Dat Amersfoortse

Ik was er al om halfzeven – vroeger dan aangekondigd, maar de stadsdichter haalde me zonder morren op bij het station. Terwijl we door het donker liepen, het generieke stationsplein achter ons latend, vertelde Twan dat hij die ochtend rond vijven was gaan slapen. Ik keek zijdelings naar zijn heldere oogopslag en verzorgde uiterlijk, zijn vlotte pas. Vierentwintig, dacht ik. Jezus.

Twan Vet is zo’n twintiger bij wie ik mezelf er steeds aan moet herinneren hoe jong hij is, waarschijnlijk omdat hij de zelfoverschatting en semi-leugenachtigheid mist die ikzelf op zijn leeftijd had. Misschien is het inderdaad beter om niet te bukken als het leven klappen uitdeelt. Dan heb je die maar vast gehad en zit je later met veel minder gêne.

Als aangenomen Amsterdammer ben ik van het ergste slag: vaker in het buitenland dan buiten de ring, en altijd schichtig als ik naar een andere Nederlandse stadskern moet. Liever naakt door Teheran dan naar de Hilversumse kermis. Maar Twan had zo liefdevol geschreven over zijn Amersfoortse stamcafé Van Zanten dat mijn bezoek vanavond voelde als een bedevaart. Daarnaast was ik als gast van de stadsdichter onschendbaar.

De lockdowns tijdens de pandemie hebben me laten zien hoe wezenlijk het cafébedrijf is, hoe cruciaal zo’n huiskamer voor een buurt kan zijn. Zowel op het internet als live dwalen we steeds rond in de bubbel die ons wordt aangedragen; zelfs als we uit eten of naar het theater gaan is dat zo. Alleen in buurtwinkels die geen supermarkt zijn en in het café op de hoek is er nog kans op een gesprek met omwonenden uit een andere laag.

Na tien minuten lopen door een binnenstad die verbaasde door schoonheid en een bijna gewijde stilte op deze vrijdagavond, kwamen we langs een afgeladen café. Het zal aan onze route gelegen hebben, maar het voelde alsof we uit de tijd gevallen waren en nu – al was het maar voor even – droomden van een vol café.

‘Hier is het,’ zei Twan, en drukte zijn sigaret uit in de asbak van een terrastafeltje. Hij hield de deur open en ik stapte naar binnen. Vanavond, besloot ik, zou ik Twans gastvrijheid belonen met de beste versie van mezelf.

Elk oogcontact bleek vriendelijk. Hoewel er geen zitplek meer vrij was vonden we na één biertje al twee krukken. Twan stelde me voor aan de barmannen, die meteen mijn naam onthielden. Steeds als we naar buiten gingen zodat ik een jointje kon roken, waren onze zitplaatsen daarna bezet en moesten we verkassen; de hele kroeg leek verwikkeld in een goedmoedig soort stoelendans.

Het personeel was vriendelijk, gul en zeer professioneel. Nooit meldde ik me met tegenzin aan de drukke bar – ik twijfelde er niet aan dat ik gezien werd, zo snel mogelijk geholpen zou worden. Had je eenmaal een zitplaats dan kwam er altijd wel iemand met een schort langs om je lege glas te vervangen door een vol.

Ik leerde Twans vrienden kennen en vond het uitstekend volk. Hoewel sterk uiteenlopend van leeftijd waren ze allemaal warm en geïnteresseerd. Ik kreeg zin om meteen een tweede bezoek aan Amersfoort vast te leggen, maar ken mijn eigen kroegenthousiasme inmiddels wel en wist me in te houden. Morgenochtend zou ik een heldere evaluatie maken en verdere excursies op basis daarvan plannen.

Toen het in me opkwam te vragen hoe laat het was, bleek de laatste trein al weg. Mijn beoogde vertrek was daardoor opgerekt met tweeënhalf uur, wat ik als uitstekend nieuws opvatte. Ik vroeg Twan of hij de tijd voor me in de gaten wilde houden – hoe heerlijk is dat? – en verloor me weer in het Amersfoortse.

‘Gil,’ zei hij na schijnbaar vijf minuten. ‘We moesten maar een beetje gaan wandelen.’

