Een labyrint als het leven

‘Het leven is elders,’ schreef Milan Kundera. En het veelgebruikt verzuchten van de tragische John Lennon wil dat ‘Life is what happens while you’re busy making other plans.’  

Hoe we ook draaien en keren, de mens heeft haar leven verdubbeld met kunst en cultuur, met verhalen, met een geheugen. We leven een aantal levens, maar de tijd blijft even beperkt. Dus leven we onze levens wellicht minder intensief, laten we ons afleiden van dat ene bestaan dat we leiden. Elke dag, elke avond maakt voorgoed een onvervreemdbaar deel uit van ons bestaan, wordt ons verleden. Tijdens dit lezen dwalen uw ogen wellicht rond en denkt u door wat u leest heen, aan gisteren, of aan elders, want zo zijn we. We hebben te veel hersens voor het hier en nu. Dat is ons tragisch lot, eerder dan ons geluk, ben ik bang.  

In 51 manieren om de liefde uit te stellen van dichter en romancier Erik Lindner is het juist dit gegeven dat de motor, de zacht ronkende maar sterke motor, van deze subtiele roman gaande houdt. Al halverwege het lezen van deze roman had ik voortdurend de behoefte het ‘subtiel’ te noemen. En ik zal nagaan wat ik daar nou precies mee bedoel.  

Van Dale zegt: ‘alleen bij nauwkeurig toezien, of voor een fijn gevoel waar te nemen of te begrijpen’.  

Het uitgangspunt van Lindners boek is dit: een journalist wordt verliefd op een Baskische vrouw. Ze werkt voor de film. Wanneer de journalist teruggeroepen wordt naar Nederland staan er gebergten, taalproblemen en de onmogelijkheid van telefoneren in de weg. Hier begint een zoektocht naar haar, maar tegelijkertijd is het een eindeloos uitstel van het besluit iets te gaan doen aan, of met, de verliefdheid. Behalve door in de films die zij maakte te speuren naar iets wat van haar is.  

Dit is een uitstelboek zoals ons leven een uitstelleven is. Lindner verabsoluteert het gegeven dat het leven ‘elders’ is. Voor zijn hoofdpersoon is de Baskische episode het startpunt van een parallel pad. Hij leeft hier, maar ook daar. In die zin doet de roman denken aan het beroemde verhaal van de Argentijn Jorge Luis Borges, vertaald als ‘De tuin met zich splitsende paden’. Hierin vertelt een Chinees denker over de legende van een oneindig labyrint met eindeloze mogelijkheden. Borges’ novelle bevat eveneens eindeloze afsplitsingen: elke zijweg genereert een nieuw verhaal. 

De subtiele wijze waarop Lindner in deze roman, die ook gewoon een prachtige liefdesgeschiedenis is, de cinematografie een volwaardige rol laat spelen, heeft veel met de splitsende paden te maken. Elke film die de hoofdpersoon ziet – en die de lezer in sprekende hoofdlijnen ook meekrijgt – opent een nieuw perspectief op dit verhaal, op dit leven. De roman is zo een eindeloze verzameling zich splitsende paden. Een labyrint als het leven, bij nauwkeurig toezien. 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Nieuwe broek

Terwijl ik met Ada (4) op mijn stang over de Bilderdijkstraat fietste, besefte ik dat we voor het eerst in twee jaar samen naar een kledingwinkel gingen. Zo lang geleden was het, dat de zingende kleuter tussen mijn armen het niet eens meer wist. Die laatste keer was ook bij Leg-Inc, en Aad koos toen een legging met een knallende graffitiprint, die ze daarna bijna dagelijks droeg. Toch moet hij de eerste slijtplek of verkleuring nog vertonen.

‘Zijn ze wel zeker weten open?’ vroeg ze terwijl ik haar van de stang tilde, losliet op de stoep.

‘Loop maar naar binnen,’ zei ik.

