Meer dan vijftig

Ik ben geen spelletjesman, maar omdat we toch in Moncarapacho waren en die tafel er toch stond en vriendin K stralend vier stenenhoudertjes op tafel had gezet en ik graag wilde meedoen met alles wat mijn vrienden deden en het om Rummikub ging – waarvan ik me vaag de regels kon herinneren – schoof ik aan.

Al snel werd ieders spelpersoonlijkheid duidelijk en konden daar grappen over worden gemaakt, een aspect van spelletjesdoen dat ik wel weer erg waardeer. Het gaat me altijd meer om de dynamiek dan om het winnen.

Ik maakte een foto van ons met de tafel vol steentjes en stuurde die aan B, die negen jaar jonger is dan ik.

‘Ha,’ stuurde ze terug. ‘Nu ben je écht boven de vijftig.’

In het vliegtuig, op weg naar Portugal om K hier in Moncarapacho te bezoeken, had M mijn sores aangehoord. Ik liep de afgelopen jaren erg tegen dat ouder worden aan, vertelde ik haar. Niet alleen waar het mezelf aanging; de dood van mijn ouders en de aftakeling van vrienden hakten er ook in. Veel positiefs zag ik niet meer in de toekomst.

‘Ik vind het juist heerlijk,’ zei M, die vier jaar ouder is dan ik. ‘Ik weet precies wat ik kan en wil en honey I don’t give a damn als iemand het daar niet mee eens is.’

De rest van de vlucht vroeg ik me af wanneer mij ook zo’n heerlijk soort ontspanning zou gaan overkomen. In M’s woorden leken loslaten en de regie over jezelf pakken schitterend samen te gaan – dat moest haast wel heerlijk wezen.

Ik legde drie drieën neer en schoof een dertien aan een rijtje zwarte stenen, keek om me heen en concludeerde dat ik als vijftiger met drie vijftigers op vakantie was. Het voelde helemaal niet zo. Zo oud als ik vijftigers vroeger vond was ik beslist niet, toch?

De volgende ochtend namen we een bootje in Olhao en voeren naar een soort waddeneiland dat deel uitmaakt van de Ria Formosa, een natuurgebied voor de kust. De bebouwing was er laag, het licht zo fel dat je nergens lang aan kon blijven denken. Het strand bleek op deze vier vijftigers na verlaten.

We dwaalden, nu eens met zijn vieren, dan weer twee aan twee. Soms liep een van ons eventjes solo langs de branding. Ik bedacht dat dit heel mooi liet zien hoe onze vriendschap werkt: de banden zijn flexibel alle kanten op, er zit een bijna evengrote ruimte als hechtheid in ons contact. Al snel loste de felle zon ook deze gedachte op.

Ik keek over zee en beeldde me in dat ik de Noordkust van Marokko zag. De wind, die in de afgelopen dagen stormachtig had gewaaid vanuit het zuiden, was nu bijna gaan liggen. Met zachte blindenvingers onderzocht de Afrikaanse warmte mijn gezicht.

Toen we aan het einde van het eiland kwamen, op de steiger van de pont die terug zou varen, nam K een foto van ons. Vanochtend, bij het schrijven van dit stukkie, vond ik die terug.

Het lastige van foto’s is dat ze al na een paar dagen aanvoelen als herinneringen aan een heel andere tijd. Ze brengen een voorbijheid mee, die nu mijn weemoed aanslingert.

Lieve M, als je dit leest: leg me nog één keer uit hoe je dat doet, tevreden ouder worden.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

De wind

De wind komt over zee tegen de heuvel op, schudt de verdroogde vruchten uit de Alfarroba. Hard als kiezels tikken de peulen op het plaatstalen dak boven mijn hoofd. De wind is warm, Marokkaans, heeft maar een beetje water hoeven oversteken voordat hij hier mijn kleren van de waslijn blies.

Na het eerste licht stap ik naar buiten, raap een T-shirt van de grond, een trui. Ze zijn nat van de ochtendnevel, vochtschaduwen blijven achter op het plaatsje, verdampen razendsnel. Mijn kleren hang ik over de terrasstoelen voordat ik bij het grote huis naar binnen ga.

Hoe vroeg ik ook de woonkamer in kom, steeds zit Bas er al te lezen. Elke ochtend kiest hij dezelfde stoel, een luie rode bij het raam. Zijn postuur, tatoeages en kale hoofd contrasteren met de volledigheid waarmee hij in zijn boek opgaat. Hij leest met opgetrokken wenkbrauwen, alsof het verhaal in zijn handen wat zorg en aandacht nodig heeft.

