Ik koester de term ‘idealistisch’. Heeft Guy Verhofstadt in Zomergasten echt gedemonstreerd niet terug te deinzen voor ongemakkelijke inzichten? De multiculturele samenleving is een feit ja, maar kunnen bestaande sentimenten daarover met nationalisme = populisme worden opgelost, opdat onwilligen voor zijn project kortzichtig kunnen heten? Creëert Verhofstadt geen wij-zijverschil dat zijn kosmopolitisme had overwonnen? Het is flauw om te pareren dat Henk en Ingrid zich geen tweede huis kunnen (en mogelijk willen) veroorloven in Toscane. Wel benut Verhofstadts wijngaard-in-opbouw daar kennis die, met een specifieke lichtval en vochtigheidsgraad, is getest op exact die bodem. Hopelijk krijgt zijn product van de EU een ‘beschermde oorsprongsbenaming’ .
En toch
Je kunt veel van onze Nietzsche zeggen, maar nooit zou hij een gegeven paard in de bek kijken.
Welterusten
William van Nassau, telg
van een Duitse en oude lijn,
Ik draag onsterfelijke
geloof in dit land van mij.
Een prins ben ik onverschrokken,
Van Oranje, altijd gratis,
aan de koning van Spanje heb ik verleend
Een levenslange loyaliteit.
Ik heb ooit geprobeerd om te leven in
de vreze Gods gebod
En daarom heb ik gereden,
Van mensen, thuis, en het land,
Maar God, ik vertrouw, zal rate me
Zijn gewillige instrument
En op een dag me te herstellen
In mijn regering.
(Eerste twee coupletten van het Wilhelmus. De Engelse vertaling is door Google terugvertaald naar het Nederlands)
Ik denk vaak aan Joost van der Westhuizen (1971). Deze Zuid-Afrikaanse Wesley Sneijder, of Marco van Basten, of Ruud Gullit, was een groot rugbyspeler en nu is hij gevloerd door een ernstige motorneuronaandoening. Binnen een paar jaar schakelen zijn hersenen een voor een al zijn spieren uit, tot het licht in zijn lichaam zelf wordt uitgezet. Verwachting is dat hij nog zo’n vijf jaar heeft.
Weten dat je doodgaat – volkomen logisch, maar pas als er een datum aan vastgeplakt is wordt het menens. En beangstigend. Ben ik bang voor de dood, of bang voor het lijden, dat soort vragen komen op, je kunt ze niet meer achteloos ontwijken want het lijf liegt niet; je tong begint te slepen, alsof je altijd net een glas te veel gedronken hebt. Je armen doen niet precies meer wat ze willen, je hebt niet genoeg kracht meer om je dochter op te tillen.
Het doet me denken aan een film waarin ook iemand opgesloten raakt in zijn eigen lichaam, nogal plotseling. De verschrikking van die eenzame opsluiting, die gruwelijke eenzaamheid. Er is geen loutering in zo’n plek, uit een zwart gat valt geen licht te destilleren.
Soms, als ik denk aan de toekomst, over tien, vijftien jaar, overvalt me een angst die met een soortgelijk gevangenschap verband houdt: dat ik het Nederlands verleerd ben en me met geen mogelijkheid verstaanbaar weet te maken. Vergeten en verstoft dwaal ik ergens langs een eindeloos lang strand, de geest is uit de fles en niets kwam in de plaats.
Andere dagen is het heerlijk om je zo nietig te voelen, je overweldigd te weten door alles wat je niet bevatten kunt. Vandaag zaten we in onze t-shirts onder de bomen en boven onze hoofden zag je de oeroude rotsen van Tafelberg, op weg terug naar huis beukte de zee tegen de kade, en knalde het zonlicht fel over het schiereiland. Wat een winter. In Helplessness Blues van The Fleetfoxes zingt Robin Pecknold: “If I know only one thing is that everything I see of the world outside is so inconceivable that often, I barely can speak.” Dat kun je wel zeggen.
Ja, het is hier al met al niet slecht. Er zijn ongeleide projectielen die in de politiek zitten, er zijn racistische speldenprikken, maar dit land is groot en absorbeert als de beste.
