Waka bun

Wie vijftig wordt, merkt dat het aantal begrafenissen in zijn leven het aantal geboorten en huwelijken begint te overstijgen. Bijna elke maand ga ik naar de uitvaart van de ouder van een vriend.

Omdat ik het merendeel van mijn vrienden als volwassene maakte, betekent zo’n begrafenis meestal een erg late kennismaking met die ouder. Tijdens de ceremonie krijg ik veel persoonlijke informatie over hem of haar, en maak ik het laatste emotionele en intieme moment dat over die ouder gaat van dichtbij mee.

Als mijn vriend daarna over zijn vader of moeder wil praten, heeft hij veel meer aan mij.

Maandagochtend was ik bij de uitvaart van de moeder van mijn vriendin Q. Het zaaltje van de Nieuwe Ooster zat vol. Q en haar broers zeiden een paar woorden en de predikant van het kerkgenootschap waartoe moeder behoorde ging voor in twee liederen, die door bijna alle aanwezigen luid werden meegezongen.

De oude dame naast me hield een papiertje met tekst voor me op, maar ik had geen leesbril bij me en neuriede dus maar de baslijn mee.

Omdat Q een Surinaamse achtergrond heeft, was er na het afscheid bij de kist een bazuinkoor om moeder te begeleiden: vier blazers die de rouwstoet voorgingen over een grindpad naar het graf. Ik liep achter de directe familie en luisterde naar de muzikanten, die met melancholieke nummers begonnen en geleidelijk hun tempo verhoogden.

Ik dacht aan de plechtigheid voor mijn vader afgelopen februari, aan het kleine gezelschap in mijn ouderlijk huis. Hoewel die middag helemaal volgens zijn wens was, had ik het graag anders gezien. Ik had er veel vrienden bij willen hebben, zodat ik mijn vader nog een beetje met hen had kunnen delen.

Misschien dat ik daarom de behoefte voelde om mijn toespraak voor Jos hier op Tirade te zetten.

Het bazuinkoor ging voor en wij volgden en mijn aandacht werd getrokken door een smaller zijpad dat naar rechts afboog. Het grind was leeg, maar ik kon er niet van wegkijken, alsof iemand zich daar elk moment kon aandienen – of er net voor mijn bewuste waarneming gestaan had. Als de echo van een man.

Mijn vader stond met zijn handen in de zakken van zijn blauwe zomerjack en keek naar me op. Ik bevond me in de tel voordat hij mijn naam ging zeggen, zag blijdschap opstarten in zijn ogen.

Jos was goed in het begroeten van mensen. Hij kon je het gevoel geven dat jouw aanwezigheid zijn dag maakte, alsof je een te groot maar ongelooflijk attent cadeau was. Ik kan alleen maar hopen dat ik deze eigenschap van hem geërfd heb, dat mijn vrienden zich zo nu en dan op die manier gezien voelen.

De band speelde sneller en vrolijker en de tranen liepen over mijn wangen. Q, die naast haar schoonzus liep, keek om en wenkte me. Ik sloot aan en legde mijn arm over haar schouder.

‘Hoe gaat het?’ zei ze.

‘Ik heb wel betere momenten gehad.’

‘Weet je wat ik zo bijzonder vind?’ zei Q, ‘Ik sprak mijn moeder weinig. Als we elkaar zagen dan kregen we altijd ruzie, maar sinds ze overleden is kan ik aan haar denken zonder dat al die moeilijkheid me in de weg zit.’

‘Dat is een gelukje,’ zei ik.

Ze trok me dichter tegen zich aan. ‘Ja.’

‘Als ik aan mijn vader denk dan schieten er steeds nare herinneringen voor: de ellende van zijn laatste dagen, alles wat hij niet gezegd kreeg.’

Onze stoet kwam bij de kuil, de mensen verspreidden zich tussen de graven en wachtten tot ze een handje aarde op de kist konden laten vallen. Ik was als laatste aan de beurt en liep daarna in mijn eentje naar de receptie. Toen ik dat zijpad weer passeerde dacht ik aan hoe Jos er in mijn gedachten had gestaan.

Hij was jonger geweest, op dat moment: de leeftijd die hij had toen ik nog bij hem op schoot kon klimmen.