‘Morgen, droomprins,’ zeg ik.

Een glimlach, sterk vergrote ogen achter de glazen van zijn bril. ‘Morgen. Zal ik koffie voor ons zetten?’

Dit zijn de uurtjes voordat onze vrienden wakker zijn. Tegen elven staat de laatste op. Er hangt een traagheid aan dit clubje die niet bij Bas en mij vandaan komt, maar waar we goed op aansluiten. Soms wordt hij onrustig, dan zijn we hem een uurtje kwijt en komt hij met de zon in zijn gezicht terug.

Zelf kook ik veel, waarin ik mijn eigen onrust kwijt kan. Vanochtend schrijf ik dit.

Hoe anders is mijn ritme hier: geen B die naar haar werk moet, geen kinderen. Niets dat me wekt voordat mijn lijf er klaar voor is – behalve de wind, die ik in mijn leven heb gekend als koud en onverschillig, woest en ziedend, als lieflijk, speels en verkoelend, maar nog nooit zó sterk als steunend heb ervaren, beloftevol en warm.

Ik denk aan mijn gezin, aan een ontbijttafel meer dan tweeduizend kilometer naar het noorden; aan Ada (8), die naar haar roze jurkje zoekt, haar hele kast leeg trekt en alles op de grond laat liggen. Ik zie Nadim (13) de trap afdalen naar de straat – de zware rugtas aan zijn schouder, zijn verende blonde haar. B ruimt de tafel af, veegt het blad schoon met een natte doek. Dan gaan de lichten uit: tijd om Aad naar school te brengen, daarna gaat B door naar haar werk.

Ik mis mijn gezin, weet ik dan. Het is fijn om mijn gezin te missen.

Hier in Moncarapacho waait het tuinhek open. Ik sta op van mijn werkplek en loop naar buiten, sluit het hek en voel dat ik het achter iets of iemand sluit. Dat wie goed oplet een voetafdruk zal zien, tussen de gevallen vruchten van de Alfarroba.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Een andere waarheid – over wetenschap en bedrog

De encyclopedie van het geluk 11

In 1912 vond een amateur-paleontoloog Charles Dawson nabij Piltdown een onderkaak en een stukje schedeldak van wat de geschiedenis in zou gaan als de Piltdownmens, of Eoanthropus dawsoni. Een mooie nieuwe stap in het uiteenrafelen van de geschiedenis van de mens. Deze had een al wat menselijke schedel en een nog wat aapachtige kaak.

De groei van kennis is een hobbelige weg. Sir Karl Poppers Logik der Forschung. Zur Erkenntnistheorie der modernen Naturwissenschaft, waaruit elke wetenschappelijk student in het eerste jaar het hoofdstuk ‘De groei van kennis’ moet lezen, heeft het over hypotheses, falsificatie en verificatie en als ik het me goed herinner het verhaal van de dokter die langzaamaan begint te begrijpen dat handen wassen het ontstaan van kraamvrouwenkoorts wel eens zou kunnen verminderen. Zo groeit kennis.

Zoals diefstal een elementaire rol speelt in de ontwikkeling van welvaart, zo doet bedrog dat in de ontwikkeling van de wetenschap.

De Piltdownmens was een hoax. Charles Dawson heeft niet lang genoeg geleefd om ontmaskerd te worden, hij stierf in 1916, maar de vondst was een kwaadaardige met opzet misleidende bedriegerij. Het schedeldak was van een moderne mens en de kaak van een Oerang Oetan. Ze waren beide bewerkt om de suggestie te wekken dat ze bij elkaar hoorden en dat ze zeer oud waren.

