Kiezels

Een tijdje werkte ik bij een boekhandel. Ik herinner me nog het gevoel dat ik soms kreeg van het uitpakken van de dozen met nieuwe boeken. Als iemand met eigen schrijfaspiraties kon ik soms een beetje triest worden van het zien van al boeken: wie ging dat allemaal lezen? Welke boeken zouden na weken onaangeraakt te zijn blijven liggen weer in de doos retour gaan?

En hoeveel mensen waren er nu die over alle pakweg tien wekelijks nieuwe boeken iets zinnigs konden zeggen, die ze allemaal zouden lezen? Een boekhandel is wat dat betreft wat intimiderend: er is niemand die al die boeken gelezen heeft, zelfs de boekhandelaar niet, ook al houdt hij of zij het goed bij. Er zit een hoop kennis in die boekenkasten, maar ook een hoop vergetelheid.

Vorige week heb ik, om het dichterlijk te zeggen, mijn eigen kiezel in die vijver gekeild, en nu is het de vraag of mijn kiezel stuitert en golven maakt of snel naar de bodem zinkt. Voor elk boek dat nog steeds onderweg is zijn er duizenden die allang op de bodem liggen.

Is dat erg? Veel schrijvers zeggen dat ze voor zichzelf schrijven. De dag na mijn boekpresentatie was ik bij de kennismaking van een schrijfresidentie waar ik deze zomer aan ga deelnemen. Daarbij werd er ook (vanzelf) gesproken over wat we met het schrijven ‘wilden’. Iedereen schreef hoofdzakelijk voor zichzelf. Als je het mij zou vragen, zou ik ook zeggen dat ik hoofdzakelijk voor mezelf schrijf.

Intussen willen we allemaal publiceren in literaire tijdschriften en boeken uitgeven. We schrijven misschien voor onszelf, maar we willen ook gelezen worden.

Waarom eigenlijk? Het gekke aan ‘gelezen worden’ is dat je er nooit bij bent als het gebeurt. Op het moment van schrijven zit een van mijn huisgenoten mijn verhalenbundel te lezen op het balkon, maar ik kan er niet echt bij zijn. Je kunt nooit echt deelnemen aan iemands leeservaring omdat het zo persoonlijk is, omdat je met schrijven een soort droom oproept in iemands gedachten, die zich onvermijdelijk afspeelt binnen het kader van diens eigen ervaringen.

Je bent er dus niet bij als je gelezen wordt en daar komt bij, zoals ik al schreef, dat de kans groot is dat je boek (snel) naar de bodem van de vijver zinkt. Dat is een beetje tragisch. Voor jezelf schrijven lijkt dus de veiligste optie.

Maar laten we nog even terugkomen op het feit dat je als schrijver niet mee kunt maken dat iemand je leest. Ironisch genoeg is de reden daarvoor volgens mij dezelfde reden dat we lezen. Uiteindelijk lezen we, denk ik, omdat we ons in het echte leven nooit echt kunnen inleven in anderen, omdat het ontzettend moeilijk is om je in de schoenen van anderen te plaatsen, en dat is wat je met lezen wel doet. En zo kun je eventjes iemand van een ander geslacht zijn, in een ander land, in een andere tijd, of gewoon iemand met een leven dat net iets anders is dan dat van jou. Die illusie heb je tenminste, want de ervaring van het lezen wordt ook gefilterd door je eigen herinneringen en ervaringen. Uit het meemaken van een verhaal van een personage in je eigen hoofd volgen weer andere zaken: reflectie op jezelf, op de wereld.

Zo is de literatuur een soort grote bibliotheek van tweede levens. Als schrijver draag je daaraan bij. Het feit dat ik een boek kan lezen van een schrijver van eeuwen geleden en zijn gedachten begrijp en om zijn grapjes moet lachen, daar kan ik heel vrolijk van worden. Ik ben als lezer nog veel verder van hem verwijderd dan mijn huisgenoot op het balkon van mij, maar in dit verband gezien maakt dat eigenlijk niet zoveel uit. Schrijven is iets bijdragen aan die grote vijver met kiezels – weliswaar blijven alleen de mooiste, pijnlijkste, meest tragische en meest veelzeggende tweede levens door de jaren heen over het water stuiteren en golven maken, maar dat betekent niet dat het geen zin heeft om gewoon een worp te doen, en te kijken hoe ver je kiezel komt.