Misschien, dacht ik, keert elke dode terug naar de leeftijd waarin hij het meest vervuld was. Misschien moest ik om echt te kunnen rouwen terug naar de tijd waarin hij het meest een vader voor me kon zijn.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Had je effe moeten roepen, meneer

De bus die stopte leek al verdacht veel op zo’n bus waarmee we altijd op schoolreisje gingen. Op het papieren briefje dat op de voorruit was geplakt was echter duidelijk het nummer te lezen van de bus die ik moest hebben, dus ik stak voorzichtig mijn hand op, half en aarzelend, zodat ik nog zou kunnen doen alsof ik mijn haar even goed wilde doen, mocht de chauffeur me voorbij rijden.

Na wat angstige seconden stopte het gevaarte. De enige deur van de bus zwaaide open en een uitgebluste vijftiger met een slordig geknoopte stropdas keek me aan.

‘Is dit de 102?’ vroeg ik, terwijl ik bij de deur bleef staan. De buschauffeur knikte alsof het hem speet en trommelde met zijn knoestige vingers op het stuur. Ik beklom de steile treden van het opstapje en zocht met mijn ogen naar een apparaat waar ik mijn kaart voor zou kunnen houden.

De buschauffeur wees naar een klein apparaatje, het deed me denken aan een pinautomaat, dat op een klein, gammel statiefje op het dashboard was geplaatst. Het leek nog het meest op een mislukt installatiekunstwerk van een gesjeesde kunststudent.

‘Paar seconden tegen de achterkant aanhouden,’ zei hij kort en ik volgde zijn bevel op. Het apparaatje piepte even, en dat was kennelijk een goed teken, want de buschauffeur stak stilzwijgend zijn duim omhoog, als een keizer die mijn leven spaarde.

Het was druk in de bus. Niemand keek op toen ik door het gangpad liep, terwijl ik me vasthield aan de leuningen omdat de buschauffeur vol de vaart erin had gezet. Ik vond een plekje achterin.

Na drie haltes was er nog niemand uitgestapt. Er stapte ook niemand in. Mijn halte kwam ondertussen dichterbij.

Ik drukte op het stopknopje dat in het venster van het raampje was gebouwd, maar er gebeurde niets. Er ging geen lampje branden, er was geen piepje, niets. Ik voelde hoe de paniek als een ballonnetje opzwol in mijn maag.

De halte waar ik uit moest stappen doemde al in de verte op. Ik vervloekte het streekvervoer, deze dag, het feit dat ik een man was die niet even durfde te roepen of de bus bij de volgende halte wilde stoppen. In een wanhoopspoging stommelde ik maar naar voren, de bus door, maar toen ik halverwege was klonk de stem van de buschauffeur.

‘Niet lopen door de bus!’ gromde het ronde gezicht dat ik in het achteruitkijkspiegeltje zag, terwijl hij me nors aankeek. Als een afgerichte hond plofte ik neer op de dichtstbijzijnde stoel.

Na tien minuten stopte de bus, uit zichzelf. Iedereen stapte uit, met een pas die uitstraalde dat ze daadwerkelijk ook echt op station Hoevelaken moesten zijn. Ik stapte ook uit. Toen ik mijn kaart tegen het mislukte installatiekunstwerk hield, sprak ik de zin uit waar ik vier haltes op had geoefend.

‘Volgens mij is er wat mis met de stopknopjes,’ mompelde ik tegen de buschauffeur, terwijl ik zo hard mogelijk aan verdwijnen dacht. De buschauffeur draaide zich naar me toe, knoopte zijn stropdas los, duwde met zijn wijsvinger zijn bril wat hoger op zijn neus.

‘Die zijn kapot. Had je eruit gemoeten dan? Had je effe moeten roepen, of had je effe naar me toe moeten komen, meneer.’

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Versterken van bestaande Instituten

In het kader van het Herdenkingsjaar Slavernijverleden zijn er speciale fondsen beschikbaar gesteld en worden momenteel tal van projecten uitgevoerd in Nederland. En naar mijn mening weinig waar Suriname echt iets aan heeft. Van 1 juli 2023 tot 1 juli 2024 wordt namelijk in het hele Koninkrijk van Nederland extra aandacht aan het slavernijverleden besteed tijdens het Herdenkingsjaar. Echter, in Suriname lijken er weinig activiteiten georganiseerd te worden in verband met de herdenking. Het land richt zich momenteel vooral op overleven te midden van de economische crisis, waarvan de oorzaak deels te herleiden is naar het slavernijverleden.

