Montgolfière

Zwaluwen maken geen zomer meer – het is de hete-luchtballon die het ‘m doet. Avond aan avond zag ik ze door mijn blikveld schuiven, veelkleurige lampionnen in het blauwe uur. Ze bezorgden me een onbestemd gevoel, gemengd als het is met geluk, heimwee en afkeer. Geen mooier uitvinding dan die van Montgolfier: je houdt iets lichts, een robe van mousseline, een boterhamzakje, dit stukje, boven een brandend vuur, en zie, het kiest het luchtruim. Wie zou zo niet hemelwaarts willen zweven, opgestuwd naar de zonnelampion? Op de eeuwige vragen ‘waar komen we vandaan, waarom zijn we hier, waar gaan we heen?’, is eigenlijk maar één antwoord mogelijk: we hebben even een landing gemaakt om onze gasbrander te vullen, maar straks neemt de Grote Opwaaiende Zomerjurk ons weer mee, richting vergetelheid.

Maar geen genoegen zo bevrijdend, of het neemt in zijn mandje een fles verzuurde wijn mee. ‘Schuldgevoel’ staat er op het etiket te lezen, en in nog grotere letters ‘Drink mij’. Je neemt een slok, en jawel, daar klinkt een jengelende stem die je maar al te goed herkent. ‘Hete-luchtballons zijn de Unicura voor mensen die negentig procent van hun tijd bezig zijn vuile handen te maken aan energieverslindende en milieuverpestende dingen als vliegreizen, filerijden en koffiedrinken uit plastic bekers. Af en toe vluchten ze in een illusie die ze betalen met donaties aan Greenpeace en het WereldNatuurfonds, maar het zijn allemaal doekjes voor het grote bloeden dat ze zouden moeten ondergaan als er nog gerechtigheid bestond.’ Aldus mijn ingebouwde biechtvader.

Zeker, het valt niet te ontkennen dat onze onschuldig lijkende genoegens door en door pervers zijn. Welk zinnig mens zou het in zijn hoofd halen om zich niet per TGV maar per postkoets te verplaatsen, of de maandagse was in de Dommel te doen in plaats van in de met Dreft gevulde Miele? En toch zou dat idiote gedrag op hetzelfde neerkomen als een avondlijke tocht in een montgolfière. Ooit zal het dezulken vergaan als het personage uit W.F. Hermans’ novelle Geyerstein’s dynamiek, dat met luchtballon en al in de fik vliegt, of koningin Marie-Antoinette die het spelen op haar nepboerderij bij Versailles moest bekopen onder het mes van de guillotine.

Wanneer ik deze innerlijke stemmen hoor, moet ik altijd denken aan mijn zwager, opgeleid tot waterbouwkundig ingenieur. Hij komt net als ik uit Zeeland, waar men in onze jeugd nog hard werkte, God vreesde en zich nooit verder dan twintig kilometer van huis en haard verwijderde. Hij mag graag fulmineren tegen alles wat deze tijd aan rampspoeden brengt, en daartoe rekent hij ook, met of zonder inbreng van de Prins van Oranje, de waterhuishouding. Het Deltaplan had er wat hem betreft nooit mogen komen, want voor die eenmiljoenste kans dat er nog eens zo’n ramp als op 1 februari 1953 plaatsvindt, hadden die prachtige Zeeuwse zeearmen nooit geamputeerd mogen worden, hoe fraai het ook is om ze per automobiel over te kunnen steken of per zeiljacht te doorkruisen. Op grond van klimaatsveranderingen en ontbossing vreest en hoopt hij ook stiekum dat de grote rivieren nog eens zo ver buiten hun oevers zullen treden dat er in de Randstad duizenden mensen natte voeten halen.

Beste zwager, verlos me uit mijn gewetensnood. Mag ik nog ontsnappen in een hete-luchtballon of moet ik me laten straffen door jouw zondvloed?

In de Oorshop

Kennst du das Land?

