Otis de held

Vorig jaar rond deze tijd overnachtten we in een gîte boven Parijs. We waren op weg naar huis na een week in Normandië, en stopten bij een bejaarde dame die voor ons kookte en ons daarna liet zien waar we konden slapen.

De bedden voor de kinderen waren op een zolderkamer, direct daaronder sliepen B en ik. Zoals in veel oude Franse huizen was elk horizontaal vlak bezet met droogbloemen, prullerig porselein en poppen. We waren moe van de reis en de lichten gingen snel uit.

Midden in de nacht schrokken B en ik wakker van een ijzingwekkende schreeuw. Het soort van alarmkreet waardoor een vader al in zijn blote kont de trap op is voordat hij zich herinnert waar hij zich bevindt.

Naad zat rechtop in zijn bedje met schotels van ogen, zijn bleke smoeltje glimmend van het zweet.

‘Dat ding,’ gilde hij. ‘Papa haal dat ding weg.’

Het ding was een witporseleinen meisjespop met koolzwart haar, bruinglazen ogen en wimpers als spinnenpoten. Misschien kwam het door de angstschreeuw van Nadim, de panische blik zijn ogen, maar ik schrok ook van haar, moest me ergens overheen zetten om haar aan te kunnen raken.

Nog urenlang kon mijn jongen de slaap niet vatten. Ik had medelijden met hem, maar was vooral doodmoe, niet zo geduldig als ik had willen zijn. De volgende ochtend, op weg naar Amsterdam, maakten we er alweer grappen over.

De afgelopen nachten was Naadje regelmatig bang om te gaan slapen. Ik was als kind vaak bang in de nacht, en hoewel me dat hierin begripvol had moeten maken, voelde ik vooral wrevel omdat dat gemier wel tot een uur of tien kon duren.

Er moest een lampje aan, een lampje bij, de lampjes moesten op bepaalde plekken staan en de deur moest een exact aantal graden open.

‘Naadje,’ zei ik. ‘Hou op.’

‘Maar papa, anders kan ik gewoon niet slapen. En als je die dingen doet dan kan ik het wél.’

Ik zuchtte, nam me voor hem zijn rituelen te laten, maar het was sterker dan ikzelf: ‘Daar houdt het niet mee op.’

‘Hoezo niet? Je kan het toch gewoon doen?’

‘Je zult steeds meer eisen hebben voordat je kunt slapen. Steeds meer lampen tegen het donker willen. Het stopt daar niet mee.’

Ik pakte een extra lamp en zette zijn deur een precies aantal graden open. Hoewel zijn hoofd weer op het kussen lag, dwaalde Nadims blik als een vuurtorenlicht door de kamer.

‘Ik was ook bang in het donker,’ zei ik. ‘De enige oplossing is om je ogen dicht te doen en de monsters maar te laten komen. Ze houden nooit op omdat ze bij je horen; er zijn geen echte monsters, je hebt ze gemaakt zodat de angst een gezicht heeft.’

‘Waarom ben ik dán bang?’

‘Omdat je opgroeit. Er gebeurt te veel waarover je te veel te denken hebt en je koppie moet daar erg aan wennen.’

Het leek hem voor geen meter gerust te stellen. Ik dacht na over een andere manier om het allemaal uit te leggen, maar die diende zich niet aan.

‘Goed,’ zei ik uiteindelijk. ‘Weet je hoe Otis de Hond altijd al begint te blaffen als ik nog helemaal aan het begin van de straat ben met de fiets?

Hij knikte. Onder zijn bed lag Otis, de muffe lucht van oude hond verspreidend.

‘Je weet toch hoe hij door het dak gaat als er bezoek de trap op komt?’

‘Hm-hm.’

‘Wat denk je dat hij doet als hier een monster achter de deur staat?’

Nadim schudde zijn hoofd, een beweging die vertraagde en daarna overging in knikken. Hoewel het hem nog lukte zijn ogen open te houden, draaiden zijn pupillen weg. Ik aaide hem over zijn wang en veegde het haar van zijn voorhoofd. Onder het bed, vlakbij mijn blote voeten, kreunde Otis in zijn slaap. Hij kreunde omdat ik hem oud brood met kippenjus gevoerd had. Van kippenjus wordt hij ook winderig.