Het is belangrijk dat we ons bewust zijn van de voortdurende impact van het slavernijverleden. Deze impact omvat niet alleen armoede, maar ook een gebrek aan zelfvertrouwen, een erfenis van de uitbuiting en onderdrukking uit het verleden. Daarom pleit ik voor meer aandacht voor dit onderwerp, niet alleen in het onderwijs, maar ook in andere contexten, zoals exposities, lezingen en presentaties. Bewustwording van het verleden kan leiden tot het versterken van onze eigenwaarde.

Recentelijk werd mij tijdens een bijeenkomst de vraag gesteld of er in Suriname een slavernijmuseum zou moeten komen. Hoewel ik begrijp waarom deze vraag wordt gesteld, ben ik van mening dat Suriname zelf al een groot slavernijmuseum is. Oude plantage-eigenarenwoningen en de ruïnes van oude plantages zijn verspreid over het land te vinden. Sommige zijn goed bewaard gebleven, terwijl andere gerestaureerd zijn en aandacht besteden aan het slavernijverleden zoals Plantage Frederiksdorp en Plantage Bakkie. Gemeenschapsorganisaties zoals NAKS dragen bij door verhalen en tradities uit het slavernijverleden te delen.

Om bewustwording te vergroten, moeten we zeker meer doen, maar ik geloof dat dit niet per se betekent dat er nieuwe gebouwen moeten worden opgericht. Laten we in plaats daarvan kijken naar de mogelijkheden om bestaande instituten, zoals het Surinaamse museum, te versterken. In een van hun ruimtes kan een speciale tentoonstelling gewijd aan het slavernijverleden worden opgezet, of dit nu tijdelijk of permanent is. Samenwerking met organisaties zoals het Nationaal Archief Suriname en NAKS kan resulteren in een uitgebreid programma. Het is van groot belang dat Surinaamse organisaties worden ondersteund met kennis en middelen, zodat zij ook na het jubileumjaar kunnen bijdragen aan de bewustwording van ons slavernijverleden.

"Foto van Kevin Headley"
Kevin Headley

Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

Aan Daniël Wolvecamp, een romanfragment

Raamswolde, 17 juni 1986

Beste Daniël,

Tot mijn verdriet heb ik je gemist toen je op de fiets je brief kwam afleveren. Stormde het niet te hard? Ben je heelhuids thuisgekomen? Ik ben blij verrast door je schrijven. Er heeft best wat tijd tussen gezeten.

Zoals je aan de datum kunt zien, schrijf ik je nog dezelfde dag terug. (Je ontvangt deze brief donderdag. Dus voor jou is het nu donderdag…) 

Der Geist von Raamswolde. Dat heeft je vader juist, zo noemden ze mij inderdaad. Het is begonnen met een Duitse journalist. Later werd ik door tegenstanders aangeschreven met phantom of prizrak. De schim van Raamswolde. Het impliceert dat ik overal aanwezig ben en als een spookverschijning mijn tegenstanders zwakke zetten influister. In iedere studeerkamer waar een speler zich het hoofd breekt boven de stukken, zou ik aanwezig kúnnen zijn. De vraag die hiermee opgeworpen wordt is of ik überhaupt wel besta… Sommigen zijn hier gevoelig voor.

Ja, correspondentieschaak. Die partijen zijn doorgaans beter, kunstiger misschien zelfs dan ‘gewone’ schaakpartijen. In de mooiste partijen duurt het doorgaans langer voor er ten eersten male geslagen wordt, omdat ieder offer langer overdacht wordt. Dit geeft de beginfase van een partij het karakter van een paringsdans. De stukken draaien om elkaar heen voor eindelijk toegehapt wordt. Er wordt vaker teruggetrokken dan tijdens een bordpartij. Het is dreiging, zonder contact. Slaan is transformeren. Dit maakt het schaken an sich al wezenlijk anders dan het dammen. Daar wordt niet getransformeerd, tenzij een dam wordt gehaald, nietwaar?

‘Alles verandert, niets vergaat volledig,’ zo schreef de Griekse dichter Homerus al. (Jij gaat straks ongetwijfeld naar het gymnasium, dus je zult nog met hem te maken krijgen.) Het ene stuk verandert in het andere en maakt zo een gedaanteverwisseling door. Stond daar op c3 nog zo’n lieve kleine pion, het volgende moment is hij getransformeerd in een dreigend kijkende dame. Ken je het boek In de ban van de ring? Daarin speelt de tovenaar Saruman een belangrijke rol. Hij maakt een metamorfose door, van goed naar slecht. Als je het nog niet gelezen hebt, ren dan meteen naar de bibliotheek. Niet omdat dit boek zoveel met schaken te maken heeft, maar omdat het een prachtig verhaal is waar je dagen plezier van zult hebben. 