Waar het goed is, is mijn vaderland, zeiden de oude Romeinen. Waar de wijnstok gedijt, wil ik zijn, zeg ik. Dus wel in Frankrijk, Spanje, Portugal, Italië, Californië en zelfs Limburg, maar niet in Schotland, IJsland, Finland, Groenland en Vuurland. En in Holland eigenlijk ook niet.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Narrenwijsheid

Wie is veroordeeld tot een saaie kantoorbaan kan troost putten uit dit gedicht:

Ik doe zaken
ik heb een heel grote schrijftafel
en mijn gezicht staat moeilijk
ik praat in een telefoon
en ik heb een mijnheer
die juffrouwtjes kan laten werken
en nog méér mijnheren
de juffrouwtjes ruiken zo lekker
en ruiken allemaal verschillend
de mijnheren zijn in grote jassen
ik bloos er wel van
het lijken wel Engelsen
en ik begrijp niet waarom ze doen wat ik vraag

er was veel zaken vandaag
het waren allemaal gedachten van mensen
er waren veel dikke die duwden en waren onwillig
ik begreep niet waarom ze zo koppig waren
er waren magere met valse haakjes
en er zat veel in de knoop
het was precies het kistje met oudroest en touwtjes
van mijn grootvader
ik was een vreemdeling

toen ben ik maar gaan wandelen in de bosjes
het was een arme dag – de straat was nat
de zwarte boompjes hadden honger
die trok hun magere vingertjes krom
de wind zei verdrietige verhaaltjes
het novemberlicht was saai en schraal achter vervelende
wolken
maar in mijn hart bonsde de opstand
en ik zei: lieve God ik wil een straatsteen zijn

‘Werkelijkheid’ heet het. Ik vond het in een uitgebreide herdruk van J.C. van Schagens bundel Narrenwijsheid, die oorspronkelijk dateert uit 1926 en de reputatie geniet van veelgeprezen, weinig gelezen en diverse malen herontdekt meesterwerkje. Narrenwijsheid komt in de canon van de Nederlandse literatuur niet voor en Van Schagen al evenmin. Hoewel hij in zijn lange leven – hij overleed in 1984 op zijn zevenentachtigste – enorm veel gepubliceerd en nog meer geschreven heeft, is hij in de meeste literatuurgeschiedenissen een randfiguur. In het mede door mijzelf geredigeerde Lexicon van Literaire Werken ontbreekt een bespreking van Narrenwijsheid. Ik neem mij voor aan deze kwalijke omissie zo spoedig mogelijk een einde te maken.
Een uitzondering op de stelselmatige verwaarlozing is Komrij’s poëziebijbel; daar is Van Schagen vertegenwoordigd met vijf gedichten, wat op een maximale score van tien niet slecht is. Maar Komrij verminkt en vertekent het vierdelige titelgedicht van Narrenwijsheid door enkel het grappige tweede deel op te nemen en voorbij te gaan aan de pantheïstische strekking.
Je kunt zo je gedachten hebben bij Van Schagens weinig canonieke status. Hij was geen netwerker en koos voor een marginaal bestaan, ver van literaire kringen en kongsi’s. Weliswaar genoot hij op zijn oude dag een zekere reputatie in zijn Zeeuwse land van herkomst, maar dat zegt niet veel, want net als Friesland zingt Zeeland niet en zijn goede Zeeuwse dichters schaars, de – net als Van Schagen in Vlissingen geboren – Jacobus Bellamy en Hans Verhagen niet te na gesproken. In Zeeland was Van Schagen in feite koning Eenoog.
Iedereen is het erover eens dat Van Schagen zijn roem het meest in de weg gezeten heeft met zijn absolute gebrek aan zelfkritiek en selectief vermogen. Toen ik tussen 1976 en 1983 redacteur van Tirade was, kreeg ik door Geert van Oorschot (net als ik ook een oud-Vlissinger) hele vrachten poëzie van Van Schagen doorgezonden. Iets publicabels zat er zelden bij. Geen wonder dat de dichter ertoe kwam om in eigen beheer zijn Domburgse cahiers uit te geven. In het in 1985 verschenen Archief Van Schagen staat overigens veel moois.
Van Schagen relativerende zelfspot, blijkend uit titels als ‘dreutels’, ‘flutters’ en ‘nietsjes’, en zijn weigering om onderscheid te maken tussen goed en niet goed duiden niet op nonchalance of luiheid, maar verraden een principiële keuze. Toen de Zeeuwse oppercriticus en collega-dichter Hans Warren Van Schagen verweet dat hij niet wist te schiften, antwoordde die: ‘God schift niet, integendeel, Zijner is de volstrekte hutspot. Hoe zou ik me dan vermeten het beter te willen doen? Ik schift ook niet. Laten we eerlijk zijn: we zouden het óók niet kúnnen. Evenmin als God het kan. Op selectie staat de doodstraf, weetje.’ Hij liet aan Narrenwijsheid een motto voorafgaan waarin Spinoza stelt dat gegeven de goddelijkheid van de natuur niets onze haat, spot of verachting verdient. Dat wijsgerige inzicht wordt geparafraseerd in de openingsregels van het gedicht.