 

Pieter Kranenborg (1994) volgt de masteropleiding Urban Studies aan de Universiteit van Amsterdam. Hij publiceerde verhalen in Tirade en Hollands Maandblad en in 2016 won hij de Hollands Maandblad Aanmoedigingsbeurs. Op 19 mei verscheen bij Van Oorschot zijn debuut: de verhalenbundel Astronaut. https://pieterkranenborg.wordpress.com/

In de Oorshop

Een begin #5

De Amatodjastraat is een zandweg. Toen Phil en ik hier kwamen wonen wilden we gras zaaien, bougainville langs de tuinmuur laten groeien; bomen planten. Maar er waren belangrijker dingen, zoals een telefoonaansluiting, elektriciteit, verblijfsvergunningen.

Nu is alles gedaan, maar de tuin is nog steeds een erf van zand en steentjes. Het stof ligt in een dikke laag op de auto en op de tuingereedschappen die we niet gebruiken. Onze mangoboom is de enige in de straat die nooit vruchten draagt. De buurman zegt dat we hem om moeten hakken.

Even hadden we een tuinman. De grote creoolse man bewoog met een traagheid waardoor je de brushcutter uit zijn handen wilde trekken. Ik betaalde hem aan het einde van zijn derde dag en keek hoe hij wegliep, nog altijd in hetzelfde tempo.

Ik weet niet wat we dachten toen we besloten hierheen te verhuizen. Ik weet niet wat ik dacht. Ons huis aan de Dennenlaan was meteen verkocht. Er kwam een vrachtwagen met een scheepscontainer achterop; het mos in de voortuin zakte in onder de wielen van de verhuislift. Wat we meenamen waren het bed, de bank, kasten, de wasmachine: grote dingen.

Ik herinner me de contouren van de meubels op de vloeren en de wanden. Hoe de kamers overvol leken toen alle spullen eruit waren gehaald, en er geen plek meer was voor ons, voor mij, in de Dennenlaan.

In mijn eentje had ik twijfels. We waren twee keer in ons nieuwe land geweest. Was dat genoeg? En ook al leek het witte huis aan de Amatodjalaan een droom: voor wie waren de dievenijzers op de deuren en ramen, als niet voor ons. Voor mij?

Mevrouw Woo, die het supermarktje op de hoek van de straat heeft, spreek ik elke dag. Haar Nederlands is niet goed genoeg voor hele verhalen, maar ik ga altijd even zitten om mee te kijken naar een van de Chinese films op haar televisie naast de kassa. De rechterhelft van het beeld is groen, maar mevrouw Woo lijkt daar geen last van te hebben.

____________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Dansende veren

Toen ik een jaar of zes was vond ik een stervend vogeltje. In paniek rende ik naar mijn ouders.

Ik weet nog hoe mijn moeder naar mijn vader keek, hoewel ik toen niet begreep wat dat betekende. Nu wel, ze dacht: dit is een goed moment om Jesse over het leven en de dood te leren.

Mijn ouders kwamen met me mee. In mijn herinnering liepen ze ongelooflijk langzaam en bleef ik ze maar aansporen om sneller te lopen, want het vogeltje lag daar maar te creperen. Toen we bij het vogeltje aankwamen leefde hij nog. Er aasden al wel wat vliegen op hem, als gieren op een dode cowboy. Volgens mijn ouders was er niets meer aan te doen. Ik zei dat oma het toch ook had overleefd. Maar dat was anders. Vogeltjes gingen niet naar het ziekenhuis en kregen geen infuus en bloemen.

Maar denk maar zo jochie, zei mijn vader, vogeltjes worden dan weer niet dement.

We wachtten daar dus gewoon tot dat vogeltje doodging. In het kader van existentiële lering. Ik weet nog dat ik paniekerig naar de blikken van mijn ouders zocht. Mijn moeder keek me aan met een warme het-is-niet-andersglimlach. Maar mijn vader was onzekerder. Eventjes speelde hij de rol die mijn moeder voor hem had geschreven, maar toen brak hij.

Hij trok zijn T-shirt uit en vouwde het op. Samen legden we het vogeltje erop en renden we naar huis. Ik voelde het bloed door mijn oren suizen terwijl ik mijn blik op het vogeltje hield en ik zag dat mijn vader hetzelfde deed. We moesten hem warmhouden en veilig en niet alleen. Mijn moeder snelwandelde met grote ogen achter ons aan.

Die avond zat ik met mijn vader in de tuin terwijl het vogeltje zijn laatste adem uitblies. Hij stierf op het T-shirt van mijn vader, op de tong van de Rolling Stones. Mijn moeder zat binnen en keek Sex and the City. We waren stil terwijl we het vogeltje begroeven.

