ERASED de KOONING DRAWING ROBERT RAUSCHENBERG 1953

De oude visser

Er heeft een coup plaatsgevonden in Afghanistan. Ik hoor het in Meshad, niet ver van de Iraans-Afghaanse grens. Dagenlang blijft de grens dicht. Bij een tapijthandelaar met wie ik onderhandel over een tapijt, ontmoet ik twee Afghanen die op het consulaat werken. Zij helpen me aan een visum in mijn paspoort, zeggen wanneer ik precies op weg moet gaan, en op de dag dat ik erheen reis is de grens open en word ik het land ingelaten. Daarna komt er wekenlang geen mens meer in.

Ik reis met afgedankte Duitse stadsbussen over de oude zijderoute via Herat en Kandahar naar Kabul. Daar vind ik – samen met vijf Duitsers, een stel Fransen en een Amerikaan – een chauffeur met een bijrijder die ons tegen een redelijke prijs aanbieden om ons in hun minibusje naar de provincie Bamyan te rijden. Eindbestemming is Band-e Amir, een diepblauwe gordel van zes natuurlijke stuwmeren op een hoogte van drieduizend meter midden in de woestijn.

Ik ben heel benieuwd naar deze plek; sommigen beweren dat de onsterfelijke Lao Tse naar deze streken is afgereisd toen het Chinese rijk in wanorde verkeerde. Van tijd tot tijd incarneert hij en begeeft zich onder de mensen. Naar het schijnt vist hij graag. Als we Tsjwang Tse mogen geloven is hij een van de vissers zonder haak.

We vertrekken om zes uur ’s ochtends uit Kabul. De bijrijder, die wat Engels spreekt en fungeert als gids, heeft op dit vroege uur aangedrongen, omdat het een zware tocht is. Nog geen tweehonderdvijftig kilometer door de vallei en de woestijn, maar het busje schokt en steigert over een vaak nauwelijks verharde zandweg met kuilen van meer dan een meter diep over de hele breedte van de weg. Een rotsig landschap met af en toe een schamele hut. Nu en dan passeren we wat herders met een kudde schapen of een paar kamelendrijvers. Soms rijden we tot de assen door het water van een doorwaadbare plaats in een rivier. Nadat we lange tijd de rivier hebben gevolgd, zie ik in de verte, hoog op de purperen rotsen, de Rode Stad, althans de ruïnes daarvan: de onneembare vestingstad die door Genghis Khan is veroverd. Omdat hij daarbij volgens de overlevering zijn kleinzoon verloor, heeft hij uit wraak de Rode Stad geheel verwoest. Die is daarna nooit meer herbouwd.

Vroeg in de middag komen we aan in de stad Bamyan. Buiten de stad gaan we de twee kolossale boeddhabeelden bezichtigen, die daar zijn uitgehakt in de rotsen. Ons bezoek aan Bamyan duurt ruim twee uur, we klimmen langs de in kalksteen uitgehouwen trappen omhoog tot we ter hoogte van het hoofd van de Grote Boeddha zijn en gaan verscheidene van de in de rotsen uitgespaarde kluizenaarscellen binnen. Kolossaal zijn ze inderdaad, deze boeddhabeelden. Maar ik kan niet zeggen dat ze van een bijzondere schoonheid zijn. Ik maak één foto van de Grote Boeddha met de geamputeerde benen, niet eens een erg scherpe. Maar als ik die foto zo nu en dan, bij het openen van een la in mijn bureau terugzie tussen de andere foto’s die ik van deze reis heb bewaard, vind ik dat meer dan genoeg: de Grote Boeddha zegt me maar weinig. Tot ik ruim 25 jaar later hoor dat de Taliban de twee Boeddhabeelden vernietigen. En ja hoor, de hele wereld is geschokt en reageert woedend. Wat een merkwaardig wezen is de mens toch! Als Robert Rauschenberg in Amerika met veel moeite een tekening van Willem de Kooning uitwist, komt iedereen naar het museum voor dit bravourestuk, dat hij inlijst en voorziet van een bordje met de titel: ERASED DE KOONING DRAWING, ROBERT RAUSCHENBERG, 1953’.