Het wezenlijke verschil tussen de kunstenaar en de schaker is dat laatstgenoemde niets maakt dat als handelswaar bestendigd wordt. Geen schilderij, beeld of boek. Als zodanig rusten er dan ook geen rechten op een schaakpartij. Als niemand de moeite neemt de zetten te noteren, bestaat zij zelfs niet. Ja, in de hoofden van de spelers zal zij opgesloten blijven. Dat is meteen het tweede verschil. Een schaakpartij is altijd van twee mensen. De vergelijking met een uitvoerend kunstenaar dringt zich op en hoewel ik dit wel begrijp, betwist ik het wel. Een schaker is namelijk wel degelijk een maker. Als ik een potje zou voetballen, zou ik mij er volkomen van bewust zijn dat ik speel. Ik zoek niets of niemand. Bij het schaken is dat niet zo. Daar is het mij te ernstig voor. Zoals de kunst voor een kunstenaar het allerhoogste is en daarom serieus genomen moet worden. Iets maken wat er eerder nog niet was, dat is kunst. Schaken is een dialoog die er eerder nog niet was. Het is niet zomaar een spel. Een schaker bepaalt de definitie. Hij blaast zijn stukken, met allemaal hun eigen karakter, leven in zoals een poppenspeler zijn materiaal tot toneelspelers verheft door aan de touwtjes te trekken. De ideeën van de schaker vloeien uit over het bord en vormen mede de partij. Een schaker geeft. Zelfs als hij een stuk van de tegenstander slaat. Goed, voor het gemak noemen we het een spel. Maar het is een spel dat gespeeld wordt door mannen en vrouwen die nooit volwassen zijn geworden. Ze spelen zoals een kind speelt, dus in bittere ernst. Ik ook. 

Met vriendelijke groet,

Allard van Benniq Methorst

Bovenstaande is een brief aan een twaalfjarige jongen – een fragment uit mijn in november te verschijnen roman De schim van Raamswolde.

"Foto van Alexander Baneman"
Alexander Baneman

Alexander Baneman (Amsterdam, 1986) publiceerde in o.m. Tirade, De Revisor en De Parelduiker. In november verschijnt zijn debuutroman De schim van Raamswolde bij Van Oorschot.

Plusminus Atlantis

(De wereld in stukken 36)

In een dicht conifeerwoud loopt een jong dier over een paadje achter haar moeder aan, net zoals ze gisteren deed, ze herkent het paadje al: verderop is de open plek waar je drinken kunt en er voldoende te grazen is zodat je erna even goed in de zon kunt gaan liggen voordat ze verder gaan. De zon schijnt en er hangen een paar mooie witte wolken boven de boomtoppen, van waar uit geschreeuw van kleinere vliegende dieren.

Ons geheugen is beperkt. Een paar simpele regels van je voor te stellen hoe iets geweest zou kunnen zijn helpt verder. Want met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is deze scene waargebeurd, 70 miljoen jaar geleden. Hier op deze kaart waar een eilandenrijkje – de Kerguelen – de toppen vormen van een verzonken microcontinent. Het Kerguelen-plateau. Atlantis bestaat. Alles speelt zich hier onder water af. Het continentje vormde een oppervlak van een derde van de landmassa van de huidige Verenigde Staten, en moet met een dicht tropisch conifeerwoud bedekt zijn geweest tijdens het Krijt. Bloeiende planten, vissen, bijen die de bloeiende planten afgingen, vlinders, krokodilachtigen, en schildpadden. Het moet een bij vlagen herkenbare wereld zijn geweest.

Maar dat veranderde na de meteoorinslag natuurlijk, en zo’n 20 miljoen jaar geleden verdween dit continent voorlopig uit het zicht en vlijde de oceaan zich over haar heen en resten ons wat eilandjes en een vermoeden.

