jos. Het scherm is voor jou.’

‘…’

‘Kom op! Zet ons maar es lekker aan ’t denken… ontregel ons maar es een beetje!… Kietel onze hersentjes!… Show us what you’ve got, Jos! Imponeer ons maar met je speels vertoon van eruditie – o sprezzatura! o renaissance! – sleep ons mee met je flux de bouche en met je pingpongsnelle dialogen… doe ons versteld staan met je vloeiende registerovergangen en je virtuoze, grammaticale vrij– ’

‘Nee!, nee!, het was maar een grapje…’

‘…’

‘Ga door, ga door!’

‘Dat zei m’n vrouw ook vannacht.’

‘Hahahaha. Classic!’

‘Eigenlijk was ik van plan om hier vandaag de aanval te openen op al die verachtelijke narcisten die tegenwoordig de dienst uitmaken in de NED-LIT, maar bij nader inzien heb ik het veel liever… OVER MIJZELF!’

‘HAHAHA!’

‘HAHAHAHAHA! SCHITTEREND!’

‘…’

‘Daar gaan we, Jos.’

 

‘Hier in huis wordt níks kapot gemaakt. Begrijp je dat?’ – Borgman (2013)

bFilm: Borgman (2013).

Script/regie: Alex van Warmerdam.

Genre: reli-horror.

Verhaal volgens de IMDB: ‘A vagrant enters the lives of an arrogant upper-class family, turning their lives into a psychological nightmare in the process.’

Van Warmerdam speelt een aardig spel met religieuze symboliek en tegenstellingen als ondergronds/bovengronds, hemel/aarde, licht/donker, duivel/engel. Maar echt kunstig wordt het niet. In z’n lompheid doet Borgman soms meer denken aan Schatjes! (1984), Mama is Boos (1986) en Flodder (1986) dan aan het werk van Hitchcock, Haneke of Fellini. Maar misschien verklap ik hiermee ook iets over mijn eigen referentiekader.

De regisseur deelt – in de rol van Ludwig, een assistent van protagonist Camiel Borgman – hoogstpersoonlijk een paar kaakslagen uit aan z’n acteurs. Op het moment zelf moet je keihard lachen, in retrospectie denk je ook: mmm, wat een vertoon van machteloosheid, eigenlijk. En ik mag het zeggen want ik heb op deze plek ook al een paar keer sneue bullets over je beeldscherm laten fluiten.

Wel mooi: aan het slot van Borgman – als de kinderen van de man (Pascal) en de vrouw (Marina) die door Borgman zijn getergd en uiteindelijk vergiftigd, door Camiel en zijn handlangers worden meegevoerd om het kwaad over de wereld te verspreiden – zien we Ludwig/Van Warmerdam graszaad strooien op de plek waar een vijver is gedempt en de stoffelijke overschotten van Pascal en Marina zijn begraven. Een ironische allusie naar de gelijkenis van de zaaier – Camiel, Ludwig en trawanten zaaien het kwaad – en een visuele echo van de tekst waarmee Borgman opent: ‘En zij daalden neer op aarde om hun gelederen te versterken’

Eindoordeel: Borgman is onderhoudend, maar ook leeg en langdradig. Na alle publicitaire poeha kon de film ook alleen maar tegenvallen, natuurlijk. Twee met zand gevulde teddyberen, dan wel twee opgezette, in de vensterbank geplaatste Vlaamse Gaaien (2/5).

Leermomentje: Borgman vertelt de kindertjes van Marina en Pascal een sprookje waaruit we opmaken dat De Gouden Sleutel van het Geluk wordt bewaard en bewaakt op de bodem van een smal diep meer, door een monster met 500 scherpe tandjes. Dus mocht je je gelukssleutel kwijt zijn, dan weet je nu waar die ligt. Handig!

 

Tirade – op de kapsones!*

 

Vrijheid – een toegift

Mijn eigen verwachtingsmanagement vervloekend loop ik het Louis Hartlooper Complex uit en wandel – sublimaal gedreven: in Borgman figureren perenijsjes en een raketje –  langs de beautykliniek waar Lieke onlangs over schreef naar de ijssalon op de Twijnstraat.

Achter de toonbank staat een werkstudente met lang donker haar een dik boek te lezen. Ik bestel een citroen/ananasijsje en vraag het meisje, nadat ik het koekhoorntje van haar heb aangenomen, waarin ze was verdiept. ‘Een roman,’ antwoordt ze. Met twee handen pakt ze het boek van de toonbank en houdt het op zodat ik zelf de titel en auteursnaam op het voorplat kan lezen. Vrijheid, Jonathan Franzen.

‘Wat vind je d’r van?’

‘Wel aardig, ik ben ’r net in begonnen.’

‘…’

‘Ik heb ’t van m’n moeder gekregen… omdat ’t hier soms urenlang stil is. Het leek haar wel grappig als ik onder werktijd Vrijheid zou lezen.’

‘Je moeder heeft gevoel voor humor?’

‘Ik vrees van wel.’

Wij lachen.

 

Volgende week: Let’s talk about text, baby.