Ik las over dit smakelijk bedrog in een boek van Stephen Jay Gould, een van de bekendste paleontologen en evolutiebiologen. In zijn boek Hen’s Teeth and Horse’s Toes, uit de prachtige reeks Reflections in Natural History zoek hij het eens gedegen uit. En dat kan hij, als er iets opmerkelijk is aan het schrijverschap van Gould is dat hij moeilijke dingen zeer goed uitlegt en daar een ijzeren logica bij hanteert. De essays zijn stuk voor stuk argumentatiekunstwerken. In het essay ‘The Piltdown Conspiracy’ doet hij nog iets heel opmerkelijks. Gould beargumenteert – betrekkelijk dodelijk precies – dat de jezuïet en wereldberoemd theoloog en niet onverdienstelijk paleontoloog Teilhard de Chardin een elementaire rol in dit verhaal had. Teilhard was een vriend van Dawson, was aanwezig op de locaties van de vondst op de momenten dat die gevonden werd. Saillant is dat De Chardin wereldfaam verwierf met trachten het christendom en de evolutietheorie op enigerlei wijze met elkaar in samenspraak te brengen. Hij is daar vooral onder vooruitstrevende christenen zeer om bewonderd.

Misschien heeft Teilhard het toeval een tandje geholpen. Het is helaas niet onopgemerkt gebleven. De wetenschap nam haar kronkelpad naar de waarheid weer en het hele verhaal van Piltdown werd een voetnoot in de wetenschapsgeschiedenis. Racisme speelde nog een rol: juist in die vroege jaren van de twintigste eeuw waren nogal wat paleontologen die moeite hadden met de hypothese dat de moderne mens uit Afrika zou stammen, en dat we daar allemaal uit voort komen. Een honderduizenden jaren oude Brit, de Piltdownmens, kwam waarlijk als geroepen.

Mij fascineert de gedachte dat een wetenschapper een stuk bot en een tand fabriceert om een stap te zetten in de wetenschap. Dat laatste is dan niet aan de hand denk ik, je doet zoiets om een stap te zetten in jouw plek in de wetenschap. Het is een ambitie-gestuurde beslissing. De psychologie van het naam maken. Wetenschappelijk bedrog in de sfeer van hoe de sociaal psycholoog Diederik Stapel dat deed, vergt nog het opkloppen van datasets. Maar een paleontoloog hoeft alleen maar iets te vinden. Zoals de Limburger Eugène Dubois dat op Java deed met zijn schedelkapje.

Zou Dubois een voorbeeld voor Dawson zijn geweest? Dubois van een negatief van Dawson, waar Dawson eer verkreeg tijdens zijn leven en nadien gefalsificeerd werd, werd Dubois verguisd, stierf verbitterd en werd nadien zijn bevinding geverifieerd. De Javamens heeft inzicht in de paleontologie en de geschiedenis gegeven, de Piltdownmens in wetenschappelijk bedrog.

In het graf van Dawson ligt een schedel waarbinnen ooit de overtuiging heeft gewoed dat bewijs fabriceren een goed idee was. En ongetwijfeld woedde daar soms ook twijfel over. Teilhard de Chardin wilde twee in wezen onverenigbare zaken verenigen. Dan moet je je argumentatie voor elkaar zien te krijgen. Het heeft zijn faam geen kwaad gedaan: hij excelleerde uiteindelijk meer in de theologie. Hij zou zich ontwikkelen tot ene 20ste eeuwse mysticus. Dan kan er gewoon oneindig veel meer. En hoef je niets te bewijzen. Dan loop je bij tabellen en bewijzen weg.

Toen ik de geleerde astronoom hoorde,
toen de bewijzen, de cijfers, in kolommen werden tentoongespreid,
toen mij de grafieken en diagrammen werden getoond, om ze op te tellen, te delen, te vergelijken,
zat ik in de collegezaal: hoorde de astronoom die een lezing gaf met veel applaus,
onverklaarbaar overviel vermoeidheid me en ik voelde me niet lekker,
totdat ik opstond en naar buiten zweefde, wegdwaalde, alleen
de mystieke vochtige nachtelijke lucht in, en van tijd tot tijd,
keek ik in volmaakte stilte omhoog naar de sterren.

Walt Whitman

Tijs Goldschmidt Rechtop Over denken, graven en schrijven van Eugène Dubois
Stephen Jay Gould, Hen’s Teeth and Horse’s Toes, Further Reflections in Natural History

Naar Larousse 12

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Schrijvers

Mijn eerste boekenbal begon als de meest ongemakkelijke ervaring van mijn leven. Mijn verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit was net verschenen, en op een lyrische recensie* was vrijwel meteen een negatieve** gevolgd.

Had ik nu een boek geschreven vol “verhalen die steeds opnieuw verrassen, waarin de taal zindert en leeft en waarmee Van der Loo zich in één klap op de kaart van het Nederlandse literatuurlandschap neerzet”, of schreef ik verhalen die “zo gewild geconstrueerd zijn dat effect uitblijft.”

Zoals mijn Eindhovense grootmoeder in de jaren ’70 zo mooi kon zeggen: it had been an emotional rollercoaster. En nu stond ik hier in de rij voor de Stadsschouwburg met een kaartje op naam van een schrijver wiens naam me niets zei. Ik kende geen enkel gezicht in de rij, wist zeker dat ik van geen enkele auteur daar binnen een boek gelezen had.

Mensen begroetten elkaar uitgelaten, wild. Een man in smoking liep tegen me op en wilde me omhelzen om het goed te maken. Pas toen hij me alweer aan mijn lot had overgelaten besefte ik dat hij een Bekende Schrijver moest zijn omdat zijn gezicht zelfs mij bekend voorkwam. Zijn naam kreeg ik niet helder. Zo zou het binnen dus ook de hele tijd gaan. Hoogstwaarschijnlijk zou me aan de deur gevraagd worden Reve te citeren.

Ik zou mijn geheugen afschrapen, iets mompelen over een matroos. Ik zou falen en heengezonden worden.

Toen ik bijna bij de ingang was overwoog ik om te keren. Ik werkte nog als kok bij Rijsel, Le Hollandais en Toscanini – op al die adressen kon ik nu aan de bar gaan zitten, een glas wijn drinken en iets eten, blijven hangen tot de nazit, waar ik omgeven zou zijn door vrienden en bekenden. Wat deed ik mezelf aan, hiero.

Binnen was het heel warm en iedereen leek dronken. Ik zag Gustaaf Peek en complimenteerde hem met Ik was Amerika, dat ik toevallig net gelezen had als onderdeel van mijn Nederlandse inhaalslag. Guus deed aardig, maar zou duidelijk geen houvast bieden voor de rest van mijn avond. Ik doolde en kwam niemand van mijn uitgeverij tegen.

Uiteindelijk werd ik gered door Yvette en Oof, die ik uit de horeca een beetje kende. Kookboekenschrijvers mochten blijkbaar óók naar het Boekenbal. Ik kreeg een gin-tonic en daarna nog een, werd voorgesteld aan culinair-uitgever Miriam en danste een tijdje met haar. Ook ik werd dronken; geleidelijk liet de angst dat iemand me om mijn favoriete zin van Vestdijk zou vragen me los.

Hier waren, besloot ik een paar uur later terwijl ik vanaf het balkon op de meute neerkeek, meer dan duizend mensen die dezelfde belabberde carrièrekeus gemaakt hadden als ik. Die bereid waren jarenlang álles te geven om nauwelijks boeken te verkopen en op straat niet herkend te worden. Hoe ongemakkelijk ik me ook voelde in deze nieuwe wereld: dit Grote Ding hadden we gemeen.

Met elke literaire avond die ik daarna bezocht breidde mijn netwerk zich uit, en schrijvers zijn onmiskenbaar mijn mensen gebleken. Ze zijn neurotisch, vaak grappig en soms vilein. Ze zijn slim en kwetsbaar en houden met heel hun hart van hun eigen boeken en die van zeer specifieke anderen.

Ik ben inmiddels dol op schrijvers en ken er best een hoop, wat helpt op boekenfeestjes.

___________________________________________________

* Sonja de Jong

** Daniëlle Sardijn

Op de foto: schrijvers Richard De Nooy, Rob Waumans en Gerbrand Bakker.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

De vlinder

Ik ben zes jaar oud en zit naast mijn moeder in de auto – dit is een Brabants leven, in een heel andere tijd. Het oranje van mijn judoband heeft dat verzadigde, horend bij de kleurenfoto’s uit mijn jeugd.

Het is spitsuur in het dorp, of wat men in die jaren spitsuur noemt. Mijn moeder werkt haar gele Kever slingerend door het verkeer, tot een bestuurder voor ons zonder op te letten een parkeervak uitdraait. 

‘Gódverdomme,’ schreeuwt ze, leunend op de toeter. Voetgangers blijven staan en kijken naar ons. ‘Ongelóóflijk súf konijn!’

Haar felblauwe ogen, dat koperrode haar dat vlamt in het middaglicht. Onderin mijn moeder brandt een vuurtje en ik ben nooit bang om me daaraan te branden. Mijn moeder is een superheld, een draak, een tijger. 

Ik heb me laten vertellen dat ze als twintiger op tafels danste bij de kunstclub waarvan ze lid was. Ik heb me laten vertellen dat ze dat ook deed als er niet per se een feestje was. Ze kon aan alles vorm geven. In klei, potlood, houtskool, olieverf – vast ook in aquarel, maar dat vond ze iets voor wijven.

Dat schelden, dat dansen, dat dingen moeten maken. Ik ken dat heel erg goed.

Omdat ze streng was op haar eigen kunst, is er niet veel bewaard gebleven, maar ik herinner me het werk dat in haar ateliertje hing in de periode na het overlijden van haar broer. Steeds weer die cirkel van het leven: baby’s in peulen, uitgroeiend tot kinderen die zaaiden, kweekten en oogstten tot ze na tientallen seizoenen zelf geoogst werden en terugkeerden naar de aarde. 

Als moeder vond Ine zich tekort schieten, en het is waar dat ze vaak in bed lag als ik thuiskwam van school. De gordijnen dicht, haar hoofd zo diep in het kussen dat ik over haar heen moest hangen om haar aan te kunnen kijken. Ze deed haar ogen dan een beetje open en straalde naar me, maar niet teveel, omdat zelfs innerlijk licht de migraine verergerde. 

Ik zorgde voor haar en voelde me een hele man. Zoveel mogelijk appeltjesthee in de pot, omdat méér van iets wat je lekker vond in mijn ervaring altijd beter was. 

‘Wat lief,’ fluisterde ze. ‘Zet die maar op het nachtkastje.’ 

Als een tijger ziek is, dan breng je thee en haal je een grote stapel Suske en Wiske’s, waarmee je heel voorzichtig op de rand van haar bed gaat zitten. Hele dagen brachten we door in de schemerige kamer met het eikeltjesbehang. 

Nooit voelde ik me aan mijn lot overgelaten. We waren samen, ook als ze ziek was. Ik had de beste verjaardagen, met een trein van peperkoek, versierd met gekleurd glazuur en Smarties. Samen met mijn vader zette ze enorme speurtochten uit, met figuranten, spelletjes en hindernissen onderweg. 

Toen mijn moeder werd opgenomen vanwege aanhoudende ellende in haar buik, geloof ik dat het me te moeilijk werd. Ik was acht jaar oud en kon niet zoveel van iemand houden terwijl haar lijf haar in de steek liet. Mijn oma overleed ook in die tijd – ik leerde dat ziekenhuizen de mensen niet altijd beter maakten. 

Ik bouwde, geloof ik, een beetje afstand in. 

Elke griep pakte ze mee. Zo lang ziek zijn is uitputtend, en de vacht van mijn tijgermoeder glom steeds minder, leek niet meer in de hens te staan wanneer de zon haar raakte. Toch klaagde ze nooit.      

Vijftien jaar geleden kreeg ze kanker, die werd behandeld, maar later terugkeerde. Ze werd geleidelijk doof en zelfs nagenoeg blind. Voor vrijwel alle medicatie bleek ze allergisch.

Er moet teleurstelling zijn geweest, woede, maar ze schold al lang niet meer in het verkeer, en niet alleen omdat ze te slecht zag om nog auto te rijden. Ze werd steeds stiller, maakte haar wereld zo klein mogelijk en hoopte op verbetering. Dat heeft me gefrustreerd en ontroerd: haar vertrouwen dat het op een dag weer goed zou gaan.     

Bijna vijfentwintig jaar lang woonden mijn ouders in een bungalow in Hilversum, niet ver van een bospad met een bankje aan het einde, dat uitzag over velden van Staatsbosbeheer. Je kon er de mooiste zonsondergangen zien, maar hun rondjes door het bos werden steeds kleiner en het leven verstilde almaar door. Toch: op elk feestje en elke verjaardag, op elke boekpresentatie waren Jos en Ine er.

Kort voor het overlijden van mijn vader in 2023, werd duidelijk dat Ines kanker was uitgezaaid. De klappen waren hard en kwamen kort opeen – we namen afscheid van Jos en de omvang van mijn moeders hulpeloosheid werd snel duidelijk. Ze was vel over been en schuifelde bij het lopen omdat ze de grond niet meer kon zien.

‘Leg me eens uit,’ zei ze, ‘hoe je nou een rekening betaalt.’

Ze wilde weg uit het huis aan de bosrand. Jos was er te afwezig. Wonder boven wonder vond ik een appartementje bij ons aan de overkant van de gracht. Mijn moeder was er trots op om zolang het haar gegund was een nieuw hoofdstuk te beginnen. 

In haar laatste twaalf maanden namen we haar vier keer mee op vakantie. Ze vond haar weg bij het OLVG en een nieuw soort chemo leek aan te slaan. B en ik probeerden Ine tot bewegen aan te zetten, waarop ze ons als bemoeizuchtige ouders de laan uit stuurde.

Wat wij niet goed zagen: dit nieuwe hoofdstuk op zich was al genoeg. Een plekje voor haarzelf, dicht bij ons in de buurt. Bij ons eten wanneer dat kon, en om de dag bezoek. 

Maar om de dag werd elke dag, werd twee keer en daarna drie keer per dag. Ines ziekte kwam met nieuwe en nog veel kwadere uitzaaiingen. Een laatste chemo werd nog aangeboden, maar mijn moeder zei nee.

‘Als het zover komt,’ zei ze, ‘dan wil ik er zelf uitstappen.’ 

Ik bracht haar wilsverklaring naar de huisarts. Het kwam zover, en zoveel sneller dan ik had gedacht. 

Ze twijfelde niet, al moest ik haar na het eerste bezoek van de arts uitleggen dat het onhandig is om iemand die je doodswens komt inschatten te vertellen dat je zo veel plezier beleeft aan je familie en je plaatsje in de zon.

‘Ik wil jullie nog lang niet kwijt,’ zei Ine. ‘Maar ik voel echt dat het klaar is.’ 

Ik hoorde geen angst onder haar woorden, geen enorm verdriet dat ze voor ons verborgen hield. Ze zei het zoals je zou kunnen zeggen dat je slaap hebt, of dorst. Ik bedacht dat dit moest zijn wat dieren voelen als ze naar een stil plekje kruipen om daar dood te gaan. 

Hoewel ik het haar vaak gevraagd heb, had ze geen lijst met laatste wensen. Pas toen het einde echt in zicht was, zei ze dat ze nog graag een keer naar Artis wilde, met de kleinkinderen.  

We gingen, Ine in een rolstoel. Ze vond vooral de leeuwen prachtig. We kochten pluchebeesten voor Ada en Nadim. Ik vond het maar verdrietig dat zoiets gewoons haar allerlaatste wens moest zijn, en besefte meteen dat ik precies hetzelfde op mijn laatste dag zou wensen. 

Toen we door de vlindertuin liepen, werd B’s oog getrokken door een schitterend groot exemplaar. De medewerker van dienst vertelde dat die beesten zonder mond hun pop uit komen – ze kunnen dus niet eten, en leven maar één dag. 

Die avond, toen we Ine hadden afgezet en terug waren in ons eigen huis, zei B dat ze het verschrikkelijk gevonden had, die vlinder. Zonder mond je leven te beginnen en dan maar één dag te krijgen. Hoe kwámen ze erop.

Ik moest daar nog even over denken, en zoals vaak als ik meen even over iets na te moeten denken, vergat ik die hele vlinder onmiddellijk. Pas een dag later kwam hij plotseling bij me terug: wat B had gezegd, dat hoefde niet te kloppen. 

Wij mensen zien vlinders altijd als het volgroeide organisme, maar je kunt óók denken dat de rups – die zeker wel een mond had – het leven vertegenwoordigt. Dat zo’n vlinder feitelijk het glorieuze einde van zo’n leven is. Een korte fase, vlak voor de dood, waarin een onopvallend rupsje uitbarst in kleur en zelfs nog vliegt. 

Op negenentwintig mei was het zover; de aangekondigde dood waartegen ik zo sterk had opgezien, bleek een zegen. Toen ze ging, had ik mijn moeder alles gezegd wat ik had willen zeggen. 

Om halfzes lieten we de huisarts binnen. 

Ine zat tussen B en mij in op de bank, we hadden onze armen om haar heen. 

‘Weet je het zeker?’ vroeg de huisarts. 

‘Ja,’ zei mijn tijgermoeder luid en duidelijk. ‘Het is tijd.’ 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

‘Call me trimtab’ – over eigenzinnig bouwen

De encyclopedie van het geluk 10

In een van haar recente interviews vertelde Halina Reijn dat de wereld er zo anders uit zou zien als vrouwen meer voor het zeggen hadden, ze noemde bijvoorbeeld dat veel meer huizen rond gebouwd zouden worden. Dat vind ik interessant. En een reden temeer om te hopen dat haar wensen uitkomen. Vanwaar die eeuwige stijve symmetrie van rechte vormen?

Ik heb alleen geleefd
voor koppige symmetrieën van de kunst,
die onbeduidendheden samenweeft

schrijft Borges in een vertaling van Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer. Wat is nou eigenlijk de logica van die overheersende bouwvorm? In de eerste plaats natuurlijk zou je zeggen het dictaat van het bouwmateriaal. Een boom is recht, een plank is recht. Maar aan de andere kant kunnen we ook al eeuwen hout buigen voor een scheepsvorm die het water klieft. Een steen kun je ook met een ronding bakken, of ze rond plaatsen, zoals in de Amsterdamse School veel gebeurt. Percelen laten zich misschien het makkelijkste in rechte stukken verdelen. Daar ga je al. De grootste reden voor rechtbouw moet de angst voor verlies aan ruimte zijn. Alles wat je tegen een gekromde muur zet, werkt ruimteverlies in de hand. Aan de andere kant heb je minder bouwmateriaal nodig voor een gelijk vloeroppervlak. De Hakka in Zuid China maakten Tulou, ronde bouwwerken die hun vorm vooral ontleenden aan het gegeven dat ze makkelijker te verdedigen waren. Kasteeltjes willen ook wel eens een beetje die vorm opgaan, of anders toch zeker de slotgracht. De Native American Tipi, en de Mongoolse Yurt ontlenen hun vorm deels aan de beperkingen in aanwezig materiaal, maar vooral aan het gegeven dat ze mobiel moeten zijn, makkelijk af te breken en op te zetten en licht in gewicht. Daarbij is de ronde vorm goed voor de distributie en het behoud van warmte. Dat geldt dan weer speciaal voor de Inuit iglo. Mijn echte diepe bewondering gold de eerste keer dat ik in het Pantheon in Rome was: een koepel, maar ook nog een open koepel, waardoor je regen binnen, en zonlicht krijgt. Prachtig! In Pushkar in India sliep ik eens in een paleisje van een gewezen maharadja en het was een van de weinige ronde ruimtes waarin ik verbleef. Heel fijn: een koepel boven het bed verruimt het denken.

Maar ik zat aan iets ruimers te denken. De Geodetische koepel.

‘Een geodetische koepel kan worden gemaakt door een al dan niet regelmatig veelvlak zodanig in driehoeken te verdelen dat alle zijvlakken driehoekig worden en het geheel op een bol of halve bol gaat lijken. Er zijn verscheidene ontwerpen voor zulke koepels. Neem bijvoorbeeld een regelmatig twaalfvlak, met twaalf vijfhoekige zijvlakken. Verbind het middelpunt van elke vijfhoek met de hoekpunten van die vijfhoek en trek het naar buiten tot het raakt aan de omgeschreven bol van het twaalfvlak. U hebt dan een veelvlak met zestig driehoekige zijvlakken: een eenvoudig voorbeeld van een geodetische bol. Door op soortgelijke manier die zijvlakken in meer driehoeken onder te verdelen, kunt u de bolvorm nog verder benaderen.’ Met driehoeken kun je een bol bouwen.

‘De eerste echte geodetische koepel is door de Duitse ingenieur Walther Bauersfeld ontworpen voor een planetarium in het Duitse Jena, dat in 1922 voor het publiek werd opengesteld. Tegen 1950 vond de Amerikaanse architect R. Buckminster Fuller (1895-1983) onafhankelijk daarvan ook de geodetische koepel uit en kreeg daar Amerikaans patent op. Het Amerikaanse leger was zo onder de indruk dat het hem de leiding gaf bij het ontwerpen van koepels voor militair gebruik. Behalve de sterkte van de constructie waren de koepels gewild omdat ze een grote inhoud paarden aan een klein grondoppervlak, weinig materiaal vergden en weinig warmte verloren. Fuller zelf woonde een deel van zijn leven in een geodetisch huis en stelde vast dat het door de lage luchtweerstand beter bestand was tegen orkanen. Fuller bedacht zelfs het ambitieuze plan een geodetische koepel met een doorsnede van 3,2 kilometer en een hoogte van 1,6 kilometer over heel New York heen te bouwen, zodat het weer er kon worden geregeld en de bewoners beschermd zouden zijn tegen regen en sneeuw!’ Zelf woonde Buckminster Fuller eveneens in een koepelhuis.