In de geschiedenis van mensen speelt de Franse zeevaarder Yves-Joseph de Kerguelen- Trémarec  dan nog een rolletje op deze kaart. Op 12 februari 1772 vaart hij langs, op zoek naar Terra Australis Incognita, het grote zuidelijke continent, dat wel moest bestaan om dat het in evenwicht zou zijn met de noordelijke landmassa. Weinigen in de geschiedenis der mensheid zijn zo te laat geweest. Hij was 20 miljoen jaar te laat. Dat toegeven aan Lodewijk de 15e durfde hij echter niet, hij overdreef zijn ontdekking en plukte daar de wrange vruchten van, gevangenisstraf, al schijnt een volgens scheepsmores illegale minnares in zijn kapiteitshut er ook iets mee te maken te hebben gehad.

Een Atlantis ligt hier op de kaart, onder het blauw. Een echt. Het schemert er nog wat doorheen als je goed kijkt. Generaties van dieren leefden hun leven en zijn voorgoed verzwolgen in de nacht van de geschiedenis. Een ver verleden en waarschijnlijk een redelijk nabije toekomst. 1.100 tot 2.200 meter onder de zeespiegel rest nog ergens dat paadje, en wat overbleef van die open plek.  En de resten van moeder en dochter minmi. Alleen de fantasie kan ze er nog aan onttrekken.

Atlantis

Ze hebben wel of niet bestaan.
Op een of geen eiland.
Een of geen oceaan
Verzwolg hen wel of niet.

Was er iemand om van iemand te houden?
Was er iemand om met iemand te strijden?
Alles of niets geschiedde
daar of niet.

Er waren steden, zeven.
Is dat wel zeker?
Ze wilden eeuwig blijven.
Zijn er bewijzen?

Het buskruit vonden ze niet uit, nee.
Het buskruit vonden ze wel uit, ja.

Twijfelachtig en verondersteld.
Niet voor nageslacht bewaard.
Niet genomen uit de lucht,
uit water, vuur en aarde.

Niet in steen vervat
noch in een druppel regen.
Niet bij machte serieus
enige moraal te demonstreren.

Een meteoor sloeg in.
Het was geen meteoor.
Een vulkaan barstte uit.
Het was geen vulkaan.

Iemand riep iets.

Niemand riep iets.
Op dat plusminus Atlantis.

-Wisława Szymborska, vertaling Gerard Rasch

naar kaart 37

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Lobi disi

Ik haalde mijn dochter van school en fietste met haar naar café Waterkant aan de Marnixstraat. Daar zouden we een colaatje drinken terwijl we wachtten tot het tijd was voor haar streetdanceles bij het Amsterdam Dance Center.

Ik tilde haar van het zitje op mijn stang en liep met Ada onder de Europarking door naar het water. Aan de bar bestelde ik twee cola en zes bitterballen, en terwijl ik betaalde keek ik over mijn schouder naar het bolletje van mijn dochter, die aan een tafeltje aan die beloofde waterkant op me wachtte.

Ik besefte hoeveel ik houd van ledige momenten samen, tijd om je gedachten de loop te laten. Soms volg je zo’n gedachte een eindje, soms laat hem verwaaien en merk je het wel weer wanneer je aan iets anders denkt. In mijn Amsterdamse leven zitten niet zoveel ledige momenten.

Ik dacht aan Suriname, en dat ik daar al negen jaar niet meer geweest ben. Zoals altijd zag ik meteen die brede bruine rivier voor me; bij Leonsberg, aan de Waterkant, bij de markthallen, bij de Wijdenboschbrug, bij Domburg. In gedachten ging ik stroomopwaarts tot het stuwmeer en stapte dan in Atjoni op een korjaal om de longen van de wereld in te varen, voorbij stroomversnellingen en dorpjes tot het bos het van de mensen overnam.

Suriname blinkt uit in ledige momenten. Alles duurt er lang. Je stelt je in op wachten en verveling, doodt de tijd met babbeltjes, lezen, dutten of gewoonweg staren.

Ik staarde naar Ada’s hoofdje en liep zo langzaam mogelijk naar haar toe met onze drankjes. Ze had een arm over de leuning van de stoel naast haar gelegd, waar ik over een paar tellen zou gaan zitten. Aan de bolling van haar wang was te zien dat ze glimlachte of met haar ogen kneep tegen het licht.

Ik stelde me haar voor in een warmer licht, aan een warmere waterkant, zag hoe een van de softverkopers een praatje met haar maakte, haar woordjes Sranan leerde. De liefde die ik voelde was een mengelmoes van liefde voor mijn dochter en voor het thuis dat Suriname is.