Ik vraag me af waarom zoiets niet gebeurt met de Grote Boeddha van Bamyan. Ook in sommige takken van het zenboeddhisme is elke voorstelling die men zich van de Boeddha maakt verwerpelijk. Zo luidt een zenboeddhistisch gezegde: ‘Is er veel modder dan wordt het Boeddhabeeld groot,’ Of drastischer nog: als een monnik aan zen-meester Ummon vraagt “Wat is de Boeddha?” luidt het antwoord: “Een spatel om de poep van je gat te vegen’. Want in China en Japan was dit lange tijd hét instrument bij uitstek waarmee je dat deed. De les van Ummon: Boeddha is overal en in alles, maak je er geen voorstelling van, dan zit je er misschien het minst naast.

Het moet een enorm werk zijn geweest de Grote Boeddha volledig uit te wissen. Een groep strijders van de Taliban schijnt het beeld een maandlang met grote hoeveelheden dynamiet te hebben bewerkt. Net zo lang als Rauschenberg erover deed De Koonings tekening uit te gummen. Maar wat een prachtige leemte hebben de Taliban de wereld bezorgd. Niets dan een verlaten nis: de Boeddha opgegaan in de leegte. Dat is pas echt het creëren van aanwezigheid in de afwezigheid!

Intussen ijveren de UNESCO en andere organisaties die kunstschatten conserveren en reconstrueren voor een remake van de kolos. Helaas kan men het maar niet eens worden over de vraag in welke staat het precies moet worden hersteld. Krijgt ie nu wel of niet zijn geamputeerde benen terug? Volgens mij zou de UNESCO er goed aan doen zich te inspireren op de act van Robert Rauschenberg en naast de lege nis een bord te spijkeren met de titel: ‘ERASED BUDDHA SCULPTURE, MULLAH OMAR, 2001’.

Terug naar het minibusje, dat na ons bezoek aan de boeddha’s op ons staat te wachten. We stappen weer in en rijden door naar onze eindbestemming. Net voor de avond valt komen we aan in Band-e Amir, op het plateau hoog in de woestijn, en kamperen in een van de grote tenten die daar bij wijze van hotels zijn opgetrokken. Terwijl het tijdens de rit bijna niet is uit te houden van de hitte, waait er in de nacht een ijskoude wind over de bergvlakte, en vriest het een paar graden.

De volgende morgen is de wind gaan liggen, de hemel is staalblauw. Ik loop over het plateau om te gaan kijken naar de kratermeren. Ineens zie ik voor mij uit, voorbij de rand van de krater, in de diepte een nóg intenser, nóg stralender blauw dan de hemel daarboven. Alsof het uitspansel is verzonken in de afgrond en hoogte en diepte niet meer bestaan, nee, of ik in een lift sta die onverwachts met een enorme vaart naar beneden suist, waardoor mijn maag een schokbeweging opwaarts maakt: ik word overvallen door een golf van misselijkheid. Seconden lang houdt deze duizeling aan, loert het horror vacui. Dan besef ik dat dit een van de meren van Band-e Amir moet zijn dat in zijn diepten de bodemloosheid van de hemel peilt: dat daar, ver beneden mij, het blauw van het meer en het blauw van de lucht niet van elkaar te onderscheiden zijn, dat voor een lang moment hemel en water in elkaar opgaan.

Rondom het meer rijzen rotswanden op, waarin door de extreme temperatuurwisselingen een hele theogonie is geërodeerd: alsof hier in het vroegste scheppingsuur alle goden ter wereld in statu nascendi samenkomen om in de rotsen te experimenteren met hun stoffelijke verschijningsvorm. Band-e Amir ligt aan de rand van het paradijs.

Ik loop voorbij het plateau de berghelling af, daal een stuk de krater in en blijf zo’n veertig meter boven het meer zitten kijken naar een van de rotswanden waarop god de olifant bezig is zichzelf te scheppen. Plots dringt het tot mij door dat iemand naar me toekomt.

Het is een oude man, een visser met zijn hengel. Gebarend vraagt hij of ik een beetje tabak voor hem heb, gaat tegenover mij zitten, stopt de tabak in zijn pijpje en trekt er het vuur in. Als ik hem een trekje aanbied van de joint die ik zit te roken, slaat hij dat af.