Boeiend figuur: op zijn graf staat: ‘Call me trimtab,’ een verwijzing naar een citaat van hem waarin hij uitlegt dat je als mens eveneens een trimtab kunt zijn: een klein element aan een vliegtuig of boot dat met geringe inspanning, omdat het op de juiste pek geplaatst is het ding van richting kan doen veranderen. Denk aan de flappen op de vleugels van vliegtuigen. Een optimistische beeld: je kunt ertoe doen.

Mijn ideaal zou zijn, licht gelijkend op de bolwoningen van Dries Kreijkamp, een geodetische koepel op een sokkel waardoor je binnenkomt. De onderste helft is dicht, de bovenste helft is transparant voor voortdurend zicht op de sterrenhemel of wolkpartijen. Slapen in de onderste helft, wonen in de bovenste. De ronde vorm geeft wind weinig houvast. maak een variant die gaat drijven als het water stijgt. Een woonkamer centraal, opgebouwd rond de warmtebron. In het grootste huis waar ik woonde zat ik vreemd genoeg altijd in een heel klein keukentje met zicht op de gracht en een straatje. De heel ruime woonkamer was meer iets voor ijsberen, een van de verrukkelijkste avondactiviteiten. Wanneer ik grote ruimtes zie dan denk ik onmiddellijk aan hun geweldig ijsbeerpotentieel, nooit aan het plezier er te zitten. Ook een kleine koepel geeft zicht op veel groots. Het is mijn ideale huis. Rondijsberen levert vast nog betere inzichten op.

“Where thou art — that — is home.” — Emily Dickinson

Nog meer technische voordelen aan rond bouwen.

Geciteerd uit: Clifford A. Pickover Het wiskunde boek. Van Pythagoras tot de 57ste dimensie, 250 mijlpalen in de geschiedenis van de wiskunde.
Alain de Botton De architectuur van het geluk , vertaling Jelle Noorman

Boeken waarin een huis centraal staat

William Trevor The Story of Lucy Gault
Elizabeth Jane Howard The Cazalets
George Perec Het leven een gebruiksaanwijzing

Naar Larousse 11

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Zoeken

    Zoeken

    ’s Ochtends vroeg: we staan achter het hek en speuren door verrekijkers het weiland af. Het perceel lijkt ongemoeid, straks de boer maar even bellen wat zijn plannen ermee zijn. Er zitten kieviten op. Twee dofferts – mannetjes – duikelden zopas even door de lucht en streken erop neer. Vorige week vonden we al een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Roeien – een liefdesverklaring

    Roeien – een liefdesverklaring

    De encyclopedie van het geluk 30 Ik heb veel nagedacht over de activiteit van het roeien. Gewoon omdat ik veel geroeid heb. En als de mederoeiers de bovenmenselijke goedheid hebben even te zwijgen is er ruimte voor denken. Laatst vertelde ik er iemand over.  Ik roeide op een sloep uit het begin van de eeuw....
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Milo van Bokkum"
    Milo van Bokkum

    Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.

  • "Foto van Sem van de Graaf"
    Sem van de Graaf

    Sem van de Graaf (2002) schrijft absurde verhalen die uit de bocht vliegen en toch een sterke moraal communiceren. Zijn werk is komisch, vervreemdend en oprecht.Hij studeert af van Writing for Performance aan de HKU met het lange filmscenario ‘Een stoel, de dief en Elske’ en zijn onderzoek ‘Handen’. Verder schrijft hij toneel voor verschillende groepen, waaronder zijn eigen collectief ‘bröd’ waarmee hij met de gelijknamige voorstelling in Zaal 3 stond. Zijn VHS-korte films stonden op het Rotterdams Open Doek en het Gouds Filmfestival, waar hij de prijs won voor Beste Film Jong Talent.

  • "Foto van Bibi Roos"
    Bibi Roos

    Bibi Roos studeert in 2025 af van de opleiding Writing for Performance aan de HKU en is de eerste in de reeks Tiradeblogs van afstudeerders. Ze schreef een scriptie over schaamte en humor en maakt daarnaast als Funny Bergman de explosieve solo ‘Ik ben Funny’, waarmee ze deze zomer op de Parade staat. Ze maakt het liefst werk over Bijzonder Vreemde Personen en Dingen en is entertainer, winnaar en performer in vele opzichten.
    (portret: Lin Woldendorp)