‘Otis de superheld,’ fluisterde ik, en vroeg me terwijl ik naar de woonkamer sloop af of ik dit nou goed of slecht had aangepakt.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Volheid

Een van de personages uit De Saamhorigheidsgroep (2020), de nieuwe roman van Merijn de Boer (1982), ziet in New York City een zwerver op straat slapen:

‘Een bebaarde kerel lag languit op een oude en vieze doos, met zijn mond open en zijn handen met de palmen naar boven. Hij was uitgeteld. Naast hem lagen een halfvolle fles whisky en een gescheurde zak chips. Zijn kleren waren buitengewoon ranzig. Zijn schoenen – of wat daarvan over waren – stonden naast zijn voeten, die zwart zagen van het vuil en bovendien onder de zweren en kloven zaten. Zijn nagels waren zo lang dat ze de tenen verborgen. Ze leken op beschimmelde gemberwortels.’ 

Waar dit bij veel schrijvers een bijna willekeurig detail zou kunnen zijn, is dit fragment van grotere betekenis binnen het oeuvre van De Boer, die excelleert in beschrijvingen van lichamelijke verwaarlozing. In zijn debuut Nestvlieders (2011) staat het verhaal ‘Balthasar Tak’, een bijna tergend gedetailleerd portret van een bijzonder onsmakelijk figuur: ‘Van dichtbij ruiken zijn haren, niet alleen nu hij op het vliegveld zit, naar een nest met bedorven eieren erin.’ Het personage wordt alsmaar ranziger, totdat hij uiteindelijk op gruwelijke wijze om het leven wordt gebracht. Je zou kunnen denken dat hier sprake is van een uitbanning, dat de schrijver hier bruut afrekent met zijn eigen angst voor verslonzing of verval. Maar ook in later werk van Merijn de Boer, zoals zijn roman De nacht (2014) of het verhaal ‘Een vaderfiguur’ uit De geur van miljoenen (2018), is degeneratie nooit ver weg.   

Ook in De Saamhorigheidsgroep is wel wat viezigheid te vinden, maar qua sfeer en toon is het boek eerder verwant aan de merkwaardige liefdesroman ’t Jagthuys (2016), waarin een verhouding ontstaat tussen zorgverlener Vera en de gehandicapte maar geniale en gevoelige Binnert. Een belangrijk verschil zit in de vorm: waar De Boers vorige twee romans relatief geconcentreerde boeken met enkele personages en een relatief constant decor waren, is zijn nieuwste een breed opgezette vertelling over een tiental leden van een idealistische vriendengroep in de jaren tachtig. 

Buiten twee kortere episodes in New York en Jeruzalem, waar Bernhard Wekman werkt als diplomaat, speelt de roman in Haarlem. Hoewel geen activist van nature, wordt Bernhard door zijn vriend Felix  geïntroduceerd bij De Saamhorigheidsgroep, die zich middels acties en donaties inzet voor ‘de Derde Wereld’. Als buitenstaander is Bernhard geïntrigeerd door deze eigenzinnige gemeenschap, en hij geniet tegen zijn eigen verwachtingen in van het groepsgevoel. Maar het ingrijpendste is zijn verliefdheid op een van de vrouwen uit de groep, Liza. Aanvankelijk verleidt ze hem alleen zodat Bernhard het kind kan verwekken waar Liza en haar onvruchtbare man naar verlangen, maar al doende blijkt er meer tussen hen te zijn. Er bloeit een hevige liefdesverhouding op, die wordt afgekapt wanneer Liza een zoon krijgt en Bernhard voor zijn werk moet emigreren. Terugblikkend realiseert hij zich dat die Haarlemse jaren de gelukkigste van zijn leven waren. 