Ik scheurde me los uit Van Zanten, liet me naar de trein lopen en merkte dat ik misschien wat veel gedronken had. De vertrektijden op de informatieborden wilden niet stilstaan, maar goddank was er personeel dat gewend leek aan lamme Amsterdamse bijna-vijftigers. Niet veel later zat ik in de intercity die me – over Utrecht, dat dan weer wel – om halfvijf terug in mijn stad zou hebben.

Ik was verre van alleen in het treinstel. Tegenover me zaten twee studentenmannen die terugkwamen van een tegenvallend feest; de jongens waren zó chagrijnig dat ik er de slappe lach van kreeg, daarin de dame naast me meetrekkend.

Toen ik een uurtje later mijn elektrische tandenborstel in mijn mond stond te houden schaalde ik de omvang van de kater die me wachtte best hoog in, maar bij ontwaken viel het mee: de opgedane oxytocine woog ruim op tegen de brakheid en het slaapgebrek.

Ik appte Twan dat hij zijn stad uitmuntend vertegenwoordigd had, bakte een ei en vertelde B over Van Zanten, beseffend dat ik toch écht een stamcafé mis, eigenlijk al sinds de sluiting van BAR BEP op de Nieuwezijds.

Het ergste sloeg pas later in: Twan was tien toen dat gebeurde.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Kostbare kleinoden

Wachtend op een reactie van enkele literaire tijdschriften, ben ik maar begonnen een wat langere tekst op papier te zetten. Ik heb de afgelopen maanden zoveel korte verhalen geschreven dat ik nog zeker een jaar lang teksten naar tijdschriften kan blijven sturen (zeker als de tijdschriften op dit tempo blijven reageren).

Ik loop al lang rond met dit verhaalidee. In een van mijn eerste pennenvruchten beschreef ik dit thema al en de afgelopen jaren zijn er steeds kleine nieuwe elementen bijgekomen: iets wat ik heb meegemaakt dat er goed inpast, een bepaald beeld of een indruk, een uitspraak van iemand, een nieuwe gedachte die ertoe leidde dat ik meer diepte in het verhaal kon leggen. Ik hoop dat het de lengte houdt die ik nu voor ogen heb: een korte roman. Ik houd van korte romans.

Uiteraard, Oorlog en vrede is schitterend en ook over De ontdekking van de hemel hoor je me niet klagen, maar er is iets aan korte romans dat mij enorm aantrekt (laat ik een korte roman definiëren als een boek van maximaal 200 pagina’s). Een kleine zijweg: ik kom tegenwoordig, op borrels en laatst ook bij mijn studentenbadmintonvereniging, regelmatig mensen van mijn leeftijd tegen die Oorlog en vrede hebben gelezen en het schitterend vinden. Een van de badmintonners zei dat hij nu bezig was in Dode zielen, ook geen dunnetje. En afgelopen mei had ik zelfs met iemand een gesprek over Doctor Faustus (de rechtenstudent in kwestie probeerde mij ervan te overtuigen dat ik dat boek móest lezen). Het zijn overigens voornamelijk mensen die een studierichting in de geesteswetenschappen of rechten doen die die dikke boeken lezen: bij mijn eigen studie (biomedische wetenschappen) zijn de literaire geesten ver te zoeken. De enige lezers daar zeggen dat ze alleen in het Engels lezen omdat het Engels een wereldtaal is en daarom een betere literatuur heeft. Het Nederlands is geen wereldtaal en daarom is onze literatuur slecht. (Dat literatuur uit Scandinavische landen internationaal hoog wordt aangeslagen en dat de IJslander Halldór Laxness ooit de Nobelprijs voor literatuur heeft gekregen weten ze niet, net zomin als dat ze ooit van Rijneveld en zijn Booker Prize hebben gehoord.) Ook onder de docenten is de kennis van literatuur wat dun gezaaid: laatst hadden we een inleidend college over wetenschapsfilosofie waarin een arts een citaat van Bertrand Russell gebruikte en hij sprak (echt waar) de naam van deze Nobelprijswinnaar uit als Bertrân Ruselle (op zijn Frans dus). Maar wat ik wil zeggen: onder de studenten die niet aan de medische faculteit studeren valt de leescrisis waar veel over gesproken wordt volgens mij wel mee.

Terug naar de korte romans. Een andere badmintonner, een Amerikaan, vertelde me afgelopen zaterdagnacht (tijdens een studentikoos glow-in-the-dark-badmintontoernooi) dat in Zuid-Korea, waar hij enkele jaren als journalist heeft gewerkt, novelles en korte romans worden beschouwd als volwaardige, grote literaire werken: ‘They are looked upon as novels, as a separate art form,’ zei hij. Na hier nog wat over doorgepraat te hebben, verklaarde hij dat mensen in Zuid-Korea ervan houden om korte verhalen en korte romans te lezen. Hijzelf ook. Ik vroeg hem waarom. Mijn vraag bleef helaas onbeantwoord, omdat we op dat moment weer moesten gaan badmintonnen, maar laat ik die vraag eens aan mijzelf stellen. Ik houd ook van korte verhalen en kortere romans. Waarom?

Ik vind het leuk als een verhaal plotseling midden in een bepaalde situatie begint en dat die situatie onder het lezen steeds duidelijker wordt (zoals bij De gedaanteverwisseling van Kafka) of juist steeds absurder (zoals bij De neus van Gogol). Daarnaast heb ik het gevoel dat er in korte verhalen en korte romans vaker een grote drive naar voren valt te ontdekken: er is maar één verhaallijn die het verhaal voortdrijft en het verhaal ontvouwt zich daardoor ook sneller, wat leidt tot vaart. Ik ben minder geneigd om het boek even te laten rusten (De dood van Murat Idrissi van Tommy Wieringa heb ik bijvoorbeeld in één avond uitgelezen). Paradoxaal genoeg gaat het mij niet per se om het verhaal zelf, maar meer om hoe het verhaal is uitgewerkt: de sfeer, de beelden, de taal. Misschien kan er zelfs beargumenteerd worden dat een goede uitwerking ook zorgt voor een zekere drive of drang: een mooie beschrijving kan ervoor zorgen dat je blijft lezen, omdat je benieuwd bent naar de volgende mooie beschrijving. Wellicht is ‘interesse’ de juiste term: het is bij een korte roman of kort verhaal makkelijker om interessante elementen in het verhaal in te bouwen omdat je ze niet hoeft uit te werken of uit te melken. Als je van De neus of De gedaanteverwisseling een roman zou maken, zouden de verrassende elementen denk ik verwateren, waardoor deze werken niet meer die frisheid zouden hebben die ze nu hebben.

Tot slot vind ik raamvertellingen prachtig en ik heb tot nu toe weinig dikkere romans gevonden die als een raamvertelling zijn opgebouwd terwijl er veel korte romans zijn die deze vorm hanteren (mijn korte roman is overigens ook een raamvertelling). Ik heb bij raamvertellingen altijd het gevoel dat ik naar iemand zit te luisteren die een verhaal vertelt of een geschiedenis op papier heeft gesteld (zoals in Ethan Frome van Edith Wharton). Er klinkt voor mijn gevoel een duidelijke stem in door en dat vind ik prettig: het verhaal voert me dan veel meer mee.

Ik moet echter wel zeggen dat ik na enkele korte romans gelezen te hebben, ook altijd weer zin heb in een langere. En omgekeerd geldt dat ook: na enkele langere romans heb ik weer zin in een korte. Maar goed, hierdoor ontstaat er balans.

En nu ga ik weer schrijven.

"Foto van Sybren Sybesma"
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Vijftien jaar

Na een slopende schrijfavond schuifelde ik de Boothill binnen en hees mezelf op een kruk. Ik wilde eigenlijk niet gaan, want ik was vermoeid, lag overhoop met een gedicht en wilde verdwijnen in het werk van iemand anders, maar toch was ik gegaan.

Er werd me een koud flesje toegeschoven over de bar. Jol, Swiet en Eef zaten er al en waren druk in gesprek. Omdat ik altijd even tijd nodig heb om uit mijn hoofd te raken na het schrijven, luisterde ik naar hun gesprekken en keek tevreden wat rond.

Aan mijn rechterkant zat iemand een glas rode wijn te drinken. Ik knikte even, herkende haar nergens van en draaide me weer naar de rest toe. Swiet was uitgedost in het oranje: er was net voetbal gekeken – er was iets met het Nederlands elftal en de winst – en ik biechtte op dat ik sinds mijn vijftiende niet meer naar voetbal had gekeken, en dat dit WK wel het slechtste toernooi zou zijn om weer te gaan kijken, maar dat ik vroeger wel Van der Sar wilde worden. Het werd me vergeven.

Ik raakte met Eef, huisgenoot en vriendin van Swiet, aan de praat. Ze haalde Hegel aan, citeerde Aristoteles en Plato en ik probeerde mezelf vrij te pleiten met het feit dat ik Latijn in mijn eindexamenpakket had, in plaats van Grieks. Eef bleek een fervent lezer, en ze liet me wat verlegen haar Goodreads (mijn favoriete app na Thuisbezorgd) zien: Orwell, Tolstoj, Austen, maar ook Marx, Fry en Darwin. Dit was een serieuze lezer, dacht ik, en weinig dingen maken me zo gelukkig als leuke gesprekken met leuke mensen over boeken met een biertje voor mijn neus, dus vuurden we boekentips op elkaar af, gaven af op dat boek van Bregman en ventileerden onze fascinatie voor 1984. Eef met al haar aandoenlijke bescheidenheid, ik nog net niet met dubbele tong. Het meisje aan mijn rechterkant had zich inmiddels voor ons langs in een gesprek gestort met Jol en Swiet en ik herkende haar nog steeds niet.

Na ongeveer een uur sprak een van de barmannen me aan.

‘Jij bent Twan, toch?’

‘Ja, dat ben ik, denk ik,’ zei ik en perste een glimlach op mijn gezicht.

‘Ik heb bij jou op de basisschool gezeten! Wesley, weet je nog?’ zei hij en zijn ogen begonnen te fonkelen.

‘Jezus, ja!’ riep ik uit. ‘Wes! Van De Marke!’

Wes knikte en schudde me de hand. Vanaf groep drie was ik bevriend geraakt met Wes, maar ik verhuisde en sindsdien hadden we elkaar nooit meer gesproken. Het meisje aan mijn rechterkant wendde zich naar me, en staarde me een tijdje aan.

‘Wacht, heet jij Twan?’ zei ze, en bleef me aankijken. Ik knikte bevestigend. Er viel niets meer te ontkennen.

‘Sharon! Ik ben Sharon! Ik ben je oude buurmeisje!’ riep ze nu uit. Haar ogen werden groot en ze sloeg haar hand voor haar mond.

‘Jij was vroeger mijn beste vriendin! Sharon! Jeetje, Sharon!’ stamelde ik, terwijl er flitsen van mijn jeugd door mijn hoofd schoten. Het leek alsof de verwarming tien graden hoger was gezet. We omhelsden elkaar, bleven nog ruim een uur in een bijna verlammende staat van verbazing en blijdschap en probeerden vijftien jaar bij te praten in één avond. Sharon was mijn oude buurmeisje, en we waren vroeger onafscheidelijk. Er waren weinig dingen die we zonder elkaar deden. Omdat ik verhuisde rond mijn achtste, had ik haar nooit meer gezien. Toch was ik haar nooit vergeten: zij was de dappere, ik de bange en ik had meerdere malen geprobeerd haar op te zoeken de afgelopen vijftien jaar, maar het leidde altijd tot niets.

Ik was nooit vergeten dat ze, wanneer ik iets niet aandurfde, altijd zei: ‘Als ik het kan, kan jij het ook.’ Door haar had ik mijn zwemdiploma gehaald, omdat ze die woorden tegen me riep toen ik het water niet in durfde te duiken. Ik had die zin in de jaren daarna nog vaak tegen mezelf herhaald, met haar in mijn achterhoofd. Tot het moment waarop ze al een uur lang naast me had gezeten, en we elkaar totaal niet meer hadden herkend.

Bijna was ik niet de stad ingetrokken, en dan had ik Sharon gemist. Wie weet hoe lang het had geduurd voordat we elkaar dan waren tegengekomen, sterker nog: of we elkaar ooit nog waren tegengekomen. Maar het was gebeurd: na vijftien jaar zat mijn beste vriendin weer naast me op een kruk. We waren allebei groter, ouder en een beetje wijzer geworden, maar het voelde nog steeds als vroeger. Als ik met mijn ogen knipperde, zat dat meisje van negen weer naast me, met haar lange haren, in een bloemenjurkje, met de onbevangenheid die toen om haar heen hing. En ik was weer heel even het jochie met de stekeltjes, in een tuinbroek, met zwemangst.

Ik keek de hele avond opzij, om er zeker van te zijn dat ze er écht was. Het was zo. En ze ging niet meer weg. We wisselden nummers uit, omhelsden elkaar nog een keer stevig, en spraken af om de volgende ontmoeting niet weer vijftien jaar uit te stellen.  

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

In it to Guinness 3

Vanuit de poli van Bon Secours Hospital kijk ik uit op een parkeerplaats waar kleine auto’s komen en gaan. Ademen met gekneusde ribben valt tegen, maar ik heb pijnstillers gekregen waarvan ik begrijp dat ze elk moment zullen inslaan.

Col heeft zijn afspraken voor de dag afgezegd en loopt al een paar uur rondjes buiten. Hij liep eerst rondjes in de onderzoekskamer en daarna in deze wachtzaal, uiteindelijk liet hij zich wegsturen door een baliemedewerker. Het opvliegerige dat hij in films zo goed speelt zit ook ergens in hem. Ieren zijn warm en grappig, maar niet bang om geraakt te worden of zelf klappen uit te delen.

Door de ruit naast de ingang zie ik Colin heen en weer gaan. Hij houdt zijn telefoon met één hand voor zich uit en gebaart wat zoekend met de andere, mompelt in zichzelf. Misschien is hij zich aan het voorbereiden op een rol.

Ik had meer gehoopt voor onze dagen in het Ierland van mijn vriend, maar we maakten toch mooi Halloween mee en gingen samen naar een festival. In een plattelandspub danste ik met Cruella De Vil op Wicked Game, en dan vergeet ik bijna nog het feest in Slane Castle.

Omdat ik geen jasjes heb mocht ik er een van Colin lenen. Hij lachte toen hij het me gaf en bij het openritsen van de hoes snapte ik waarom: roze linnen is meer iets voor California en detoneert hier in het Ierse.

Het feestje, dat als kalme borrel begon maar al snel uit de hand liep, eindigde met een malle danspartij in een suikertaart van een kamer met spiegelwanden en krullerig meubilair. De zanger van een bandje dat ik niet kende maar dat in Ierland kennelijk hoog aangeschreven staat, zag mijn roze jasje en maakte daaruit op dat Colin en ik een item waren, waarop Col – die bij de aanpalende stokerij misschien iets te nauwkeurig had geproefd – mijn eer dacht te moeten verdedigen.

‘Ik ben trots op onze liefde,’ herinner ik me geroepen te hebben, waarop Colin, van wie ik dacht te weten dat hij geen homofoob is, me verraste door me toe te sissen dat dit soort grappen hun tijd en plek kenden en dat dit het moment noch de locatie was. Omdat hij het met die wenkbrauwen en dat strenge zei schoot ik weer in de lach, waarna de zanger van het bandje, die de hele tijd zijn zonnebril had opgehouden, kusgeluiden maakte.

Voor ik snapte wat er ging gebeuren had Col hem vol op zijn kaak gemept. De zanger ging neer en werd uitgelachen door zijn gitarist, wiens naam ook niet bij me is blijven hangen.

‘I’ll rattle and hum all up and down yer arse,’ zei Col met wijdopen neusgaten, zijn vuisten langs zijn zij.

De politie werd uiteindelijk niet gebeld, maar de eigenaar van het kasteel – de wat verwaaid ogende en heel vriendelijke Henry – vroeg ons wel om te vertrekken. Colin likte zijn geschampte knokkels en knikte kort. Voordat we naar buiten stapten dook hij de garderobe in en tilde naast zijn eigen overjas een zwart jack van een hanger. Het glom als de veren van een raaf en had van die leren franje over rug en mouwen.

Omdat het boze hem nog niet verlaten had zei ik er maar niets van. Op het bordes ging Colin kalm door de zakken van het jack en trof een pakje Marlboro lights en een Cartier-aansteker.

‘Echt of nep?’ zei ik terwijl we aan de lange laan naar de toegangspoort begonnen.

‘Ze smaken goed,’ zei Col, en liet de rook zijn mond uit stromen. Hij bood me een sigaret aan.

‘Nee, dank je. Ik bedoel de aansteker.’

Met een boogje mikte hij sigaretten en aansteker in een cluster rododendrons. ‘Niet naar gekeken.’

Het jack hield hij bij zich tot we bij de doorgaande weg kwamen. Daar gaf hij mij zijn overjas en trok zelf het jack aan. Onmiddellijk veranderden zijn houding en motoriek: het blijft me verbazen hoe hij zó in de huid van een ander kruipen kan.

‘Wacht,’ zei ik, en haalde mijn zonnebril uit de binnenzak van het roze jasje. Ik klapte hem open en zette hem op Colins neus. Ik kan het niet beter omschrijven: hij wás de irritante zanger van het bandje.

Er reed niet veel voorbij, maar de derde wagen waarnaar ik mijn duim opstak pikte ons op. Col opende het portier en klapte de bijrijdersstoel naar voren, liet me instappen voordat hij zelf naast de bestuurder plaatsnam.

‘Ik kan het niet geloven,’ zei de rossige vrouw achter het stuur. ‘Ben jij het echt?’

Colin kantelde zijn hoofd en glimlachte met exact de valse bescheidenheid die ik bij de zanger had gezien.

Hoofdschuddend reed de vrouw de weg weer op. ‘Ik heb ál jullie platen.’

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Vrienden, voelen

Op een vlakke, druilerige, haast doodgewone woensdagavond zat ik aan een tafel in mijn stamkroeg, met een kopstoot voor mijn neus. In mijn binnenzak zat een gedicht. Ik ben niet iemand die de godganse dag met een gedicht van eigen hand in zijn binnenzak rondloopt, gelukkig: rond een uur of twee zou ik gebeld worden door de radio, om als nachtdichter een gedicht voor te dragen.

Iels zat tegenover me – ik ontmoette haar in de kroeg, en we raakten voor mijn doen bijzonder snel en goed bevriend. Ik vind het lastig om de deur naar mijn bestaan voor mensen open te zetten, maar Iels zette geduldig en zacht een voet tussen de deur. Ze is het soort vriendin dat soep maakt, vraagt hoe mijn dag is en dan oprecht geïnteresseerd is in het antwoord, en me een afzichtelijke bijnaam geeft, maar die alleen uitspreekt als er niemand anders bij is. Iels heeft het boekje met zeventien gedichten, dat laatst uitkwam, trots op haar tafeltje liggen en vertelde me dat ze anderen soms voorleest uit dat bundeltje. Ik bloosde ervan, omdat het boekje bij mij ergens in de kast staat, omdat ik het vreselijk ongemakkelijk vind om werk met mijn eigen aangezicht in het zicht te laten liggen in mijn eigen huis.

Ik was zenuwachtig, zoals gewoonlijk. Voor ieder optreden, of het op de radio, voor een publiek, of voor een video is, ben ik gespannen. Het is gezonde spanning, denk ik, want zonder die zenuwen word ik gemakzuchtig, schakelt mijn brein over op de automatische piloot en lees ik belabberd voor. Na het legen van het glaswerk bestelde ik nog een kopstoot en Iels en ik praatten wat, om de aandacht af te leiden. Bob Dylan vulde op de achtergrond geruststellend de kroeg.

Later sloot Jef aan, een vriend van mijn buurman en ondertussen ook een vriend van mij. Hij komt de laatste tijd vaker naar mijn stamkroeg, en ik haak aan als hij naar zijn stamkroeg gaat. Tegen twaalven kwam barman Bas ook nog binnen geschuifeld, en voegde zich ook bij ons groepje. Een fijne tafel, dacht ik, toen ik rondkeek, en fijne mensen, ook. Ze voerden geanimeerde gesprekken, lachten, en dronken door. Ik deed vooral mee met dat laatste.

Eigenlijk wilde ik rond een uur of één naar huis gaan, om daar, in alle eenzaamheid, het gedicht voor te lezen, maar ik bleef. Van bardame Suus mocht ik in de ruimte ernaast zitten, en toen we daar binnenliepen, leek het alsof het niet anders had kunnen zijn: er stond een ronde tafel in een hoek, met een gedimde, gele lamp erboven, precies zoals ik vroeger altijd dacht hoe dichters zaten te werken. Ik ging zitten, zette mijn biertje neer en streek mijn papiertje glad.

De rest zou uitwaaien naar hun eigen huizen, want er waren wekkers en banen die zich met hun levens bemoeiden. Na een paar minuten zag ik toch de hoofden van Iels, barman Bas, Jef en bardame Suus om de hoek steken. Ze vroegen of ik het goed vond als ze stilzwijgend aan zouden schuiven, en ik knikte. Het was ineens een moment geworden.

Het voorlezen ging goed. Nadat ik opgehangen had, begon de groep haast euforisch te juichen. Ik schrok er zelfs van. Ik had verwacht dat ik vanaf de bank het gedicht zou voordragen, de verbinding zou verbreken, een sigaret zou opsteken en dan weer achter mijn laptop zou kruipen om in alle rust te schrijven, maar daar zat ik, aan een filmisch verlichte tafel, omringd door mensen die op waren gebleven voor mij. Het slaaptekort, zo beloofde ik, zou ik een andere keer goedmaken met een rondje.

Terug in de kroeg proostten we, en werden er lieve woorden gesproken – ik kreeg het idee dat zij trotser en blijer waren dan ik. Natuurlijk, ik vond het bijzonder en eervol, maar het is fijn om je veters zo strak te strikken, dat je er in geen mogelijkheid naast zou kunnen gaan lopen. Van losse veters en arrogantie ga je struikelen, en klagen gaat me nu eenmaal beter af dan vieren.

Ik mompelde wat relativerende woorden, zei dat het een eer was, maar ook weer niet zo groot, en wuifde het moment een beetje weg, maar ze bleven onverminderd enthousiast. Dat is het wonder van omringd zijn door oprechte vrienden. Ze leven met je mee. Ze zeggen de dingen die je zelf niet kunt zeggen. En soms voelen ze dingen – zoals trots en blijdschap – voor je, omdat je het zelf veel minder goed kan dan zij.

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Gaatjes

Op haar zesde verjaardag wilde ik Ada gaatjes voor oorbellen geven. Het leek me een mooi vader-dochtermoment en de dochter in kwestie reageerde enthousiast.

Ondanks onze inspanningen om haar genderblauwdrukvrij te laten opgroeien, is Ada een meisje geworden dat van roze houdt en dat het liefst op glitterhakken loopt. Ik moet wel aantekenen dat ze op die hakken net zo makkelijk een boom in klimt als haar grote broer.

Omdat mijn kado als activiteit op een kaartje stond en dus niet erg opviel tussen de legoset van opa en oma en de Barbie-ambulance (Ken is broeder, Barbie arts), leek Aad de belofte van gaatjes alweer een beetje vergeten toen ik haar aan het einde van de week opeens tegen schoolgenootjes hoorde zeggen dat ze oorbellen zou krijgen.

Ik was er opzettelijk niet over begonnen, omdat ik hoopte dat ze zich niet gedwongen zou voelen het te laten doen. In het verlengde daarvan merkte ik dat ik het zelf een naar idee vond om chirurgisch staal door de perfecte oortjes van mijn kind te laten knijpen.

‘Het doet wél even pijn,’ zei ik toen ze vroeg wanneer we naar de winkel zouden gaan. ‘Dat snap je toch? Die staafjes gaan door je oorlel heen.’

‘Vind ik niet erg,’ antwoordde Aad. ‘Want als je groot wordt dan doen soms dingen een beetje pijn.’

Ik vond het wijze woorden en ging op zoek naar een betrouwbare aanbieder, maar merkte dat wat me een bijzonder moment geleken had steeds meer aanvoelde als verminking met voorbedachten rade. Op de verjaardag van een vriend met wie ik op de middelbare school veel blowde, kwam het probleem ter sprake. Zijn dochter koos zijn vijftigste om met haar pa een joint te roken en ik zag de tweestrijd op het gezicht van mijn makker.

Je snapt wat er fijn aan is en je weet dat je geen recht van spreken hebt; je weet dat ze het zonder jou óók doen, maar een brandende joint doorgeven aan je dochter, die de rook daarop diep haar frisse witte longetjes in zuigt: nee.

‘Maar Ada wil het toch zélf?’ vroeg mijn vriend, voor wie mijn probleem nu wel heel klein moest lijken.

De volgende dag pikte ik haar op van school. ‘Ik dacht,’ zei ik in een van die ongeschonden roze oortjes – ze zat op het zitje op mijn stang – ‘dat het nu misschien een goeie dag voor gaatjes is. Als je die nog wilt.’

‘Yesss!’ zei Aad.

Een veel eenduidiger antwoord leek onmogelijk, en dus trapte ik naar de hellebocht die de Nieuwendijk heet, om iets van ijzer door mijn kind te laten duwen. De mevrouw ter plaatse was uitermate vriendelijk, maar zich ook duidelijk bewust van de hoogte van haar huur.