Van de eigenaren ken ik er één, die er vandaag gelukkig was. Ada draaide pirouetten en deed poses voor een hoge spiegel terwijl ik met Saskia praatte; op de schaal tussen verlegen en extravert scoort mijn dochter Gordon Heuckeroth. Ik liet mijn blik over het rek met voorbeeldleggings gaan en wist meteen welke ze zou kiezen.

Er moest gepast worden en daarom moesten er schoenen, sokken en een broek uit. Mijn dochters blote roze pootjes, twee kleine lege sokken op een harde vloer. De leggings hadden een brede zwarte band die om haar buikje spande, je kon ze optrekken tot bijna in haar oksels. Ada bekeek zichzelf van alle kanten in de spiegel, spreidde haar armen en straalde. Met zulke ogen, dacht ik, heb ik nog nooit naar mezelf gekeken.

Hoewel ze hetzelfde model en dezelfde maat hadden, werden er leggings afgewezen omdat ze niet lekker zaten. Na een minuut of tien was er een absolute winnaar, en wel de door mij voorspelde zebravariant met gouden vlekjes. Je kunt het meisje uit de Jordaan halen, maar de safariprint niet uit het meisje. Dat zonnebankbruin meldt zich geloof ik later pas.

De legging bleef aan, Aads oude broek moest in mijn rugtas mee. Ik rekende af en we bedankten Saskia. Omdat het al tegen vijven liep was het best druk op straat, en onderweg wees Ada andere weggebruikers op haar nieuwe broek.

‘Deze heb ik van mijn papa gekregen,’ zei ze. ‘Het is een panter.’

Ook kenmerkend voor de Jordanees is dat hij om het even welke dierenvlek een panterstreep noemt.

‘Een zebra,’ verbeterde ik steeds. ‘Zébrastrepen, zijn het.’

Een wat versleten man met grijze dreadlocks stak zijn duim op, een jongen met een grote koptelefoon en getatoeëerde handen glimlachte.

‘Meid!’ zei een gelooide snorfietsdame met zuurstokroze lippen. Ze knipoogde naar mij en gaf wat meer gas om ons bij te kunnen houden. ‘Jij hebt vast een héle lieve papa.’

‘Papa zegt dat het zebra is.’

De vrouw keek nog eens goed naar Ada’s legging, leek een afweging te maken onder haar matgroene helm.

‘Nou,’ zei ze met wat nog het meest op medelijden leek. ‘Ik vind hem in ieder geval práchtig.’

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Tunneltjes

Ik moest laatst aan mijn vorige onderbuurvrouw denken. Ik weet niet meer waarom, maar ik weet wel nog dat ik me afvroeg of het de laatste keer zou zijn. Of ze nog een keer in mijn gedachten zou bovendrijven – en zo ja, wanneer weer?

Toen ze nog onder ons woonde spraken we elkaar hoogstens eens per maand, meestal om ergens over te klagen. Eerst klaagde zij over onze stampvoeten en dwong zo een nieuwe vloerbedekking af bij onze huisbaas. Daarna klaagden we samen over het lawaai van onze bovenburen (haar boven-bovenburen) en de sigarettenstompjes die tijdens hun drukbezochte karaokefeesten op ons neerdwarrelden. Verder het gebruikelijke: pakketjes aannemen, de deur openhouden, een betekenisvol knikje tijdens het ophangen van de was. Ze hielp ons toen onze binnenkat eens was weggelopen, maar dat was het dan ook wel. Hechter zijn we nooit geworden.

Dat was natuurlijk niet zo gek. Wij waren studenten en zij een middelbare vrouw met twee tienerdochters, bijna-studenten, waarmee ze regelmatig gehorige discussies voerde. Onze nieuwe vloerbedekking hielp er slecht tegen. Over die schreeuwruzies wilden mijn huisgenoten en ik soms wel eens klagen, ware het niet dat we er eigenlijk helemaal geen last van hadden. Integendeel, we vonden het mateloos interessant. Zodra een van de dochters haar stem verhief, kwam iedereen uit zijn of haar kamer en zochten we naar de plek waar we het beste konden meeluisteren. Daar legden we onze oren op de vloer om van de verwensingen te smullen. Misschien hoopten we haar zo beter te leren kennen.