Maar deze hoofdlijn is verpakt in een boel korte en langere verhalen over personages die in de loop van het boek steeds weer opduiken. Zo is er Douwe, de zoon van een van de groepsleden, een zwaarmoedige jongen die Misdaad en straf leest maar opleeft wanneer zijn leraar Latijn hem een feestelijk rood jasje geeft. Of Felix, die als jurist zijn grote gezin onderhoudt en ’s ochtends om zes uur op de wc – de enige stille plek in het kleine huis – aan zijn proefschrift werkt. En Haje, uitbater van een drijvend stamppot-restaurant, dat geterroriseerd wordt door Jacques, een morsige journalist die eerst heel links en nu heel rechts is, en die onmiskenbaar gemodelleerd is op de schrijver Jacques Gans (1907-1972). Wanneer Haje de overlast zat is, vaart hij zijn etablissement naar Wallonië, waar hij een vrouw ontmoet en goede zaken doet door voor blinde mijnwerkers te koken – je moet er maar opkomen. 

Al die verhalen geven De Saamhorigheidsgroep een negentiende-eeuwse volheid: er is veel meer dan alleen een plot, zonder dat alle uitweidingen de hoofdlijn verduisteren of vertragen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Merijn de Boer klassieke Russische schrijvers als Toergenjev, Tolstoj en Dostojevski als voorbeelden beschouwt, zoals hij in een recent en vrij persoonlijk radiointerview vertelde. Daarnaast lijkt hij het devies van Flaubert, die andere grote negentiende-eeuwer, te hebben nagevolgd: De Saamhorigheidsgroep bevat geen moreel oordeel over de personages, hoe tragisch, onbeholpen of lachwekkend hun geklier ook is. Maar het soms wat sardonische perspectief uit zijn vroege werk is hier verruild voor een warmere, begane blik, die mij eerder tot ontroering dan tot grimassen heeft aangezet. Dat is waarom ook ik De Saamhorigheidsgroep zijn beste boek tot nu toe vind. 

"Foto van Lodewijk Verduin"
Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Een eigen koers

De laatste week van de zomervakantie bracht ik werkend door. Met een collega van de Schrijversvakschool mocht ik in een ruim Frans huis studenten begeleiden op hun weg naar beter proza.

Er waren lieve honden en ezels, er werd voor ons gekookt en overal stonden koelkasten vol koude drankjes. In zo’n week ben je overgeleverd aan wie zich opgegeven heeft, maar wij hadden mazzel: onze mensen waren slim en gedreven, sociaal vaardig ook.

Ik stond elke dag om zes uur op, en gebruikte de uren tot het ontbijt voor het herschrijven van mijn roman. Daarna gaven we les, waarna lunch, en in de middag was er tijd om één op één te zitten met cursisten die daaraan behoefte hadden. ’s Avonds werd er geborreld en aansluitend aten we gezamenlijk. Ik ging steeds vroeg naar bed om in de ochtend weer te kunnen werken.

Toen we terugreden naar Amsterdam vroeg mijn collega of ik nog een keertje mee zou willen, en ik zei dat ik het nog niet wist. Raar als dat mag lijken gezien ik alleen maar pluspunten heb opgevoerd, was het me sinds de Romereis in de vijfde niet overkomen dat ik een week ergens zat zonder weg te kunnen. Bij thuiskomst meldde ik dit aan B, die zei dat ik te eigenwijs geworden ben om me lang aan te passen, te zeer gewend mijn eigen koers te varen.

Het werd maandag; ik bracht de kinderen naar school, kwam thuis in een leeg appartement en zette me gelukzalig aan het werk tot Otis de Hond blafte, de voordeur openging en R binnenkwam.

R is vijfendertig, sinds een jaartje vader van een zoon. Met zijn vrouw – ook Filipijnse – woont hij op een postzegel in Nieuw West, en verdient zijn geld door huizen als het onze schoon te houden. R hoopt in tien jaar Amsterdam genoeg te sparen voor wat Filipijnse grond met een eigen huisje erop.

Ik dacht aan mijn Filipijnse aikidovriend N, die ooit zonder zijn gezin naar Dubai trok nadat een storm de plantage van zijn familie had verwoest. In Dubai werkte hij – opgeleid tot ingenieur – jarenlang als lasser van pijpleidingen, zijn paspoort was bij aankomst ingenomen door de baas.

Ik zette koffie voor R en vroeg hem hoe het met de kleine ging.

‘Very good,’ zei hij met een glimlach. Daarna vertelde hij over het basketbaltoernooi dat zijn team van Filipijnse expats gewonnen had. Ik zette me weer aan mijn werk en R begon met stofzuigen, als altijd in falsetto meezingend met de Romantic Rock Ballads van de playlist op zijn brakke telefoon.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Minuscule oorlogen niet met het blote oog zichtbaar

Ik kan eindeloos naar bomen staren en heb dat deze zomer ook eindeloos gedaan, soms gelukkig dan weer in verdriet. Wat doe je als je naar een boom staart? Je zoomt afwisselend in op enkele bladeren, takken, vertakkingen en zoomt uit naar het geheel. En opnieuw. Neemt de ruisende beweging waar, het lichtspel tussen de bladeren en de vogels die in de boom wonen of er even op bezoek zijn.

Mijn middelbare school stond midden in de bossen en naast de lokalen Nederlands woonden een heel stel rode eekhoorns die een contaminatie aangingen met metaforen, metrum en stijlfiguren, want niets is leuker dan naar eekhoorns kijken. Tot stijgende wanhoop van de brave leraren.

Niets leuker? Ik heb een eekhoornsnackbar in de tuin, ook te zien als een intelligentietest voor kleine zoogdieren en de enige dinosauriërs die we nog kennen: de lokale vogelstand (die op mijn lijst uit 22 soorten bestaat maar een buurman meent in zomer en winter samen tot 46 te komen.) Deze snackbar bestaat uit een vierkant bakje met een glazen front, waarachter doppinda’s en een klep erboven die je open moet duwen om bij de pinda’s te komen.

Voor de eekhoorns is het een koud kunstje, maar de pimpelmezen blijven onmachtig tegen het glas tikken alsof dat helpt. De oplossing gaat hun fraaie blauwe koppies vrij letterlijk te boven. De Vlaamse gaai snapt de snackbar dan weer heel erg goed, awel! De eekhoorn legt er met een hoger gevoel voor humor soms een duivenei in.

Starend in de boom knaagt aan mij steeds een schuldgevoel: ik zie regelmatig een rode eekhoorn, en beleef daar veel plezier aan. Maar ik verlang er intens naar een boommarter te zien, die hier in de buurt vaak worden waargenomen, maar die ik nog niet zag. En een boommarter peuzelt met grote graagte zo nu en dan een rood eekhoorntje weg. Zo strijdt in mij onzichtbaar liefde met nieuwsgierigheid.

En aldus geplaagd door tegenstrijdige gevoelens tol ik rond en staar ik door naar de boom, die immer een in veelheid is.

Men moet

Men moet altijd enigszins verdrietig zijn,
anders is men verloren,

maar men moet wel een beetje verloren zijn –
van het reddeloze soort –
anders zou men alleen maar gelukkig zijn,

toch moet men ook gelukkig zijn,
zo maar gelukkig kunnen zijn,
in alle staten van geluk,

anders zou men maar verdrietig zijn,
enigszins verdrietig
altijd.

Toon Tellegen

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

De ruimte

De heenreis duurde door ettelijke files lang, vooral bij Ada (3) viel het laatste stuk erg zwaar. Toen het meer in zicht kwam riep ze al anderhalf uur dat het écht niet meer ging, wat ze zo nu en dan aanvulde met het schitterende ‘Kindjes moeten léven’.

Het zou de zin van de vakantie worden, bleek inzetbaar op zowel frustrerende als fijne momenten.

Ik ben die Nederlandse toerist die in een toeristisch oord zijn neus ophaalt voor alles wat niet authentiek lijkt. Terwijl we de heuvels boven het meer in reden, op weg naar ons logeeradres, zette ik het aantal hotelrestaurants af tegen het aantal reguliere winkels en mopperde alvast.