Na een minuut of tien klopt hij de as uit zijn pijpje en staat op. Hij raapt zijn hengel van de grond en met een breed armgebaar nodigt hij me uit met hem af te dalen naar het meer. Hier en daar groeien wat bomen langs deze kant van het water, maar een pad zie ik niet, de helling zinkt bijna loodrecht af naar de oever van het meer. Hij lacht geruststellend en wenkt me nogmaals met hem mee te gaan. Maar ik moet er niet aan denken te worden verzwolgen door de afgrond, om te verdwijnen in de leegte. Het zweet breekt me uit; tot driemaal toe sla ik zijn uitnodiging af.

De oude visser glimlacht en groet mij vriendelijk. Ik zie hem soepel en lenig de steilte afdalen, hoe hij snel, bijna dansend de diepte instapt… Even nog een glimp van zijn rug tussen de bomen, dan, ineens, is hij verdwenen.

"Foto van Hans van Pinxteren"
Hans van Pinxteren

Hans van Pinxteren is dichter en vertaler

In de Oorshop

De Vertellers

Sinds twee jaar ben ik samen met vriend Jan van Mersbergen gastheer van een literaire avond. Jan en ik leerden elkaar kennen door boekentips uit te wisselen en kwamen erachter dat we nagenoeg dezelfde smaak hebben. Niet veel later kwamen we er op het Boekenbal achter dat we allebei van drankjes houden, en sindsdien is het aan.

De Vertellers van Helmers is een lief initiatief dat eigenlijk voortvloeide uit dit elkaar aanraden van boeken. Vijf keer per jaar lezen boekenvakkers, acteurs, en schrijvers in café Helmers voor uit hun favoriete werk van anderen. De avonden zijn telkens weer een feestje.

Het is makkelijker om werk van iemand die je bewondert goed voor te dragen dan je eigen werk, en je favoriete kortverhaal uit de wereldliteratuur zal op zijn minst een heel goed verhaal zijn. De kwaliteit is dus hoog bij De Vertellers.

Tijdens de horecasluiting maakten we filmpjes in een verlaten café; onze gasten lazen verhalen over de horeca aan een bar met omgekeerde krukken erop. Mooie tragische beelden die terug te vinden zijn op de site van Het Parool.

Toen de cafés weer open mochten keken Jan en ik het een tijdje aan, maar de overtuiging groeide: we moesten door met De Vertellers. We prikten een datum, en meteen begon ik me zorgen te maken.

Zouden de dertig gasten die volgens de coronaregels in onze kroeg pasten niet voelen als een belabberde opkomst? En zouden de mensen überhaupt komen, nu ze moesten reserveren en op vaste plekken moesten zitten?

Hoe zou het voor onze vertellers zijn om voor te dragen voor een minder volle kroeg?

Ik was bang dat een avond zonder het te kleine roodfluwelen bankje waarop Jan en ik altijd met onze Vertellers zaten minder leuk zou zijn.

Mijn zorgen bleken onzin. Adriaan van Dis was er, Wytske Versteeg, Saskia Noort, Ivo Victoria en Sanneke van Hassel. Onze vertellers hadden er zin in, lazen prachtig werk, en Helmers luisterde geboeid. Omdat alle beschikbare stoelen bezet waren voelde het best gevuld, en ik vroeg me af of dat óók kwam omdat ik zo lang niet meer op een levendige avond in de kroeg was geweest.

Na de afsluiting dronken we bier op het terras. Zoals altijd was mijn bedoeling het niet laat te maken, niet veel te drinken, en zoals altijd lukte dat niet. Nagloeiend van de avond, de fluitjes en het jointje dat ik om en nabij de laatste ronde in mijn tas tegenkwam, fietste ik door een van de laatste zwoele nachten naar huis.

Ik dacht aan het stuk dat Saskia voorgelezen had uit Marijke Schermers Liefde, als dat het is. Een mooie precieze passage over wat we inleveren op het moment dat we een relatie aangaan. Ik was het met dat inleveren eens geweest, zo onder het luisteren, maar bedacht nu dat buiten beschouwing leek te blijven hoeveel we krijgen wanneer we ons met anderen verbinden.

Beeld: Rob van Betuw. Ivo Victoria leest uit Mariana Enriquez‘ Dingen die we verloren in het vuur.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

De straatfilosoof

Pierre Faubergé heeft er al meer dan zeventig tropenjaren opzitten. Zijn markante kop vol spierwitte haren vertoont ingevallen ogen met grote kringen eromheen; onderscheidingen voor zijn moed zijn het, want het is een wonder dat hij het zo lang volgehouden heeft.