En Zuid-Afrika staat met beide benen op de grond, met al z’n zorgen en zegeningen. Wel economische ongelijkheid, maar geen woorden als ‘kopvoddentaks’, en geen doorgeslagen redelijkheid. Ik kan het mijn vrienden hier niet uitleggen; Nederland, een land waar de rechten van het dier tot in de politiek toe worden verdedigd, maar waar een partij als Martijn ‘gewoon moet kunnen’, een partij die toch streeft naar een wettelijke en maatschappelijke acceptatie van seksuele relaties tussen volwassenen en kinderen. Aanspreekpunt. Signaalfunctie. Tja. En dan dat superioriteitsgevoel dat in de discussies komt boven drijven.
Het heeft geen zin er van zo’n afstand nog op in te gaan, het internet stroomt over van de commentaren, over Noorwegen, over moslims, over noem maar op, de een nog intelligenter dan de ander. En niemand die luistert.
Het was interessant om twee maanden een blog bij te houden; internet is een heerlijke vrijplaats en een stinkende vuilnisstortplaats tegelijk. Ik had natuurlijk meer moeten posten, maar ik kwam er al snel achter dat zo’n blog veel tijd opslurpt.
Ik had nog kunnen schrijven over de harde wind die hier dikwijls aan de ramen rammelt tijdens de wintermaanden, of over de naargeestige videoclips die ik soms obsessief blijf spelen, mijn herinneringen aan Istanboel en Parijs, de laatste steden die ik bezocht voor mijn terugkeer naar Kaapstad, over de prachtig geschreven filmrecensies in Die Burger van Laetitia Pople (‘Spannende oe-ah!-aksie, mitiese wêrelde wat skouspelagtig ontvou en natuurlik koeng foe sorg vir nog ’n gewaarborgde loketreus’ – over Kung Fu Panda II), of over MacGregor, de schoonmaker van het complex waar we wonen. MacGregor is als zoveel mensen in dit land; iemand met veel verhalen. Komt elke ochtend met de trein vanuit Bonteheuwel naar Sea Point. Als ik vroeg ben, zie ik hem al op het station, rond half zeven. Anders tref ik hem in het gebouw. Bonteheuwel is een township waar vooral ‘colourds’ wonen. Ik weet nooit hoe ik ze hier moet noemen (en mezelf, gezien m’n huidskleur): bruinmense, kleurlingen, bruine mensen, gekleurde mensen – wat een gedoe.
Breed heeft MacGregor het niet, en dan elke dag werken in een welgestelde buurt. Je hoeft niet heel erg hard je best te doen om binnen de kortste keren schuldgevoelens op te bouwen. Terwijl je weet dat zo’n schuldgevoel eigenlijk een belediging zou zijn aan het adres van iemand als MacGregor; je zou alleen maar een slachtoffer van hem maken. En het laatste wat hij zou zijn, is een slachtoffer. Schijnt vier keer getrouwd te zijn, heeft rond de twintig kleinkinderen. Elke ochtend zegt hij: ‘Have a blessed day!’ Maya is gek op hem, en als ze hem een ochtend niet ziet, vraagt ze: ‘Waas Humgregor nou?’
Daarover had ik het ook nog eens kunnen hebben, de elementaire wereld van een kind. Over m’n dochter die niets moet hebben van de wind, en steeds roept ‘Nee wind, nie doen’. Of als de zon in haar ogen schijnt (en schijnen doet ie): ‘Nee son, nie doen!’ De wereld zonder gradaties, wat een belevenis en wat een chaos moet dat zijn. Dat je naar een vogel loopt en met de beste intenties roept ‘Hello vogel!’ En dan vliegt ie weg! Of dat je een vlieg met je ogen probeert te volgen en zegt ‘Wag, vlieg!’
Maar dat hoeft allemaal niet meer, het is wel mooi geweest. De paar lezers die hier af en toe eens kwamen buurten dank ik hartelijk voor de aandacht, en ek stuur vir u baie groete uit hierdie wonderlike, onthutsende, skitterende plekkie aan die suidpunt van Afrika.
Groetnis, en mooi bly,
Alfred
Uit verwondering werden wij geboren,
aan andere verwondering gaan wij dood.
Leven is verwondering verliezen.
Tenzij geboren worden en doodgaan
zou zijn doodgaan en geboren worden.
Leven zou dan een andere verwondering zijn:
de derde.