Niets is dat niet goddelijk is.
Daarom wil ik niets uitzonderen.
Ik geef geen namen

Ik laat adel en schoonheid liggen, ik vraag niet naar
recht, ik blijf niet staan bij slecht en leelijk.
Goed en deugdzaam gaan mij niet aan.

Dan volgt er een lange opsomming van alles en allen op en voor wie de regen neerdaalt: bos, zee, het keukenplatje, vuile goten, gevangenen, kellners en zelfs politici. Anton Korteweg heeft er al eens aan herinnerd dat Van Schagen spreekt met de stem van Prediker, maar hier herhaalt hij Jezus en diens Bergrede: ‘Hij doet zijne zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen’. De invloed van lyrische bijbelboeken (Psalmen, Hooglied, Prediker) is overigens sterk onder de humanitair expressionisten met wie Van Schagen verwantschap heeft, met dit verschil dat hij humor heeft en de humanitair expressionisten niet. Aan de humor zal het tweede deel van Narrenwijsheid een plek in Komrij’s bloemlezing hebben verdiend:

Ge hadt God en de wereld lief.
Toen sprong Uw bretel los.

Deze regels doen denken aan Dèr Mouw, die de muziek der sferen liet harmoniëren met de deuntjes van het draaiorgel, of Theo van Doesburg die de scherven van de kosmos terugvond in zijn thee. Hiermee zijn we meteen toe aan Van Schagens familieverwantschappen, want hoewel hij bewust het literaire isolement zocht en de roep van Einzelgänger geniet, staat zijn Narrenwijsheid beslist niet op zichzelf. Met Dèr Mouw deelt hij de hang naar de oosterse spiritualiteit, met Van Doesburg en Dèr Mouw de behoefte aan een metafysisch fundament. Net als Nescio ziet hij God in de eenvoudigste dingen. Hij doet zich even naïef voor als Jan Hanlo en loopt in quasi-naïveteit vooruit op Armando.

Arthur Japin, in wandtegels

Arthur Japin is een mooischrijver, van het soort dat net zo lang poetst en boent op zijn zinnen tot ze er uitzien als het pas opgewreven koper in een Hollandse burgermanswoning. Japins zinnen blinken en blikkeren, zeker als hij het zonnetje van zijn vernuft er op laat schijnen. ’t Doet pijn aan je ogen. En dat terwijl een goede stijl van vertellen iets is waarvan je je als lezer pas bewust raakt als het verhaal je al een tijdje in de ban heeft.

Er is nog iets wat me hindert. In veel gevallen kunnen Japins zinnen zo op een wandtegel. Een kleine selectie uit zijn nieuwe roman Vaslav: ‘Er is niets wat een mens zo aanzet tot dromen als een beperkt zicht.’ ‘Oude vlammen doven het laatst.’ ‘Haat is een bedwelmend houvast.’

Af en toe heeft Japin een wandtegel ter grootte van een forse plavuis nodig: ‘Gaat een vrouw minder voor haar man voelen naarmate zijn zwakheden zich duidelijker voor haar aftekenen? Integendeel, eerder voedt het haar verlangen. Ze neemt haar verlies, registreert zijn feilen en zwijgt erover. Dit is wat liefde voor een vrouw betekent.’ Dat zijn zinnen die op me afkomen als een zelfhulpboek.