Vier maanden geleden hing er een opeens verhuisbord op haar raam. Ze had ons niks verteld. Niet dat we dat hadden verwacht. Bij ons was de afgelopen jaren een hoop verloop geweest en ik geloof niet dat we haar ooit vooraf van een wisseling op de hoogte hadden gebracht. Uit nieuwsgierigheid naar de inrichting zochten we haar huis op Funda op. We klikten eerst een beetje door de kamers, opgeruimd en gladgestreken door makelaarshanden, en zagen de potentie die in ons identieke appartement schuilging.

Daarna zagen we de vraagprijs. We schrokken ervan, zo’n brutaal hoge prijs. We zaten nog wel even aan haar vast, dachten we – maar het huis was binnen drie weken verkocht. Ik overwoog nog om langs te gaan voor een afscheidspraatje, maar voordat ik een besluit kon nemen was ze vertrokken en stonden in haar achtertuin twee twintigers met een aqua-blauwe barbecue en een hippe lounge-set. Ik miste haar plastic tuinmeubilair en het eeuwige pakje JPS op het tafelblad. Ik miste haar.

Ik zal vast nog eens aan haar denken, maar steeds minder natuurlijk, en met steeds grote intervallen. Misschien is de eerstvolgende keer over drie maanden, dan over een jaar, twee jaar en dan pas weer in 2036, als ik eindelijk mijn eerste peperdure stadsappartement kan kopen.

Het brein is ontzettend goed in het onthouden van mensen. Ze blijven een stuk langer hangen dan dieren, dingen of gebeurtenissen. Wie je na je kindertijd leert kennen, verdwijnt waarschijnlijk nooit meer uit je geheugen. Al raken ze wel steeds meer eigenschappen kwijt; iemand die je niet meer ziet wordt steeds vlakker, leger. Hersentunneltjes die lang niet worden gebruikt, worden langzaam gesloten. Maar hoe lang totdat zo’n tunneltje is afgesloten? En hoe weet je zeker dat hij voorgoed dicht zit? Tot wanneer kan iets wat je ziet, ruikt of hoort nog door de wand heen prikken en een ‘vergeten’ kamer blootleggen?

Het tunnelstelsel van het brein is niet feilloos, zeker niet als je wat ouder wordt. Laatst vertelde mijn huisgenoot over een gesprek dat hij had met onze schuin-onderbuurvrouw, de ex-buurman van mijn ex-onderbuurvrouw (snap je het nog?). In dat gesprek begon de buurman over ene Joost. Toen mijn huisgenoot vroeg wie hij daarmee bedoelde, had hij het over een jongen met witgeverfd haar. Ik dus. Waarom Joost, vroeg ik me af. Ik kon mezelf niet weerhouden van een binnenpretje: de gedachte dat Joost, net als ik, anders geaard is. De buurman dacht zelfs dat Joost (ik dus) uit het pand verhuisd was. In de drie jaar dat we hetzelfde appartementencomplex delen heb ik niet alleen geen volwaardig tunneltje in het hoofd van mijn buurman – zijn geheugen is het halfbakken tunneltje zelfs al aan het dichtmetselen.

"Foto van Thom Wijenberg"
Thom Wijenberg

Thom Wijenberg (1996) schrijft poëzie en proza. Hij werkt als redacteur en programmamaker en studeert aan de Schrijversvakschool. Zijn werk verscheen onder andere op Notulen van het Onzichtbare, Tijdschrift Ei en in de Seizoenszine.

Auteursfoto: Gaby Jongenelen

Ze moeten wel

Een regenachtige zomer betekent vooral veel tijd om te lezen. Eindelijk had ik tijd voor Onbehagen: Nieuw licht op de beschaafde mens (2016) van Bas Heijne, waarin hij schetst hoe hij opgroeide ‘in een tijd van vertrouwen en verwachtingen – verwachtingen over groei en gelijkheid’. Het verlichte mensbeeld dus, waarbij het optimisme twee zaken betrof: de in het vooruitzicht gestelde winstmaximalisatie en het idee dat de mensheid steeds beschaafder zou worden. 

Nu weten we dat dit wereldbeeld op z’n einde loopt. De huidige jongeren weten dat de wereld verrot is. Zij voelen in hun botten dat dit winstmodel slechts welvaart oplevert voor enkelen, en niet zonder de uitbuiting en uitputting van anderenkan. De jongste generaties zitten opgescheept met de rotzooi die hun ouders weigeren onder ogen te zien, laat staan op te ruimen. Tieners en twintigers van nu verwachten niet langer dat alles mooier, beter en meer wordt. Zij hopen slechts te kunnen overleven.

Heijne vraagt zich af: ‘Is oprecht optimisme mogelijk in een door pessimisme gekleurd wereldbeeld?’ Dat lijkt me precies de kernvraag van de huidige tijd. Want ik zie om mij heen dat juist de jongste generaties vaak een wonderlijke vorm van vertrouwen hebben. Hun ‘verlichtingsideaal’ is donker, erg donker. Op het depressieve af, eigenlijk. Voor de mensen die nu aan hun zelfstandige leven beginnen gaat het niet langer over progressief verbeteren – lineair dus – maar over verbeteren in de breedte. Zij zeggen eerder een cirkel te zienof ze denken op zijn minst horizontaler. Vooruitgang lijkt voor hen meer dan ooit te zijn: wat is zinvol samenleven?

In mijn tweede roman Zwerm (Van Oorschot, augustus 2021)leest de jongste van de drie hoofdpersonages, een puber van 15, online een pamflet. Daarin staat: ‘De wereld is te heet geworden, de nieuwste generatie moet op zoek naar het ventiel. De orde van de machthebbers moet kapot, het bestaan zoals we dat kennen moet kapot en pas dan kan er iets nieuws worden gebouwd.’ En zij realiseert zich: als we niets doen, zal de aardbol exploderen. ‘Als een lappenpop zal ze worden weggeslingerd, de ruimte in. Naar een plaats die nog niemand kent, en daar zal ze opnieuw beginnen. Soms verlangt ze daar hevig naar: opnieuw beginnen in het verse niets.

Is zij degene die het ventiel zal vinden? In het pamflet staat dat het pijn zal doen. Veel tranen misschien – maar de toekomst is onvermijdelijk. Er moet beweging komen. Eén voet voor de andere zetten. Alles is beter dan stilstand.’

Om daadwerkelijk in actie te komen, moet je geloven dat je het verschil kunt maken. Psychologen spreken ook wel van de internal locus of control, het gevoel dat je je leven zelf in dehand hebt. Jongeren lijken dat meer te geloven dan hun ouders of grootouders, die momenteel aan de macht zijn. Ze moeten wel. 

The future is darkwhich is the best thing the future can be, I think,’ schreef Virginia Woolf in haar dagboek op 18 januari 1915. De Eerste Wereldoorlog zou nog vier jaar voortduren. Niemand wist nog dat er een Tweede zou volgen en zeer weinig mensen spraken over een ophanden zijnde klimaatoorlog.

"Foto van Berthe Spoelstra"
Berthe Spoelstra

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Haar debuutroman Schemerland kwam in 2009 uit bij Van Oorschot. In augustus 2021 volgt Zwerm. Voor Tirade schrijft ze over o.m. theater en literatuur.

Samen doen

Hoewel ik toen best vriendjes had, herinner ik me van mijn vroege jeugd vooral de vele uren dat ik rondspeelde in mijn hoofd, al dan niet bijgestaan door huisdieren, knuffels of opstellingen van mijn Playmobil.

Enig kind, was ik, en als er mensen kwamen spelen dan was dat leuk, maar kwamen ze niet, dan was het ook oké. Op de middelbare school werd de binnenkant van mijn hoofd steeds belangrijker. Mijn vrienden waren op één hand te tellen, en bleven jarenlang dezelfde vingers. Ik hield van die vrienden, maar als ze er niet waren dan was dat ook oké.