De meest ondraaglijke.
(Roberto Juarroz, Elfde verticale poëzie, vertaald door Guy Posson, 2001)
‘Hij is waarschijnlijk krankzinnig’
‘Een schietclub in Oslo heeft vandaag bekend gemaakt dat Breivik sinds juni 2010 actief lid was. Eerder was hij lid geweest van 2005 tot 2007. […] Volgens de club gaf het gedrag van Breivik echter geen directe aanleiding tot zorgen.’
(Uit: de Volkskrant, 27-7-2011)
‘De dader van de schietpartij in Alphen aan den Rijn is de 24-jarige Tristan van der V. Hij was lid van een schietvereniging. Hij had een vergunning voor vijf wapens, en drie wapens in bezit. Het is niet duidelijk of hij daarmee geschoten heeft.’
(Uit: de Volkskrant, 9-4-2011)
Staat verzekerend
‘Ik was aan het winkelen en ineens zag ik een rugzak staan. Helemaal alleen in een drukke winkelstraat. Net toen ik de politie had gebeld, kwam er een jongetje aanrennen.’
Mevrouw Berends in de brochure Wat wordt er gedaan tegen terrorisme? En wat kunt u doen?
I
De kans dat er een terrorist* in uw wijk woont, is erg klein.
Mensen worden niet van de ene op de andere dag terrorist.
Heeft uw kind veel aandacht voor radicale ideeën?
Praat daar dan over met hem of met haar.
Mensen die zich verdacht* gedragen, worden scherp in de gaten gehouden.
Ook mensen die geen toekomst* voor zichzelf zien
kunnen een risico vormen. Meer dan we kunnen vertellen.
Daarom is er speciale aandacht voor plekken* waar radicalisering ontstaat.
We luisteren af. We infiltreren. We verzamelen en bestuderen
informatie over verdachte personen en groepen.
Wat de overheid wel en niet mag, is in wetten* vastgelegd.
Om terrorisme beter te kunnen bestrijden, worden wetten aangepast.
In een paar minuten zijn we aan de andere kant van het land.
We gaan er onmiddellijk op af.
U kunt niet altijd aan iemands uiterlijk* zien of hij of zij een terrorist is.

II
We weten veel* en we doen veel.
In situaties van verhoogd risico zal er meer controle zijn.
We zoeken naar bewijsmateriaal* dat in de rechtszaal kan worden gebruikt.
Een officier van justitie kan niet altijd precies inschatten
of het bewijsmateriaal voldoende is voor een veroordeling.
Iedereen heeft het recht om zijn of haar mening te geven.
U begrijpt dat het niet goed is om te veel te vertellen.
Het niveau kan veranderen* in de tijd. Mijn collega’s* en ik
draaien ploegendienst. We houden de boel dag en nacht in de gaten.
Meer dan 200.000 professionals werken samen.
Dat kan op scholen zijn, maar ook in gevangenissen of op internet.
We komen ook in contact met mensen die dreigen te ontsporen
of verkeerde ideeën* ontwikkelen.
Meer dan we kunnen vertellen.
We hebben gelukkig nog nooit meegemaakt dat er echt iets aan de hand was.
III
Iedereen* moet zich aan de wet houden.
Let u vooral extra op in situaties waar veel mensen bij elkaar zijn.
Ga zo snel mogelijk naar een open plek. Kijk bij een aanslag regelmatig
naar de televisie of luister naar de radio voor informatie.
Als het donker is, gebruik dan geen lucifers of een aansteker.
Het kan zijn dat u toevallig* mensen met elkaar hoort praten
en dat hun woorden u verdacht voorkomen.
Een bestelbusje* dat al twee weken bij u in de straat staat,
hoeft niets te betekenen. Maar het kan wel. Meer dan we kunnen vertellen.
Let u in elk* gebouw altijd op waar de nooduitgangen of vluchtgangen zijn.
Bescherm uzelf tegen rondvliegend of vallend materiaal.
Bent u zelf niet ernstig gewond, help dan zo veel mogelijk anderen.
Ga niet kijken op de plek van de aanslag. Ga niet in groepen* staan.
Er kan nog een bom ontploffen.
We moeten voorkomen dat netwerken overbelast raken.

IV
Moeten we ons zorgen maken?