‘Hé,  je had toch beloofd dat je vandaag iets zou schrijven over zelf appelsap maken?’

‘Appels plukken, in de sappan duwen en afwachten maar. Succes!’

Noot

*Verantwoording pay-off: in het slotdeel van Nanne Teppers De eeuwige jachtvelden (1995;p.259 – het gezin zit aan tafel) vertelt Victor Prins dat hij zijn vader om ‘zes ruggen’ heeft gevraagd om een piano te kunnen kopen. Hij, Victor, heeft tijdens een verblijf in Parijs een muziekstuk geschreven (Ugly Notes) en nu wil hij serieus gaan componeren. Echt?, vraagt zijn oudste zus, waarop Victor knikt. Vader Prins heft het glas en zegt: ‘Op de kapsones.’

Lange Weile, Leuke Boeken

Gisteren las ik een artikel over Heideggers opvatting van Langeweile – de staat van verveling waarin tijd zich eindeloos uit lijkt te strekken (de tijd duurt letterlijk ‘eine lange Weile’). Fenomenologie is bij uitstek de discipline die onze ervaringen onderzoekt (hoe is het, en hoe is het voor ons?) en iedereen weet dat tijd soms heel snel en soms heel langzaam lijkt te gaan. Het paradoxale aan Langeweile is dat het in eerste instantie een gevoel van betekenisloosheid met zich meebrengt – verveling bestaat immers vaak omdat er geen enkele activiteit is die er qua betekenis uit lijkt te springen, waardoor we uiteindelijk niets doen – maar volgens Heidegger kan je overgeven aan deze verveling uiteindelijk juist zeer betekenisvol zijn (een populaire gedachtengang ook in de hedendaagse filosofie, zie alle pleidooien voor onthaasting): in verveling ‘ben’ je er slechts en dat is waarom je je verveelt: je zijn wordt op geen enkele manier geprikkeld, je bent helemaal op jezelf aangewezen. Maar dit geeft tegelijkertijd een opening: omdat je dusdanig geindividueerd bent in verveling, ontstaat er mogelijkheid tot zelfonderzoek: het enige dat nog ‘is’, is dat jij ‘bent’ en zodoende kun je je Zijn geïsoleerd van al het andere ondervragen. Langeweile is dan niet langer een staat van zijn in een nu dat eindeloos lijkt voort te duren, maar heeft een veel ontologischer karakter. Ik weet nog niet zeker of ik het met Heidegger eens ben – Verveling lijkt mij alleen een positief karakter hebben als het je lukt om je een tijdje te vervelen en daarbij op te gaan in je omgeving; juist niet over jezelf na te denken.

Kort nadat ik het artikel had gelezen ging ik naar huis, waar ik de televisie aanzette. Op België één was die televisiequiz met die hele degelijke man die kandidaten Tetris laat spelen. Ik vind dat al jarenlang het toppunt van verveling. Alleen al het geluid van de omlaagvallende blokjes tegen een verder geruisloze achtergrond – mijn maag draait zich om. Maar het heeft ook iets rustgevends. Een paar uur later fietste ik langs de Heineken Experience.  En hoewel het altijd zeer spannend is om de toeristen die daar voor de deur op de stoep staan niet aan te rijden,  lijkt ook dat mij een Ervaring die tot veel Verveling leidt. Ik kan mij niet voorstellen dat het leuk is om urenlang door een gebouw te lopen van een middelmatige bierfabrikant terwijl je wordt blootgesteld aan een grote lange reclamecampagne en uiteindelijk een ‘gratis’ biertje in ontvangst mag nemen waar je zeer veel entree voor hebt betaald.

Maar dan nu iets leuks! Momenteel lees ik het boek De Waarheid en het Koninkrijk, het debuut van Marc Poorter dat in de loop van deze maand uit zal komen. Het gaat over een jongen die opgroeit als Jehovah’s getuige, en alle ellende die dat tot gevolg heeft. Het is GOED, en een goed boek verveelt nooit. Reserveer het bijvoorbeeld hier.

Lange dagen

IMG_3448Deze week begon ik aan het schrijven van een novelle. Hoe ik weet dat het niet meer dan 130 bladzijden zullen worden is me een raadsel, te meer omdat ik geen idee heb waar mijn verhaal heen gaat. Ik had alleen nog maar die eerste zin: 

Vanochtend rolde vanaf het water een perfecte mist het terrein op. Dicht als rook onttrok hij alles rond de caravan aan het zicht. 

Nu is het voortborduren, meters maken. Niet twijfelen aan wat ik opschrijf. Elke dag een bladzijde of twee, dan de computer uit en niet meer over het verhaal denken tot ik de volgende ochtend mijn laatste woorden herlees. 

Ik maak lange dagen, zo met de horeca erbij, en dat is misschien maar goed. Koken maakt het onmogelijk ergens anders over na te denken dan je pan, je lepel en het bord waarop alles bij elkaar moet komen. Op de dagen dat ik kook in De Klepel, werk ik in mijn eentje. Vier betegelde muren, een nauwelijks werkende afzuigkap en een net te klein fornuis zijn mijn gezelschap. Alles staat waar ik het wil, hoe ik het wil en wanneer ik het wil. Welkom in mijn hoofd. 