Wat, zou je zeggen, heeft zo-iemand in de horeca te zoeken?

Soms, zoals ook voor de beste vrienden geldt, geeft het leven je niet wat je denkt te willen, maar wat je nodig hebt.

Mocht ik ooit gedwongen worden te emigreren, dan zal ik – ook op mijn achtenzestigste – een baantje in de bediening zoeken. Binnen drie werkdagen heb je een vriendenkring, binnen een maand een netwerk, binnen een jaar de sleutels tot de stad.

Achter de bar ontdekte ik dat de meeste mensen wél op me zaten te wachten; dat het me weinig moeite kostte om soepel om te gaan met advocaten, muzikanten, toeristen, marktkoopmannen en krakers. Bovenal ontdekte ik een versie van mezelf die geen genoeg kon krijgen van de lichtjes, de drankjes, het tollen van de stad. Omdat het café waar ik werkte een poflijst had, leerde ik om bij een eerste contact meteen de naam van mensen te onthouden. Een vriendenkring, een netwerk, een loper volgde.

Na vijftien jaar achter de bar en in de bediening kwam ik in de keuken terecht, een werkplek waar je op een bijna fysiek niveau met je collega’s vergroeit. Jouw hand is mijn hand is de hare, als dat voorgerecht voor tafel twaalf er maar binnen drie minuten staat. Mijn besluit om schrijver te worden betekende het einde van samen koken, en ik mis het elke dag.

Het zintuiglijke, de manier waarop overzichtelijke taken me volledig in beslag namen, het aanraken en worden aangeraakt. Die lome leegte als de adrenaline na een lange dienst was uitgewerkt. De smaak van bier, op zo’n moment. Hoe vrij mijn vrije dagen voelden.

Dat schrijven, om met vriend-schrijver Richard de Nooy te spreken, is maar alleen. Na tien jaar wilde ik verder groeien in de literatuur, maar dan wél in samenwerking met anderen.

De eerste die ik belde was Wytske, daarna volgden Roos en Richard. Inmiddels hebben we er twee samenkomsten op zitten, en het is de bedoeling dat we elkaar maandelijks blijven zien. Natuurlijk kunnen we onze teksten ook mailen voor feedback, maar het samen zitten met ons werk voelt minstens zo belangrijk.

Wat ik misschien geleerd heb sinds mijn kinderjaren, is dat iets pas echt gaat leven als je het deelt.

Beeld: Koken met Olle, Nathalie Girard

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Mijn Indonesische jaren: De literaire salons

Van de Indonesische deelnemers aan de literaire salon kan ik behalve Toeti Heraty, die haar gedichten in vertaling voorlas, ook Wiratmo Soekito (1929-2001) en Gerson Poyk (1931-2017) noemen. De eerste was actief geweest als theaterdocent, omroeper, journalist, tijdschriftleider, essayist en schrijver, maar zijn grootste bekendheid verwierf hij als opsteller van het Cultureel Manifest dat in mei 1964 werd getroffen door een verbod van Soekarno.

Er waren in totaal negentien schrijvers die het manifest hebben ondertekend, waaronder ook Gerson Poyk, een markante man met een ascetisch voorkomen. Hij werd geboren op Roti, het zuidelijkste eiland van Indonesië, en was een productief auteur van romans en verhalen met een humoristische toets. Zijn verhaal ‘Matias Akankari’, over een Papua die uit het steentijdperk in het moderne Jakarta wordt geworpen, met alle absurde verwikkelingen van dien, verscheen in het Indonesië-nummer van het tijdschrift De Tweede Ronde (Lente 1988). Aan dit tijdschrift hebben allerlei Indonesische en Nederlandse auteurs bijgedragen.