   ‘Mijn grootste angst is stompzinnigheid,’ zegt hij vaak, ‘dus ik beef iedere dag.’

   Hij schuifelt naar zijn plaats, voetje voor voetje, als een trein die afremt. Hij zit. Sereen vouwt hij zijn gerimpelde en bevlekte handen in zijn schoot. Hij observeert, iedere dag vanuit dezelfde locatie, zijn omgeving en verbaast zich over de simpelheid van zijn terrasgenoten.

De ene keer trekt een jong koppel zijn aandacht. De verliefde kalveren staren zwoel in elkaars ogen; zij streelt zijn haar, hij wrijft zachtjes over de rug van haar hand.

‘Snotapen,’ denkt de oude straatfilosoof. ‘Ik geef het een week, dan zit de eerste barst erin. Wacht maar, tot het échte leven begint.’

Een andere dag beziet hij spottend een telefonerende vrouw, die geïrriteerd vraagt wanneer haar ex-man de kinderen eens komt opzoeken.

De straatfilosoof vindt er het zijne van. ‘U, mevrouw, kunt beter Schuld en boete van Dostojevski lezen. Het zal wonderen doen voor uw taalgebruik, en uw moreel besef op de koop toe.’ Nadenkend wrijft hij over zijn grove gelaat, zijn talrijke stoppels, dat aanvoelt als schuurpapier.

Thuis beschikt hij over een heuse bibliotheek, gevuld met de meest boeiende traktaten en uiteenzettingen. Onder begeleiding van Freud, Schopenhauer, Tsjechov en Sartre sprokkelde hij zijn verzameling mensenkennis bij elkaar. Jammer dat hij het niet delen kan. In al die jaren bittere eenzaamheid kwam hij nooit een gelijkgestemde tegen. Hij is alleen. Uniek in zijn soort.

Natuurlijk probeerde hij tot ze door te dringen. Als bibliothecaris dacht hij mensen goede boeken aan te kunnen raden, maar nee hoor. Liever Harry Potter of Lord of the Rings dan Discipline, Toezicht en Straf van Michel Foucault of The God Delusion van Richard Dawkins.

Idolaat van de Russische abstracte kunst tekende hij in zijn vrije tijd achter de balie vierkanten, cirkels en driehoeken. In Amsterdam en Berlijn exposeerde hij weliswaar zijn eindresultaten, maar niemand begrijpt het. Niemand snapt dat de mens een machine geworden is, onvatbaar voor de ratio, en daar gaat het langzaam aan kapot.

‘De zondvloed komt,’ concludeerde hij jaren geleden al. ‘Ik zal de enige overlevende zijn.’     

Op een zekere middag lijkt een roodharige schone van eind twintig gefascineerd te zijn door hem. Hij voelt haar blik prikken van opzij. Zijn blikrichting verschuift naar haar. Vandaag is zo’n dag dat hij de uitdaging aangaat als iemand de handschoen neerwerpt. Hij staart haar aan, zonder expressie. Ook zij geeft geen herkenbare uitdrukking. Gedistingeerd roert hij in zijn koffie met een lepeltje, maar zijn aandacht is voor haar; de rooie duivelin. Langzaam kringelt een voorzichtig lachje op zijn gezicht. ‘Voor jou is er wellicht hoop,’ profeteert hij.

De jonge ober onderbreekt de staarwedstrijd en zijn gedachtegang. Pierre rekent af.

‘Nou,’ reageert de jongeling, ‘vijftig cent fooi. Daar kan ik wel een heel pakje kauwgom van kopen.’

 ‘Maak je het niet in één keer op?’ adviseert Pierre onaangedaan.  De jongeman bromt tijdens het weglopen nog na: ‘U bent te goed.’

‘Ja,’ verzucht de bejaarde man als hij opstaat. ‘Dat vind ik eigenlijk ook.’

"Foto van Tim en Tirza"
Tim en Tirza

Tim Veeter

Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

 

Tirza Gehring

Tirza Gehring (1989) is actrice, fotograaf en tekenaar. Met een precieze en gedetailleerde handtekening schept Tirza tijdloze beelden, maar schuwt niet haar voorliefde voor historie en antiek daarbij in te zetten. Overal tekent en denkt ze in beelden, sferen en verhalen. Sinds acht jaar woont ze in Amsterdam.