Het uitzicht van de tuin was adembenemend, ansichtschoon. Cipressen, een kerkje, de steile bergwand van de overoever kleurde roze in de ondergaande zon. Er was een bar in het dorp die boerenuren aanhield – vanaf zes uur ’s ochtends open – en niet pittoresk genoeg was om toeristen te trekken. Mijn ochtenden waren in ieder geval gered.

Toen ik bij onze waardin klaagde over het gebrek aan groenten bij de Casino, belde zij meneer Moreno voor me. Ik mocht voor lunchtijd op hem wachten bij de apotheek; hij zou zich aan me kenbaar maken.

Moreno bleek een fijne gozer van een jaar of dertig, die naast zijn baan in de automatisering een enorme groentetuin bijhield. Ik mocht plukken wat ik wilde, vulde er een doos mee en kookte de rest van de week van zijn tomaten, aubergines, aardappels, courgettes en bonen.

Soms daalden we af naar een stil dorpje dat tussen de meeroever en een steile rotswand lag. Er was een strand waar geen honden mochten komen maar veel honden waren, het meer rook er zo fris dat je er dorst van kreeg.

Ik maakte foto’s van B en de kinderen in het felle ochtendlicht, van Otis de Hond. We hadden nog vier dagen, toen drie, toen twee. De ruimte raakte op, verloor terrein aan Amsterdam en aan de eennalaatste versie van mijn roman die ik geprint had meegenomen, maar tot dusver in mijn tas gelaten had.

We bezochten een toeristisch stadje dat ook dit jaar heel toeristisch was en ik beschadigde onze leenauto in de wokkel van een krappe parkeergarage, honderden euro’s stapelend op de vakantiekosten.

Kindjes moesten léven, godverdomme.

Wie we zijn tijdens zo’n reis, dat houden we nooit vast, en elk jaar voelt dat vreselijk verkeerd.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Tussen Mona en de Horizon

Ahoy Pan!

We varen niet meer in de windschaduw van de Dominicaanse Republiek. Na het opschrijven van mijn nachtorders, besloot ik gisterenavond te gaan slapen en merkte even later vanuit mijn kapiteinshut dat ze de kaap van Isla Saona vrij hadden gevaren. De deining en daarmee de beweging van het schip veranderde van het ene op het andere moment. De afgelopen dagen stond er een noordenwind en de golven rolden nog steeds vanaf de oceaan door de Mona Passage naar het zuiden.

De Mona Passage, voordat ik zee koos zocht ik informatie op in de oude pilot boeken:  The stretch of sea between the islands is one of the most difficult passages in the Caribbean. It is fraught with variable tidal currents created by the large islands on either side of it, and by reefs and sand banks that extend out for many miles from both coasts. ‘Good luck, my captain’, dacht ik nog. De Mona Passage, zelfs Columbus gebruikte met zijn schepen deze doorgang al om vanuit de Caribische Zee naar de Atlantische oceaan te ontsnappen. Het moest voor ons dus ook mogelijk zijn om de oceaan te bereiken via deze zee-engte.

Vannacht rond middernacht tijdens de wachtwissel zijn we met all hands overstag gegaan. Nadat alle dertien zeilen weer aan de wind waren gezet, konden we met de noordoosterwind die we hadden een koers houden van 340 graden over de grond. Toen ik de koerslijn met potlood in de zeekaart zette, zag ik dat deze hoogte niet genoeg was om de Dominicaanse Republiek, dat nu onze lage wal was, vrij te varen. Wel konden we nu tot de vroege ochtend deze koers aanhouden en zo midden in de Mona Passage raken.

Vanochtend werd ik wakker, kwam aan dek en zag aan stuurboord in de verte het eilandje Mona, dat buiten de vuurtorenwachter op zijn witte toren, alleen bevolkt wordt door vogels en een gigantische groep zeeschildpadden. Waarschijnlijk heeft Columbus tijdens zijn tweede ontdekkingsreis, Mona haar naam gegeven. Het is een klein kaal eiland met witte rotsen aan de noordkant, waar de oceaandeining al eeuwen tegenaan beukt. Aan bakboord zag ik de Dominicaanse Republiek als een streep land in de verte waar ik ver weg van wilde blijven. De wind stond er recht naar toe en ik wilde daar niet op de reefs voor de kust eindigen. Zeemanswijsheden als ‘blijf weg van de lage wal‘ gelden voor ons, zeilschip zonder motor zeker.

De deining nam naarmate de dag verstreek nog meer toe. Omdat het zeewater daar vanaf de kilometers diepe oceaan naar een relatieve ondiepte van 400 meter onder de kiel wordt gestuwd, ontstaat een ongelofelijk onrustige golfslag. Ondertussen werden we omringd door squalls, dus moesten we steeds zeil wisselen. Bovenbrammen en bovenstagzeilen moesten naar beneden gehaald net voor zo’n donderwolk waaronder meestal wind zat, maar moesten weer gezet als de wind daarna weer inzakte. Als we met minder wind te weinig zeil hebben staan, houden we onze hoogte niet. Iedereen was zo hard bezig in de gezamenlijke strijd tegen de lage wal en het weer, dat de meesten hun zeeziekte vergaten.

Angstvallig houd ik bij of er ook andere ziektesymptomen te zien zijn aan dek. Als dat zo is, zijn we verloren. Mocht het virus hier nu aan boord zijn, dan weet ik niet goed wat te doen: de oceaan op zeilen is dan geen optie meer, ik moet dan terug de Carib in. Maar welk eiland zal een ziek schip zonder motor in haar haven toelaten?  Beelden van weken onder gele vlag in quarantaine in een afgesloten haven, spoken door mijn hoofd. En de angst dat ik daardoor te laat aankom in Nederland voor de bevalling. Zinloos piekeren of kansberekeningen? Tot nu toe is er niemand met keelpijn of koorts en wellicht varen wij straks op de oceaan, en zijn daarmee de meest veilige plek op de wereld.  

Vier jaar geleden voeren wij hier samen op ditzelfde schip. Ik weet nog dat de vaten toen gingen rollen, omdat ze niet goed gezeevast waren. In de eerste oceaan deining hoorden we ineens bonken en gekraak vanuit het ruim en hebben we uren gewerkt om alles in de hitte alsnog vast te zetten. Dat is nu niet aan de hand, de vaten liggen muurvast onder tonnen zeventig kilo zakken cacao en koffie.

Toen we een aan paar weken geleden in Greneda lagen, bouwde ik verder aan het kinderwiegje. Oude houten planken van een rumvat, spoelhout bij elkaar gejut van verschillende stranden op verschillende eilanden en stukken tuigage van ons eigen schip spijkerde en schroefde ik tot een klein bootje dat er steeds vreemder uit ging zien. Onze bootsman vond het een verademing om naar te kijken, hij zei: ‘Ik wou dat ik nog zo kon knutselen, zo zonder plan, maar dat kan ik met mijn kennis echt niet meer’. Daardoor moest ik denken aan wat oude Wanda thuis in Zeeland zei, toen hij onze net tot thuis verbouwde bus voor het eerst zag: ‘Ik zie het al, niet gehinderd door enige kennis’. Wij waren daar wel trots op: Zo was het maar net, soms is het goed kind te blijven. Als ik weer thuis ben en we ons kind krijgen, hoop ik mijn jeugd weer helemaal opnieuw te beleven. De totale verwondering voor alle dingen die dan weer nieuw zijn. Dat moet op ons geboorte kaartje komen te staan: ‘Erf de ogen van je kind, kijk er door’*

Tegen de middag nam de wind steeds meer toe en voeren we weer oostwaarts net boven Mona langs. Tussen de donderwolken zagen we daar een klein jachtje varen en via de marifoon riepen we het op. Het was een solozeiler, vertrokken vanuit Mallorca bijna vier weken geleden. Hij vertelde dat hij via Cuba naar Panama wilde varen, maar alles rustig aan. Dit was zijn wereldreis waar hij jaren naar toe had gewerkt. Daarna vroeg hij waar wij heen voeren. Ik vertelde dat ons doel vooralsnog Horta op de Azoren was. Aan de andere kant van de marifoon hoorden we gelach: hij wenste ons succes, maar gaf ons niet veel kans: de Azoren zaten dicht net zoals heel Europa binnenkort. Waarom we niet hier bleven? Ik vertelde hem dat we geen mooiweerzeilers waren, maar vracht naar huis moesten brengen. ‘Fairwinds!’ was het laatste wat we hem hoorden zeggen en onder de dreigende wolken verdween zijn zeiltje tussen Mona en de horizon.

