Van chirurgen werd vroeger wel beweerd, ook door collega’s uit de medische wereld, dat zij in onbehouwenheid niet voor paardenslagers onderdeden. Dit was te wijten aan de spanningen in hun beroepsuitoefening. Hun werk deed chirurgen immers dikwijls het schemergebied tussen leven en dood betreden, iets wat hun emotionele gestel aanvrat en waartegen ze zich onwillekeurig met een zekere botheid wapenden.
De chirurgen die wij vandaag de dag op de televisie aan het werk zien, voldoen niet langer aan dit rauwe profiel. Tegenwoordig zijn het redelijk beschaafde medici (m/v) die netjes communiceren met hun patiënten en erop toezien dat die tijdens enkele dagen bedlegerigheid geen klagen hebben.
Ik ben zelf geen groot liefhebber van tv-programma’s over chirurgische ingrepen, al ben ik eens blijven hangen bij een aflevering over iemand met een empyeem, een veretterde pleuritis, waarbij de chirurg het borstvlies met een snede opende en de etter liet afvloeien. Pus bonum et laudabile, sprak de heelmeester opgetogen terwijl een romige massa de operatiewond verliet.
Een paar dagen geleden was ik ook weer eens van de partij toen de seniorenomroep MAX een hartoperatie aan het volk vertoonde. De uitzending was live. Misschien was mijn belangstelling gewekt door de verzwegen gedachte dat dit mij ook vroeg of laat nog eens zou kunnen overkomen. Heb ik mogelijk tijdens een plaspauze enkele stevige scènes gemist? Beelden waarop het borstbeen wordt doorgezaagd of de gespleten ribbenkast uiteengewrikt werden niet vertoond. De borstkas lag bij het inzoomen al open, als een Amsterdamse bouwput. Het hart lag daarin ietwat obsceen te pompen totdat het werd stilgelegd en een machine zijn functie overnam. De operatie verliep routineus en zonder zichtbare complicatie. Je kon er rustig en zonder kokhalzen naar kijken, al was mijn lief naast me op de bank een andere mening toegedaan.
Onder chirurgen bevinden zich nogal wat schrijvers. Om me voor een roman te documenteren heb ik de afgelopen tijd een aantal memoires van chirurgen uit de (vroege) twintigste eeuw gelezen. Dat is onderhoudende literatuur, vooral als de chirurg zich vanwege oorlogsomstandigheden nabij het front bevindt en daar in een met tentzeilen overeind gehouden veldhospitaal bij een acculamp, omgeven door een wolk insecten, de aanzwellende stroom gewonden staat te opereren, terwijl de hemel telkens oplicht door granaten die gierend overvliegen. Ondanks alle heroïsche inspanningen crepeert een groot aantal oorlogsgewonden onder de handen van de heelmeesters. Vooral bij scherfverwondingen door artillerievuur hebben getroffenen weinig kans. Maar chirurgen laten de moed nooit zakken en weten soms tot hun eigen verwondering de meest ellendige gevallen toch nog bij het graf vandaan te slepen.
In die chirurgische memoires duikt dikwijls de naam op van een legerarts en heelmeester uit het verleden die alom werd bewonderd in kringen van militaire artsen. Het gaat om Dominique Jean Larrey (1766-1842), een van de leidende chirurgen in het leger van de jonge Franse Republiek en later dat van Napoleon Bonaparte. Vanaf 1792 maakte Larrey 26 grote campagnes mee, 60 veldslagen en ruim 400 gevechten. Hij was een onvermoeibaar arts die meermalen gewond raakte en iedere keer aan de dood ontsnapte. Zijn meest fameuze specialisatie was de praktische chirurgie. Hij stond er bekend om dat hij pijlsnel kon opereren. Dat was ook een vereiste omdat de narcose voor operatiepatiënten nog niet bestond. In de 18e eeuw gaf men ze soms mengsels van opium, waterscheerling, alruin en bilzenkruid, wat meestal een problematische en soms zelfs een dodelijke roes opleverde. In de Franse legers werd zonder verdoving gesneden en Larrey was daarin sneller dan zijn eigen schaduw. Zo zou hij eens een extirpatie van een arm uit een schoudergewricht bij een zieltogende soldaat in minder dan twintig seconden hebben verricht, de onderbinding van de bloedvaten natuurlijk niet meegerekend. De man overleefde, al had hij drie maanden nodig om er weer bovenop te komen. Larrey verrichtte duizenden amputaties onder de meest primitieve omstandigheden, hetzij op het slagveld zelf met gevaar voor eigen leven, of in de buitenlucht onder verschrikkelijke weersomstandigheden. In 1812, tijdens de grote veldtocht van Napoleon naar Rusland, was hij er ook bij. Toen het leger na een desastreuze campagne tijdens de barre winter uiteenviel, stond hij de vertwijfelde soldaten bij. In die tijd, onder hevige kou, opereerde hij eens vierentwintig uur achter elkaar en amputeerde in totaal 234 bevroren ledematen. Larrey bleef overeind, terwijl zijn assistenten stuk voor stuk uitgeput raakten of zelf werden bevangen door vrieskou. Hij tekende al zijn oorlogservaringen en medische inzichten op in vier kloeke delen memoires.
In de geschiedenis is de oorlog altijd de voornaamste leermeester van de chirurgie geweest. En het is onder meer dankzij al die oorlogen dat chirurgen tegenwoordig de meest complexe operaties zonder direct levensgevaar voor de patiënt kunnen uitvoeren.

























Of ik het nu in zijn biografie uit 2002 heb gelezen of in een ander boek weet ik niet meer. In elk geval werd over Multatuli opgemerkt dat hij, behalve een groot schrijver, ook een begenadigd redenaar – om niet te zeggen: voordrachtskunstenaar – was. Je kon zijn voordrachten bezwaarlijk lezingen noemen, want hij had nooit enige tekst op papier staan. Neen, hij improviseerde, hij stak van wal, raakte begeesterd en was in die staat bij machte om voor de vuist weg samenhangende beschouwingen, fraai gecomponeerde vertogen, voor het publiek af te steken.
Sommige beginnende schrijvers weten de dialogen in hun proza als het ware uit hun mouw te schudden. Het merendeel zit aanvankelijk echter met de handen in het haar als het erom gaat gesprekken van hun personages (waarin iets op het spel staat) natuurgetrouw en overtuigend weer te geven. De paradox van de dialoog bestaat eruit dat deze pas naturel overkomt nadat de tekst op ingrijpende, doelmatige wijze is gestileerd. En voordat het zover is…
Veel herinneringen aan mijn vroege kindertijd zijn gehuld in een tabakswalm. Bij feesten in de familie in de jaren zestig stond op de tafel altijd een aantal glazen met daarin sigaretten of sigaartjes, zodat de gasten vrijelijk een rokertje konden pakken. Nog zie ik de grote kamer in het huis van mijn grootouders voor me: mannen en vrouwen vormen aparte gezelschappen. Onder de vrouwen, die advocaat met slagroom uit een speciaal glas lepelen, roken die van oma’s generatie (van omstreeks 1900) niet, maar die van mijn moeder (van 1925) meestal wel. Bij de mannen ligt het eenvoudig: iedereen rookt, al moet ik hier nog een kleine nuance aanbrengen. Er is een broer van opa – ome Aa – die het grootste deel van de avond zit te pruimen. Tussen zijn knieën klemt hij een kwispedoor, waar hij om de paar minuten een kleine hoeveelheid donkerbruin speeksel in deponeert. Die kwispedoor heeft ie van huis meegenomen; hij heeft ‘m altijd bij zich als hij naar een of ander evenement moet. Aan het einde van de avond laat hij zich een citroentje met veel suiker inschenken en daar steekt hij een sigaartje bij op. Dan staat de kamer trouwens al uren blauw; hoe dichter de nevel hoe gezelliger het wordt.