Lang zal ik leven

Er was een feestelijk ontbijt met fruitsalade en croissants. Ada had een tekening gemaakt en ingepakt met erg veel nietjes en plakband, en Nadim gaf mijn andere cadeaus één voor één aan. B was moedig genoeg geweest om keukendingen voor me te kopen die ik de komende dagen met de nodige zelfhaat zal omruilen voor de juiste keukendingen.

Om kwart over acht was het huis leeg op Otis de Hond na, en zag ik uit over een zelf in te vullen ochtend.

Ik probeerde te lezen maar was te onrustig, pakte mijn laptop maar was bang dat ik mijn mail zou openen. Uiteindelijk wandelde ik wat met Otis de Hond, en meldde me om kwart over twaalf bij restaurant Domenica op de Noordermarkt. Er was plek en Otis bleek welkom; Flavio zou een klein menu voor me koken.

Aan een fijne tafel bij het raam las ik een boek uit waar ik de laatste weken maar niet doorheen kwam, en babbelde wat met de vriendelijke expat aan de tafel naast me. Het eten was voortreffelijk – wat een geluk om er niet meer van te hoeven vinden dan dat het voortreffelijk was, geen aantekeningen te hoeven maken, geen foto’s.

Bij elke gang zat wijn en alle wijn was voortreffelijk. Otis kreeg een bakje water en John kwam binnen; John had lang het fijne koffiezaakje Puccini in de Staalstraat, waar ik in de jaren ’90 met mijn vriend Gijs de deur platliep.

‘Zo erg,’ zei John. ‘Dat die jongen dood is.’

We babbelden nog even over vroeger en toen ik weer ging zitten zat ik opeens erg alleen aan tafel.

Na mijn voortreffelijke koffie rekende ik af. Ik bedankte de keuken en wandelde met Otis naar de school van Nadim om mijn jongen op te pikken. Toen we thuiskwamen was B er al met Ada en een fijne taart. Ze vroeg hoe mijn lunch geweest was en ik vertelde over Flavio’s gerechtjes, de fijne combinaties die hij met de wijnen had gemaakt. Kennelijk had ik toch alles opgeslagen.

Over John vertelde ik ook, en dat ik vroeger vaak met Gijs bij zijn Puccini kwam. Dat was voor B’s tijd, zij haakte pas halverwege de jaren nul in.

‘Was je daar een beetje sip van geworden?’ zei B.

‘Misschien wel,’ zei ik, en vroeg me af of hoe lang mijn verjaardagen nog verjaardagen zonder Gijs zouden blijven.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Pralen in het goud

Eindelijk is de zomer voorbij. Nu kunnen de mooiste dagen van het jaar aanbreken. De hardblauwe luchten winnen aan diepte. Ze worden versierd met volle wolkenpartijen, die het zonlicht temperen en de warmte doseren. De planten verruilen hun eentonige groen voor een gul kleurenpalet. De stad kalmeert, de natuur wordt zowel ingetogener als sierlijker. Dagen voor de wandelaar, wiens trage tred en geduldige blik beloond worden.

Vorige week las ik Voorbijgaande schaduwen (1948), de laatste roman van Arthur van Schendel (1874-1946). Afgelopen jaar werkte ik chronologisch zijn romans af. Acht deeltjes dundruk beslaat dit oeuvre, en het slot kwam precies op het juiste moment. De eerste zinnen luidden voor mij het najaar in:

‘Een blauwe hemel boven Amsterdam is een van de zeven dagen, zes zijn er voor de wolken en dat zijn de dagen dat het water en de huizen in hun pracht verschijnen. Waar ter wereld ziet men een hemel zich zo groot over een stad verheffen, zo tintelend door de wazigheid van de zomer dat de grachten tussen de bomen stralen, zo helder in de winter dat de vensters en de daken fonkelen van licht. Waar ter wereld ziet men wolken zo breed en zwaar, gisteren saamgedromd, wit, verguld, heden uiteengestreken in golvenslierten grauw en zilver, waar ziet men hun schaduwen zo langzaam over de torens gaan tot over het water en de weilanden rondom?’

Hermans hekelde de gewoonte om romans te beginnen met ‘het weerbericht’, maar hier is iets anders aan de orde. Van Schendel, die een groot deel van zijn leven in Italië doorbracht, probeert de ziel van de stad te vangen. Het gaat hem om de wisselwerking tussen klimaat en gebouwen, natuur en cultuur, die een geheel eigen schoonheid heeft voortgebracht. Dat samenspel van licht, glas en water was ook bepalend voor de grote Nederlandse schilderkunst. Het meesterschap van Rembrandt en vooral Vermeer is niet los te zien van hun gevoeligheid voor het zachte namiddaglicht, dat alles waar het langs strijkt verandert in goud. 

Maar zoals in alle romans van Arthur van Schendel draait het in Voorbijgaande schaduwen uiteindelijk om mensen. Het boek begint met een groepje Amsterdamse kinderen en volgt hen in volwassenheid, huwelijk, ouderschap en ouderdom. Op de helft nemen hun eigen kinderen het stokje over. Twee generaties volgt de schrijver, van begin tot eind. In een schitterend essay uit De letterpiloot (1994) schrijft Willem Jan Otten terecht dat er in Van Schendels boeken ‘complete levens [worden] afgewikkeld’. Het verstrijken van tijd en vergankelijkheid zijn daarom vaste thema’s in dit oeuvre, maar het besef dat het leven steeds blijft doorgaan is volgens mij van even groot belang. Ik ken weinig andere romans die de duur en het ritme van een heel mensenleven in zo’n compacte vorm hebben weten te vatten. In het overstijgende perspectief en de gecondenseerde taal schuilt het sublieme.

Al die komende en gaande personages worden begeleid door het voortstuwende ritme van de seizoenen, dat simultaan een literair motief en decor oplevert. Van Schendel schreef Voorbijgaande schaduwen in Italië, tijdens de Tweede Wereldoorlog en aan het einde van zijn leven. De grondtoon is daarom melancholisch. Maar in zijn laatste werk wilde hij ook nog eenmaal de overweldigende schoonheid van zijn thuisland oproepen:

‘Oktober gaf die morgen een staatsiefeest voor de bomen. De lucht blonk fris, versierd met krullen blank als melk regelmatig naast elkander uitgerold, de zon scheen op het witte landhuis dat de luiken tussen de wingerd wijd had openstaan, op het weiland ervoor met twee zwart-witte koeien in de dauwigheid. Achter en terzijde van het huis verrezen de beuken plechtig in het bruin, de eiken in een halve kring op de glinsterende grond hadden glanzend roestrood met oranje aangetogen en twee esdoorns, ieder aan een hoek van het weiland, praalden in het goud, goud lag rondom hun stammen over het gras gestrooid. En ter wederzijde, in een bocht tot de straatweg langs het bouwland toe, verschenen alle heesters in het groen, blinkend gewassen, met een streep bruin blad aan hun voet geharkt, sommige boompjes hieven paarse vedertakken op. Ook de iepen aan de weg hadden bleekbruin met geel gespikkeld aangedaan.’ 

Nog maar drie weken, dan is het weer zover. 

"Foto van Lodewijk Verduin"
Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Het ergste moet nog komen

‘Zelfmoord is een heel rationele beslissing,’ zegt ze zo zonder een spoor van ernst dat het eng wordt. Talia houdt haar hoofd schuin en in haar pupillen lees ik vraagtekens, die verlangen dat ik bevestigend antwoord.

   Ik zal haar niet teleurstellen. ‘Sartre schrijft over twee alternatieven: óf de mens accepteert simpelweg dat het leven absurd is, óf hij pleegt zelfmoord.’ Liegen hoeft niet, zo denk ik er zelf ook over.

   Haar gezicht breekt open en ze legt een hand op mijn knie. ‘Ik moet naar de wc, jij ook?’

   Ik knik. Wanneer je een groot deel van de avond praat over morbide onderwerpen in een Amsterdamse kroeg, wil je uiteindelijk een meer plezierige activiteit ondernemen. Ik pak haar kleine hand vast – zeer delicaat; als ik hard knijp, breek ik ongetwijfeld de botjes – en troon haar mee naar het weinig chique herentoilet. In een smerig hokje waar de schimmel over de tegels kruipt en de deur is volgekrabbeld met schuttingtaal, neuk ik haar staand tegen de onfris ruikende toiletpot. Het is de eerste keer dat we zoiets doen, maar ja; met haar is ieder moment een avontuur waar je met overgave in stapt.