Ik denk dat de hoofdpersoon van mijn nieuwe verhaal een kok gaat blijken; dat hij – recent gescheiden van zijn vrouw – op een trailerpark woont en er daar het beste van maakt. Lloyd, de vijftiger die de trailer naast hem bewoont, kwam ook ooit tijdelijk naar het park. Het zou mijn hoofdpersoon moeten motiveren nieuwe sturing aan zijn leven te geven.

Als het goed is, leef je een tijdje in elk verhaal dat je schrijft. Nu zal ik driekwart jaar op trailerpark Zeezicht moeten wonen. Vandaag las ik in de Volkskrant dat acteur Ashton Kutcher voor zijn rol als Steve Jobs per dag vier uur lang gebogen rondliep tot zijn chiropractor het hem verbood; dat Kutchers alvleesklier door Jobs’ absurde fruit-en-notendiëet zwaar ontstoken is geraakt. 

Voor mijn eigen vorm van method acting hoef ik gelukkig minder ver te reiken.  

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Waaraan je denkt bij een wortelkanaalbehandeling

Zou zo’n tandarts professionele deodorant hebben? Is hij verder fris? Niet teveel gedronken? Wat voor leven leidt zo’n endodontoloog eigenlijk. Hoezo ‘Ga je nog trainen straks’. Rijk, dus net buiten de stad wonend.  En wat een wonderlijke vanzelfsprekende machtsverhouding. Ze heeft de hik, maar niemand zegt er iets van. Waarom altijd verlaagde plafonds? Bovendien structuurplafond, dit is een oud pand, waarom eigenlijk? Philips maakt nog steeds TL-lampen. TL stond voor wat ook alweer? Een soort heen en weer kaatsen van deeltjes die tegen elkaar bosten en dan komen er fotonen vrij. Alleen veel energiegebruik bij aanzetten. Blue Jasmine, wat een film, wat een geweldige rol zeg, daar krijgt ze een Oscar voor. Qyom, aanstellers, Guillaume, Willem. Wat doet zo’n vent als ie verkouden is, vier dagen niet werken? Waarom heeft er nooit een ergonoom op zo’n stoel gelegen en besloten dat een paar leuningen wel vriendelijk zou zijn? Als zelfs mijn kapper kan besluiten dat ie een leuke sticker op het plafond moet hangen boven waar hij haren wast, waarom komt dat bijna nooit voor bij een tandarts. J. zei gisteren: en dan die Sky-radio, ik ontken en wat krijg ik hier? Kundige vent denk ik. Doortastend. ‘Hier ligt tandarts J.B. van Dullen. Hij ligt hier zijn laatste gaatje te vullen’ John O’Mill, denk ik. Wat zou er van Jaap Fischer geworden zijn. ‘We zijn bevriende mogendheden. En jij straks bent overleden, hang ik de vlag uit zonder wrok, ik kijk niet op een halve stok’.  Ik zou spiegels doen denk ik, hoewel, dan zie je wel heel veel opeens, nee dat kan niet decolletés en zo, zijn hand op haar billen. Kan niet. Die lamp lijkt op zo’n figuurtje uit Monsters&Co. Woolf, Between the acts, echt veel minder dan Mrs. Dalloway, maar wat is dat met dat rijm! overal zit het. Goede zinnen wel. Toneel in romans, een bloemlezing. Wat heeft die vorige tandarts dan zitten prutsen. Mijn god wat duurt het lang. Thailand, Bangkok, de beste tandarts ooit. Kerkeri in Nieuw-Zeeland, dat was ook een goeie. . . En hoeveel patiënten heeft ie hierna nog. Mijn god wat een baan. Een beterbetaald soort stukadoor. Waaraan denk hij eigenlijk, peinzend wegkijkend? Veertig verbeteringen voor in een tandartspraktijk. 1. neusharen knippen. 2. tell, tell, tell, 3. op een dag is je laatste keer naar de tandarts. Laten mensen nog wel een alles in een keer trekken voor het gemak? Wortel drie. Goddank. Wat is de wortel uit drie ook weer? eenkommazevendrienogwat. De man vult me op. Is dit nou een vrouwelijk gevoel? Humpf. Dick Hillenius. Er moet een sleutel zijn om dat werk samen te vatten. Tot nut van het volk, was dat een school? The Coasters. Tien kilometer in vijftig minuten. Bare footed. Bervoets. Per pedes apostolorum. Morituri te salutant. Het hemelse gerecht heeft zich ten lange leste, erbarremd over mij en mijn benauwde veste.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Jan Lodewijckx"
    Jan Lodewijckx

    Jan Lodewijckx (1990) had het wel even gehad op kantoor. Hij kocht een zware fiets en een kleine tent en zegde zijn werk op en zijn appartement.

  • "Foto van Lodewijk Verduin"
    Lodewijk Verduin

    Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

  • "Foto van Plonia Westendorp"
    Plonia Westendorp

    Plonia Westendorp (1998) is verpleegkundige en student Nederlandse Taal en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam.