In rotsen grijs: Busreis (II)

In de verte ziet ze de volgende halte liggen. Nog een paar te gaan, en dan is ze bij het station. Ze moet denken aan Beyond, die oude legendarische Hongkongse band. Een van hun nummers werd het volkslied van de protesten in 2014. En ook nu werd het lied gespeeld. Houd vast aan je idealen, zingen ze.

Idealen. Ze was erbij toen ze de universiteit bezetten. John was daar ook. Samen liepen ze door de lege universiteit en spoten leuzen op de muren: ‘Geen relschoppers, alleen tirannie!’ en ‘Vijf eisen, geen een minder’. De politie probeerde binnen te komen, maar ze hadden barricades opgeworpen en ze gooiden stenen en Molotovcocktails. De politie belegerde de universiteit. Hoe kwamen ze nu weer buiten? De politie beloofde hen een vrije doortocht, maar de mensen die daar gebruik van wilden maken werden opgepakt. Het riool bood uitkomst, maar wat hadden ze nu eigenlijk met deze bezetting bereikt? Hun afval bleef achter.

Idealen. Mark is gearresteerd en zit nu in een cel. Edward is gevlucht en nu neemt zij ook de benen. Ze hoopt dat ze niet wordt gezocht.

De bus stopt bij de halte. Mensen stappen in, mensen stappen uit. Ze let er niet op. Ze leunt met haar hoofd tegen het raam, haar ogen halfgesloten. Vlak voordat de bus vertrekt stappen er drie agenten in. Ze ziet ze pas als de bus wegrijdt. Gelukkig heeft ze een mondkapje op en valt de schrik niet van haar gezicht af te lezen. Ze recht haar rug. Haar hart klopt in haar keel. De agenten staan voorin de bus. Ze vragen de passagiers om hun identiteitskaart te laten zien. Haar handpalmen beginnen te zweten. Ze wrijft ze tegen elkaar. Eerste bankje. Een agent kijkt toe terwijl de andere twee aan weerszijden van het gangpad de passagiers afgaan.

‘Mevrouw… Dank u wel.’

‘Meneer… Dank u wel.’

Elke pas scannen ze, om te zien of de persoon op een of andere lijst voorkomt. Ze zijn bij Johns bankje.

‘Meneer…’ De agent scant de pas en kijkt op. Hij wenkt de agent die toekijkt. Ze legt haar hoofd weer tegen het raam. Foute boel. Haar hartslag versnelt en ze wrijft haar handpalmen weer tegen elkaar. Het zal toch niet? 

‘Meneer, komt u mee?’ zegt de agent. ‘U staat onder arrest. Verweert u zich alstublieft niet.’ Hij gebaart dat John moet opstaan.

John kijkt hulpeloos om zich heen. Daarna staat hij op. Zij vangt zijn blik op. Ze reageert niet, maar ze probeert zijn blik zo lang mogelijk vast te houden zodat hij begrijpt dat zij weet wat ze nu moet doen. John loopt met de agenten mee. Ze stappen bij de volgende halte uit. Zijn reisgenoot blijft alleen achter. Hij kijkt achterom naar haar. Ze knikt hem toe. De bus rijdt verder.

Idealen. Een vrij Hongkong. Ze voelt zich een verrader. Maar ze heeft geen andere keus. Als John niet voorin had gezeten, was zij misschien wel de klos geweest.

Er rest haar nog een taak. Ze pakt haar telefoon en begint John en Johns berichten te wissen uit de verschillende appgroepen. Daarna wacht ze even, werpt een korte blik naar buiten en verwijdert zichzelf en haar berichten ook. Ze stopt haar telefoon weg. Onwillekeurig kijkt ze even achterom en ze ziet Mark en Edward die haar lachend opwachten in de hal, een mensenmenigte op straat met spandoeken, een pianorecital dat zij ooit als klein meisje gaf in het huis van haar grootouders, haar ouders om de tafel met de hele familie, dim-summend, lachend, pratend, zingend, John die de bus uitstapt, geflankeerd door agenten. Ze draait zich langzaam weer terug.

Bij het station stapt ze uit en neemt de sneltrein naar het vliegveld.

"Foto van Sybren Sybesma"
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

In de Oorshop

Het mooiste wat er is

de één zegt ruiters de ander zegt infanterie
een derde zegt een vloot is op de zwarte aarde
het mooiste wat er is – maar ik zeg dat het is
waar je van houdt

Zo luidt de eerste strofe van Sappho’s fragment 16. De hier geponeerde stelling wordt in het vervolg van het gedicht onderbouwd aan de hand van een uiteenzetting over de overrompelende kracht van de liefde. Sappho begint deze uiteenzetting op een zakelijke, afstandelijke manier: ze haalt het klassieke voorbeeld aan van Helena, die uit blinde verliefdheid op Paris naar Troje zou zijn vertrokken, zonder daarbij acht te slaan op haar verplichtingen jegens haar man, haar kind of haar ouders. Maar midden in dit verhaal over Helena breekt Sappho’s argumentatieve toonzetting, en schrijft ze opeens het volgende:

maar dit doet me nu denken aan Anaktoria
die niet hier is

Zoals Helena werd overrompeld door haar verlangen naar Paris, zo wordt Sappho binnen dit gedicht zelf overrompeld door haar eigen verlangen naar Anaktoria. Anaktoria is hier niet, ze hoort niet thuis in de gedachtegang van het gedicht, maar toch dringt ze er binnen. Anaktoria neemt het gedicht over omdat Sappho aan haar moet denken, omdat Sappho’s concrete liefde sterker is dan het abstracte argument – en dit zet natuurlijk nu juist haar argument kracht bij. Show, don’t tell.

            Terug naar de eerste strofe. Hier worden vier standpunten achter elkaar geplaatst. Het is duidelijk dat de eerste drie hiervan op één lijn staan: er zijn drie legerafdelingen, en er heerst blijkbaar een discussie over welke de beste is. De structuur van de strofe lijkt te suggereren dat Sappho een vierde alternatief presenteert, dat eenvoudigweg gezien moet worden als een nieuwe positie in het debat. Maar dat zou nogal maf zijn: waarom ze zou ‘ruiters’ en ‘dat waar je van houdt’ presenteren als twee gelijkgestelde opties?

Ik denk dat het beter is om de vierde optie te lezen als een overkoepelend standpunt, dat de andere drie als het ware in zich opneemt en daarmee een definitief einde aan de discussie probeert te maken. Je kunt wel vinden dat schepen mooier zijn dan soldaten of paarden, maar uiteindelijk heeft het geen zin om hierover te bekvechten. De legerafdelingen hebben namelijk geen feitelijke, bediscussieerbare schoonheid, want het is slechts jouw liefde voor de dingen die ze mooi maakt: het is waar je maar van houdt. Schoonheid is een subjectieve kwestie. Om dit te illustreren moet Sappho daarom uiteindelijk ook uitkomen voor haar eigen verlangen, en kan ze niet op abstract niveau blijven redeneren.

            Zo’n 600 jaar na Sappho publiceerde de Romeinse dichter Horatius zijn Carmina, een reeks gedichten die qua vorm in de traditie staan van de Griekse lyrici. In het eerste, programmatische gedicht van de bundel bespreekt Horatius waarom hij ervoor gekozen heeft om dichter te worden. Ik geloof dat de opbouw van het gedicht gelezen moet worden als een knipoog naar Sappho’s fr. 16. Horatius geeft eerst een opsomming van verschillende roepingen: sommige mensen zoeken hun roem in paardenraces, anderen zijn trotse boeren, anderen varen de wereld rond als kooplieden, weer anderen zijn overtuigd dat luieren de beste dagbesteding is, of zijn verzot op het jagersbestaan. Daarna spreekt hij over zichzelf:

als je mij rekent tot de lyrische zangers
zal ik met mijn verheven kruin tegen de sterren slaan

Ook hier kunnen we ons afvragen: hoe verhoudt deze laatste optie zich tot de roepingen die Horatius niet verkiest? Is het beroep van een dichter gewoonweg een alternatief dat op hetzelfde niveau staat als dat van een boer, een koopman of een jager? Volgens mij houdt de optie die Horatius als laatste presenteert, net zoals bij Sappho’s fr. 16, veeleer een overkoepeling in van de opsomming die eraan voorafgaat. Voordat hij zegt dat hij een dichter is toont Horatius namelijk dat hij een dichter is, door in virtuoze verzen de andere beroepen te beschrijven.

Bij het fenomeen van ekfrasis geeft een dichter een omschrijving van een kunstwerk in een ander medium, bijvoorbeeld een schilderij, een sculptuur of een borduurwerk; deze beschrijving overstijgt in haar rijkheid of detail vaak de mogelijkheden van dat medium zelf, en toont daarmee dat het woord meer vermag dan verf, steen of draad. Een dergelijke machtsgreep lijkt Horatius hier uit te oefenen, maar dan in termen van beroepen: je kunt geen dichter verbouwen of varen, maar je kunt wel over een boer of een koopman dichten. Daarom stijgt de dichter uit boven de mensen met andere roepingen, zo letterlijk dat hij met zijn hoofd tegen de sterren stoot.

Maar dit is niet alleen maar een kwestie van opscheppen. Wie de rest van Horatius’ werk kent, zal opmerken dat zijn beschrijvingen van de verschillende beroepen elementen bevatten die elders in zijn poëzie terugkeren. Horatius schrijft over zijn eigen ervaringen in de oorlog, over zeetochten, over de natuur, over drinken met vrienden en over luieren in het gras. Ik denk dat Horatius hiermee impliceert dat zijn keuze voor het dichterschap niet zomaar een carrièremove was, maar voor hem de enige manier is waarop hij het hele leven kan vatten.

In Hannah van Binsbergens nieuwe bundel Kokanje (2022) staat een gedicht dat mij qua structuur ook aan Sappho fr. 16 doet denken. Het heet “Verdediging van de herfst ten opzichte van de lente” en opent met twee sprekers die ieder een argument leveren voor de superioriteit van het voorjaar. De een meent dat het te maken heeft met het retrospectief beschouwen van een belofte van een nieuw begin, en de tweede dat het ligt aan de ervaring van de herhaling van de seizoenen. Maar dan stelt de dichter: “Zij weten niets. Het mooiste is oogsten.” Alle ingewikkelde tijdstheoretische ideeën over hoop, herinnering en herhaling worden aan de kant gezet ten gunste van de concrete aanwezigheid van de oogsttafel. De herfst is namelijk het seizoen “waarin we zeggen dat we niets te vrezen hebben van de tijd”. Net zoals in Sappho’s fr. 16 mondt het argument uit in de onmiddellijke overrompeling van het moment:

De voet van je disgenoot scheert langs de jouwe. Het is opzet: in de herfst moet je verliefd worden. Waar wacht je op? Er valt NU een blad in het licht van een lantaarn.

"Foto van Kyrke Otto"
Kyrke Otto

Kyrke Otto (1995) studeerde filosofie en klassieke talen en is momenteel werkzaam als docente en promovenda aan de Radboud Universiteit, waar ze onderzoek doet naar de rol van aforistische schrijfvormen in de Lebensphilosophie-beweging. In bredere zin interesseert ze zich voor kwesties van genre, stijl en methode en de relatie tussen filosofie en literatuur. Essays en gedichten van haar hand verschenen o.a. in De Gids, De Nederlandse Boekengids en Tirade.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Dag, Dottie

Dottie kwam bij ons wonen toen ik in de eerste zat. Als ik met mijn fiets door de poort kwam, stormde ze blaffend op me af, haast klaar om me als een inbreker te verscheuren. Het leek altijd alsof ze een paar meter voor me tot de realisatie kwam dat ik het was en dat ze haar tanden niet in mijn tienervlees hoefde te zetten. Ze vleide zich tegen me aan, likte mijn gezicht en droop tevreden weer af, om in haar mand verder te dromen over botten, gespierde, mannelijke soortgenoten of grasvelden.

De eerste jaren van mijn middelbare schooltijd had ik veel steun aan haar: hoe veel toetsen, ruzies, gebroken harten en ander puberdrama ik ook met me meetorste naar huis, ze was er altijd als ik mezelf over de oprijlaan sleepte. Ik leerde haar elk gezicht af te likken dat maar binnen tongbereik kwam, vroeg haar zo vaak een high five te geven dat ze al begon te zuchten als ik mijn hand opstak en tilde haar  om de haverklap op, zelfs toen ze al volgroeid en volwassen was. Ze liet het allemaal gelaten toe.

Dottie was eigenwijs, afwachtend, maar vooral enorm lief. Ze liep niet, maar ze sjokte. Ze keek niet, maar ze observeerde. Ze knuffelde niet, maar ze drukte haar lijf zo intens tegen je aan, dat het leek alsof ze probeerde met je te versmelten. Ik heb haar soms vervloekt, als ik met mijn nette, gymnasiumconforme kleren ergens naartoe ging, bijna bij de deur was en werd ingekleurd door haar modderige of natte poten als een werk van Pollock. Als ze daarna naar me keek met een blik die zelfs een hondenhater aandoenlijk zou vinden, was alles goed en draaide de wasmachine weer wat rondjes. In de pubertijd was bijna elk probleem weg te wassen.

Toen ik uit huis ging en minder vaak thuiskwam, miste ik haar – ik was gaan houden van die hond, zoals alleen hondenliefhebbers kunnen begrijpen, denk ik. Ze hoorde bij mijn jeugd, was deelgenoot geworden van wat nu een ander leven lijkt.

Nierfalen. Het drukte haar naar de grond, amper tien jaar – zelfs voor een hond te jong. Ze werd minder levenslustig, kwam nog wel knuffels halen, maar leek amper meer op de hond die ik kende van vroeger.

De dierenarts was al weg, toen ik de oprijlaan op trapte. Mijn moeder stond met tranen in haar ogen in de deuropening. Daar lag Dottie, in haar blauwe mand. Ik ging met mijn hand door haar lange haren en klemde mijn vingers om haar nog warme poot. Dode honden zien er nooit uit alsof ze slapen, dacht ik. Ze zien er leeggelopen uit, verlaten. Als een jas die in de hoek is neergelegd, een huls van niets, een lege schooltas. Ik hurkte zo lang naast haar, dat ik kramp kreeg in mijn benen.

Dottie kwam bij ons wonen toen ik in de eerste zat. Er veranderde veel de afgelopen jaren, maar Dottie bleef, was een constante factor in mijn bestaan dat op drift was geraakt. Nu is ze onomstotelijk weg.

Dag, lieve hond, trouwe viervoeter, komisch beest.

Dag, Dottie.

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Schrijfles

Zeven jaar geleden begon ik met lesgeven aan de Schrijversvakschool. Dit was na de publicatie van mijn tweede boek; ik was net onderweg als schrijver en daar stond ik, voor tien eerstejaarsstudenten.

‘We zullen elkaar acht keer zien,’ zei ik aan het begin van die eerste les, ‘en ik ga onze tijd samen optimaal gebruiken. Jullie moeten het me maar vergeven als ik er de vaart in zet.’

Alles wat ik geleerd had over, en belangrijk vond in het schrijven van een kortverhaal gooide ik eruit. Het werk van mijn studenten corrigeerde ik meteen al met de fijne pen; ik stelde hoge eisen aan mensen die net begonnen waren. Elke student herinner ik me nog, elk verhaal. Terugdenkend voelde dat lokaal aan de Herengracht als een bubbel sterk verhitte lucht, de wanden en ruiten bolden naar buiten door de druk.

Inmiddels snap ik dat ingrijpen in iemands werk pas zin heeft als de student er klaar voor is, er iets mee kan – dus geef ik de één feedback op een ander niveau dan de ander. Ik snap ook dat die fijne pen pas door een tekst moet als de verhaallijn staat.

Je wilt de modus waarin een verhaal tot stand komt niet verstoren met de modus die daarop hoort te volgen: die van het met kritische bril lezen en dan straktrekken van een volschreven lijn.

Elke maker heeft recht op een veilige ruimte, een atelier in haar hoofd waar ze zich vrij voelt om wegen te verkennen, om te keren, te spelen zonder dat een externe of interne kritische blik haar lamlegt. Feedback is onmisbaar als je de stap wilt maken naar schrijven voor een publiek, maar in de eerste fase, de periode waarin je schept en onderzoekt, moet er vooral vrijheid zijn. Je moet je hoofdpersoon en diens wereld leren kennen, zijn belangrijke ander(en), zijn streven en bovenal zijn stem.

Soms hoor je die stem al bij het schrijven van de eerste zinnen, soms vind je hem pas vlak voordat je verhaallijn rond is. Mijn eigen Dorp is daar een voorbeeld van. Dat is pech, want dan moet je het hele boek herschrijven, maar ook mazzel, want zonder die stem heb je geen écht verhaal.

Schrijvers helpen in hun werk, zorgen dat wat ze te vertellen hebben gelezen wordt zoals ze het bedoelen, vind ik bijna fijner dan het schrijven zelf. Omdat je het sámen doet, omdat hun verhaal er mede dankzij mij komt.

Vorige week zat ik met een nieuwe student – iemand die ik buiten de school begeleid – in een café aan de Nieuwmarkt. Ruim een uur hadden we het we over het verhaal waaraan ze is begonnen. Toen onze tijd erop zat zei ze dat ze ons werk als meditatief ervaren had, dat ze de hele tijd nergens anders aan had gedacht.

‘Same here,’ zei ik, en nam afscheid van haar. Ik bestelde een koffie, mailde de rest van mijn opmerkingen na en staarde een tijdje uit het raam. Mijn volgende afspraak zou zich vanzelf wel melden en in de tussentijd zat ik daar prima, met mijn lege hoofd.

In de bijna vijfendertig jaar dat ik nu voor geld werk heb ik veel dingen aangepakt – barman, poelier, psycholoog, ober, kok, ghostwriter, afwasser, dakwerker, copywriter, redactie, winkelbediende, psychodiagnosticus, manager, cateraar – maar kennelijk laat werk dat écht bij me past me alles om me heen vergeten.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In rotsen grijs: Busreis (I)

Het is een van die dubbeldekkerbussen die in de koloniale tijd van Londen naar Hongkong zijn overgewaaid. Ze gaat achterin zitten, beneden. Haar koffer zet ze naast zich neer. Ze legt haar linkerhand erop. Het is zomer. Buiten is het warm en vochtig. De lucht trilt. Toch lopen er veel mensen op straat. En er is nog meer verkeer. Auto’s toeteren en rijden veel te hard. De buschauffeur trekt snel op, zoals het een Hongkongse chauffeur betaamt. Hij zal straks ook krachtig in de remmen gaan bij de volgende halte.

Hoge gebouwen trekken voorbij. De glazen ruiten glinsteren in de middagzon. Ze is een van de weinigen in de bus die naar buiten kijkt. Ze heeft haar telefoon wel vast, maar ze werpt er slechts af en toe een blik op, als er nieuwe berichten binnenkomen.

De bus stopt bij een halte. Alles schokt door elkaar, maar niemand lijkt het te merken; zo gaat het immers altijd. Er stappen twee jongens in. Eentje heeft een bril op. Allebei dragen ze een mondkapje, zoals iedereen in Hongkong. Ze hebben rugtassen om, de ene een zwarte, de ander een blauwe. Witte T-shirts met Engelse teksten. De jongen met de bril en de zwarte rugtas knikt haar toe en steekt zijn hand op. Zij tikt met haar hand tegen de zijkant van haar hoofd. Hij heet John. De naam van de andere jongen kent ze niet. De twee gaan voorin de bus zitten, naast elkaar.

Heeft John haar koffer gezien? Kan niet anders. Wat denkt hij? Hij liet niets blijken. Ze kijkt naar de achterkant van zijn hoofd. Ze hoort ze praten, maar ze zit te ver weg om te verstaan wat ze zeggen. De prachtige klanken van het Kantonees. Iedereen in Hongkong spreekt Kantonees. Hoe lang nog? Dat vervloekte Mandarijn.

Ze kijkt weer uit het raam. Auto’s en taxi’s passeren de bus en ze herinnert zich twee andere jongens.

Het was net zo’n dag als nu: zonnig, warm, maar veel vrolijker. Ze kwam met de lift naar beneden. Mark en Edward hadden haar gebeld en gezegd dat ze beneden in de hal op haar stonden te wachten. Ze zag hen meteen staan toen ze de lift uitstapte. Zwarte T-shirts. Allebei een petje op. Rugtassen. Maar ze zagen haar niet; er waren veel mensen in de hal. Ze zaten met elkaar te dollen; ze lachten. Ze maakte een omtrekkende beweging om hen van achteren te kunnen verrassen.

‘Boe,’ zei ze.

‘Hé!’ zei Edward. Hij draaide zich naar hen toe.

‘Klaar?’ vroeg Mark.

‘Absoluut.’

‘Laten we dan gaan.’

Ze liepen met zijn drieën naar buiten en volgden de grote groepen mensen die dezelfde kant uitging. Het waren vooral jonge mensen. De menigte zwol aan naarmate ze verder liepen. Algauw hadden ze links en rechts, voor en achter weinig ruimte meer.

‘Wauw, wat een mensen,’ zei ze.

‘Ja, geweldig,’ zei Mark.

‘Faan sung zung!’ riep Edward. ‘Geen uitlevering naar China! Weg met de wet!’

Sommige mensen hadden spandoeken bij zich.

‘Dat hadden wij ook moeten doen,’ zei ze.

‘Ah nee joh, gedoe!’ zei Mark.

De massa groeide en werd steeds dichter en bewoog zich langzamer. Ze liepen langs wolkenkrabbers waarin zich kantoren en restaurants bevonden. Vanaf de grond was niet te zien of er mensen voor de ramen stonden te kijken. Hier en daar begonnen mensen leuzen te roepen, die geestdriftig werden herhaald. Zij schreeuwden mee. 

Ze legt haar hoofd tegen het raam. Ze voelt de trillingen van de bus. Op helikopterbeelden zag ze later pas hoeveel mensen er door die straten waren getrokken. Tienduizenden, het merendeel in het zwart gekleed. Er was optimisme, hoop en euforie: al die jonge mensen die de straat opgingen. Zij waren een tegen China.

In het begin was er geen agressie, in ieder geval niet van hun kant. De politie trad wel hard op: charges, arrestaties en traangas. Eerst af en toe, maar langzamerhand steeds meer. Mark, Edward en zijzelf begonnen zich te tooien in die nu zo karakteristieke kledij: helm, veiligheidsbril, mondkapje. Onherkenbaar. Ze was overal bij geweest. Ze kende het sissen van de traangasgranaten die naar hen werden toegeschoten en door hen werden gedoofd met flesjes water. Waterkanonnen die hen van hun sokken bliezen. De harde klappen van de politie. Ze had vele mensen opgepakt zien worden. Hoe de politie met twee, drie man op een demonstrant doken. Een ging op de benen zitten en een ander op de onderrug om de handen op de rug te binden. De derde zat of stond erbij.