Waarschijnlijk was iemand vergeetachtig en is er niets aan de hand.
In geval van dreiging krijgen mijn collega’s en ik een sms’je.
Zodat we precies* weten wat we moeten doen. Meer dan we kunnen vertellen.
De inhoud van containers kan bekeken worden door een scan.
We zien dan, net als bij een röntgenfoto, precies wat erin zit.
Elk onbekend* vliegtuig boven ons land wordt meteen opgemerkt.
We werken aan een apparaat waarmee je door kleding kunt kijken.
Je ziet ook echt de vorm* van een pistool of een mes,
anders dan bij een metaaldetector. Er is geen reden voor paniek.
Belangrijk is dat we elkaar blijven respecteren* en vertrouwen.
Dat we in gesprek* blijven met de buurtbewoners.
Als het moet, zetten we de trein stil. We kunnen niet voorzichtig genoeg zijn.
Het is belangrijk dat ons leven niet wordt overheerst door angst.
Meer informatie is ook beschikbaar in een groter lettertype.
Voor ‘Staat verzekerend’ is gebruik gemaakt van de brochure ‘Wat wordt er gedaan tegen terrorisme? En wat kunt u doen?’
(Alfred Schaffer, Schuim, 2006)
Worden we persoonlijk?
Ik zocht een krant. Ik wilde iets lezen over de gebeurtenissen in Noorwegen, of over Amy Winehouse. Misschien was er nieuws over het afluisterschandaal in Engeland. Of over Strauss-Kahn. Aan de kranten merk je hoe veelkantig het wereldbeeld is. Hier is Somalië belangrijker, en alle binnenlandse zaken moeten ook verteld. Ik kon me voorstellen dat de recente berichten uit Europa het hier met één pagina moesten doen.
Maar ik zag geen recente krant, ik vond alleen een oude zondagskrant, de Zuid-Afrikaanse Sunday Times. Ik sloeg hem open en zag op pagina drie een grote foto van Brad Pitt en Angelina Jolie. Zondagskranten: overal ter wereld hetzelfde.
Toen kwam de serveerster de bestelling opnemen. Na even aarzelen, vroeg ze wat dat hangertje om m’n nek betekent.
Heel wat jaren terug sliep ik op een avond in en belandde in een krakkemikkig en verweerd houten bootje op een vlakke, azuurblauwe zee. Het water klotste tegen de boot, héél ver weg was iets van een eiland in zicht. De zeespiegel schitterde door het overvloedige zonlicht, het was tropisch warm en de wereld was scherp als een screensaverfoto.
Ik was alleen, maar niet verlaten.
Ik helde voorover en stak mijn hoofd in het verkoelende, heldere water. Gek genoeg kapseisde ik niet. Ik zag tientallen dolfijnen van alle kanten om me heen drommen. Een adembenemende aanblik. Ik kwam weer omhoog, en één dolfijn stak zijn kop boven water uit en piepte naar me. Toen omhelsde ik hem, innig omhelsde ik dat grijze glimmende wonder en de dolfijn liet het toe.
Het is een van de zeldzame keren geweest dat ik in tranen wakker werd. There was nothing to fear, nothing to doubt. Maar dan de fluwelen zijde van die nachtmerrie. Er zijn miljoenen dingen die je vergeet, miljarden grote en kleine emoties. Maar zo’n volkomen ontastbare ervaring als een droom draag je je hele leven mee.
Ik voelde me gesterkt in de weken nadien. In die tijd woonde ik net als nu in het buitenland, en ergens op een markt zag ik een dolfijnhangertje liggen. Nu kan ik niet meer zonder dolfijntje. Zeker niet in dit land. Anders is het net alsof ik zonder autogordels rijd.
Ik wilde de serveerster de herkomst van mijn talisman best vertellen, maar dacht: de waarheid is veel te sentimenteel. Dus zei ik: ‘Oh, dat, heb ik een keer van iemand gekregen.’ Wat van mij is, is van mij.
Ik sloeg de krant weer open en las dat Brad Pitt en Angelina Jolie een huis in Frankrijk hebben met vijfendertig kamers. Daar hebben ze vijfendertig miljoen dollar voor betaald, misschien wel contant. Er zijn genoeg mensen die er meer hebben, maar vijfendertig kamers, dat is op de één of andere manier een nog net te behappen aantal, en juist daarom niet voor te stellen.