Mijn vader liep naar binnen. Hij kietelde mijn moeder op haar borst en toen ze omlaag keek, zwiepte hij zijn wijsvinger tegen haar neus omhoog. Ze lachte en toen keken ze samen televisie.

Een halfuur later kwam mijn vader mij ophalen. Met een takje schreef ik letters in de aarde. Hij zei: heftig hè, gozer. We liepen terug naar binnen, terwijl de veertjes dansten op zijn T-shirt.

 

Pieter Kranenborg (1994) volgt de masteropleiding Urban Studies aan de Universiteit van Amsterdam. Hij publiceerde verhalen in Tirade en Hollands Maandblad en in 2016 won hij de Hollands Maandblad Aanmoedigingsbeurs. Op 19 mei verscheen bij Van Oorschot zijn debuut: de verhalenbundel Astronaut. https://pieterkranenborg.wordpress.com/

Het vrijhouden van het midden

10 mei 1995 kocht ik Camillo Sitte’s De stedebouw volgens zijn artistieke grondbeginselen. Het is een geweldig boek, beduimeld inmiddels, om die reden. Sitte heeft een hekel aan zielloze nieuwbouw en probeert te reconstrueren waarom sommige steden zo goed gelukt zijn. Waarom je diep gelukkig kunt zijn op een plein in Rome. Volgens Sitte komt dat door hoe het plein tot stand kwam, hoe het is ingericht. De klassieken wisten dat, daarna raakten we het een beetje kwijt. Met een veelheid van plattegronden toont Sitte aan waar bijvoorbeeld een fontein moet staan. Niet zoals in zijn tijd gebruikelijker werd in het midden van een plein.

Sitte is er zeker van dat het met sneeuwpoppen te maken heeft, of althans dat je het zo het best kunt uitleggen. Daar waar in de winter op een plein de kinderen een sneeuwpop maken, daar hoort de fontein. De karren en wandelaars hebben in de verkeersrichtingen van het plein de sneeuw plat getreden. De ruimtes met onbetreden sneeuw lenen zich dus voor de pop. Vaak is dat ergens aan de rand, maar niet helemaal aan de rand. Het boek staat vol met pogingen de werking van goedgebouwde steden te bevragen en de uitkomsten tot bruikbare wetten te herleiden.

Städte-Bau_Sitte_1901Ik moest aan Sitte denken toen ik recent in het Pantheon in Rome  stond en echt geschokt was over hoe goed dat gebouw werkte, wat het me deed. Sitte’s relaas over de sneeuwpoppen staat in een hoofdstuk Het vrijhouden van het midden. Er is een logisch verband. In het Pantheon is een oculus of oog vrijgehouden in de koepel. Het strenge, veelbetekenende, blik aanzuigende midden van zo’n koepel is dus… afwezig.

De in diameter 8,2 meter grote leegte verlicht de tempel zoals de zon de aarde verlicht, van het Pantheon daarmee een complete wereld makend. Een zuil van licht valt deze toch al zo imposante tempel binnen, en licht elk moment van de zonnige dag weer iets anders uit. De afwezigheid van iets doet de rest beter uitkomen.

Sitte constateert door eenvoudig telwerk bijvoorbeeld dat een kerk in het midden  van een grote ruimte neerzetten niet werkt: in Rome is 98% van de kerken aan een, twee en de meeste aan drie zijden ergens aan vast gebouwd, waardoor je op het plein ernaast een maximaal effect hebt, terwijl het effect bij vrijstaand  bouwen gefragmenteerd raakt. Sitte bepaalt tellend ideale afmetingen van pleinen en straten. Een meesterlijk leerboek.

In een heel fraai essay van Kees Verheul over Rome*, citeert deze met instemming Quevedo die na een relaas over ruïnes en vergane glorie opeens met een schokkende wending komt: ‘Sólo el Tibro quedó…’ ‘Alleen de Tiber is gebleven.’ ‘Wat een fenomenale gedachtesprong’ schrijft Verheul dan, ‘de eeuwige duur van Rome, gesymboliseerd door het oerbeeld van veranderlijkheid, vlietend water. Vluchtigheid de enige constante factor in het leven.’

Op vergelijkbare wijze geeft de ontbrekende 8,2 meter koepel, de uitsparing in iets heel moois, mij de meest intense Romeinse sensatie. Ik raak over deze leegte maar niet uitgedacht: een lapje lucht als de meest elementaire vorm van architectonisch vernuft. Dat er met Pinkteren rozenblaadjes door naar beneden worden gegooid, en dat de regen en de sneeuw gewoon naar binnenkomen. Dus dat dit binnen, buiten is.