Wie geen kinderen heeft zal niet snappen hoe het is om ze te zien zonder dat ze jou doorhebben. Hoe het voelt om ze contact te zien maken zonder je hulp. Mijn hart brak in schitterende scherfjes bij het idee haar een dawet te zien kopen op de Saoenah Markt.

Hier is dit hele wezen, denk je als ouder, dat uit me komt maar buiten me bestaat, ademt, geniet van wat ze meemaakt, haar plek in deze wereld aan het vinden is.

‘Kijk eens,’ zei ik, om mijn eigen redenen met mijn ogen knijpend, en zette een flesje cola voor Ada neer.

‘Dank je,’ zei ze.

Ik zag nu dat ze fronste tegen het zonlicht én glimlachte. Ik wees naar de vele vlaggetjes die aan koorden rond café Waterkant hingen. ‘Weet je welke vlag dat is?’

‘Tuurlijk weet ik dat,’ zei Ada. ‘Dat is Suriname.’

Hoewel ze er nooit geweest is, weet onze dochter veel over Suriname. Haar broer Nadim herinnert zich ons huis op palen in Flora. Het aapje van de buurvrouw. Dat hij met zijn vrienden op het erf speelde. Hij herinnert zich de verhalen over Anansi de spin die hij in het binnenland van Sensi hoorde en die zo anders waren dan de sprookjes die hij had gekend – wie ten koste van alles en iedereen bovenaan eindigt is de held, is de moraal van bijna elke Anansi tori.

De afgelopen dagen keken we Kinderen van Mavungu, de documentaire die Miriam Marks maakte over schoolkinderen uit Pikin Slee, een dorpje in het binnenland waar Nadim als kleine jongen ook heeft rondgerend. De kinderen die Mirjam volgde staan op het punt naar de middelbare school te gaan, wat een enorme overgang is, omdat ze daarvoor hun dorp in het binnenland moeten verlaten.

Ik dacht aan grote stappen, aan overgangen in een leven. Aan het loslaten van allerlei vormen van thuis.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
  • Afbeelding bij DE MENS ALS BIOPIC 14 De jongens Von Amsberg

    DE MENS ALS BIOPIC 14 De jongens Von Amsberg

    ‘Een koe laat elke 90 seconden een scheet, een mens 18 keer per dag. Het aantal scheten van een walvis kan alleen maar geschat worden.’ Zo ongeveer begint het toneelstuk Emily, of het geheim van Huis ten Bosch. De drie zonen van koningin Beatrix en prins Claus von Amsberg zitten in de centrale salon van...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Thom Wijenberg"
    Thom Wijenberg

    Thom Wijenberg (1996) schrijft poëzie en proza. Hij werkt als redacteur en programmamaker en studeert aan de Schrijversvakschool. Zijn werk verscheen onder andere op Notulen van het Onzichtbare, Tijdschrift Ei en in de Seizoenszine.

    Auteursfoto: Gaby Jongenelen

  • "Foto van Anna op de Weegh"
    Anna op de Weegh

    Anna op de Weegh schrijft experimenteel theater over honger, onhoudbare transformatie en de (her)ontdekking van een lichaam. Haar teksten zijn vlezig, tactiel en poëtisch. In de afgelopen vier jaar werkte ze o.a. als dramaturg, liep ze stage bij Theater Utrecht als regieassistent voor de voorstelling Panic Room en zette ze samen met Maggie Thedinga het tweekoppige collectief Disgusted & Horny op.

  • "Foto van Gregor Verwijmeren"
    Gregor Verwijmeren

    Gregor Verwijmeren studeerde Taal- en Cultuurstudies aan de Universiteit Utrecht en gitaar aan het conservatorium in dezelfde stad. Hij publiceerde fictie in onder meer De Gids en Flash: The International Short-Short Story Magazine. De vorm van geluid, zijn debuutroman, werd uitgegeven door Van Oorschot, en is wereldwijd de eerste roman over tinnitus (en muziek en geluiden) die door een mainstreamuitgeverij is uitgegeven. Gregor werkt momenteel aan zijn tweede roman, waarvoor hij een beurs ontving van het Nederlands Letterenfonds. In april 2021 zal hij Nederland vertegenwoordigen bij het European First Novel Festival in Boedapest (uitgesteld vanwege Covid). Hij is vader van drie kinderen en kookt en tennist graag in zijn vrije tijd.