Even later hoorden we het geluid van een gigantische helikopter van de USA Coastguards vanaf de kust van Puerto Rico naar ons toe komen. Hij vloog rond ons heen, zo dichtbij dat we het wiekeffect in de zeilen voelden. Op de radio hoorden we niks en ze hielden vanachter hun raampjes ook geen nummer op voor het radiokanaal waar we naar toe moesten switchen. We konden de gezichtsuitdrukking van de piloot zien, zo dichtbij zaten ze. Hij had een stoer maar vragend gezicht, zoals de helikopterpiloten in Hollywoodfilms hebben.

Misschien vroeg hij zich af onder wat voor vlag we voeren. We hadden onze normale landsvlaggen naar beneden gehaald, omdat die op de oceaan altijd kapot woeien en voeren nu onder een vlag van de stad Den Helder. Ik denk niet dat dat verheldering over deze vreemd uitziende brigantijn gaf, daar in de cockpit. Na drie rondjes rond ons schip vlogen ze weer weg richting Puerto Rico. Zou dit het laatste menselijke contact tussen ons en de wereld zijn geweest ? Voor deze lange oceaanoversteek begon?

We besluiten maar weer overstag te gaan. Zoals het er nu uit ziet, varen we kaap Punta Cana op de Dominicaanse Republiek vrij en zijn daarmee echt los. Zeven jaar eerder voer ik hier ook met hetzelfde schip, toen nog als tweede stuurman. Bijna emotioneel keek ik toen om, zag dat typisch felle Caribische licht nog eenmaal en vroeg me af wanneer ik weer zou terugkeren. Nu wil ik niet om kijken en volgende winter terugkomen. Ik wil naar huis, na zeven winters in verre oorden is het goed om weer alle seizoenen in Zeeland mee te maken. Om in plaats van de nachtwachten ’s nachts wakker te worden voor het voeden van ons kind en de houtkachel eens goed op te stoken voordat die uit gaat. We varen nu bijna noordwaarts hoog aan de wind. Binnen een paar dagen zal het klimaat veranderen. Weg uit de tropische warmte, terug in de Noord-Atlantische lente, waar jij je bevindt. 

*Tekstregel uit  ‘Kom terug’ van Erik de Jong alias Spinvis

"Foto van Wiebe Radstake"
Wiebe Radstake

Wiebe Radstake groeide op tussen de boeken van zijn ouders in tweedehands boekwinkel Boven het Dal te Zierikzee. Hij is zeekapitein op zeilschepen rond de wereld. Naast de zeezwerftochten die hij maakt, haalt hij zijn inspiratie uit het dwalen door de steden en het struinen over stranden. Hij werkt aan een brieven/reis boek met de titel Thuisvaarder/Thuisvader. De logs van Tirade zijn korte stukken uit Thuisvaarder.  Momenteel is Wiebe onderweg vanuit Europa met een driemaster richting Suriname en de Caribbean. Als hij niet aan boord is op dwarsgetuigde zeeschepen woont hij op een zeeuwse klipper in Middelburg samen met vrouw en twee kinderen.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Jan Lodewijckx"
    Jan Lodewijckx

    Jan Lodewijckx (1990) had het wel even gehad op kantoor. Hij kocht een zware fiets en een kleine tent en zegde zijn werk op en zijn appartement.

  • "Foto van Ida Blom"
    Ida Blom

    Ida Blom schrijft proza en essays. Haar werk verscheen op papieren helden.

  • "Foto van Tim Veeter"
    Tim Veeter

    Tim Veeter

    Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.