 

*’Res rerum rebus’ in: Kees Verheul  Het mooiste van alle dingen. Romeinse essays, Querido 1994.

——-

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade. Schreef hier eerder over Bouwen

 

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Samen weg

Jarenlang deed ik niet aan vakanties. Terwijl mijn vrienden weekendjes naar Barcelona of Istanbul gingen rende ik met dienbladen en borden rond in de Amsterdamse horeca. ’s Zomers bleef ik in de stad voor de rust, de warmte, de verandering van publiek.

Na een jaar zonder vrij te nemen gastheer te zijn geweest in een groot restaurant in het centrum stuurde een van de eigenaren me op vakantie omdat hij inzag dat het nodig was.

B en ik waren net samen. We landden in Napels, huurden een auto en reden langs de steile rotsachtige kust naar het zuiden. De beroemde Amalfiweg meanderde langs een eindeloze zee, die op leek te bollen alsof er in mijn ooghoek een gigantische golf ontstond.

Toen ik bang werd achter het stuur in slaap te vallen sloeg ik bij een willekeurig plaatsje af. Met het werk, de vlucht, de weg nog in mijn oren bestelde ik bier op een terrasje en liet de zon op mijn bleke armen branden. De zee rolde af en aan. B pakte mijn hand. Er liep een traan over mijn wang. Die reis samen zal ik nooit vergeten.

Iemand verklaarde ons laatst voor gek omdat we een drie maanden oude baby meenamen naar Marokko. Op B’s buik gebonden sliep Ada door de souk van Had Draa heen, waar geiten blatend op de schouders van hun kopers gaan. We dronken thee aan een gammel tafeltje naast een slagerij waar een halve koe aan een haak voor de pui hing. In een plastic bak op de toonbank lagen haar ingewanden. Er waren vliegen, maar niet zoveel als je zou verwachten.

Een man parkeerde zijn brommer voor ons tafeltje; in zijn fietstas zat een volwassen schaap gepropt. Ze hield zich stil, leek in haar lot te berusten en staarde me aan met zo’n bevreemdende rechthoekige pupil. De man groette onze ober en boog zich in het voorbijgaan over B heen om Ada een kus op haar bolletje te geven. Mij klopte hij met een stoffige hand op de schouder.

Nadim viel in slaap in de auto terwijl ik de rest van de boodschappen deed. Hoewel onze jongen veel denkt voor iemand van zijn leeftijd slaapt hij inmiddels net zo makkelijk in een houten hut in de Surinaamse jungle als in zijn eigen bed in Amsterdam. Voordat ik de motor startte keken B en ik een tijdje naar zijn slapende gezichtje, naar dat van zijn zus. De wereld kromp tot de binnenmaten van een Peugeot Partner.

Dit is de kern van wie we zijn, dacht ik. Dit is alles wat er is.

____________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Bij Booreiland in de Nieuwloofwijk

Momenteel lees ik het boek De verzopen katten en de Hollander van Detlev van Heest. Van Heest woonde zes jaar lang met zijn vrouw in een buurt in het westen van Tokyo en in dit boek beschrijft hij gedetailleerd zijn contacten met de buurtbewoners. Het zijn ruim 600 pagina’s aan alledaagse gesprekken en observaties, maar ik vind het heel goed.

Interessant aan het boek is dat alle Japanse namen en plaatsnamen consequent worden vertaald naar het Nederlands, volgens de achterflap om een ‘niet-exotisch tafereel’ te schetsen. Ik vond dat eerst een beetje gek, maar nu begrijp ik die keuze wel: Japanners worden nogal eens afgeschilderd als een soort aliens op aarde, en Japanse namen kunnen een bepaalde magische klank hebben – ik herken het laatste bij mezelf. Het vertalen van de namen werkt: de personages worden inderdaad wat minder exotisch, voelen wat nabijer aan.

Aan de andere kant: door dat vertalen kom je er ook achter wat voor gekke namen Japanners geven aan zichzelf en hun plaatsen. Zo wordt het buurtje van de schrijver (de Nieuwloofwijk) bevolkt door mensen met namen als Booreiland, Vierkanten, Zevenzeeën en In het Net.

Ik wist hier al wat van. Zelf heb ik geen zes jaar, maar wel zes maanden in Tokyo gewoond, in een buurtje net als dat van Van Heest. Naarmate ik meer van de taal leerde begon ik ook achter de betekenissen te komen van de plaatsnamen die ik om me heen zag. Zo moest ik onderweg naar de campus van mijn universiteit in Drie Rijstvelden overstappen bij Zwartoog. Zelf woonde ik in Geluksdag, in het complex Onderrijstveld. Ik kocht een gitaar in de buurt Theewater. Vrienden ontmoette ik vaak in de Bittere Vallei.