Een van de Indonesische dichters in dat nummer was Joke Moeljono (1925-1998), die werkzaam was als arts in het Borromeus Ziekenhuis in Bandung. Zijn broer Anton (1929-2011) was hoogleraar linguïstiek aan de Universitas Indonesia en directeur van het Indonesische Taalcentrum. Waar Anton Moeljono een ernstige academicus was, had Joke meer weg van een bohemien. Tussen 1946 en 1958 woonde hij in Nederland en sindsdien was hij voorgoed een man van twee werelden, een ontheemde. Hij was een van de weinige Indonesiërs die in het Nederlands schreef. Het volgende gedicht uit 1948 geeft een goed beeld van zijn denkwereld:

Europa zal ik eens verlaten
haar angsten zijn niet de mijne
maar ik zal haar nimmer haten:

Ook ben ik door haar pijnen
vrijgemaakt en heb uit haar wonden
verloren heimwee weergevonden.

In maart 1987 vond de literaire salon plaats bij Toeti Heraty thuis. Op die avond verschenen ook de vooraanstaande dichter en tijdschriftleider Taufiq Ismail (*1935), ook een van de ondertekenaars van het Cultureel Manifest; en Joke Moeljono, die speciaal voor deze avond met zijn auto uit Bandung was gekomen, maar wel met zijn chauffeur. Dat was maar goed ook. Moeljono maakte een geobsedeerde indruk. Hij las enkele eigen verzen voor en dronk gedurende de avond stevig door uit een meegenomen fles 7 Pied Pipers. Dat was een in Bogor gebottelde Schotse whisky, die toen nog volop in de supermarkt te verkrijgen was. Sindsdien is er wat de verkrijgbaarheid van alcohol betreft het een en ander veranderd in Indonesië.

In het najaar van 1987 werd de literaire salon als het ware verplaatst naar het Erasmus Huis: hier organiseerde ik een literaire avond die volgde op het congres ‘Nederlandse Studiën in Indonesië’. Uit Nederland namen deel: Remco Campert, Rudy Kousbroek, Leo Vroman, zijn vrouw Georgine (‘Tineke’) Sanders en Hugo Brandt Corstius. Zij werden aangevuld met Jacob Vredenbregt, zes Indonesische schrijvers – onder wie Rendra en Toeti Heraty – en de vooraanstaande Maleisische dichter Muhammad Haji Salleh (*1942), die ik had leren kennen aan de University of Michigan in Ann Arbor.

Op de avond werd een tweetalig boekje gepresenteerd met alle bijdragen. Ik had mijn bediende de uitgetikte bijdragen meegegeven om die bij een van de vele copy shops te laten vermenigvuldigen en tot een boekje te laten maken. Hugo Brandt Corstius las op die avond een van zijn Piet Grijs-achtige columns voor, maar hij kwam tevens met een pas geschreven gedicht dat niet in het boekje stond, met de telkens terugkerende regel: ‘Het is koud in Indonesië’. Later begreep ik dat die regel was ingegeven door het recente overlijden van zijn vrouw.

In 1988 waren er weer twee literaire salons bij mij thuis, onder meer bijgewoond door Bibsy Soenharjo (1928-2017), de jongste dochter van de staatsman Haji Agus Salim (1884-1954) en voormalig medewerkster van een Australisch radiostation. Zij schreef light verse: puntige gedichten in het Engels, Nederlands en Indonesisch. Een voorbeeld uit 1967:

My heart is like a cobble-stone
Heavy and out of place;
Its only function is to keep
My restless soul in place—

The way a paperweight holds down
A fluttering, empty piece
Of paper, that would fly and leave
At just a little sigh of breeze.

Op 5 juni 1989 stelde de Nederlandse diplomaat Margriet Bot, die werkte bij de afdeling Pers en Culturele Zaken, haar huis beschikbaar. Dat was een ruim, modern huis met een zwembad in de wijk Kemang, waar veel expats woonden. Hierna is er in februari 1990 nog een literaire salon bij mij thuis gehouden, maar dat was meteen de laatste. Ik werkte toen hard aan mijn proefschrift over de Indische jaren van E. du Perron, waarop ik in april van dat jaar promoveerde; in augustus liep mijn contract af en keerde ik terug naar Nederland. In februari 1992 kreeg ik een aanstelling als lector Nederlands aan de University of Auckland in Nieuw-Zeeland.  