‘Ik ga rustig mee! Ik geef me over!’ schreeuwde een jongen. ‘Jullie hoeven niet op mijn benen te zitten! Ik ga rustig mee!’

De agenten antwoordden niet en drukten het gezicht van de jongen tegen de grond. Ze trokken aan zijn armen.

‘Ik ben een student! Ik ga rustig mee! Die knie hoeft daar niet–’ Weer werd zijn hoofd tegen de grond geduwd.

‘Ik geef me over! Mijn armen!’ Wederom ging zijn hoofd naar de grond.

Deden de agenten expres zo lang over een arrestatie? Was het een tactiek om iemand alvast te breken? Was het om angst in te boezemen bij de omstanders? Toen ze de jongen eindelijk omhoog hesen, huilde hij alleen maar. Hij miste zijn beide voortanden. Er droop bloed uit zijn mond. Het lopen was hij niet langer machtig; ze sleepten hem naar het busje. Zij had de jongen toegeschreeuwd zijn naam te zeggen, zodat ze hem kon wissen uit de verschillende appgroepen. Dan had de politie minder bewijs tegen hem. Maar hij had niet geantwoord.

wordt vervolgd: het tweede deel van ‘Busreis’ zal volgende week op het Tirade-blog worden gepubliceerd

"Foto van Sybren Sybesma"
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

Dapperen en bangen

Ik vond mezelf terug op een borrel met kookboekenschrijvers. Gilles had me meegenomen, al had ik opgebiecht dat ik mijn maag regelmatig mishandelde met opwarmmaaltijden, bestond bij de gratie van Thuisbezorgd en voor een deel leefde op de restjes van anderen die zich om mij en mijn eetgewoontes bekommerden. Toch mocht ik komen.

Even had ik getwijfeld: een grote groep onbekende mensen, die ontweek ik als het kon. Ongemakkelijk werd ik, angstig, paniekerig zelfs, als ik me in een ruimte bevond met bijna alleen maar mensen die ik niet kende. Ondanks dat had ik toegezegd: het leek me leuk om Gilles weer te zien en ik was toch al bezig met wat angsten te lijf te gaan – niet de grote angsten, maar de kleine, neurotische angsten die me iets te vaak belemmerden. Ik vond mezelf steeds meer een bange, muisachtige man de laatste tijd.

Toen Gilles me even onbeheerd achterliet op de borrel, sloeg de lichte paniek toe en ik voelde die klamme hand om mijn glazen hart toen iemand een praatje met me aanknoopte. De wereld bleek echter niet te vergaan – integendeel, zelfs: het werd een aangenaam gesprek waarin ik maar één keer iets doms uit mijn mond liet ontsnappen. Na een tijdje durfde ik van mijn strategisch gekozen ankerplaats te komen, haalde ik wat drankjes en volgde ik Gilles niet meer als een tragische, irritante labrador met verlatingsangst.

Later werd er tot mijn schrik gedanst – de laatste keer dat ik had gedanst, was een paar jaar geleden. Sinds de barman van de tent waarin ik was had opgemerkt dat ik eruit zag als een standbeeld dat uit zichzelf probeerde te ontsnappen durfde ik niet meer te dansen. Dansen, had ik besloten, was voor de dapperen der aarde en niet voor de bangen.

Toch stond ik na een paar drankjes op en schuifelde naar de dapperen toe. Eerst tikte ik met mijn voet op de maat mee als een verdwaalde muzikant, daarna maakte ik voorzichtige bewegingen met mijn handen als een licht spastische dirigent, en uiteindelijk wiegde ik heel lichtjes met mijn tachtigjarige heupen, maar toch. Het leek verdacht veel op dansen.