In Nederland kennen wij dat helemaal niet zo. Onze plaatsnamen zijn te archaïsch om direct een duidelijk beeld op te roepen (Den Haag), of ze zijn verbasterd (ik ben opgegroeid in Uithoorn – ‘Uithoek’). Of ze verwijzen bijvoorbeeld naar rivieren met namen waarvan we de betekenis ook niet meer weten, of ‘waterdingen’ die in ons dagelijks leven niet meer zo in beeld zijn (Amsterdam, Rotterdam, Maastricht, enzovoort). Het meest Japans klinkt nog mijn eigen buurt: Bos en Lommer. Dat past zo in het boek van Van Heest.

In Japan is de verwering van plaatsnamen door de tijd minder sterk, vermoed ik: zolang je de karakters kent waaruit de naam bestaat, kun je de betekenis ervan ontcijferen. In het Nederlands veranderen we blijkbaar de manier van schrijven als de uitspraak verandert – in Japan zou Amsterdam waarschijnlijk nog steeds Amstel-dam heten, of het zou in ieder geval zo opgeschreven zijn.

Ik kan me heel moeilijk voorstellen hoe het is om zo’n soort karakterschrift als eerste ‘schrijftaal’ te hebben. Is ons Latijnse schrift voor Japanners maar leeg en, excuus voor de woordspeling, karakterloos? Ik weet dat er in Japanse poëzie en literatuur ook wordt gespeeld met de beelden die karakters uitdrukken – dat is een dimensie die je in een Nederlandse vertaling dus nooit zal kunnen begrijpen.

Na al deze gedachten wordt Japan bijna weer wat Van Heest niet wilde dat het is – exotisch; en met een manier van omgang met taal die wij in het Westen niet kunnen begrijpen, net zoals we ons geen vierde dimensie in de ruimte kunnen voorstellen.

Laat me daarom op de valreep nog even de boeken van Sōseki Natsume aanraden: een Japanse schrijver van voor de Eerste Wereldoorlog wiens boeken geschreven zijn in zo’n heldere, begrijpelijke, moderne stijl – als je niet beter wist zou je denken dat ze een paar jaar geleden geschreven zijn – over universele thema’s, en zonder dat je het gevoel hebt dat je als Westerse lezer van alles mist. De boeken zijn onmiskenbaar Japans, maar niet exotisch. Om mee te beginnen: Kokoro en De poort.

 

Pieter Kranenborg (1994) volgt de masteropleiding Urban Studies aan de Universiteit van Amsterdam. Hij publiceerde verhalen in Tirade en Hollands Maandblad en in 2016 won hij de Hollands Maandblad Aanmoedigingsbeurs. Op 19 mei verschijnt bij Van Oorschot zijn debuut: de verhalenbundel Astronaut. https://pieterkranenborg.wordpress.com/

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Plonia Westendorp"
    Plonia Westendorp

    Plonia Westendorp (1998) is verpleegkundige en student Nederlandse Taal en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam.

  • "Foto van Jasmijn Kenselaar"
    Jasmijn Kenselaar

    Jasmijn Kenselaar studeert in de zomer van 2025 af als toneel- en filmschrijver. Het samenbrengen van mensen en het aanbieden van nieuwe perspectieven kenmerken haar signatuur. Ze schrijft veel voor en over jongeren en plaatst haar verhalen vaak in werelden die een beetje – of heel erg – verschillen van de onze. Haar eindwerk De Ongewilden is een komische, sciencefiction-dramafilm over een zestienjarige wees die zich staande probeert te houden in een wereld die niet voor haar gemaakt is. Haar afstudeerscriptie As if! is een praktijkgericht onderzoek naar hoe schrijftechnieken kunnen worden ingezet om films en series te creeëren met een positieve impact op tieners. Voor afstuderend regisseur Julija Filipović schreef ze daarnaast De Golven – een vrije bewerking van de gelijknamige roman van Virginia Woolf. Haar korte film GENIUS is in juni 2025 te zien tijdens het Rotterdams Open Doek Filmfestival.

  • "Foto van Greet Kuipers"
    Greet Kuipers

    Greet Kuipers (1962) is psychiater. Onder het pseudoniem Minke Douwesz publiceerde zij bij uitgeverij Van Oorschot twee romans, Strikt en Weg. Voor de laatste ontving zij de Opzij Literatuurprijs 2009 en de Anna Bijns Prijs 2012.