Metafiziese jazz

Hoe kan toch muziek opklinken uit tekst? Er zijn musici of componisten die je leert kennen doordat een schrijver of dichter over ze schrijft. Ik leerde Robert Schumann pas echt kennen door de gedichten van Erik Menkveld. Haruki Murakami’s Kafka on the Shore bracht Beethovens Ghost Trio in mijn afspeellijsten. Ik heb letterlijk honderden keren Mozart’s Requiem gedraaid nadat ik las dat Jean Genet eigenlijk altijd Mozarts Requiem luisterde als hij schreef. (Dat is nog eens iets anders dan Vestdijks stofzuiger. Arme ziel.) Het Ave Verum ken ik als zo velen van Bij nader inzien, van Voskuil. Met dichtgeknepen neus te citeren: ‘Moeten we nu altijd dat verdomde Ave Verum draaien?’

In Jonathan Coe’s The Rotters Club speelt The Lark Ascending van Vaughn Williams een rolletje. Het was de eerste keer dat ik überhaupt van die componist hoorde. Een belangrijke ontdekking voor mij was door de proloog van James Agee’s A Death in the Family (knap vertaald door Nele Ysebaert en door van Oorschot uitgegeven: lees dat boek) de dromerige proloog heet Knoxville, summer of 1915 en is geweldig getoonzet door Samuel Barber, de grote Amerikaanse componist, die je waarschijnlijk verder alleen kent van het grote adagio for strings dat op de begrafenis van Kennedy gedraaid werd, en eigenlijk op elke belangrijke begrafenis in de VS daarna.

‘Eric Dolphy’ is de titel van een gedicht van Campert. Toen ik het las kende ik de artiest niet. Nadat ik het gelezen had heb ik jarenlang Dolphy gedraaid, en ik doe dat op dit moment ook. Het gedicht staat in Campert Compact.

Niet omdat Campert de kwaliteit van zijn muziek in dat gedicht beschrijft, overigens:

Het staat vast
dat alle mensen sterven
maar van alle mensen het eerst
de jazzmusici

[…]

Dolphy bleef in Europa, zoals hij zijn kameraad Charles Mingus had gemeld, maar niet omdat zoals hij zei hij wat teleurgesteld was in Amerika, maar omdat hij in een stomme diabetische coma geraakte, die mogelijk door de Berlijnse artsen voor een overdosis werd aan gezien. Tragische levens, Dolphy werd 36. (Luister bijvoorbeeld zijn Feathers, van Out There eens, of eigenlijk gewoon die hele LP steeds weer…)

Campert en jazz is misschien bijna een cliché. Maar de uitvoering van zijn ‘Lamento’ met het kwartet van Benjamin Herman van afgelopen dinsdag in de Rode Hoed  zal niemand daar aanwezig licht vergeten. Ik zag mensen met tranen op de wangen.

Hier een eerdere uitvoering:

Hier gebeurt iets. Iets als bij Paul van Ostaijen, een van Camperts grote voorbeelden: bijna Metafisieze jazz

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Een dochter

Petra met de krulletjes lichtte ons voor over de laatste weken, en zoals altijd als B en ik bij de vroedvrouw zijn bekroop een loden slaperigheid me: een zware jas die zich tot aan mijn neus dichtritste.

Mijn benen wogen elk een ton en als ik niet zo sloom geworden was door de warmte in de groenpastellen ruimte had ik me zorgen kunnen maken over de draagkracht van de IKEA-stoel waarop ik zat.

B luisterde aandachtig. Ik begrijp niet hoe ze dat opbrengt, helemaal omdat je van de vroedvrouw altijd een A4-tje meekrijgt waarop exact staat wat ze je net heeft verteld. Terwijl ze voorlicht verwijst ze er al naar.

‘Maar dat staat ook allemaal op het formulier dat ik jullie straks geef,’ zegt ze dan.

En ik, beklemd door mijn steeds verder vernauwende bewustzijn, denk: Geef hier, dat ding. Dan kunnen we allemaal naar huis.

Gelukkig was Nadim mee, die meestal als een kleine satelliet van zijn vader precies datgene doet wat ik zou willen doen, maar niet kan vanwege de slopende sociale wenselijkheid van alles. In dit geval was het: me keer op keer met een aanloop op een kevervormige poef werpen tot B het me verbood, en daarna uit wraak de stethoscoop van de vroedvrouw gappen.