Nadat de borrel afgelopen was vroeg Gilles met de fonkeling die altijd achter zijn ogen lijkt te wonen of ik nog naar de Pels wilde voor een afzakkertje. Hij had een fiets met een zitje op de voorstang, drukte me op het hart dat fietsen echt veel sneller was dan lopen én dat hij zwaardere en grotere objecten op die stang had vervoerd – ik betwijfelde het. Zijn kinderen zou hij makkelijk kunnen vervoeren op dat zitje, dat geloofde ik meteen, maar mijn lijf? Dat moest een bijzonder riskante onderneming zijn. Bovendien: ik had al jaren niet meer bij iemand achterop de fiets gedurfd, laat staan voorop.

Ondanks de driedubbele botbreuken, de hersenschudding en de gekneusde ribben die ik in gedachten al had opgelopen, vouwde ik mezelf als een onhandige origami op de voorstang en zette Gilles koers naar het bier. Hij trapte ons behendig door de straten van Amsterdam, alsof hij nooit iets anders had gedaan. We haalden heelhuids de Pels. Ik was buiten adem, al had hij al het zware werk verricht – ik had bijna de hele weg mijn adem ingehouden.

Eenmaal binnen drong het pas goed tot me door dat ik gedurende één avond meer dingen had gedaan die ik eerder niet had gedurfd, dan de weken daarvoor bij elkaar opgeteld. Ik diepte de foto die op de borrel van ons geschoten was uit mijn zak op en zag dat ik er vrolijk, ontspannen en vooral niet bang opstond. Twee dappere, gelukkige, gerustgestelde mannen. Misschien was er nog hoop. Als dit zo door zou gaan, dacht ik bijna angstig, had ik straks niets meer om bang voor te zijn.

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Sem van de Graaf"
    Sem van de Graaf

    Sem van de Graaf (2002) schrijft absurde verhalen die uit de bocht vliegen en toch een sterke moraal communiceren. Zijn werk is komisch, vervreemdend en oprecht.Hij studeert af van Writing for Performance aan de HKU met het lange filmscenario ‘Een stoel, de dief en Elske’ en zijn onderzoek ‘Handen’. Verder schrijft hij toneel voor verschillende groepen, waaronder zijn eigen collectief ‘bröd’ waarmee hij met de gelijknamige voorstelling in Zaal 3 stond. Zijn VHS-korte films stonden op het Rotterdams Open Doek en het Gouds Filmfestival, waar hij de prijs won voor Beste Film Jong Talent.

  • "Foto van Jasmijn Kenselaar"
    Jasmijn Kenselaar

    Jasmijn Kenselaar studeert in de zomer van 2025 af als toneel- en filmschrijver. Het samenbrengen van mensen en het aanbieden van nieuwe perspectieven kenmerken haar signatuur. Ze schrijft veel voor en over jongeren en plaatst haar verhalen vaak in werelden die een beetje – of heel erg – verschillen van de onze. Haar eindwerk De Ongewilden is een komische, sciencefiction-dramafilm over een zestienjarige wees die zich staande probeert te houden in een wereld die niet voor haar gemaakt is. Haar afstudeerscriptie As if! is een praktijkgericht onderzoek naar hoe schrijftechnieken kunnen worden ingezet om films en series te creeëren met een positieve impact op tieners. Voor afstuderend regisseur Julija Filipović schreef ze daarnaast De Golven – een vrije bewerking van de gelijknamige roman van Virginia Woolf. Haar korte film GENIUS is in juni 2025 te zien tijdens het Rotterdams Open Doek Filmfestival.

  • "Foto van Alexander Baneman"
    Alexander Baneman

    Alexander Baneman (Amsterdam, 1986) publiceerde in o.m. Tirade, De Revisor en De Parelduiker. In november verschijnt zijn debuutroman De schim van Raamswolde bij Van Oorschot.