Vijfendertig kamers, een heerlijke luxe, een kleine vorm van waanzin.
Ik moet er ook niet aan denken. Heb je haast en zoek je je portemonnee, nou, vind die maar eens zo snel. Ik vraag me af of een krottenwijkbewoner uit Khayelitsha of Guguletu een huis met vijfendertig kamers zou willen bewonen, als je hem er een zou aanbieden. Ja, een groter huis, natuurlijk, een huis überhaupt, niet zo’n kartonnen geval met een zinken dak erop. Maar één met vijfendertig kamers… Nou ja, misschien ook wel. Kun je aan je hele familie en vriendenkring onderdak bieden.
In mijn huis met vijfendertig kamers ren ik van de ene naar de andere kamer, in elke kamer doe ik even een hysterische jel, spring druk op en neer en daarna ren ik naar mijn volgende kamer, en zo hop ik van kamer naar kamer, ik weet niet waar ik het zoeken moet. Tot ik van geluk uiteenklap.
Watergraf
As dan soos ’n slaap water om my spoel,
helder windsels water my ledemate klee
en slakke in en om my ore pak, as dan
bondels lig die nis festoeneer en ryklik
straal deur die skemer van ’n halflewe,
sal my oë oopgaan, sal my voete wandel
oor die sand van die dood, sal ek weggaan
van die donker skeur en aankom by ’n kus,
’n takkie sitergroen seegras in my hand,
ag, ewe sorgeloos in my geskubde hand.
Kransduiwe sal skreeuend vlug as ek tree
op die strand met die puimsteen van my sole.
Verbysterde meeue sal hoog wielewaal,
en sak en pik na die skulpe van my oë.
(Wilma Stockenström, Die stomme aarde. ’n Keur, 2007)
Mijn kamer van afzondering
Vandaag had ik ineens trek in dat typisch Hollandse-Chinese voedsel, dat in Amsterdam precies hetzelfde smaakt als in Eindhoven of in Franeker. Met kloepoek en sambal bij. Pure nostalgie. Die grote plakken ham erin, een gebakken rubberei, die plastic bakken in dat grijs-witte papier verpakt.
Chinees, en live-concerten in Paradiso en De Melkweg. Af en toe kijk ik op de sites. The War on Drugs, Beirut, ik had ze graag willen zien. Hier komen nu en dan wat uitgemolken mega-acts voorbij, wat R&B (maar dan weer geen Prince). Kylie Minogue en Neil Diamond waren hier onlangs voor een paar concerten. En eind dit jaar treedt Coldplay op – slaan we maar over. Kings of Leon ook. De Radioheads, Bon Ivers, DM Stiths en Antony and the Johnsons van deze wereld moet je maar downloaden. Het is een kleine prijs voor het leven hier.
Wel binnenkort in dit theater: enkele ‘Hollandse Legendes’, onder de titel ‘Goue Stemme in Konsert’, begin september: “Onthou weer die dae toe jy verlief geraak het op die mooiste melodieë van Pussycat. Herleef die gesinsvakansies by Hartenbos met liedjies van BZN op die langpad. Koester die sorgvrye herinneringe van langarmdans op George Baker se treffers [hits]. Dit sal niks minder as ’n nostalgiese reis wees nie en die wêreldklasorkes van Nederland sal beslis bydra tot die betowering van ’n aand saam met lewende legendes! ’n Spesiale versamelalbum van EMI met die goue treffers sal in Augustus op die winkelrakke beskikbaar wees.’ Tijd voor de Jeugd van Tegenwoordig om eens langs te komen.
Het schrikbarende vermaak dat die avond van Hollandse meesters belooft, vormt een stevig contrast met een van de grootste romans uit de Afrikaanse canon, Sewe dae by die Silbersteins (1962) van de excentrieke en charismatische Etienne Leroux (1922-1989). Ik lees het boek nu voor de vierde keer. Er is ooit een vertaling verschenen in Nederland, maar het zou eens opnieuw moeten worden opgepakt. Je kunt de roman een kruising noemen tussen het proza en de poëtica van Michel Houellebecq, W.F. Hermans en Jorge Luis Borges.