Na een eeuwigheid brak het moment aan dat het allemaal goed maakt: we mochten het hartje van onze dochter horen. Haar hartje klinkt als het begin van een vijfenveertigtoerenplaat waarin twee krassen vlak opeen zitten. Steeds verwacht ik muziek.

Wie ben je, denk ik dan. Naar wiens hart luister ik hier?

Ik heb altijd een dochter gewild. Heb er zelfs nooit rekening mee gehouden dat ik een zoon zou kunnen krijgen. Inmiddels draait Nadim alweer vijf jaar met B en mij mee, en is hij iemand gebleken die ik nooit had willen missen.

We namen afscheid van Petra met de krulletjes, en ik vroeg me af waarom ik me zo gruwelijk onvoorbereid voel voor het krijgen van een dochter. Alsof dit mijn eerste kind gaat worden.

Alsof ik voor een volle zaal in moet vallen bij een mij onbekende band, en de muziek op het punt staat te beginnen.

__________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verschijnt zijn nieuwe roman Het jasje van Luis Martín.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Jij bent echt zo iemand die…

H. zag eruit als iemand die altijd pijn had, ik denk dat hij altijd pijn had. Hij rook naar marihuana en hield zich vast aan dingen; tafels, de rand van een bar, zijn fiets. Muren. Hij lachte veel en graag maar nooit hard of lang. Waar zit het, vroeg ik me af, zijn het zijn botten, is het zijn hoofd? Maar vragen deed ik het niet, dat doe je niet, zeggen dat iemand eruit ziet alsof hij altijd pijn heeft. Bovendien kende ik hem helemaal niet. We kwamen elkaar gewoon af en toe tegen en dan zeiden we ‘hallo’ en gingen we ons weegs, ik heb ‘m al jaren niet gezien omdat ik verhuisd ben.

Ik herinner me de keer dat iemand tegen mij zei dat ik eruit zag alsof ik me teveel zorgen maakte. Dat klopte, maar hoefde niet noodzakelijk verbaal benadrukt te worden, de volgende zin die mijn gesprekspartner uitte was uiteraard ‘heb je wel eens aan yoga gedacht’ en daarna ‘ik ken een goede psycholoog’ en vervolgens heb ik me dagenlang zorgen gemaakt over het feit dat mensen vinden dat ik eruit zie als iemand die zich teveel zorgen maakt.

Ook leerde ik dat ik eruit zie als een veganist, een ‘radicaal lesbienne’, een typische kleuterleidster, een anorexiapatiënt, een jongen, een ballerina, een slet, een hippie, een christen, een arrogante bitch, als iemand die te onzeker is, een Turk, een Française, een knaagdier (meerdere malen overigens, deze doet een beetje pijn), de stagiaire, de mooiste vrouw van de kroeg, de lelijkste chick van Amsterdam Zuid-Oost en omstreken.

Needless to say maak ik me tegenwoordig niet meer zoveel zorgen als iemand zegt dat mijn uiterlijk hem/haar doet denken aan galleriehoudsters of crackhoeren (ik maak een uitzondering voor dat knaagdier, wat is dat toch), maar wel vraag ik me vaak af wat mensen toch beweegt tot het mededelen van zo’n eerste observatie. Ergens in je kindertijd wordt je toch geleerd dat het niet oké is om midden in een gesprek ineens te roepen ‘jij bent zeker al honderd jaar!’ of ‘waarom steekt er een haar uit je kin!’?

‘Dat overkomt vrouwen vaker dan mannen,’ zei een vriendin een keer over dit euvel. Is dat zo? Een tijd geleden vroeg ik aan mannen of zij dit ook ervoeren, dat mensen bijvoorbeeld tegen ze zeggen dat ze er echt uitzien als een ratje (godverdegodver) of een, weet ik veel, houthakker en ze gaven geen antwoord maar zeiden dat ik me niet druk moest maken om dat soort dingen, en dat doe ik helemaal niet, ik ben er inmiddels verwonderd over, maar denk wel dat vrouwen iets te vaak horen dat ze zich druk maken terwijl bij mannen automatisch aangenomen wordt dat ze ergens een interesse voor hebben opgevat (slag-om-arm-alarm).