‘Voor de kleine oortjes raden wij altijd goud aan,’ zei ze. ‘Dat is het allerbest. Twee gaatjes is vijfenzestig, en u krijgt er dan ontsmettingsvloeistof bij.’

Ik keek naar het kartonnen bord met voorbeeldknopjes en wees naar het bovenste paar. ‘In mijn tijd waren die van chirurgisch staal. Als het maar niet roest, toch?’

Ze keek me even aan, knipperde met haar opvallend lange wimpers. ‘Natuurlijk. Die zijn óók het beste. Dan is het vijfendertig. U krijgt er dan ontsmettingsvloeistof bij.’

Met een stift die nog het meest deed denken aan een verbrande cocktailprikker markeerde ze op elk lelletje het beoogde gat. Ik zette mijn bril af, kneep mijn ogen tot spleetjes.

Dit kan maar één keer, zei ik tegen mezelf, denkend aan mijn schoonzus bij wie de gaatjes te laag in de lel geschoten werden. Sterre heeft daardoor nooit oorbellen kunnen dragen. We verzetten de puntjes nog een paar keer. Ik nam afstand, stapte dichterbij, maakte een foto en hield die Ada voor.

‘Zo doen, lief?’

Ze drukte haar lippen zo stijf opeen dat haar mond een streepje werd en gaf een korte knik. De mevrouw pakte haar gaatjestang en zette die op dat zachte roze oortje, kneep. Voordat de tranen kwamen deed ze snel het tweede. Ada kreeg een lolly, maar moest nog best een tijdje huilen.

‘Nu ben ik groot, toch?’ hikte ze toen haar stem het weer deed.

‘Je bent enorm,’ zei ik. ‘Echt een grote meid van zes. En weet je wat? Je mag alvast oorbellen uitzoeken, voor als je knopjes eruit kunnen.’

Ik keek naar het rek met parels en geslepen steentjes, naar hangers met schijfjes van turkoois. Nasnikkend liep Ada langs het aanbod. Wat ze ook zou kiezen, besloot ik, kreeg ze. Dat mijn zakgeld voor de maand al lang op was zou ik later oplossen.

‘Deze!’ zei ze uiteindelijk, en toonde trots een kartonnetje met roze hangers in de vorm van ijsjes. Eenmaal buiten leek de pijn vergeten, en op de fiets sprak ze bij elk stoplicht alweer vreemden aan.

‘Ik heb gaatjes,’ zei ze tegen een gebogen man met tassen vol flessen aan zijn stuur.

‘Dat is mooi, schat.’

‘Als je groot wordt dan doen dingen soms een beetje pijn.’

In stilte fietste de man met ons op. Even was het alsof ik op de bagagedrager zat, alsof het Ada was die naast de flessenman reed. Ik keek naar zijn vervaalde jas, de kraag glimmend van het huidvet onder zijn geklitte haar. Toen we een glasbak naderden, stopte hij met trappen.

‘Lieverd,’ zei hij, knijpend in zijn remmen. De stoeprand nam hij met een fel gerinkel. ‘Zo is het nou precies.’

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Jan Lodewijckx"
    Jan Lodewijckx

    Jan Lodewijckx (1990) had het wel even gehad op kantoor. Hij kocht een zware fiets en een kleine tent en zegde zijn werk op en zijn appartement.

  • "Foto van Twan Vet"
    Twan Vet

    Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

    Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

    De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

    Foto: Roderique Arisiaman

  • "Foto van Sem van de Graaf"
    Sem van de Graaf

    Sem van de Graaf (2002) schrijft absurde verhalen die uit de bocht vliegen en toch een sterke moraal communiceren. Zijn werk is komisch, vervreemdend en oprecht.Hij studeert af van Writing for Performance aan de HKU met het lange filmscenario ‘Een stoel, de dief en Elske’ en zijn onderzoek ‘Handen’. Verder schrijft hij toneel voor verschillende groepen, waaronder zijn eigen collectief ‘bröd’ waarmee hij met de gelijknamige voorstelling in Zaal 3 stond. Zijn VHS-korte films stonden op het Rotterdams Open Doek en het Gouds Filmfestival, waar hij de prijs won voor Beste Film Jong Talent.