Sewe dae by die Silbersteins is het verhaal van een wat naïeve jongeman, Henry de Goede, die in zeven dagen wordt ingewijd op de boerderij van zijn aanstaande schoonfamilie, de familie Silberstein, die in het bezit is van een enorm landgoed, genaamd ‘Welgevonden’. Henry’s verloofde Salome blijft echter de onzichtbare factor; ze is voortdurend aanwezig, en tegelijkertijd onzichtbaar. Een boerenroman op LSD, decadent als de films van Visconti. Uiterst erudiet, ironisch, grotesk, geëngageerd, Jungiaans, krankzinnig, hallucinant. Geen ‘sorgvrye herinnering’ of ‘nostalgiese reis’. Sewe dae by die Silbersteins verbeeldt het belang van initiatie, en de waanzin van regels en rituelen die van een groep mensen een samenleving maakt. Een samenleving die ook plek moet bieden aan de zwarte ijsbeer in ons allen.
De roman barst van de klassieke scènes, maar onderstaande is een van mijn favoriete. Jock Silberstein leidt zijn aanstaande schoonzoon naar een soort machinekamer. De scène groeit uit tot een metafoor voor de zondige, doodeenzame mens, voor de schittering van het sublieme en de zuivering van de geest. Een primordiaal toneel met een innerlijke wedergeboorte als uitkomst.
Even terzijde: volgens mij is dat Afrikaans zo moeilijk niet. De sleutel is vaak: hardop lezen. Klankmatig kom je er dan wel uit, met een paar kleine regieaanwijzingen. Zo klinkt de ‘y’ als de Nederlandse ‘ij’, en staat er ‘een’, dan spreek je dat uit als ‘één’ (het Nederlandse lidwoord ‘een’ wordt in het Afrikaans als ‘’n’ geschreven); ‘hê’ klinkt als het Nederlandse ‘hè’, en ‘oë’ (‘ogen’) spreek je uit als ‘oowuh’. ‘Dis’ is een samentrekking van ‘dit is’, ‘teen’ spreek je uit als ‘tiejun’ en betekent ‘tegen’. ‘Du op’ is zoiets ‘komt naar boven’. ‘Soos’ is ‘zoals’.
Het was even tikken, maar nog een dag of zeven en mijn blogtijd zit er op. En dit wilde ik nog wel even kwijt.
Jock loop voor tot in ’n kamertjie wat van kant tot kant met koperpype bevleg is. Hy trek ’n deurtjie agter hom toe en ’n kliniese stilte heers in die vertrekkie. Hy kyk na Henry, beduie vir hom iets met sy vinger, en draai meteens ’n kraan oop. ’n Helse stoomgesuis vul die vertrek sodat alle ander geluide uitgewis word. Eenkant in die hoek staan ’n ysterhamer. Jock tel dit op en slaan met kragtige hale teen ’n stuk staal sodat die hamer met blitsvinnige protes terugspring terwyl die spiere in sy arms swel om die yster te tem. Maar daar is geen geluid behalwe die gesuis nie. In uitbundige vervoering spring Jock op en af, smyt die hamer weg, skop teen die mure, slaan met sy vuiste teen die pype – en daar is steeds geen geluid nie behalwe die oorheersende stoom wat op eie manier, namate hulle daaraan gewoond raak, ’n stilte van sy eie skep.
Nou draai Jock die stoomkraan toe en opeens kom sy stem duidelik en helder tot Henry.
“Dit is my kamer van afsondering,” sê hy. “In hierdie gedruis is die volkome stilte.” Hy vat dringend aan Henry se arm en trek hom nader, sy een hand op die kraan, sy stem in vervoering onder die aanslag van sy besondere verdowingsmiddel. “Gee jy om om mee te doen? Sodra ek die kraan aandraai, wil ek hê dat jy so hard skree as wat jy kan. Vloek, laster en huil soos jy wil – protesteer hardop soos jy alleen ander tye in jou gedagtes kan protesteer, beskerm soos Job jou onverdiende menslike lot, want hier praat jy direk tot jou Skepper; niemand anders kan jou hoor nie.” Sy oë is spierwit met die blink lig van fanatisme. “Hier is jy alleen soos jy nog nooit alleen was nie, maar dis nie die impotente stem van jou gedagtes nie, dis die volle, liggaamlike stem wat skreeu teenoor die Heelal; dis jy self in volle beheer van jou sintuie; dis jy, Job, wat van vooraf die vraag teen die Almag uitbulder. Dis jou reg, as mens, om met alles in jou vermoë jou protes aan te teken in die tussenwêreld van stilte wat nie stilte is nie.”