Enfin, gisteren zag ik H. ineens voorbijkomen, in een andere stad nog wel. Hij liep veel rechter op dan ik me kon herinneren en de scherpe lijnen rond zijn mond waren zachter. Bijna had ik hem op zijn schouder getikt en gezegd: man, wat zie je er goed uit, wat is er met jou gebeurd.

Wat natuurlijk even erg was geweest, zo niet erger, dan wanneer ik hem vroeger in het voorbijgaan had gevraagd of hij altijd pijn had, en waar dan.

Gelukkig werd ik gered door het feit dat ’t H. niet was, ik zag dat net op tijd, liet vlak achter zijn rug met mijn hielen een rubberspoor op de stoep achter en trippelde in een soepele beweging even een zijstraatje in, waar ik me verschool in een muizenhol.

roos-van-rijswijk-foto-irwan-droog-kleinRoos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

"Foto van Roos van Rijswijk"
Roos van Rijswijk

Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Therapie (I) – shut the fuck up, you middle aged something or others

In het eerste seizoen van de legendarische MTV realityserie The Osbournes gooit Sharon Osbourne een hele ham en een aantal bagels, zo hop, over het hek, de tuin van de buren in. Sharon vindt dat hun muziek te hard staat. Na een kort gesprek aan de deur – “shut the fuck up, you middle-aged something or others” – lijkt het gooien van voedsel voor de vrouw van heavy-metal legende Ozzy Osbourne de enige oplossing. Sharon neemt een aanloopje en werpt. Ze is klein, haar lichaam is knokig en beschikt over kippenkracht, maar na die aanloop liggen de ham en de bagels wel op het gazon van de mensen die naast hen wonen. De camera volgt de hele beweging, zoomt uit, zweeft het hek over, zoomt in op de bagels en de ham. Er wordt terug gesneden naar het gezicht van Sharon. Ze haalt haar schouders op en zit even aan haar kortgeknipte, rood geverfde haren.

*

We hebben bier en wijn op. De Brusselse kroeg is rumoerig. Mensen dansen op oude R&B hits. De barman knipt de lichten aan en uit op het ritme van de muziek. Donker, licht, donker, licht. De mensen juichen. Ik ben een weekend in Brussel met leeftijdsgenoten. Afgelopen zomer waren we twee weken op schrijfresidentie in Parijs. Mijn verkering is net uit en ik wil mijn ouders er de schuld van geven. Zoals ik ze al jaren de schuld geef van de rommel die ik maak.
‘Ben je in therapie,’ vraagt een collega-schrijver met wie ik aan tafel zit.
‘Nee,’ zeg ik, ‘ik geloof er niet in.’
Ik pluk aan mijn bierviltje.
‘Ik ga wel. En soms huil ik dan gewoon heel veel.’
‘Ik huil niet,’ zeg ik, ‘ja, soms. Onder de douche.’
‘Je schrijft niet veel over persoonlijke dingen.’
Ik schud mijn hoofd, zeg dat ze ongelijk heeft en sla gecontroleerd met mijn vuist op tafel. Ze kijkt me aan of ik een aangereden hert ben. Mijn keel is droog. We bestellen meer bier, we drinken om te kunnen praten.

*

Als ik denk aan mijn schrijven in combinatie met mijn ouders, denk ik aan Sharon Osbourne en het moment dat zij die ham over de schutting gooit – de bagels was ik alweer vergeten, die heb ik moeten Googelen. Ik gooi, zij zijn de ham. De buren het publiek. Het is onvermijdelijk dat er een keer een verhaal verschijnt waarin mijn vader en moeder een grote rol spelen. Voor mij als onderzoekend schrijver is er een onontgonnen goudmijn aan informatie en feitelijkheden. Ik voel het aan alles. Hun ontmoeting is prachtig: mijn vader opent stiekem de deur van de kroeg voor mijn moeder, die eigenlijk niet meer naar binnen mag; ze beginnen samen een antiquariaat dat de eerste economische crisis niet overleeft; mijn vader verliest zijn vader als hij vierentwintig is, een avond na de finale van de Champions League.