Richard de Nooy

Het heeft lang geduurd voordat de in Johannesburg opgegroeide Nederlander Richard de Nooy als schrijver voor het voetlicht trad. Ten tijde van zijn debuutroman Six Fangs Marks and a Tetanus Shot (2007), door de Universiteit van Johnnesburg bekroond met de Beste First Book Award, was hij de veertig al voorbij. Voordien had hij journalistiek en psychologie gestudeerd en zich onder meer bezig gehouden met vertalen en cartoons tekenen. Fictie beoefende hij wel, maar in stilte.
Misschien biedt De Nooy’s betrekkelijk late start wel een verklaring voor de vulkaanachtige heftigheid van het werk dat hij tot nu toe publiceerde (al kun je je natuurlijk ook afvragen of hij van het lange wachten niet juist milder is geworden). De verhaallijn van Six Fang Marks and a Tetanus Shot staat bol van geweld, in enkele gevallen zelfs met dodelijke afloop, en is vormgegeven met behulp van een zwiepende en striemende stijl. Zacht als Staal, zijn net verschenen tweede, in het Nederlands geschreven roman, kent een vergelijkbaar recept.
Het is verleidelijk om De Nooy’s fascinatie met geweld in verband te brengen met zijn in Zuid-Afrika doorgebrachte jeugd. Rem de Heer, hoofdpersoon in de eerste en verteller in de tweede roman, moet zich als jonge ‘kaaskop’ de vijandigheden en klappen van zijn schoolmaats laten welgevallen, maar ontwikkelt al vroeg een enorme weerbaarheid. Die komt hem van pas wanneer hij het als recruut aan de stok krijgt met zijn meerderen. Bij weerbaarheid alleen blijft het niet. Rems gedrag valt op door een extreme en niets ontziende agressiviteit, die zich niet alleen tegen anderen richt maar ook tegen hemzelf. Kenmerkend voor zijn zelfvernietingsdrang is zijn ontvankelijkheid voor allerhande ongelukken en kwetsuren, die door Rems broer en brother-in-arms Ysbrand zijn opgetekend in een documentair aandoende verslag, dat als een rode draad door het boek loopt en zich spiegelt in de titel.
Het gegeven van het – sociaal verankerde – geweld keert terug in Zacht als Staal, dat zich afspeelt in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Ditmaal is het slachtoffer, een jonge homoseksueel, veel kwetsbaarder. Anti-held Staal wordt in eigen kring niet alleen half dood getreiterd, maar ook bij een psychiater afgeleverd die hem van zijn ‘afwijking’ denkt te kunnen genezen. Wanneer de therapie niet helpt, dumpt zijn halfbroer hem in een militair strafkamp waar men homo’s aan een even radicale als wrede ontwenningskuur onderwerpt. Tenslotte stuurt zijn moeder, die het goed met Staal meent maar hopeloos gevangen zit in de vooroordelen van haar milieu, hem naar het relatief homovriendelijke Amsterdam. Daar gaat de wereld voor hem open, maar uiteindelijk blijkt ook dit nieuwe bestaan zo hoekig dat hij eraan bezwijkt.
Zacht als Staal is opgezet als een reconstructie waarvoor Staals jeugdvriend Rem verantwoordelijk is. Rem gaat Staals Amsterdamse bewegingen na, verdiept zich in de omstandigheden van zijn dood en laat familieleden en vrienden bij wijze van getuigen aan het woord. De documentair getinte lijn (een duidelijke link met De Nooy’s debuutroman) wordt afgewisseld met hoofdstukken waarin Rem in de huid van de personages kruipt. Zo ontstaat een levendig mozaïek waaruit niet alleen een portret van Staal oplicht, maar ook een beeld van Amsterdam halverwege de jaren tachtig, toen alles nog leek te kunnen, maar heroïne, krakersrellen en last but not least de opkomende aidsepidemie de Nederlandse Gay City veranderden in een poel van dood en verderf.