Hy draai die kraan meteens oop, die stoomgesuis oorweldig alles, verdoof alle ander geluide en gaan oor tot die nuwe stilte wat uit die eenklank gebore word. Dis net Jock se mond wat oop en toe gaan. Henry kan die are in sy nek sien swel – sy magtige bors wat dein met die krag van sy onhoorbare krete. Sy oë is na die dak gehef, sy arms gekrom in die lug, sy hele liggaam sidderend in die geluidlose ontboeseming. Vir die eerste ruk is Henry verslae voor hierdie sonderlinge bieg, dan begin iets in homself ontwaak, in hierdie oorverdowende stilte – ’n gevoel van ganse alleenheid, asof hy in ʼn verlate landskap staan, in die eensaamheid van die wildernis, en in die afsondering van diep binne hom die oerkreet opwel, die verlange, die ontketende protes teen die magteloosheid, die weeklag van sy verlatenheid, die vrye, gans ander formulering van sy diepste begeertes, die ontlediging van sy hart self. Hy voel ʼn klammigheid op sy wange en besef dat dit trane is. Hy vee hulle met sy hand af en ontdek in die proses dat sy mond wawyd oop is. Daar is iets wat in sy keel prikkel, iets in sy bors, iets in sy longe, en hy besef dat hy homself ook oorgegee het. Nou eers begin hy dink en die aard van sy versugtings en protes formuleer, maar spoedig besef hy dat die gewone formulering nie nodig is nie. Sekere woorde, sekere begrippe, sekere geluide, waarvan hy self nie seker is nie, skreeu hy ten hemele; slegs die kern van gevoel du op, die halfgebore gedagtes kom en gaan en niemand weet wat te voorskyn kom nie. Dis meer as die stilswyende wens, verlange of weeklag, want dit is geartikuleer sonder die beperktheid van gewone artikulasie. Dis ʼn volkome vrye uiting sonder die bande van selfoordeel, want hy weet nie wat hy sê nie. Dis die grootste, die alleromvattendste kommunikasie met die Almagtige wat hy nog ooit ervaar het.
Uitgeput, intens gereinig, snak hy na asem en sien hoe Jock meteens sy vinger na sy lippe bring. Dan word die kraan toegedraai en neem die ander stilte oor wat slegs deur hulle asemhalings onderbreek word. Hulle kyk na mekaar maar met die gevoel van mense wat ʼn ervaring gedeel het, en tog geïsoleer was van mekaar; met die kameraderie wat spruit uit die volkome deelname, en tog met ʼn kern van geheimhouding wat onaantasbaar is. Dis die volmaakte broederskap, en hulle verlaat die heiligdom in volkome swye.
Meer blogs

Lezers
‘Ja,’ zei W in het kleine café waar we zaten om een boekje te bespreken dat ik voor haar uitgeverij gemaakt heb. ‘We gaan natuurlijk ten onder met dat hele boekenvak, maar laten we dat dan wél feestelijk doen.’ We nipten van een glaasje crémant terwijl ik bedacht wat een geluk het was om op...
Lees verder
Blauwbehoefte
Larousse 25 Een ergerniswekkende beperking in mijn voorstellingsvermogen: hoewel ik sinds ik ooit voor het eerst met een vliegtuig boven het wolkendek raakte, weet dat daar blauwe lucht is, kan ik voor mijn welbevinden geen gebruik maken van die kennis. Met andere woorden: onder sombere wolkenluchten somber ik. Terwijl ik weet dat het maar een...
Lees verder
Humor
Toen onze zoon geboren werd, toen ze hem in mijn armen legden, gebeurde er iets onverwachts. Zijn verbijsterde gezichtje kwam mij als dat van een totale vreemde voor. Ondanks de waarschuwing van een vriend die eerder dan ik vader was geworden, was ik van een onmiddellijke lichamelijke herkenning uitgegaan, maar hier was een hele nieuwe...
Lees verder




