   Als we over de gracht lopen schiet ze onbedaarlijk in de lach bij het zien van Amsterdammertjes; dat soort paaltjes doen haar denken aan penissen die uit de grond verrijzen. De schaamte voorbij gaat ze op het puntje zitten en kraait uit dat ze door de stad verkracht wordt. Een andere metgezel voelt zich wellicht opgelaten; ik niet. Ik adoreer het. Als we boodschappen doen, doet ze alsof ze iets in mijn oor fluistert, maar eigenlijk streelt ze met haar tong de binnenkant – meer vrouwen doen dat bij mij, ik moet eens vragen waarom. Ik sidder en loop rood aan, wat zij dan weer fantastisch vindt.

   Het is niet pervers wat we doen in die wonderlijke atmosfeer van dat gore toilethok; conform onze gewoonte maken we lol, want plezier verbergt ons grote verdriet. Als ze klaarkomt, noemt ze me Hamlet; omdat ik haar zo doe denken aan de Deense prins die verzwelgt in zijn melancholie en flirt met de waanzin. 

   Als ze wederom naast me zit op de bank aan ons tafeltje kondigt ze aan: ‘Ik heb een cadeautje voor je, Timmie.’ Ze graait in een binnenzak van haar jack en vist daar een flesje vandaan. ‘Dit,’ legt ze uit terwijl ze het attribuut voor mijn neus houdt, ‘is kaliumcyanide. Levensgevaarlijk.’

   Ik ben niet verbaasd. Al eerder vertelde ze over haar zolderkamer waar ze een klein museum heeft ingericht met allerlei soorten vergif. Haar vader, een scheikundeleraar, is haar bij het aanleveren van producten voor haar verzameling – waaronder arsenicum en gele monnikskap – zeer behulpzaam geweest.

   ‘Als je niet meer wilt leven en je weet het écht héél zeker…’ Ze maakt haar zin niet af.

   Ik neem het flesje aan en stop het weg in mijn rugzak. Terwijl zij gedachteloos met haar vinger denkbeeldige kringetjes tekent op het houten tafeloppervlak, denk ik aan hoe gelukkig zij me maakt wanneer ze me toestaat haar tengere postuur te omstrengelen, en mijn vingers door haar blonde dreadlocks te snoeien. Mijn singer-songwriter, mijn vrouwelijke Orpheus.

   ‘Wat zei Schopenhauer ook alweer?’ vraagt ze opkijkend.

   ‘Het ergste moet nog komen,’ antwoord ik.

   ‘Hij heeft gelijk,’ fluistert ze afwezig. 

   Na een korte stilte barsten we in lachen uit. 

"Foto van Tim en Tirza"
Tim en Tirza

Tim Veeter

Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

 

Tirza Gehring

Tirza Gehring (1989) is actrice, fotograaf en tekenaar. Met een precieze en gedetailleerde handtekening schept Tirza tijdloze beelden, maar schuwt niet haar voorliefde voor historie en antiek daarbij in te zetten. Overal tekent en denkt ze in beelden, sferen en verhalen. Sinds acht jaar woont ze in Amsterdam.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Gigi Müjde"
    Gigi Müjde

    Gigi Müjde studeert in augustus 2025 af van de schrijfopleiding met een gemoderniseerde bewerking van het Middelnederlandse toneelstuk Mariken van Nieumeghen, namelijk: Meryem van Mokum. Door de lens van een oud Nederlands stuk, reflecteert die op de hedendaagse Nederlandse samenleving. In diens schrijven, speelt Gigi met taal, gebaar en referenties – om de lezer een eigen(aardige) wereld in te lokken vol verwarring en plezier. Die schrijft ook graag in samenwerking, vooral met Robin Alberts volgens hun eigen versie van de flarf-techniek, waarin er een tekst heen en weer wordt verstuurd en om en om wordt herschreven tot het onherkenbaar vol zit met liefde voor taal. Gigi schrijft alleen vanuit liefde, anders telt het niet.

  • "Foto van Jack de Boer"
    Jack de Boer

    Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

    Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

     

  • "Foto van Dünya Calikci"
    Dünya Calikci

    Dünya Calikci (28) is een echte Amsterdammer en schrijver pur sang. Als student aan de opleiding Writing for Performance aan de HKU schrijft ze rauw, eerlijk en realistisch – altijd dicht op de huid. Haar werk draait om echte mensen en hun verhalen, zonder opsmuk of filter. Dünya zoekt de kwetsbaarheid op en vangt het alledaagse in woorden die blijven hangen.