De literaire salon werd nog een aantal jaren in een andere vorm voortgezet, met literaire avonden van het na mijn vertrek opgerichte Walraven Genootschap die plaatsvonden in het Erasmus Huis. Jacob Vredenbregt, gestaag bouwend aan zijn oeuvre van romans en verhalen, speelde een belangrijke rol als aanjager van die avonden.  

Een trouwe gast van mijn literaire salon was de weduwe van de eerste premier van Indonesië: Siti Wahjunah Sjahrir (1920-1999), roepnaam Poppy. Zij was een intellectuele vrouw die indruk maakte door haar rustige en elegante uitstraling. Op de avond in Kemang zei ze op een gegeven moment, op het terras aan de rand van het zwembad, dat zij nog diverse ongepubliceerde geschriften had van Sjahrir, maar dat de tijd er nog niet rijp voor was. Ik had er toen nog geen idee van dat ik ooit Sjahrirs brieven aan zijn eerste, Nederlandse vrouw zou uitgeven.

Sinds de Reformasi, die werd ingezet na het gedwongen aftreden van Soeharto, is de tijd meer dan rijp. In augustus verscheen bij Van Oorschot het door mij verzorgde Wissel op de toekomst. Brieven van de Indonesische nationalist aan zijn Hollandse geliefde. Die brieven worden gevolgd door mijn biografische schets van Sjahrir. Habent sua fata libelli.

"Foto van Kees Snoek"
Kees Snoek

Kees Snoek (1952) doceerde Nederlandse taal en letterkunde aan universiteiten in Michigan, Indonesië, Nieuw-Zeeland en Frankrijk (Straatsburg en Parijs). Hij publiceerde onder meer de biografie van E. du Perron (2005) en vertaalde poëzie van Sitor Situmorang en Rendra. In augustus verscheen bij Van Oorschot Wissel op de toekomst, zijn keuze uit de brieven van Sjahrir (de eerste premier van Indonesië) aan zijn Hollandse geliefde.

 

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Femke Lucia"
    Femke Lucia

    Femke Lucia (Bogota, 1998) is een eerlijke schrijver, die realistische, menselijke verhalen in een magisch daglicht zet. Ze schrijft omdat ze gelooft in de kracht van verhalen en hecht veel waarde aan gemeenschappelijkheid, haar voorouders en Latijns Amerikaanse muziek. Ze bevindt zich in een zoektocht naar de vorm en betekenis van het schrijverschap, en laat zich daarbij leiden door haar eigen ritme en intuïtie.

  • "Foto van Sem van de Graaf"
    Sem van de Graaf

    Sem van de Graaf (2002) schrijft absurde verhalen die uit de bocht vliegen en toch een sterke moraal communiceren. Zijn werk is komisch, vervreemdend en oprecht.Hij studeert af van Writing for Performance aan de HKU met het lange filmscenario ‘Een stoel, de dief en Elske’ en zijn onderzoek ‘Handen’. Verder schrijft hij toneel voor verschillende groepen, waaronder zijn eigen collectief ‘bröd’ waarmee hij met de gelijknamige voorstelling in Zaal 3 stond. Zijn VHS-korte films stonden op het Rotterdams Open Doek en het Gouds Filmfestival, waar hij de prijs won voor Beste Film Jong Talent.

  • "Foto van Aska Hayakawa"
    Aska Hayakawa

    Aska Hayakawa groeide op als third-culture kid in Leiden. Haar verhalen gaan over eenzaamheid in het kapitalisme en de hedendaagse zoektocht naar geluk. Deze zomer studeert ze af van de studie Writing for Performance aan de HKU met het avondvullend toneelstuk Pièce de Résistance! en een scriptieonderzoek naar werkbare kwetsbaarheid. Eerder schreef ze theaterteksten voor Cecilia Moisio Company, Club Guy & Roni, Maas Theater en Dans en Bosfest. Haar kortverhalen werden gepubliceerd bij DIG, De Gids, Tirade Blog en De Revisor. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman bij Uitgeverij Pluim.

    (portret: Lin Woldendorp)