De thematiek van maatschappelijk gestructureerd geweld en de (quasi-)documentaire opzet is niet het enige dat De Nooy’s twee romans met elkaar verbindt. Er is ook een inhoudelijke overlap tussen beide boeken. In Six Fangs Marks and a Tetanus Shot vernemen we hoe Rem en Ysbrand in Amsterdam belanden, Ysbrand als werkzoekende, Rem als deserteur. Onmiddelijk na aankomst wordt Rem aangereden door een tram en raakt daardoor tijdelijk verlamd. Deze scène herhaalt zich in de tweede roman, met Staal als getuige. Hoewel Rem in het verdere verhaal op de achtergrond blijft als personage, is hij het die bij Staals crematie de lijkrede houdt en zich vervolgens opwerpt tot Staals biograaf.
Door de hoofdpersonen van zijn beide romans als menselijk wrakhout aan te laten spoelen in Amsterdam, en het hun daar niet veel beter te laten vergaan dan onder de evenaar, benadrukt De Nooy dat Zuid-Afrika dan misschien beheerst mag worden door geweld, maar dat geweld geen exclusief Zuid-Afrikaans probleem is. Het is eerder een biologische constante. Niet zonder enig cynisme wordt dat aangegeven in Six Fang Marks and a Tetanus Shot: ‘Soms ontmoeten we mensen, hele families zelfs, wier schokkende onwetendheid, onaantrekkelijke voorkomen of roekeloze gewoonten de vraag doen opdoemen hoe hun genen de beproevingen des tijds hebben kunnen doorstaan. We doen er echter goed aan te onthouden dat, mocht de wereld worden getroffen door een nucleaire holocaust, de hoofdkandidaat voor overleven niet de mens is, noch de machtige olifant, noch de razendsnelle hengst, noch de sluwe vos – nee, het is de simpele kakkerlak.’

Met Henk van Woerden en Gawie Keyser past Richard de Nooy in een rijtje hedendaagse Nederlandse auteurs met gemengde wortels. Ze kwamen met hun Nederlandse immigrantenouders naar Zuid-Afrika en verbleven er lang genoeg om de taal en cultuur diep in hun vezels te laten doordringen. Toen ze al schrijvende hun ervaringen begonnen te verwerken, waren het vooral de harde, schurende kanten van het bestaan in hun tweede vaderland waaraan hun literaire werk ontbrandde. Naar Nederland teruggekeerd, bleef Zuid-Afrika een dreigende, maar ook lokkende aanwezigheid achter de horizon.
Wat in het werk van de (te vroeg overleden) Henk van Woerden sterk opviel, was het besef ontheemd te zijn, voorgoed verdwaald tussen land van herkomst, land van aankomst en land van wederkeer. Ook toen hij Zuid-Afrika losgelaten leek te hebben in zijn vierde en laatste roman Ultramarijn, bleef de migranten- en vreemdelingenthematiek van dit in Turkije gesitueerde verhaal herinneren aan Van Woerdens eigen geschiedenis.
Samen met zijn personages is Richard de Nooy in zijn twee eerste boeken vooralsnog blijven pendelen tussen Johannesburg en Amsterdam. Het lijkt me geen al te gewaagde profetie om te voorspellen dat hij dat voorlopig nog wel even zal blijven doen.