laundramat-neon

Je zou de ham van Sharon kunnen zien als metaforische vuile was. En die vuile was, is dan het schrijven over mijn ouders. Een gebied met een groot hek eromheen, een Area 51, geblurred op Google Maps. Maar, om maar antwoord te geven aan mijn collega-schrijver: als ik achter mijn bureau zit en schrijf, zie ik de verhalen waarin mijn ouders voorkomen gewoon als de kleren zelf. Ik ben bang, maar op hetzelfde moment onbevreesd om over hen te schrijven. Anekdotes en situaties worden stukken stof die ik aantrek om vervolgens mee naar buiten te lopen, de straat op. Ondergoed, een jeans, een blouse en een bomberjack; ik toets ze in de wereld waarin ik rondloop, waarin ik iets te vertellen wil hebben. Ik houd de gebeurtenissen tegen het licht. Het zijn kledingstukken waarin ik zweet, waar ik eten op mors, waarin ik me comfortabel of ongemakkelijk voel. Er komt een extra laagje op naarmate ik ze draag, ze zich perfect om mijn lichaam wikkelen. Wat niet lekker zit, laat ik in de kast liggen. Als ik de kleren uittrek, ontdoe ik me van de verbinding tussen mijn lichaam en de stof. Ik loop weg van mijn bureau. Ik print de tekst uit. Ik kijk naar de kleren als ik ze in de machine doe. Ik zie hoe het textiel ronddraait tussen het water en het wasmiddel. Ik zie hoe alles weer schoon wordt. Mijn schrijven is in iets wonen, iets dragen en er dan van een afstand weer iets afhalen. De redactie is de wasbeurt. Ham gooien, strak in de camera kijken en mijn schouders ophalen. Dat is therapie.

—-

lisa-weedaLisa Weeda (1989) schrijft, maakt literair programma bij Mooie Woorden in Utrecht, is co-host bij de literaire podcast Ondercast, geeft les en workshops. Haar werk verscheen onder meer in Das Magazin, De Titaan, op De Optimist en Hard//Hoofd. Lisa is onderdeel van het Slow Writing Lab, het talentenprogramma van het Nederlands Letterenfonds. In november verschijnt haar chapbook ‘De benen van Petrovski’ bij Literair Productiehuis De Wintertuin.

Foto: Masha Bakker

Joseph Mitchell 3/4, briefje aan Roos van Rijswijk

Dag Roos,

Omdat je zo vriendelijk was je enthousiasme over het  Mitchellomslag te delen, en omdat  je behoort tot de Club Van Mensen Met een Vogel op Haar Boek zal ik je iets vertellen over dit exemplaar. Hij kwam tot mij in een stapel vogelafbeeldingen, aangeleverd door de vormgevers van Pink Pony Express.  Na lang zoeken heb ik de fotograaf te spreken gekregen. Nu blijken er een paar dingen heel erg toevallig te zijn: Andrew Garn, de fotograaf woont op de hoek van McSorley’s Saloon in New York, dat dus nog steeds bestaat. Desgevraagd stuurt hij een paar foto’s. (zie eentje onder) Maar opvallender is het volgende: deze duif leeft nog, heet Fido, en woont bij een gezin dat zorgt voor 35 verweesde duiven. Het opvallende aan Fido is dat hij liever loopt dan vliegt. Hij kan vliegen, maar heeft besloten dat het gewoon niet helemaal zijn manier van transport is.

Dit is dus een zeer wonderbaarlijke vogel.

De reden dat Garn duiven fotografeert in de stad is dat hij meent dat ‘It’s easy to photograph something that is already considered beautiful, like a flower in a meadow, but harder to focus on something that is seen everyday.’

2
McSorley’s een paar dagen terug…

Daarmee heeft hij wonderlijk genoeg misschien wel de kortste samenvatting van de overtuiging van Mitchell gegeven – de eeuwige wandelaar door de stad. Ook Mitchell kijkt goed naar dingen die niet op het eerste gezicht prachtig zijn, maar weet er de kleur in te ontdekken. Een ander opvallend aspect aan Fido, onze Mitchellduif schijnt zijn gevoel voor komedie te zijn, iets wat je wel ziet als je naar zijn portret kijkt, vind ik.