Leermeester

Eigenlijk was de studie Nederlands, door mij begonnen in 1969, tweede keus. Tot drie weken voor het begin van de eerstejaarscolleges liet ik me nog leiden door een sinds vier jaar opgedane passie voor de klassieken. Toen ik na mijn eindexamen gymnasium was ingelijfd bij het Nederlandse leger, had ik mijn Grieks en Latijn warm gehouden met het regel voor regel lezen van de complete Homerus en Vergilius (een bezigheid die ik in het diepste geheim diende te verrichten teneinde te vermijden dat ik door mederecruten aan een behandeling Wasbak Speciaal werd onderworpen). Een dringend advies van de leraar die de vonk had laten overslaan (‘kies toch maar niet voor die studie, want over een paar jaar zijn alle gymnasia opgeheven’) deed me besluiten tot een eerdere liefde terug te keren.
In dit geval was ik aangestoken door een andere docent, F.G. van der Poll, de man die aan het Stedelijk Gymnasium te Middelburg verantwoordelijk was voor het onderwijs in de vakken Geschiedenis en Nederlands. Zijn dubbele bevoegdheid, net toereikend voor een volledige aanstelling aan een schooltje van nog geen 120 leerlingen, en de manier waarop hij die praktiseerde (elke les was een college waarin moeiteloos werd geswitcht tussen letterkunde, geschiedenis, kunsthistorie, filosofie en zo meer) vertegenwoordigden voor mij een norm waaraan ik ooit hoopte voldoen.
Ik sloofde me verschrikkelijk uit om meneer Van der Poll (naar zijn spattende manier van praten ook wel ‘Flop’ genoemd) voor me in te nemen. Om te beginnen las ik van de door hem beheerde schoolbibliotheek eerst alle historische studies, plank voor plank, van A tot Z (wat me tot vandaag de dag een redelijke kennis garandeert van onderwerpen als de Nederlandse kolonisatiepogingen in Brazilië en het visserijwezen in de vroege negentiende eeuw), en vervolgens de Nederlandse literatuur. Op zijn aanraden schreef ik als eindexamenopdracht een werkstuk over het verloop van het revolutiejaar 1848 in diverse Duitse vorstendommen. Samen met een vriend begon ik een gestencild historisch tijdschrift waarin we de resultaten van archiefonderzoek openbaar maakten. Tot mijn grote genoegen werden mijn in de schoolkrant gepubliceerde puberteitsgedichten bekroond door een jury onder voorzitterschap van Van der Poll. En ik werd natuurlijk niet moe om hem te laten weten dat ik net als hij Geschiedenis en Nederlands wilde studeren, uiteraard aan de Universiteit van Amsterdam, en uiteraard bij zijn promotor Jacques Presser. Helaas voor mij zou blijken dat je voor de dubbele bevoegdheid inmiddels twee complete studies moest doen, in plaats van een gecombineerd traject zoals in Van der Polls dagen nog gebruikelijk was. Dus koos ik, toen het ultieme moment van de inschrijving daar was, voor Nederlands, en wel in Leiden, de stad waar ik alvast was gaan wonen toen ik nog dacht aan een opleiding in de klassieke talen te kunnen beginnen.
Wat maakte en maakt meneer Van der Poll zo’n bijzondere leermeester voor mij? Dat was allereerst zijn met flair (maar ook met een zekere frikkerigheid) uitgedragen eruditie, een enorme dosis aan kennis en inzichten die ik gretig absorbeerde en die nog altijd de harde kern van mijn geïnternaliseerde Googlebestanden uitmaken. Het was ook de door hem torenhoog neergelegde lat waarvoor het beste nog niet goed genoeg was, de arrogantie waarmee hij zich niet alleen bij vijfennegentig procent van de leerlingen maar ook bij vele collega’s gehaat maakte, zijn nauwelijks verholen minachting voor de provinciale mentaliteit van het slaperige ambtenarenstadje Middelburg. Het waren ook de muziekavonden bij hem aan huis, waar hij ons confronteerde met Stravinsky, Schönberg, Webern en andere modernistische componisten. Het was, kortom, de houding waarmee hij afstak tegen een milieu dat hij zelf veel te klein en te benauwend vond, maar waarin hij op een of andere manier toch wonderwel paste, als een personage in een satirische roman van Vestdijk of Bordewijk.
Jaren later, toen ik al veel ouder was dan hij in de tijd dat ik hem verafgoodde, kwam ik hem nog eens tegen bij een schoolreünie. Hij bleek mijn verrichtingen zo’n beetje te hebben gevolgd. Ik geloof niet dat hij er erg van onder de indruk was. En daarmee bleef hij wat hij altijd was geweest, de voor mij onbereikbare leermeester.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Kevin Headley"
    Kevin Headley

    Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

  • "Foto van Jasmijn Kenselaar"
    Jasmijn Kenselaar

    Jasmijn Kenselaar studeert in de zomer van 2025 af als toneel- en filmschrijver. Het samenbrengen van mensen en het aanbieden van nieuwe perspectieven kenmerken haar signatuur. Ze schrijft veel voor en over jongeren en plaatst haar verhalen vaak in werelden die een beetje – of heel erg – verschillen van de onze. Haar eindwerk De Ongewilden is een komische, sciencefiction-dramafilm over een zestienjarige wees die zich staande probeert te houden in een wereld die niet voor haar gemaakt is. Haar afstudeerscriptie As if! is een praktijkgericht onderzoek naar hoe schrijftechnieken kunnen worden ingezet om films en series te creeëren met een positieve impact op tieners. Voor afstuderend regisseur Julija Filipović schreef ze daarnaast De Golven – een vrije bewerking van de gelijknamige roman van Virginia Woolf. Haar korte film GENIUS is in juni 2025 te zien tijdens het Rotterdams Open Doek Filmfestival.

  • "Foto van Alexander Baneman"
    Alexander Baneman

    Alexander Baneman (Amsterdam, 1986) publiceerde in o.m. Tirade, De Revisor en De Parelduiker. In november verschijnt zijn debuutroman De schim van Raamswolde bij Van Oorschot.