Een zeer considerabel toeval is dus dat Fido, de duif die toch wat random op het omslag belandde, zelf een New Yorker is, uit de buurt van McSorleys komt, en waarschijnlijk de enige wandelende duif op aarde is…

‘De kruimels zijn voor duiven bestemd; net zoals veel andere excentriekelingen is Gould een duivenvoerder. Hij is verknocht aan een zwerm die zijn hoofdkwartier heeft ingericht op en rondom het standbeeld van Garibaldi op Washington Square. Die duiven kennen hem. Als hij aan komt lopen en op de sokkel van het standbeeld gaat zitten, fladderen ze naar beneden en gaan op zijn hoofd en schouders zitten, en wachten ze tot hij zijn zak met kruimels tevoorschijn haalt. Sommige heeft hij namen gegeven. ‘Kom maar, Boss Tweed,’ zegt hij. ‘Een dame in Stewart’s Cafetaria heeft haar volkorentoast vanochtend niet helemaal opgegeten, en toen ze naar buiten liep, heb ik die, bingo, speciaal voor jou van haar bord gegrist. Hallo, Grote Boesem. Hallo, Dikbuik. Hallo, Lady Astor*. Hallo, Johannes de Doper. Hallo, Polly Adler. Hallo, Fiorello, ouwe bok, hoe gaat ’t met jou, vandaag?’

(uit: McSorley’s wonderbaarlijke saloon, vertaling Dirk-Jan Arensman, te verschijnen eind  oktober)

Nou ja, dat moest ik je dus even schrijven.

hartelijke groet,

Menno

 

(de stukjes 1 en 2 over Mitchell lees je hier en hier)

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Een vriend

In het Vondelpark sloot mijn zoontje een onmiddellijke vriendschap met Miles, een net zo blonde jongen van dezelfde leeftijd. Na een paar tellen begonnen de twee een hut te bouwen in de bosjes, en waren Miles’ vader en ik aan elkaar overgeleverd.

We knikten naar elkaar. Ik gaapte. Met een licht Engels accent – ik wist niet dat dat kon – vroeg hij hoe ik sliep.

‘Kort,’ zei ik. Hij lachte en stak zijn hand uit, die ik schudde.

‘Paul,’ zei Miles’ vader.

Ik keek naar B, die met Otis de Hond op een kleedje in de schaduw van een eik lag en een comfortabele houding probeerde te vinden. Sinds ik Nadim en Miles gevolgd was had ze zich al vier keer omgedraaid. Begin november krijgen we een dochter, B en ik. Krijgt Nadim een zus.

‘Papa!’ jubelde hij vanuit de struiken. ‘Ik heb een vriend gemaakt!

Het raakt me altijd zo: dat gebrek aan reserve. Een vrijheid die als vliegen moet voelen.

De herfstzon reikte door de bladeren van de eik, strooide lichtvlekken op mijn overhemd. Paul en ik keken naar onze zoons en ik voelde wat vaders voelen als ze kijken naar hun samenspelende zoons: het was alsof Paul en ik ook speelden. Onder het gesprekje dat zich ontvouwde lag een gemak dat normaal alleen bestaat tussen mannen die elkaar al heel lang kennen, die samen kind zijn geweest.

Ik liep naar B om twee flesjes frisdrank uit de tas te halen toen Nadim schreeuwde en begon te huilen. Omdat het geluid vanuit dichte bosjes kwam zette ik het op een rennen, zoekend naar een ingang. Voordat ik die gevonden had kwam Paul te voorschijn met takjes in zijn haar en mijn jongen in zijn armen. Ik bedankte hem en inspecteerde Nadim. Het bleek mee te vallen. Onze zoons aten Gummiberen. Paul kwam even kletsen met B en mij, en ik durfde niet te vragen of hij nog eens met me wilde spelen. Of hij mijn vriend wilde zijn.

___________________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verschijnt zijn nieuwe roman Het jasje van Luis Martín.

 

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Gilles van der Loo"
    Gilles van der Loo

    Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

  • "Foto van Ida Blom"
    Ida Blom

    Ida Blom schrijft proza en essays. Haar werk verscheen op papieren helden.

  • "Foto van Sem van de Graaf"
    Sem van de Graaf

    Sem van de Graaf (2002) schrijft absurde verhalen die uit de bocht vliegen en toch een sterke moraal communiceren. Zijn werk is komisch, vervreemdend en oprecht.Hij studeert af van Writing for Performance aan de HKU met het lange filmscenario ‘Een stoel, de dief en Elske’ en zijn onderzoek ‘Handen’. Verder schrijft hij toneel voor verschillende groepen, waaronder zijn eigen collectief ‘bröd’ waarmee hij met de gelijknamige voorstelling in Zaal 3 stond. Zijn VHS-korte films stonden op het Rotterdams Open Doek en het Gouds Filmfestival, waar hij de prijs won voor Beste Film Jong Talent.